LITERATUURSOCIOLOGIE

Inleiding
Reader-response criticism
Pierre Bourdieu

Inleiding
Literatuursociologie onderzoekt de maatschappelijke context waarbinnen literatuur onstaat en functioneert en baseert zich hierbij op sociologische theorieën. Centraal staat de vraag hoe literatuur functioneert als een vorm van sociale interactie. Het onderwerp van literatuursociologie zijn dus de personen die betrokken zijn bij het creëren, produceren en consumeren van literatuur – de auteur, de uitgever, de redacteur, de lezer, de criticus, de literatuurwetenschapper etc. – en hun onderlinge relaties. Vragen die hierbij aan bod komen zijn:

Literatuursociologie wordt meestal gebruikt om te verwijzen naar critici die voornamelijk (en soms exclusief) geinteresseerd zijn in de manier waarop de inhoud en de vorm van een literair werk beinvloed worden door sociale omstandigheden zoals de klasse, gender, of politieke overtuiging van de auteur, de dominante ideologie, de economische positie van het schrijversvak, de mechanismen rond de publicatie, promotie en distributie van literatuur, en/of de klasse, normen en waarden van het publiek waartoe de auteur zich richt. Literatuursociologie is niet geinteresseerd in de literaire tekst als esthetisch object, maar in literatuur als een specifieke vorm van menselijk handelen die nadrukkelijk geplaatst wordt in de bredere maatschappelijke context.

Literatuursociologen zien het literaire werk als onherroepelijk geconditioneerd door de sociale, politieke en economische organisatie van de maatschappij en het tijdperk waarin het werk geschreven, gepubliceerd en gelezen wordt. De nadruk ligt dus vooral op de context van de tekst en op de manier waarop deze context in de tekst naar voren komt. Sommige vormen van de Marxistische literatuurwetenschap (zie Ideologiekritiek) en de feministische literatuurwetenschap (zie Gender/Queer studies) kunnen gezien worden als vormen van literatuursociologie. Nog duidelijker is deze relatie bij het Reader-response criticism.

Zie verder:
Ø The Johns Hopkins Guide to Literary Theory and Criticism à Book History + Anthropological Theory and Criticism
Ø Wendy Griswold, “Recent Moves in the Sociology of Literature” Annual Review of Sociology 19 (1993): 455-467

Reader-response criticism
Het reader-response criticism is een lezer-georienteerde literatuurtheorie die opkwam in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Het centrale kenmerk van deze theorie is dat de tekst een vorm van communicatie is en dat de lezer daarom niet passief een betekenis uit de tekst in zich opneemt, maar actief betrokken is bij de interpretatie van de tekst (de lezer ‘maakt’ als het ware de tekst). De belangrijkste namen binnen het reader-response criticism zijn de Duitse literatuurwetenschappers Wolfgang Iser (1926-2007) en Hans Robert Jauss (1921-1997) en de Amerikanen Jonathan Culler (*1944), Wayne Booth (1921-2005), Stanley Fish (*1938) en Norman Holland (*1927).


Hans Robert Jauss

De verschillende reader-response critics proberen allemaal op hun eigen manier deze actieve rol van de lezer te definieren en niet alle vormen van reader-response criticism vallen onder de literatuursociologie. Reader-response critics die de nadruk leggen op de manier waarop de rol van de lezer in de tekst geintegreerd is en door de tekst gestuurd wordt (Jauss noemt dit de werking van de tekst) worden niet gerekend tot de literatuursociologie omdat ze vooral naar de tekst zelf kijken en niet zozeer naar de maatschappelijke context. Reader-response critics die de nadruk leggen op de specifieke inbreng van de lezer in de tekst (door Jauss de receptie van de tekst genoemd) besteden wel uitgebreid aandacht aan de invloed die de klasse, gender, ethniciteit en opleiding van een lezer heeft op zijn of haar interpretatie van de tekst en bedrijven daarmee een vorm van literatuursociologie.

Zie verder:
Ø The Johns Hopkins Guide to Literary Theory and Criticism à Reader-Response Theory and Criticism + Reception Theory
Ø Jane P. Tomkins, Reader-Response Criticism: From Formalism to Post-Structuralism (1980)

Pierre Bourdieu
De Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002) is een van de invloedrijkste cultuursociologen en zijn werk is ook voor de literatuurwetenschap van groot belang.


Pierre Bourdieu

Bourdieu’s begrip sens pratique (praktische kennis) verwijst naar de constitutie en reproductie van sociale ordeningsstructuren en hierarchieen die volgens hem vooral steunen op praktijken van onderscheid (distinction) waarbij bepaalde groepen een hogere positie innemen niet alleen omdat ze rijker zijn in economische zin, maar ook omdat ze gezien worden als in het bezit van meer smaak. Smaak is, net als een academische opleiding, kennis van kunst en literatuur en deelname aan bepaalde activiteiten zoals golf, schaken, bridge, museumbezoek, concertbezoek etc., een teken van cultureel kapitaal en dit is volgens Bourdieu net zo belangrijk voor het bepalen van iemands sociale positie als economisch kapitaal (een arme schrijver of kunstenaar kan bijvoorbeeld wel een hoge sociale positie innemen, terwijl er in veel maatschappijen vooroordelen bestaan tegen de nouveaux riches, die wel geld hebben maar volgens sommigen geen smaak).

Sens pratique houdt dus het besef in van hoe we ons moeten gedragen in een bepaalde sociale positie en dit besef is niet aangeboren maar aangeleerd en wordt volgens Bourdieu vaak alleen overgebracht in elitaire scholen en universiteiten zodat een grote groep mensen uitgesloten wordt van de hoogste sociale klassen omdat ze de verfijnde omgangs- en gedragsvormen niet beheersen. Bourdieu’s theorie is net als de theorie van Marx een theorie over klassenstrijd, maar hier spitst de strijd zich niet toe op economische productieverhoudingen, maar op sociaal-culturele kennis.

Bourdieu ziet de maatschappij verder als verdeeld in verschillende sociale velden, die allemaal een eigen sens pratique veronderstellen. Het literaire veld is één van deze velden en binnen dit veld is cultureel kapitaal dominant (om een hoge positie in dit veld in te nemen is het belangrijker om een goede smaak op literair gebied te hebben en uitgebreide kennis van de canon dan om rijk te zijn). Bourdieu is niet geinteresseerd in de esthetische waarde van teksten, maar in hun waarde in termen van cultureel kapitaal – het lezen van Hamlet is dan waardevoller dan het lezen van Bridget Jones’ Diary niet omdat Hamlet inhoudelijk superieur is, maar omdat aan deze tekst cultureel een hogere waarde wordt toegedicht. Literatuur is volgens Bourdieu een manier om onderscheid aan te brengen in de maatschappij en het literaire veld is onderhevig aan specifieke regels waaraan alle partijen zich moeten houden als ze effectief in het veld willen functioneren.

De strijd tussen verschillende literaire genres, stromingen of literatuurtheoretische benaderingen gaat volgens Bourdieu niet om de vraag welk(e) genre, stroming of benadering objectief het beste is, maar om de vraag uit welk(e) genre, stroming of benadering op een bepaald moment het meeste culturele kapitaal te slaan is. Binnen de literatuurtheorie was dat bijvoorbeeld op een bepaald moment het New Criticism, later het poststructuralisme en momenteel wellicht de postkoloniale kritiek. Het beroep van literatuurwetenschapper is dus, net als elk ander beroep, onderdeel van een bepaald veld waarin iedereen een positie inneemt en zich van deze positie en de regels die deze positie bepalen rekenschap zou moeten geven.

Essentieel in dit opzicht is de vraag wie of wat er in het literaire veld buitengesloten wordt: Welke boeken tellen niet mee in termen van cultureel kapitaal? Welke schrijvers worden niet gepubliceerd? Met welke motivatie kopen lezers bepaalde teksten (om ze werkelijk te lezen of om ze in de boekenkast te zetten als teken van smaak)? Welke literatuurbenadering leidt voor een literatuurwetenschapper niet tot een baan bij een universiteit?

Zie verder:
Ø Pierre Bourdieu, Distinction: A Social Critique of the Judgment of Taste (1984)
Ø Pierre Bourdieu, The Field of Cultural Production: Essays on Art and Literature (1993)
Ø The Johns Hopkins Guide to Literary Theory and Criticism à Bourdieu, Pierre