Adri Markus

Drukken

De Gysbreght van Aemstel bestaat niet

Over verschillen in de tekstuitgaven van het treurspel

 

 

Stand van zaken

In 1987, het jaar dat ‘Vondel’ jubileerde, schreef Spies een artikel[1] waarin zij naging wat er zoal over Vondel geschreven of onderzocht was. Ze deed daarbij enkele suggesties voor zinvol onderzoek en noemde ook de drukkerskant van de zaak. De toenmalige ‘analytische bibliografie’ - een door Hellinga vanuit Engeland geïntroduceerde onderzoeksmethode - concentreerde zich teveel op de fondsen van uitgevers/drukkers en richtte zich niet voldoende op de schrijvers, vond Spies. Voor Hellinga ging het erom ‘teksten te bewaren en de herleving ervan door onderzoek en voorlichting voor te bereiden’. Daartoe diende de hele historische dimensie van een tekst opengelegd te worden. Zouden wij het ‘feitenaanbod’ van de Gysbreght weer ‘verstaan’ zoals het indertijd gefunctioneerd had, dan - kunnen we toevoegen - zou de breuk tussen publiek en Gysbreght vanzelf wel verdwijnen[2]. Het was Spies’ vermoeden dat, wanneer Boekwetenschap zich op de auteur in plaats van de uitgevers/drukkers zou richten, er meer bekendheid kon komen over de rol van drukkers/uitgevers in de ontwikkeling van Vondels dichterschap.

Hoewel veel onderzoek is gedaan naar Vondel en zijn werk, kregen de drukken van de dichter slechts incidenteel aandacht. Het voor deze site relevante onderzoek naar de Gysbreght is van Oey-de Vita en dateert van 1973. Zij onderzocht de bij Blaeu uitgegeven Gysbreghts van 1637 en 1638, naar aanleiding van de kwestie of er toentertijd op gezag van de predikanten in de toneeltekst geschrapt was of niet en kwam tot een opmerkelijke conclusie. Ook constateerde zij dat er sprake was geweest van een correctie op de pers in de editie van 1637, met betrekking tot de aanspreektitel van Hugo de Groot in de opdracht voorafgaande aan het spel. Zij publiceerde haar bevindingen in Spiegel der letteren, waar twee jaar later een reactie op kwam. Het artikel van Van der Blom – waarin hij voornamelijk ingaat op de kwestie rond de aanspreektitel van De Groot - wordt in de huidige literatuur niet meer aangehaald, wel verwees Spies er in het bovengenoemd artikel in een noot naar.

Eveneens in 1987 verscheen van Schuytvlot een catalogus bestaande uit een opsomming van Vondeluitgaven (tot 1801) die in de UB van Amsterdam aanwezig zijn. Van een eeuw daarvoor dateert Ungers bibliografie van de werken van Vondel. Hoewel Ungers werk alle respect verdient, viel er -  honderd jaar na dato - ook genoeg op aan te merken aldus Gerritsen die een inleiding op de catalogus schreef. Hierin geeft hij waardevolle informatie met betrekking tot de Vondeldrukken. Unger miste accuratesse en volledigheid[3]. In een aantal artikelen gaat Gerritsen op deze materie in en draagt kwesties aan die ook voor de Gysbreght van belang zijn. In ‘Honderd jaar Unger – Wat nu?’wijst hij op de problemen waar een Vondelbibliograaf voor komt te staan en vraagt zich af hoe heden ten dage een samenstelling van een Vondelbibliografie mogelijk zou zijn[4]. Een goede bibliograaf ziet zich tot doel het maken van een ideale beschrijving van het boek en hij zal daartoe alle bekende exemplaren in het onderzoek moeten betrekken. Dat dit in geval van de Vondeldrukken minder simpel is dan wordt voorgesteld, kan worden afgeleid uit het feit dat er tot op heden geen bibliografie van Vondel verscheen. Ook in ‘De eerste druk van de Palamedes’ geeft Gerritsen waardevolle informatie over de gang van zaken in de drukkerswereld. Diverse edities, waarvan sommige binnen een jaar verschenen, leveren problemen op voor de onderzoeker. Het valt moeilijk vast te stellen welke de eerste druk was en er blijkt te veel onzekerheid over talrijke exemplaren met betrekking tot hun jaar van ontstaan. Zo constateerde Gerritsen dat van de vier edities van Palamedes, het exemplaar gedateerd 1626 eerder gedrukt moet zijn dan de drie andere exemplaren met het jaartal 1625[5]. En zo zijn er - ook van de Gysbreght – talrijke uitgaven verschenen vermoedelijk ver na het op het titelblad genoemde jaar van ontstaan. Voor de bibliograaf komt het er allereerst op aan de drukgeschiedenis te reconstrueren. Hij zal daarbij analytisch te werk moeten gaan. Bestudering van het typografisch materiaal, gebruikt papier en de wijze waarop verschillende teksten in een verzamelband zijn ingebonden zijn, aldus Gerritsen, een manier om die geschiedenis in kaart te brengen. Een dergelijk onderzoek is van belang voor de tekstediteur, die daar alleen maar zijn voordeel mee doet.

Er heeft in het verleden al enig onderzoek naar wijzigingen in Vondels Gysbreght plaatsgevonden. Van Lennep zag zich ten doel dit toneelstuk in oorspronkelijke staat her uit te geven en vermeldt in zijn Vondel dl. III dergelijke veranderingen in de toneeltekst. Ook de van 1927 daterende WB-uitgave van Vondels werken[6] wijdt uitgebreid aandacht aan de wijzigingen. Daarin wordt eveneens aangegeven hoe bepaalde drukken met elkaar in verband staan. Ook Albach schrijft in zijn in 1937 verschenen Driehonderd jaar Gysbreght van Aemstel over de veranderingen waaraan het drama door de tijd heeft blootgestaan, belangrijke gebeurtenissen worden vermeld, jaargangen genoemd. Zo’n invloedrijke gebeurtenis is in 1669 de oprichting van Nil Volentibus Arduum, die vernieuwing op het gebied van theater invoert als gevolg waarvan Vondels werk uit de gratie raakt. Men begint in de tekst te schrappen teneinde meer speelbaarheid te creëren. Lia van Gemert wijdt in Nederlandse Literatuur, een geschiedenis een hoofdstuk aan Vondels Gysbreght, waarin zij een kleine geschiedenis geeft van dit zo vaak ‘omstreden’ toneelstuk. Zij rept daarin ook over wijzigingen in het toneelstuk die kenbaar werden in de sterk verkorte toneeluitgave van 1729. Pas in 1876 keert men weer terug naar de vertolking van de oorspronkelijke tekst op het toneel. Tot slot de teksteditie die Smits-Veldt in 1994 uitgaf. Ook zij maakt melding van veranderingen waaraan de Gysbreght als tekst blootstond.. Ter verantwoording van haar editie gold de WB-uitgave, welke refereert aan Blaeus eerste uitgave van 1637. Zij geeft geen argumenten voor die keuze[7]. Vanuit de literatuur kunnen we dus het een en ander over de wijzigingen in de toneeltekst te weten komen, maar deze kennis kan nog worden uitgebreid. De UB van Amsterdam heeft een mooie collectie drukken van de Gysbreght vanaf 1637, die afgezien van de gegevens in de Vondelcatalogus, nog niet bibliografisch beschreven is en dat is voor verder onderzoek naar Vondels dichterschap wel van belang[8].

 

Inleiding en vraagstelling

Dat de Gysbreght niet bestaat, is geen nieuws. Meer onderzoekers hebben melding gemaakt van de wijzigingen binnen die tekst. Toch is het gaande het onderzoek interessant om te zien hoe deze tekst onder de handen van zetters en bewerkers zoal aan veranderingen blootstond. Maar wat is het doel van een onderzoek naar de drukken van de Gysbreght en hoe kan dit worden bereikt?

Simpel gezegd kan door een verkregen inzicht in de veranderingen binnen Vondels gedrukte tekst van de Gysbreght, de geschiedenis daarvan worden samengesteld. Dit inzicht ontstaat door verschillende edities met elkaar te vergelijken. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen wijzigingen die door Vondel zelf gemaakt werden en wijzigingen die ontstonden in de drukkerij als gevolg van de (soms foute) werkzaamheden aldaar. Naast voornoemde wijzigingen hebben ook de theatermakers invloed uitgeoefend op de tekst. Elk van deze verschillende oorzaken van wijzigingen is eigenlijk een onderzoek op zich. Vondel wijzigt zijn tekst en dat heeft consequenties voor de edities die volgen. Bekeken kan worden in hoeverre Vondel wordt nagevolgd, dus hoe de wisselwerking is tussen de schrijver en de drukkers/uitgeverswereld. De (onbedoelde) wijzigingen, ontstaan tijdens het drukproces, hebben ook gevolgen voor latere edities. Zo ook de inbreng van theatermakers, die in de loop der tijd hun draai aan het drama gaven. Door de wijzigingen te traceren en met andere drukken in verband te brengen, ontstaat een overzicht van de drukgeschiedenis van de tekst. Dit overzicht maakt duidelijk welke tekst een drukker voor zich had bij het drukken van zijn uitgave. Op deze manier kan wellicht zichtbaar worden hoe los of hecht de relatie schrijver en drukker/boekverkoper/uitgever was. Ook kan het inzicht geven in hoe de gebeurtenissen rond het toneel van invloed waren op de handel en wandel van de drukker/boekverkoper/uitgever.

Er is zo hier en daar wel onderzoek gedaan naar de drukken van Vondels teksten. In het geval van de Gysbreght zijn dat op boekwetenschappelijk gebied de bevindingen van Oey-de Vita. Ook de literatuur over andere Vondelwerken biedt waardevolle informatie, zoals de inleiding die Gerritsen schreef voor de Vondelcatalogus van Schuytvlot. Daaruit blijkt ondermeer dat er nogal wat hapert aan de informatie die de bronnen zelf te bieden hebben. Wat op de voor ons belangrijke titelpagina vermeld staat, is vaak niet de realiteit, zoals onder het kopje ‘Stand van zaken’ al bleek. Er zijn tal van valkuilen. Het nog oppervlakkige onderzoek als dit tracht allereerst een lijn te vinden in de verscheidene edities en hoopt daarmee inzicht te krijgen in de wereld van drukkers/uitgevers rondom de schrijver. Daarbij moet worden bedacht dat wij slechts over exemplaren beschikken. Dit onderzoek beperkt zich ook nog eens tot exemplaren aanwezig in de UB van Amsterdam.

Allereerst de edities van 1637 en 1638, waar al zoveel om te doen is geweest, maar waarover nog altijd nieuwe vragen kunnen rijzen. Over het schrappen in de tekst geeft Oey duidelijkheid, maar hoe zit het met de variantenkwestie van de aanspreektitel voor Hugo de Groot en in dit verband de edities van 1659 waar Vondel wijzigingen in aanbrengt? En is de editie van Hartgersz uit 1638 een roofdruk, of valt daar nog meer over te zeggen? In 1641 verschijnt de Gysbreght bij boekverkoper Dirck Cornelis Houthaeck, gevolgd door een editie in 1650, die ook bij Abraham de Wees te koop wordt aangeboden. In datzelfde jaar verschijnt er nog een editie. Dit althans doet het titelblad vermoeden, maar in hoeverre kunnen we daar van op aan? Bij Jan Bouman wordt vervolgens vijf jaar later een nieuwe uitgave gesignaleerd. Ook een drietal edities van 1659 - bij de weduwe De Wees verschenen - roept vragen op. Was er zoveel vraag naar het toneelstuk of is er iets anders aan de hand? Feit is dat Vondel met deze uitgave zijn tekst opnieuw herziet, althans dat is wat de titelpagina aangeeft. Bij Barendsz Smient verschijnt een editie in gotisch lettertype, waarvan het jaar voorlopig is gesteld op 1664[9], maar valt daar meer over te zeggen? Dan zijn er nog de uitgaven van 1661 en 1662, respectievelijk verschenen ter druckerye van Kornelis de Bruyn en bij boekverkoper Michiel de Groot. Van 1699 zijn twee verschillende exemplaren bewaard gebleven; zij verschenen bij Joannes de Wees. En weer is het de vraag of het hier gaat om twee afzonderlijke uitgaven, of is er iets anders aan de hand?

Het jaar 1669 is belangrijk vanwege het ontstaan van het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum dat, vanwege nieuwe opvattingen over toneel, moeite heeft met Vondels werk en drastische wijzigingen aanbrengt. Het genootschap krijgt meer en meer invloed op het theater. De voorstellingen zijn voornamelijk Frans-classicistisch en Vondels werk is volledig op de achtergrond geraakt. Zijn Gysbreght wordt gezuiverd van ‘aanstotelijkheden’ en dat houdt in dat alle gebeden worden geschrapt, als ook enkele reien en de tekst wordt, als gevolg van het schrappen, hier en daar aangepast. Andries Pels, een schouwburgregent, was zeer tegen de christelijke toonzetting van de Gysbreght, vooral het bidden op het toneel kon hij niet waarderen[10]. De vraag is of en hoe de veranderende toneelopvatting zichtbaar wordt in de Gysbreght, te meer daar in 1699 de Gysbreght gewoon als voorheen en dat wil zeggen in de vorm van 1659, verschijnt. In 1681 worden de heren van Nil uit het bestuur gezet. Van de periode 1669 tot 1699 is in de UB geen drukwerk beschikbaar. Wel noemt Unger verschenen edities, ook zijn er diverse exemplaren met het adres van de drukker/boekverkoper (Otto Barentsz Smient te Amsterdam, Pieter vander Veer te Utrecht, de weduwe J. van Egmont te Amsterdam), maar zonder vermelding van jaartal bewaard gebleven en blijkt, zoals gezegd, lang niet altijd het op de titelpagina vermelde jaartal betrouwbaar. Volgens Albach zou het zeer waarschijnlijk zijn dat al omstreeks 1680 - direct na Vondels dood - de vele veranderingen zijn aangebracht, die dan gedurende de achttiende eeuw en de eerste helft van de negentiende eeuw in gebruik zijn geweest[11].

De editie van 1729 markeert dit onderzoek, omdat in dit jaar de leestekst van de Gysbreght wordt gelijkgetrokken met de gespeelde tekst, zoals die al jaren in de Schouwburg werd vertolkt. In een uitgebreide verantwoording ‘Aan den Leezer’ wordt de nieuwe uitgave toegelicht en vanaf dan staat deze tekst model voor alle herdrukken die nadien verschijnen. Dat laatste althans volgens Unger, maar is het ook zo? De tekst van 1729 is naast die van 1637 geplaatst, waardoor het verschil visueel gemaakt wordt. [Zie Bijlage II]

Die tekst van 1637 is ontleend aan de teksteditie van Smits-Veldt van 1994 en ook hierover rijzen vragen. Want waarom maakt zij gebruik van de uitgave van 1637, terwijl Vondel deze om te beginnen in 1638[12], maar meer nog in 1659, herzien heeft? Op grond waarvan kiest de tekstbezorger zijn of haar basistekst?

Een onderzoek naar de drukken van de Gysbreght heeft voeten in de aarde. Het is bij een dergelijk onderzoek niet eenvoudig om een rechte koers te houden, aangezien haast wel in elk exemplaar een wereld van problemen schuilgaat. Voor je het weet, verliest je aandacht zich in het detail en weet je uiteindelijk niet meer wat het uitgangspunt van je onderzoek behelsde. Beperking is hier van belang. We volstaan met een greep uit de teksten die ten tijde van en nog zo’n krappe vijftig jaar na Vondels overlijden zijn uitgebracht. Aan Vondels kritische houding ten aanzien van zijn teksten en de veranderingen op toneelgebied wordt in dit onderzoek enige structuur ontleend en aan de hand van voornoemde jaartallen kan zo het (voorlopig) onderzoeksgebied worden afgebakend.

Onderzocht wordt hoe de verschillende drukken zich onderling verhouden en hoe hun chronologisch verband is. Het onderzoek bestaat uit het vergelijken van de exemplaren. Aan de hand van een aantal reeds bekende verschillen, maar ook verschillen die tijdens het vergelijken naar voren kwamen, kan een voorzichtig idee van de drukgeschiedenis gevormd worden. Bekende verschillen, die ter vergelijking gebruikt werden zijn: de ondertekening van de opdracht aan De Groot met ‘uwe E.’ of ‘uwe Exc.’ en het vijfmaal gebezigde ‘uwe Exc.’ in de opdrachtbrief (1637-1638) dat in 1659 verandert in viermaal ‘uwe Exctie’ met als subscriptio ‘uwe E.’. ‘Hongersnood’ in versregel 148 in 1637 wordt ‘watersnood’ in 1638 en weer ‘hongersnood’ in 1659. Andere wijzigingen in 1659: de aanhef van de opdrachtbrief wordt ‘Den edelen Heer’ in plaats van ‘Den Heere’. Het Voorspel is nu gericht ‘Aen Schout, Burgemeesters en Wethouders’. De laatste regel van het Voorspel wordt in plaats van ‘In d’yszee drijft en dwaelt’ nu: ‘Door ’t Ys naer Indus dwaelt’. In Spreeckende Personagien wordt Broer Peter nu Heer Peter genoemd, verder vervalt de aanduiding Stomme. De tekst van Rafaël in het Vijfde Bedrijf wordt aan het eind met vier regels uitgebreid. Waar nodig werden exemplaren nader gecollationeerd. De drukgeschiedenis is min of meer schematisch in beeld gebracht. De bekeken exemplaren bevinden zich alle in de bibliotheek van Amsterdam, andere exemplaren zijn niet in dit onderzoek opgenomen. Dan dient nog vermeld dat op lang niet alle vragen die rond deze materie rijzen hier en nu kan worden ingegaan. Dit onderzoek moet ook gezien worden als een eerste begin, zoniet een avontuur.

 

De uitgaven van 1637 en 1638

Blaeu versus Hartgersz

Er verschenen gedurende deze jaren in totaal drie uitgaven van de Gysbreght van Aemstel. Twee edities bij de firma Blaeu, een in 1637, de ander in 1638. Daartussen kwam bij boekverkoper Joost Hartgersz. ook een editie uit. De tweede editie bij Blaeu werd, zoals op het titelblad stond te lezen, door Vondel zelf verbeterd en aangevuld.

I.V.Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergang van zijn stad en zijn ballingschap. Trevrspel. Vrbs antiqua ruit. [ houtsnede en tekst Indefessvs agendo] t’Amsterdam, By Wilhelm Blaev. [1637 in romeinse cijfers]. [UBA Vdl 8 C 3]

Fingerprint: 163704 -1b A2 ,en: 2b I2 a,t

 

I.V.Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergang van zijn stad en zijn ballingschap. Trevrspel. Vrbs antiqua ruit. Door hem self verbetert en vermeert. [houtsnede met tekst: Indefessvs agendo] t’Amsterdam, By Wilhelm Blaev, 1638. [UBA O 63-166]

Fingerprint: 163804 - 1b A2 cht$;$ : 2b H3 ch$ma

Typografisch materiaal: initiaal M   3, 7 x 3,7 cm koning en soldaten

 

I.V.Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergang van zijn stad en zijn ballingschap. Trevrspel. Vrbs antiqua ruit. gespeelt op de Amsterdamsche Kamer den 4 Iannuarij. 1638. [vignet: wapen van Amsterdam] t’Amsterdam, [hor. lijn] Voor Ioost Hartgertsen Boeckverkoper, woonende inde Gasthuyssteech by ’t Stadthuys. 1638. [UBA Vdl 1 D 29]

Fingerprint: 163804 – 1b A2 $ver: 2b G te

 

Vondel was kritisch op zijn werk; daarvan getuigen de minuscule correcties die hij aangaf bij de  hernieuwde uitgaven en ook uit de wijze waarop hij zijn teksten omwerkte[13]. De uitgave van de Gysbreght van1638 bevatte kleine verbeteringen ten opzichte van die van 1637. Beide uitgaven werden bij Blaeu gedrukt. Aangezien er rond de opvoering van dit toneelstuk van kerkelijke zijde nogal wat opschudding veroorzaakt was, heeft men wel aangenomen dat er flink in de tekst geschrapt is, teneinde het spel toch te kunnen vertonen. Oey-De Vita bewees dat dit niet het geval is geweest. Zij onderzocht de beide uitgaven van Blaeu en constateerde dat de predikanten geen invloed hadden op de tekst. Het drukwerk van 1637 en 1638 bleek voor een gedeelte zelfs uit hetzelfde zetsel te bestaan en dat moest betekenen dat de tweede editie vrij kort na de eerste gedrukt werd. Want de in lood gezette pagina’s werden gewoonlijk niet bewaard, omdat dit teveel lettermateriaal in beslag nam en het werk in de drukkerij daarmee alleen maar zou stagneren[14].

Tussen de twee uitgaven van Blaeu heeft Joost Hartgersz. nog zijn druk van de Gysbreght gerealiseerd[15]. Hartgersz volgde de redactie van 1637. Dit kan worden afgeleid uit veranderingen in Blaeu’s drukwerk van 1638, welke niet bij Hartgersz voorkomen. Waarschijnlijk werd deze tekst zonder correctie door Vondel gedrukt en wellicht buiten zijn medeweten, dat althans is wat Oey aanneemt[16]. De editie van Hartgersz zou daarmee een nadruk zijn van Blaeu, een roofdruk anders gezegd. Maar het drukwerkje roept wel vragen op, die wellicht niet alleen een andere kijk op de drukgeschiedenis van de Gysbreght geven. Ook het tot nu toe gevormde idee van de geschiedenis van de opvoering zou anders kunnen zijn.

Opvallend is de datering van dit drukwerk. Op het titelblad prijkt de datum van de uitvoering: 4 januari, één dag na de opening van de schouwburg. Wat kan Hartgersz hebben bewogen tot het doen verschijnen van dit drukwerk? Zag hij een gat in de markt door alle commotie die er rond het toneelstuk was ontstaan? Voor Blaeu zou het drukwerk van Hartgersz een reden zijn om haast te maken met de tweede druk, die door Vondel was gecorrigeerd en bedoeld was aan het publiek van de schouwburg verkocht te worden. Voor de firma dreigde concurrentie[17]. Maar waarom werd deze uitgave van Hartgersz gedateerd en die van Blaeu niet? Zou het niet voor de hand hebben gelegen de datum van 3 januari op het titelblad van het toneelstuk te plaatsen? Juist omdat het nota bene speciaal ter gelegenheid van die opening geschreven was? Of vond de opening op 4 en niet op 3 januari plaats?

 

3 of 4 januari

Er is inderdaad wat onzekerheid over die datum. Oey pleit voor de derde januari en baseert dit op de rekening van de schouwburg, waarin de boekhouder tot tweemaal toe, zowel bij de uitgaven als de ontvangsten, 3 januari als datum van opvoering noemt. Tweemaal een foutieve datum vermelden, zou een wat wonderlijke vergissing zijn[18]. Maar Vossius schrijft in een brief aan Grotius, gedateerd de 6e januari, over de uitvoering die eergisteren heeft plaatsgevonden en dat is 4 januari. Oey kan niet verklaren waarom er zowel in de brief van Vossius, als op de titelpagina van de editie Hartgersz sprake is van die andere datum en laat het daarbij. Ook voor Vossius en Hartgersz geldt dat het wonderlijk is dat zij allebei dezelfde vergissing maken. Er zou eventueel wel een verklaring voor te bedenken zijn. Bijvoorbeeld dat Vossius, tijdens het schrijven van zijn brief, het gedrukte exemplaar van Hartgersz. voor zich had en zich daardoor vergiste. Maar iets van dien aard kan men ook voor de ‘boekhouder’ bedenken. Al vergist hij zich enkele dagen later weer wanneer hij op 5 januari de derde voorstelling vermeldt en daaraan toevoegt dat het die dag Driekoningen is. Woensdag Driekoningen blijkt dat jaar op 6 januari te vallen[19]. Deze vergissing sluit niet uit dat de opening op 4 januari gevallen is. Wel maken dergelijke onnauwkeurigheden het moeilijk om hierover expliciet te kunnen zijn. Vooralsnog kiest men bij het onderzoek voor zondag 3 januari. Toch kan niet om Vossius en Hartgersz worden heengegaan.

Het onderzoek van Oey concentreerde zich rond de twee edities van Blaeu. De turbulente omstandigheden waaronder de uitgave van 1637 tot stand kwam, worden door haar uitvoerig besproken. Echter afgezien van de vraag waarom Blaeu zo kort na elkaar de Gysbreght uitbracht, moet toch ook worden overwogen wat de reden van die druk van Hartgersz. kan geweest zijn. Oey noemt hem maar terloops en dan in verband met de concurrentie.

 

Een kwestie van aanspreken

In haar artikel naar aanleiding van de drukken van Blaeu noemt Oey ook de wonderlijke variant in de aanspreektitel van Grotius, die in het Harvard exemplaar[20] voorkomt, en zij geeft er een verklaring voor. Het betreft de curieuze verandering in de editie van 1637 aan het slot van de opdracht aan Grotius, waar Vondel hem aanspreekt met ‘uwe Exc.[ellentie]’ in plaats van ‘uwe E.[dele]’. Volgens Oey zou deze wijziging op de pers zijn ontstaan uit angst voor Grotius’ gram en zij haalt een briefcitaat aan waaruit blijkt dat de geleerde erop gesteld is serieus genomen te worden en op een juiste manier wenst te worden aangesproken. Hij zou zelfs brieven tot hem gericht hebben verbrand omdat zij niet op de juiste wijze waren gesteld. Oey concludeert dan ook dat niet de predikanten de pers voor een tijdje hebben doen stilstaan om wijzigingen in de aanstootgevende tekst uit te voeren, maar dat het Grotius was die dit bewerkstelligde[21]. Vondel, die de toneeltekst aan De Groot toezond, zou er voor gevreesd hebben dat de eerbiedwaardige geleerde, ontstemd over de onjuiste aanspreektitel, zijn werk in het vuur liet verdwijnen. De vraag blijft dan wel waarom Vondel zo inconsequent was aanvankelijk te ondertekenen met een ‘uwe E.’ terwijl hij in de opdracht steeds het ‘uwe Exc.’ gebruikte. De redenering van Oey klinkt bij nadere beschouwing wat krom.

Haar verklaring werd twee jaar later door Van der Blom weersproken[22]. Volgens de classicus zwichtte Vondel destijds voor de predikanten en hun aanhang bij de vroedschap en de burgemeesters. Zij namen aanstoot aan de aanspreektitel van de banneling Hugo de Groot. Op relevante wijze legt Van der Blom uit waarom in een aantal exemplaren van de Gysbreght de brief aan De Groot eindigt met ‘uwe E.’. Het was de meest geschikte manier om toe te geven aan de eis van de bezwaarmakers zonder al te veel te moeten veranderen aan het zetsel, dat gezien de voorkomende variant al klaar was. De subscriptio viel het eerst in het oog en met de verandering zouden de tegenstanders van De Groot hun zin hebben. Voor Van der Blom was deze wijziging de verklaring voor de opmerking in de notulen van burgemeester Bicker - aanwezig op een kerkenraadvergadering - dat het spel ‘ock sijn glans quit was’. Pas nadat de ‘aenstottelyckheit in de comedie’ alsmede datgene wat het stuk glans gaf, verwijderd waren, konden zowel het toneelstuk als de uitgave publiek worden gemaakt[23]. Het was niet de bedoeling dat de bladen van het eerste katern, waarop nog het eervoller ‘uwe Exc.’ in de subscriptio prijkte, in een uitgave zouden worden meegebonden, maar het is kennelijk wel gebeurd en Van der Blom wijt dit onder andere aan de kostbare prijs van het papier in die dagen[24]. Dat Grotius een exemplaar ontving met in de subscriptio ‘uwe E.’ moet hij voor lief genomen hebben. Van der Blom legt daarbij nog de nadruk op het van hoger hand tegenhouden van zowel het toneelstuk als de tekstuitgave. Dat ook de tekstuitgave van kerkwegen problemen gaf, wordt door Oey betwijfeld. Volgens haar immers was er niet in de tekst geschrapt en maakten de predikanten slechts bezwaar tegen de kerstmis in de opvoering. Iets waarover ook nadien nog door velen geschreven is. Echter het tegenhouden van de voorstelling, impliceerde volgens Van der Blom ook het ophouden van het drukwerk[25]. Zou daarin het verschijnen van de uitgave van Hartgersz. kunnen zijn gelegen?

 

Hartgersz opnieuw

Het is opmerkelijk dat de opdracht aan Hugo de Groot in de uitgave van Hartgersz die ondertekening mist. Oey noemt deze wijziging niet, wanneer zij in haar vergelijking van de Blaeu-edities die van Hartgersz. aanhaalt. De opdrachtbrief bij Hartgersz is in een klein lettercorps gezet, waardoor je snel over de ontbrekende subscriptio heen leest. Zij bevat, als in Blaeus uitgave van 1637, wel vijfmaal het ‘uwe Exc.’. Koos Hartgersz. bewust voor een ‘veilige’ oplossing? Moest er misschien alsnog snel een uitgave tot stand worden gebracht om het feest van de opening luister bij te zetten? Nogmaals, dit drukwerk is meer een toneeluitgave dan die van Blaeu, juist omdat de datum - zij het misschien de verkeerde - op het titelblad vermeld staat. Wellicht is het niet noemen van de Schouwburg ook een handige omzeiling. Toegegeven, het is allemaal wat dun, de gissingen niet meer dan speculatief.  Maar er is nog iets omtrent die ondertekening dat vragen oproept.

Wanneer in 1659 Vondel zijn tekst volledig herziet, plaatst hij onderaan de opdrachtbrief ‘uwe E.’. In de brief zelf spreekt hij viermaal De Groot met uwe Excellentie aan, de vijfde keer vervalt en bovenaan de brief laat hij nu ‘Den edelen Heer’ drukken[26]. Dit zet vraagtekens bij de visies van zowel Oey als Van der Blom. Het feit dat Hartgersz de gehele ondertekening weglaat, is op zijn minst een aanwijzing dat daar wel een probleem zat. Het is niet gezegd dat Blaeus uitgave van 1638 al direct aan het begin van januari in druk verscheen, zoals Oey suggereert, waar zij zich afvraagt met welke editie de toeschouwers bij de première in hun hand zaten[27]. Misschien kwam die editie pas toen alle gevaar geweken was en heeft Hartgersz’ tekst als noodoplossing gefungeerd. Hartgersz beijverde zich enkele jaren later voor de uitgave van een bundel gedichten van Vondel, iets waarover Vondel goed te spreken was[28]. Andere uitgaven van Vondel staan echter niet op zijn naam.   

 

De uitgave van1641

Een vergeten komma

Pas in 1641 wordt opnieuw het toneelstuk van de Gysbreght gedrukt. Behalve de bibliografie van Unger en de aantekeningen in de WB-uitgave is er weinig over het drukwerk bekend. Het is van belang opvallende zaken te noteren en deze met voorgaande en hiernavolgende uitgaven in verband te brengen. Steeds wordt eerst de volledige titel genoemd en een fingerprint van de tekst gegeven.

J.V. Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergangh van zijn stad en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Door hem self verbetert en vermeert. [vignet: putje met devies] t’Amsteldam, Gedruckt by Nicolaes van Ravesteyn, [hor. lijn] Voor Dirck Cornelisz Houthaeck, Boeckverkooper, op de Kolck, in’t Bourgoens Kruys, Anno 1641. [UBA Vdl. 8 C 5]

fingerprint: b1 A2 e$Ve : b2 H3 anne

De editie van 1641 voor Dirck Cornelisz Houthaeck gedrukt bij Nicolaes van Ravesteyn is het eerste drukwerk met een putjes-vignet, daaronder in een kader het devies ‘Elck zyn bevrt’. De versozijde van het titelblad is identiek aan de editie Blaeu van 1638 met ‘Op het tooneel’ en drie maal ‘Ander’. De opdrachtbrief aan Hugo de Groot op A2 begint eveneens met een grote initiaal M waarin personen zijn afgebeeld. Hiervoor zijn niet dezelfde houtsneden gebruikt, die van 1641 is kleiner, de figuren beelden iets anders uit en de afdruk van deze houtsnede vertoont bovendien in de rechter onderhoek een lichte beschadiging. Ook valt er een beschadiging te bespeuren aan de G en de R van Groot op pagina A2, de tweede regel: bij de G onderaan de voet in de krul, bij de R in de ronding rechts. (afbeeldingen van deze initiaal!!!) Vanaf folio A3 lopen de custoden gelijk op.

Van Ravesteyn volgt Blaeus druk van 1638; dat valt allereerst duidelijk op te maken uit het gebruik van het woord ‘watersnood’ in het eerste bedrijf op B4 regel 10 van boven. De wijziging vond plaats nadat Vondel in 1637 hier ‘hongersnood’ gebruikt had.

Soms  komt de zetter van 1641 niet goed uit op de regel, terwijl dat bij die van Blaeu geen probleem is. Op C3 wordt het woord goedkoop afgebroken[29] en op de regel daarboven geplaatst. Nu is het zo dat de zetter van dit drukwerk consequent na een punt midden in de regel met een hoofdletter verdergaat. Dit is bijvoorbeeld het geval op C3 waar staat: ‘Men schoof de schuld op my. ‘k Had menschen vleesch goed’. Zowel in 1637 als 1638 staat hier na de punt een onderkast: ‘Men schoof de schuld op my. ‘khad mensche vleesch goed koop:’. De zetter bij Van Ravesteyn kiest zo te zien voor een hoofdletter na een punt en komt niet uit, ook omdat hij ‘menschen’ voluit zet, waar Blaeu een abbreviatuur plaatst. Dat hij consequent is, blijkt uit een andere regel op diezelfde pagina. Op C3 tweede regel onderaan staat: ‘En jagen in hun dood. Dus ging ’t aen d’eene zy:’. Zowel in 1637 als 1638 staat hier: ‘En jagen in hun dood. dus ging ’t aen d’eene zy:’. En er zijn meer voorbeelden van, we hoeven slechts op de versozijde [C2v] te kijken, waar op regel 12 van boven en regel 9 van onder na een punt een hoofdletter volgt. Noch de zetter van 1637 of 1638 heeft deze gewoonte. Op E4 op regel 17 corrigeert de zetter van 1641 een afbreking bij 1638. Echter, in het tweede bedrijf blijkt de zetter opeens de tekst van de voorgaande edities te volgen en plaatst hij na een punt midden in de regel geen hoofdletter meer. Het gaat hier om de katernen D, G en H. Hoewel katern D nog wat meer een mengeling van beide vormen is. Zowel in 1638 (Blaeu) als in 1641 staat hier op D1: ‘Zoo spade, ga uw gangh. Koom morgen tijdigh weer’ maar ook volgt 1641 dan 1638 met: ‘Ick heb gebelt. hy koomt. ga roep den vader, flux.’ terwijl Diedrick op de 8e regel van onder zegt: ‘ick koom alleen. Waer is uw meester Willebord’. Door het drukwerk na te lopen op dergelijke verschillen, springt iets anders in het oog. Op D1v regel 18 van boven vergeet de zetter van 1641 een komma na ‘last’ in: ‘En Egmonds eigen last hy gafme dit bevel.’. Voor wat betreft de punten en de komma’s lijkt het alsof er twee zetters aan het werk geweest zijn, de een hield zich dan aan de voorbeeldtekst, de ander greep naar goeddunken in. Het zijn de katernen B en C die consequent na de punt een kapitaal krijgen. Het verschil tussen de zetter van 1641 en die van Blaeu leidde tot de ontdekking van de vergeten komma op Dv regel 18. Voor het verloop van dit onderzoek is het van belang de vergeten komma bij de hiernavolgende edities in de gaten te houden. Het kan iets zeggen over welk drukwerk in welke drukkerij geraadpleegd werd als voorbeeld voor nieuwe uitgaven.

 

Viermaal 1650

J.V.Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergangh va zijn stad en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Door Hem zelf verbetert en vermeert. [vignet: putje met devies] t’Amsterdam, Gedruckt by Tymen Houthaeck, [hor. lijn] Voor Dirck Cornelisz. Houthaeck, Boeckverkoper op de Nieuwe-zijds Kolck, in ’t Bourgoens Kruys. Anno 1650.

[UBA Vdl. 8 C 7]

fingerprint: b1 A2: n$de$V- b2 H3: h$man

(Schuytvlot noteert: b1 A2 n$de$)

 

J.V.Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergangh van zijn stad en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Door Hem zelf verbetert en vermeert. [vignet: putje met devies] t’Amsterdam, Gedruckt by Tymen Houthaeck, [hor. lijn] Voor Dirck Cornelisz. Houthaeck, Boeckverkoper op de Nieuwe-zijds Kolck, in ’t Bourgoens Kruys. Anno 1650.

[UBA Vdl 8 C 6]

fingerprint: b1 A2 land: b2 H3 ch$m

Andere bekeken exemplaren: O 80-288 en Vdl 8 C 8

 

J.V. Vondels Gysbreght Van Aemstel, d’Ondergangh van zijn stad en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Door Hem zelf verbetert en vermeert. [vignet: putje met ondertekenig en devies] t’Amsterdam, Gedruckt by Tymen Houthaeck, [hor. lijn] Voor Abraham de Wees, Boeckverkooper op den Middeldam, in ’t Nieuwe Testament. Anno 1650. [UBA Vdl 8 C 8]

fingerprint[30]:  165004 - b1 A2 n$de$V : b2 H3 h$man

 

De exemplaren O 80-288[31], Vdl 8 C 7 en Vdl 8 C 8 zijn identiek, met dit verschil dat Vdl 8 C 8 een impressum-variant[32] is. Alleen Vondel 8 C 7 (inclusief Vdl 8 C 8 en O 80-288) en Vondel 8 C 6 verschillen van elkaar, want hebben een andere fingerprint. Maar dat niet alleen, ook de titelpagina wijkt op enkele details af. Zo is het lettertype van het jaartal in het impressum verschillend en ook de positie van de V van Vondel met de V van ‘van’ op de derde regel daaronder is anders. Alsook de positie van de punten achter de woorden ballingschap/Treurspel/ruit/vermeert, plus dat de komma achter Aemstel bij Vondel 8 C 7 verschilt met die van Vondel 8 C 6. De aan versozijde gedrukte verzen Op het Tooneel en Ander komen daarentegen weer sterk overeen. De kapitale R in Huigh de Groot op A2 is afgebroken in Vondel 8 C 6, als ook de T. Het is alleen wel vreemd dat de G in ‘Huigh’ en ‘Groot’ zowel in Vdl 8 C 6 als in Vdl 8 C 7 iets te veel achterover leunt en niet, zoals in Vdl 8 C 5 uit 1641, evenwijdig loopt met de schuinte van de overige letters in dit corps. 

Het kan niet betekenen dat dit zetsel van de aanhef van Vdl 8 C 7 en Vdl 8 C 6 hetzelfde is, want de letters R en T in Vdl 8 C 6 zijn beschadigd en de zetbreedte vanaf de H tot en met de komma verschilt met die van Vdl 8 C 7.

Vondel 8 C 6 lijkt de druk van Vdl 8 C 7 regel voor regel te volgen, met uitzondering van de opdrachtbrief aan Hugo de Groot op A2-A3, die op A2 en A2v niet dezelfde custoden heeft. Vanaf het Voorspel gaan zij echter samen op. De R van Raed op A3v lijkt in Vdl 8 C 6 op het puntje van de staart beschadigd (want niet zo scherp meer). Ook is er verschil tussen de tekst onder ‘Spreeckende Personagien’ in beide exemplaren. De scherpe cursieve A met lange haal naar links en van boven naar rechts doorgebogen in Vdl 8 C 7 komt niet voor op genoemde pagina in Vdl 8 C 6. Maar hoewel de zetter regel voor regel nadrukt, heeft Vdl 8 C 6 op Dv regel 18 de komma, die in Vdl 8 C 7 ontbreekt. En op D waar de portier zegt: ‘ga roep den vader, flux.’, staat in Vdl 8 C 6 een punt achter flux, terwijl Vdl 8 C 7 hier een komma geeft. Vdl 8 C 6 is dus een correcter uitgave en stoelt op de uitgave van 1638. Gezien de beschadigde letters zou Vdl 8 C 6 van later datum kunnen zijn. Ook het watermerk van deze besproken exemplaren is verschillend, bij Vdl 8 C 6 is een nar (foolscap?) zichtbaar.

Vdl 8 C 7 is een regel voor regel druk van 1641. De zetter heeft op G4 rekening kunnen houden met de spatiering die bij Vondel 8 C 5  (= 1641) soms iets te ruim is, waardoor de tekst niet goed uitkomt op de regel en een gedeelte van het woord naar boven of onder is geplaatst[33]. De zetter volgt in 1650 exact het zetsel van 1641 voor wat betreft de punt, waarna een onderkast en soms een kapitaal, inclusief de vergissing op Dv, waar op regel 18 een komma ontbreekt. Maar waarom plaatst hij na: ‘ga roep den vader, flux’ een komma waar een punt moet staan? Bij nader inzien blijkt de zetter bij Van Ravesteyn in de editie van 1641 [Vdl 8 C 5] verantwoordelijk voor deze wijziging! Vdl 8 C 7 gaat dus terug op 1641, maar voor Vdl 8 C 6 heeft Blaeus druk van 1638 tot voorbeeld gediend.

 

1655 Jan Jacobsz Bouman

J.V. Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergangh van sijn Stad en sijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Door Hem zelf verbetert en vermeert. [vignet: doornen en lelie in een ovaal met tekst rondom: Ghelyck een leli onder de doornen so is myn vriendinne onder de dochteren.] t‘Amsterdam. [hor. lijn] Ghedruckt, By Jan Jacobsz Bouman, op ’t Water inde Lelye onder de Doornen. Anno 1655. [UBA Vdl 8 C 9]

fingerprint: b1 A2 $de$: b2 H3 och

 

Dit is een regel voor regel herdruk van Houthaecks Vdl 8 C 7 uit 1650. Op A2 hebben de G’s in Huigh en Groot schade aan de poot. De tekst onder Kort Begryp is in romein gezet, waardoor ruimte vrij komt voor het tekstgedeelte ‘Het tooneel is […] en  eindight in den morgenstond.’, dat doorgaans bovenaan ‘Spreeckende Personagien’ geplaatst wordt (zie hiervoor Vdl 8 C 7). Op folio Dv wordt de vergeten komma van 1641 herhaald, als ook de verschillende katernen met in B, C, E en F een kapitaal na de punt en bij de katernen D, G en H een onderkast na de punt. Na ‘flux’ op D staat hier ook een komma. Toepasselijk voor deze drukker, met aan de gevel het uithangbord 'In de Lelye onder de Doornen', werd er gedrukt op papier gemerkt met een gestileerde (Franse) lelie.

 

De weduwe De Wees 1659

De drukken na 1637 waar Vondel kleine wijzigingen in aanbrengt, vermelden op de titelpagina steeds: door hem zelf verbetert en vermeert[34]. Maar echte grote veranderingen komen er pas in 1659. Dit drukwerk is van de weduwe De Wees, die haar man Abraham in 1654 heeft opgevolgd en nog tot 1685 van zich zal laten horen. Direct al staan we voor een probleem, want er bevinden zich in de UB te Amsterdam drie drukken die allemaal verschillend van elkaar zijn. Van één druk vermeldt Unger[35] dat ‘blijkens druk en papier’ hier sprake moet zijn van een foutieve opgave van het jaar 1659. Het drukwerk ziet er verzorgd uit, in tegenstelling tot de wat haastige indruk van één der andere drukken. Dit roept uiteenlopende vragen op. Werd drukwerk bewust voorzien van een foutief jaartal? Of, waarom werd er zo lichtvoetig omgesprongen met de vermelding van het jaar van verschijnen? En waarom brengt Vondel die wijzigingen in dit jaar aan? Waarom verschijnt de nieuwe editie bij de weduwe De Wees? En waarom erkent men enkele eeuwen later - wanneer men weer terugkeert tot de oorspronkelijke tekst van de Gysbreght – niet juist deze editie als de meest oorspronkelijke tekst, maar wel die van Blaeu uit 1637? Maar eerst en vooral moet zo mogelijk onderzocht worden welk exemplaar daadwerkelijk van 1659 dateert.

 

Wijzigingen in de tekst

Van Vondel is bekend dat hij zich nauwgezet met het drukwerk bezighield, ook bleef hij sleutelen aan zijn teksten[36]. Hij kon, na zijn bekering om en nabij 1641, blijkbaar niet leven met een uitdrukking als ‘noodlot’, die hij te heidens achtte en verving dit door ‘Godts schickinge’ en ongeval’. Naast talrijke wijzigingen meer, liet hij de ‘stomme’ personages bij de rolaanduiding verdwijnen[37]. Onder die personages bevond zich Witte van Haemstede, de bastaardzoon van Gysbreght van Aemstel die een rol speelde in de moord op de Klaerissen, waarover de bode in het vijfde bedrijf (vs. 1406-1435) nauwgezet aan Gysbreght en Badeloch informatie verstrekt. Maar niet alleen zou het publiek dit gruwelverhaal via de bode hebben vernomen, zij zouden het ook hebben gezien. De moord zou in een stomme vertoning oftewel tableau vivant getoond zijn[38].

Het is de vraag of het logisch is aan te nemen dat wanneer de aanduiding ‘stomme’ uit de uitgave verdwijnt, de personen nog wel een rol in het stuk spelen. Echter, onder de ‘stomme’ vallen naast Witte van Haemstede ook een Katuizer, Egmonds soldaeten en dienaren van Gysbreght. Het lijkt niet aannemelijk dat deze allen aan het zicht onttrokken werden. Toch kan niet worden voorbijgegaan aan deze verandering in de uitgave. Albach vermeldt dat Vondel zich met de regie van het stuk bemoeid heeft[39]. Hij had contact met de toneelspelers en zal het er op hebben toegelegd dat spel en tekst met elkaar in overeenstemming waren. De reden van de wijziging laat zich raden. Is Vondel door zijn rooms-katholieke geloofsgenoten gewezen op het verkeerde signaal dat - met het vertonen van dit bloedbad - aan de toenmalige Amsterdamse bevolking werd gegeven?  Een in dit verband andere belangrijke wijziging in de tekst is de vierregelige toevoeging aan de woorden van Rafaël, waarmee hij allereerst Gysbreght maant zich aan Gods beschikking te onderwerpen en ook Badeloch niet langer tegen te werken, om vervolgens te wijzen op Gods plan met de stad. Deze vermocht, nadat het onder meer met kracht het Roomse altaar uit de kerk zou schoppen (vs. 1834), eerst na driehonderd jaar haar kroon tot aan de hemel toe te verheffen (vs. 1840). En voor Van Aemstel gold dat hij in een ver land alle leed en doorstane ellende vergeten zou en zijn nageslacht weer het geluk zou vinden (vs. 1862-1864). In 1659 voegt Vondel vier versregels toe aan de rol van Rafael:

Valt u’t verwoesten der Godsdienstigheit te lastig,

Volhart by ’t oud geloof, en Gods altaar standvastig,

Op’t spoor der ouderen, u moedig voorgetreen,

Zo draaft men regt na God, door alle starren heen.

Het oude geloof en Gods altaar wijzen naar het rooms-katholicisme, waarmee Vondel bij monde van Rafaël een lans breekt voor de godsdienst, die vanouds in Amsterdam werd beleden. De rechtvaardiging voor de beeldenstorm wordt hier gelogenstraft. De strijd om de ‘ware godsdienst’ krijgt als het ware een vermaning. Het altaar wordt dan wel uit de kerk geschopt, maar dat neemt niet weg dat het ‘oude geloof’ heeft afgedaan. Tegelijkertijd wordt in deze tekstuitgave dan de rolaanduiding van de stomme personages geschrapt waaronder Witte van Haaemstede. En juist dit personage zorgt voor veel commotie op het toneel, want legt daar dienaren van dit oude geloof  koelbloedig om. Van Haemstede is in deze rol ongeveer de personificatie van de beeldenstormers.

Voor wie was de vertoning van die gewelddadige moord nu het meest belastend? Voor de predikanten van de gereformeerde kerk of voor de katholieken die in de Amsterdamse samenleving van de 17e eeuw gedoogd werden? Over de weerstand die het toneelstuk teweegbracht is al veel geschreven. Koppenol noemde het nog recent ‘onnodige onrust’, die rond de vertoning was ontstaan, aangezien het aan oprecht geloof van de katholieke personages in het toneelstuk nogal schortte[40]. Een verschijnsel waar Vondel juist geraffineerd de vinger op zou hebben gelegd[41]. Ook zijn er suggesties gedaan over de tekst die op het laatst nog zou zijn gewijzigd, maar Oey-de Vita heeft dit aan de hand van een analyse van de eerste en tweede druk weten te weerspreken. Het enige wat de predikanten gunstig zou hebben kunnen stemmen, is dat er iets aan de opvoering veranderd zou zijn en dit betrof dan vermoedelijk de voorstelling van een katholieke mis en andere ceremonieën, iets waarover de predikanten hoogst verontrust geworden waren. Deze voor hen ‘aenstootelijckste saeken’ moesten eerst worden verwijderd voor het toneelstuk kon worden opgevoerd, waardoor de uitvoering uiteindelijk pas in het nieuwe jaar plaatsvond. Over het verslag van de bode aan het echtpaar Van Aemstel zijn de predikanten kennelijk niet gevallen, de wrede dood van rooms-katholieken riep hun verontwaardiging wellicht niet op en ook de stille vertoning met Van Haemstede zal voor hen misschien niet afgrijzenwekkend geweest zijn. Maar het valt te betwijfelen of Vondel in 1659 nog zo verrukt was over dit wrede stukje toneelkunst. Tegenover het ‘vermeent reduceren’ van de Kerstmis in 1638 staat wellicht het ‘gewenste weglaten’ van de vertoning van de kloostermoord in 1659. Echter de handhaving van de overige ‘stomme’ personages in het spel, die weliswaar vanaf dan op de rolaanduidende pagina zijn weggelaten, zou dit kunnen weerspreken.

 

Geen uwe Exellentie in 1659

Er is meer veranderd in die uitgave van de weduwe. En wel in de opdracht aan Hugo de Groot. De drie uitgaven van 1659 vertonen alle in de ondertekening ‘Uwe E.’ en niet wat men zou verwachten op grond van Van der Blom, het meer eerbiedwaardige ‘Exc.’. In de tekst daaraan voorafgaande staat viermaal (en niet vijfmaal zoals in 1637) ‘Extie’. Vondel spreekt dus De Groot aan met uwe Excellentie en eindigt met uwe Edele en gezien het feit dat dit een herziene versie is, lijkt dit heel bewust te zijn. Voorts heeft hij nog iets gewijzigd in de formulering van de zin op regel 88:

Ick offer dan uwe Exc. in zijne ballingschap mijnen Gysbreght van Aemstel, den godvruchtigen en dapperen balling.

Dit wordt in de uitgave van 1659:

Ick offere u dan in uwe ballingschap mijnen Gysbrecht van Aemstel, den godvruchtigen en dapperen balling.

Een kleine wijziging, maar Vondel schrapt dus juist in de zin waarin hij uiteindelijk het toneelstuk aan De Groot aanbiedt, de door de gezant zo fel begeerde aanspreektitel[42]. En in de aanhef van de brief staat vanaf nu: Den edelen Heer. Dit is, gezien de voorgaande visies van Oey en Van der Blom, alleszins opmerkelijk!

 

Andere wijzigingen

Ook een verandering in de opdracht aan Grotius is het weglaten van de vijf Latijnse versregels. Verder wijzigt Vondel nog iets in de tekst van de opdracht aan De Groot waar hij spreekt over de vogel Fenix, die noemt hij nu bij de naam: Virgilius. In eerdere uitgaven noemt Vondel die naam niet[43]. En de aanhef in het Voorspel van Gysbreght van Aemstel verandert iets. Het ‘Schepens, en Raed van Amsterdam’ wordt vervangen door het meer compacte ‘Wethouders van Amsterdam’. In datzelfde Voorspel wijzigt de dichter de laatste twee regels van de tekst:

Daer hy, beducht om ’t gieren van de naeld

Door ’t Ys naer Indus dwaelt

Een andere opmerkelijke terugschakeling in de tekst van 1659 is te vinden in het eerste bedrijf, waar op blad B4 het ‘waters nood’ in 1638 nu weer ‘hongers nood’ wordt, zoals in 1637 (zie C1 regel 20).  Zowel de editie met 36 regels [Vdl 8 C 12] op een bladzijde als met 34 regels [ Vdl 8 C 11 en O 63 167] hebben die wijziging in 1659 staan. Over dergelijke ingrepen komen we nog te spreken; zij kunnen als aanwijzing dienen bij de reconstructie van de drukgeschiedenis. Maar eerst nog eens een en ander over het curieuze subscriptio op een rijtje gezet.

 

Een wisselend subscriptio

Het verloop van de ondertekening in de edities gedurende de zeventiende eeuw is grillig, zoals valt af te lezen aan de tabel. Van de editie Blaeu 1637 zijn in totaal 9 exemplaren overgeleverd[44], één daarvan heeft als ondertekening ‘uwe Exc.’. Het bevindt zich in de Harvard University in Amerika.

 

1637 Blaeu

1637 Blaeu

subscriptio: uwe E.

subscriptio: uwe Exc.

UB Amsterdam Vondel 8 C 3

Harvard University

1638 Hartgertsz

subscriptio: weggelaten

UB Amsterdam w.o. 1 D 29

1638 Blaeu

subscriptio: uwe Exc.

UB Amsterdam w.o. O63-166

1641 Nicolaes van Ravesteyn voor Dirck C.Houthaeck

subscriptio: uwe Exc.

UB Amsterdam waaronder Vondel 8 C 5

1650 Tymen Houthaeck voor Dirck C. Houthaeck

er zijn meer uitgaven van

voor de verschillende uitgaven geldt:

subscriptio: uwe Exc.

UB Amsterdam Vondel 8 C 6

UB Amsterdam Vondel 8 C 7

UB Amsterdam Vondel 8 C 8

1655 Jan Jacobsz. Bouman

subscriptio: uwe Exc.

UB Amsterdam Vondel 8 C 9

1659 Wed. de Wees

1659 Wed. de Wees

1659 Wed. de Wees

subscriptio: uwe E.

subscriptio: uwe E.

subscriptio: uwe E.

UB Amsterdam O 63-167

UB Amsterdam Vondel 8 C11

UB Amsterdam Vondel 8 C12

1661 Kornelis de Bruyn

subscriptio: uwe E.

UB Amsterdam waaronder

Vondel 8 C 13

1662 Michiel de Groot

subscriptio: uwe E.

UB Amsterdam OK 77 140

1699 Joannes de Wees

subscriptio: uwe E.

UB Amsterdam Vondel 8 C15

 

 

 

1664? Otto Barentsz, Smient

subscriptio: uwe Exc.

UB Amsterdam Vondel 2E 61

 

Terug naar Oey-de Vita en Van der Blom, een resumé

Oey-de Vita en Van der Blom hadden een tegengestelde verklaring voor de verandering in de ondertekening van de opdracht aan Hugo de Groot. Volgens Oey werd het door Vondel aangebrachte uwe E. speciaal voor de Zweedse afgezant op de pers gewijzigd in uwe Exc. Het klonk wat onlogisch gezien het feit dat Vondel hem in de tekst tot vijfmaal toe met uwe Excellentie aanspreekt. Vandaar dat Van der Blom met een andere verklaring kwam. Vondel zou op gezag van predikanten het te vleiende uwe Exc. hebben gewijzigd in een neutraler uwe E.. Vondel ging er daarbij vanuit dat men niet verder keek dan zijn neus lang was en wijzigde slechts de ondertekening omdat die het meest in het oog liep. Op de vijf andere plaatsen waar hij De Groot aanspreekt met uwe Exc. laat hij de afkortingen staan. Dit was de meest simpele manier om aan de eis van de bezwaarmakers te voldoen, aldus Van der Blom. De verandering in de tekst gebeurde dus volgens hem op instigatie van de predikanten.

Maar Vondel blijkt in 1659 het uwe E. in de ondertekening te handhaven, evenals het veelvuldig uwe Exc. in de brief zelf. Hij verandert wel iets aan de zin waarmee hij het toneelstuk opdraagt aan De Groot. Hij doet dit nu zonder de Zweedse gezant met uwe Excellentie aan te spreken. In de aanhef staat ‘Aen den edelen heer Huigh de Groot’. Waarom? De Groot overleed in 1645, van hem valt niets meer te vrezen. Als dit al het geval zou zijn geweest. Bovendien is het vreemd dat al in 1637 het merendeel van de bewaard gebleven exemplaren ondertekend is met ‘uwe E.’terwijl Vondel in de tekst daarboven tot vijfmaal toe ‘Exc.’ gebruikt

Het zal waarschijnlijk altijd een vraag blijven hoeveel exemplaren er destijds geweest zijn met de ondertekening ‘uwe Exc.’ en waarom dit verschil ontstond. Het exemplaar in de Harvard University wordt er wel curieuzer door. Het feit dat Hartgersz in 1638 de ondertiteling helemaal achterwege laat, maakt het - misschien geheel ten onrechte -  extra geheimzinnig.

 

Drie verschillende edities in 1659?

In de UB van Amsterdam bevinden zich zoals gezegd drie drukken, die alle in 1659 bij de weduwe De Wees zijn gedrukt. Dit zou kunnen wijzen op een vergrote belangstelling voor de Gysbreght. Maar een van die drukken wordt op basis van papier en druk door Unger al gezien als van later datum. Volgens Gerritsen zouden drukkers bij nadrukken ook de titelpagina exact overnemen met inbegrip van het jaartal, waardoor de datering niet meer klopt met het jaar van ontstaan en het zou ook kunnen zijn dat zelfs het impressum niets te maken heeft met de eigenlijke drukker/uitgever. Dit bemoeilijkt het onderzoek. Wellicht is ook iets dergelijks aan de hand met deze uitgaven?

Het is van belang bibliografische argumenten te vinden voor de gang van zaken. Kan op grond van de voorhanden zijnde exemplaren worden vastgesteld welke uitgave van 1659 het eerst verschenen is, of welke daadwerkelijk verschenen is in 1659?

De exemplaren zijn:

J.v.Vondels  Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergangk van zijne stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. De leste druck, vermeert, en verbetert. [vignet: putje zonder devies] t’Amsterdam. [hor.lijn] By de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, 1659. [ UBA Vdl. 8 C 11]

fingerprint: b1 A2 anck b2 I3 n$ra

typografisch materiaal: initiaal M zie illustratie

Andere exemplaren met een zelfde fingerprint: O 77-188(5); Band 1 C 25(4); Vondel 2 F 4(6)

 

J.v.Vondels Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergangk van zijne stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. De leste druck, vermeert, en verbetert, [vignet : putje zonder devies] t’Amsterdam. [hor.lijn] By de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, 1659. [ UBA O 63 167]

fingerprint: b1 A2 $Ron: b2 I3 n$ra

typografisch materiaal: initiaal M 3,1 x 3,1 cm

 

J.v.Vondels Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergank van zijne Stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antique [sic] ruit. De leste druck, vermeert, en verbetert. [vignet: putje zonder devies] t’Amsterdam. [hor.lijn] By de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, 1659. [UBA Vdl. 8 C 12]

fingerprint: b1 B tr: b2 H3 ,$het$

Papiermerk: Wapen van Amsterdam

Andere exemplaren met dezelfde fingerprint:

 

Er zijn twee exemplaren met katernen van A t/m I, Vdl 8 C 12 loopt van A t/m H. Het titelblad van 8 C 12 heeft een zetfout in de Latijnse tekst, waar staat: antique i.p.v. antiqua. Alle exemplaren hebben op het titelblad een verschillende horizontale lijn:

·        Vdl 8 C 11       7, 2 cm

·        O 63 167         7,7  cm

·        Vdl 8 C 12       6,1  cm

 

Eerst onderzoeken we het verschil tussen de exemplaren O 63 167 en Vdl 8 C 11. De tekst van de titelpagina van Vdl 8 C 11 is wat vlekkerig, alsof de inkt te dun was. De afdrukken van initialen bij Vdl 8 C 11 zijn minder zwart afgedrukt dan van het andere exemplaar. Aan het jaartal zou geprutst kunnen zijn, er zou 1650 hebben kunnen staan, waarna een haaltje onder de 0 geplaatst is, dit sluit namelijk niet goed aan. Maar bij vergelijking van de overige exemplaren met een zelfde signatuur aanwezig in de UB, blijkt hiervan geen sprake. De initiaal M op A2 verschilt. O 63-167 heeft een gehistoriseerde achtergrond; die van Vdl 8 C 11 is plantaardig gedecoreerd. Er is tevens verschil in het voorwerk:  in katern A van O 63 196 zit een cancel op A4v dat met het titelblad verbonden is. De overige exemplaren hebben die cancel echter niet, het is waarschijnlijk een latere reparatie. Het katern daarop begint met een foute signatuur: K (= B). Ook een K hebben O 80-273 en Vdl 3 G 98. De exemplaren Vdl 1 C 47 en Vdl 8 C 1 hebben de B als signatuur. Een kleine spelvariant springt in het oog, op A4 van O 63 167 staat bovenaan Priams hof waar op die plaats in Vdl 8 C 11 Priaems hof staat. Alle exemplaren met dezelfde fingerprint als O 63-167 hebben bovenaan op folio A4 Priamshof. Voor desbetreffende exemplaren gelijk aan Vdl 8 C 11 geldt dat op die plek Priaemshof staat. Hoewel het ander zetsel is (en de signatuurpositie is steeds een andere) volgt de een de ander regel voor regel.

De vraag is nu waarom er twee edities in een jaar gedrukt zijn, of, op welke manier kan worden vastgesteld dat een van deze exemplaren niet in 1659 werd gedrukt?  

De tekst heeft weer na de punt op de regel een onderkast. Op D3 regel 16 van boven: En Egmonts eigen last: hy gafme dit bevel. De vergeten geraakte punt na ‘last’, is nu een dubbele punt. Het ziet er naar uit dat hier gebruik gemaakt is van de eerste druk (1637) van Blaeu, gezien de 34 regels op de pagina. De wijziging in 1638 op regel 148 waar ‘hongersnood’ verandert in ‘watersnood’, komt zowel voor in Vdl 8 C 11 en O 63 167 die beide de 34 regels hebben, als in Vdl 8 C 12 die - expliciet voor wat betreft de 36 regels – de editie van 1638 navolgt. De WB-uitgave vermeldt de wijzigingen die in 1659 in de tekst zijn aangebracht. Die van ‘hongersnood’ naar ‘watersnood’ op regel 148 wordt niet in die uitgave vermeld. Ter vergelijking van de edities is het echter zinvol deze terugschakeling in de gaten te houden. De exemplaren [O 63 167] en [Vdl 8 C 11] gedateerd 1659 zijn regel voor regel-drukken van 1637 [Vdl 8 C 3].

Het verschil zit in het voorwerk:  

1659:

A1                               titelpagina

A1v                             blanco

A2-A3                        Den edelen heere Huigh de Groot,

A3v-A4v                     Voorspel van Gysbreght van Aemstel.

K=B                            Op den nieuwen Schouwburgh.

Bv-B2                         Kort Begryp.

B2v                             Spreeckende Personagien.

B3                               Gysbreght van Aemstel. Treurspel. Het Eerste Bedryf.

 

1637:

A1                               titelpagina

A1v                             blanco

A2-A3v                       Den Heere Hvigh de Groot,

A4-B                           Voorspel van Gysbreght van Aemstel, 

B1v                             Op den nieuwen Schouwburgh.

B2-B2v                       Kort Begriip.

B2v                             Spreeckende Personagien.

B3                               Gysbreght van Aemstel. Treurspel. Het Eerste bedryf.

 

Typografisch materiaal

 

1637                            Op A2 initiaal M                                 3, 8 x 3,7 hoog

1659    [ O 63 167]     Op A2 initiaal M                                  3 x 3

1659    [Vdl 8 C 11]    Op A2 initiaal M          plantaardig       2,5 x 2,5

1637                           Op B2 geen initiaal G

1659    beide ex.          Op B1v initiaal G         plantaardig       1,8 x 1,7 hoog

1637                           Op B3  initiaal H          plantaardig       2,3 x 2,4

1659    beide ex.          Op B3  initiaal H          plantaardig       1,6 x 1,7 hoog

 

Vanaf B3 volgt 1659 regel voor regel de druk van 1637, 34 regels op een pagina. Toegevoegd zijn paginacijfers en een kopregel met Gysbreght van Aemstel over twee pagina’s.  De E in Aemstel op B3 van Vdl 8 C 11 is beschadigd. Op B2v heeft de zetter van Vdl 8 C 11 de interlinie krap gehouden, de zetter van O 63 167 volgt meer de opmaak van Vdl 8 C 3. Omdat de druk van 1637 aan het eind op het midden van de pagina stopt, hoeft de zetter van 1659 geen moeite te doen om de tekst met vier extra regels goed uit te laten komen. Hij heeft ruimte genoeg en kan dit met het voorbeeld erbij goed uitvoeren.Op I4 werd nog een tweeregelig puntdicht aan Op het Tooneel (hier: Op het tooneelspel.) toegevoegd, namelijk: Anders./ De weerelt is een speeltooneel./ Elck speelt zijn rol, en krijght zijn deel.//

 

Gedrukt in 1659

Uit het navolgen van de lay-out van 1637 kan worden opgemaakt dat exemplaar O 63-167 als eerste druk verscheen en dat dit mogelijk in 1659 gebeurde. De zetter heeft zich gehouden aan zijn voorbeeld en plaatst eenzelfde, zij het iets kleinere, initiaal op A2. Maar in deze nieuwe, gewijzigde editie wordt ook op B2 een initiaal ingezet. De initiaal H met figuur op B3  van 1637 wordt vervangen door een plantaardige H. Vdl 8 C 11 krijgt niet die gehistoriseerde initiaal M, maar een plantaardige. Daardoor staat het visueel iets verder af van de eerste uitgave van 1637. Folio B2 en B3 hebben dezelfde initiaal G en H als exemplaar O 63-167. Dit exemplaar Vdl O 63-167 behoorde naar alle waarschijnlijkheid tot de eerste editie van 1659, die door Vondel werd aangevuld en gecorrigeerd. Een vraag blijft nog of de daarop volgende editie waarvan Vdl 8 C 11 deel uitmaakt ook werkelijk in 1659 verscheen.

 

1659 of 1699?

Exemplaar Vdl 8 C 12 (1659) is een regel voor regel-herdruk van Blaeus 1638 [O 63 166], het heeft per pagina 36 regels. Na G3v worden twee regels op de pagina gewonnen, na H1v nog eens twee, waardoor de zetter toch op H3v uitkomt terwijl er vier regels extra tekst voor Rafaël bij gezet zijn.

Er is een opvallend verschil met de andere exemplaren met 1659 als jaar van verschijning. Op D zegt nu Diedrick, in plaats van de portier: ‘ga roep den vader flux.’. In geen van alle edities vanaf 1637, met inbegrip van de exemplaren van1659 [Vdl 8 C 11 en O 63 167], komt deze rolwijziging voor. Pas in 1699 neemt Diedrick deze zin van de portier voor het eerst over. Op grond van die rolwijziging valt te concluderen dat Vdl 8 C 11 voor Vdl 8 C 12 verscheen. En, gezien het afwijkend gebruik van initialen, na O 63-167. Vooruitlopend op de zaak kan worden opgemerkt dat exemplaar Vdl 8 C 12 overeen komt met Vdl 8 C 15 uit 1699, gezien die rolwijziging van Diedrick. Maar ook het watermerk in het papier is identiek. Vdl 8 C 12 , hoewel gedateerd 1659, moet inderdaad van een latere (1699?) editie zijn, zoals Unger al aangaf.

 

De ongedateerde uitgave van Otto Barentsz. Smient

J.v. Vondels/Gysbreght/Van/ Aemstel,/ d’ondergang van sijn Stad en sijn ballinghschap./ Treurspel./ urbs antiqua ruit./ Door hem zelf verbetert en vermeert./ vignet wapen van Amsterdam] t’Amsterdam, [hor. lijn] Gedruckt by Otto Barentsz. Smient, Boeck- drucker en/ Boeck-verkoper op de Reguliers Bree-straet, in de nieuwe Druckery.//

fingerprint[45]: 000004 - b1 A2 t$in$l: b2 G2 ando

 

Men vermoedt dat deze uitgave van 1664 is en wel omdat Smient alleen in dat jaar nog twee andere werken van Vondel heeft uitgegeven[46]. Het drukwerk volgt echter volkomen de redactie van vóór 1659. Het vertoont in de ondertekening het ‘uwe Exc.’ en heeft in het eerste bedrijf het gewijzigde ‘waters nood’ van de editie 1638. Ook de vergeten punt midden op de regel, die in 1641 opduikt, waar Diederick in het tweede bedrijf zegt: ‘En Egmonds eigen last hy gaf me dit bevel.’ en de komma na flux op folio C3 wordt hier gevolgd. De verschillen met onderkast of kapitaal na een punt midden op de regel doen zich eveneens voor, zij het dat de zetter hier en daar de zetter van 1641 ‘verbetert’ door na een punt een kapitaal te plaatsen. Afwijkend aan deze editie is het gotisch lettertype waarin de toneeltekst van het drama gedrukt is. De reien zijn in een romein gezet. De twee andere toneelstukken die Smient van Vondel uitgaf hebben diezelfde gotische opmaak. Het is nog niet helemaal duidelijk welke editie Smient als ‘legger’ gebruikt heeft, maar gezien de genoemde kenmerken moet het die van 1641, 1650 (Vdl 8 C 7) of 1655 zijn geweest.

 

De octavo’s van 1661 en 1662

1661

I.V.Vondels Gysbreght van Aemstel. d’Ondergangk van zyne stadt, en zyn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. [vignet putje met devies] t’Amsterdam, [hor.lijn] Ter Druckerye van Kornelis de Bruyn, Boeckdrucker, in de Gravestreaet. [in romeinse cijfers 1661].

UBA Vdl 8 C 13

fingerprint: 166108 - b1 A2 Mui: b2 D5 erza

Opbouwformule: A-D8 [ $5( -A1, - A5, D8 en D8v zijn blanco)]

Inhoudsopgave :

A1                   Titelblad

A1v                 Blanco

A2-A3             Den edelen heere Huigh de Groot,

A3v-A4           Voorspel van Gysbreght van Aemstel. Aen Schout, Burgemeesters en Wethouders van Amsterdam.                       

A4v                  Op den nieuwen Schouburgh. Aen den Raetsheer Nikolaes van Kampen.

A5                    Inhoudt

A5v                  Personaedjen.

A6                    Gysbreght van Aemstel. Het eerste bedryf.

 

De wijzigingen van 1659 worden nagevolgd. Maar er zijn eigenzinnigheden in dit drukwerk, zoals te zien is in de inhoudsopgave van het voorwerk: op A5 staat ‘Inhoudt’ in plaats van ‘Kort Begryp’; op A5v ‘Personaedjen’ in plaats van ‘Personagien’ en ook wordt in deze editie de benaming ‘Treurspel’ op A6 weggelaten. De opdrachtbrief aan Hugo de Groot heeft als datering: ‘den 16 van Wynmaent’, waar dit anders in romeinse letters is weergegeven.

Een kleine spelafwijking in het exemplaar O 63-167 van 1659 op A4 aldaar vinden we ook hier terug, in de tekst van het ‘Voorspel’ op folio A3v staat: ‘Priamshof’. Het zou een aanwijzing kunnen zijn dat men in de drukkerij van Kornelis de Bruyn de editie van 1659 (als het exemplaar O 63 167) heeft geraadpleegd. Echter, er is verder wel eigenzinnig met de opmaak van dit drukwerk omgesprongen! Er zijn verder geen uitgaven waarin deze veranderingen zijn overgenomen.

 

1662

I.v.Vondels Gysbreght van Aemstel. d’Onderganck van zijne stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. De leste druck, vermeert, en verbetert. [houtsnede met vogel en manlijk figuur] t’Amsterdam, [hor. lijn]  By Michiel de Groot, Boeck-verkooper, op de Nieuwen-dijck, tusschen de twee Haerlemmer-sluysen, in de groote Bybel, Anno 1662. [OK 77-140]

Fingerprint[47]: 166208 - b1 A2 ders$e: b2 D5 :hy$

Opbouwformule: A-D8 [$5 ( -A1, C5 als G5)]

Typografisch materiaal: houtsnede beschadigde linkerlijn vanaf het midden 4,7 x 6,4 cm

 

Deze editie volgt de wijzigingen van 1659 als bij O 63-167. Op A8 staat ‘hongersnood’. Op B5 zegt de portier: ‘ga roep den Vader, flux’. Op B5v zegt Diederick: ‘En Egmons [sic] eigen last: hy gafme dit bevel’. D8v sluit af met Op het Tooneelspel en 1x Anders.

 

De edities van 1699

Het is een grote overstap van 1662 naar 1699. Unger vermeldt nog een exemplaar[48] uit 1682): t’Amsterdam, By de weduw van Michiel- en- Gijsbert de Groot, tusschen beyde Haerlemmer-sluysen.

Er zijn twee exemplaren met het jaartal 1699 in de UBA beschikbaar:

J.v.Vondels Gysbrecht Van Aemstel. d’Ondergangk van zijne Stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. De leste druck, vermeert, en verbetert. [vignet putje met devies tussen haken] t’Amsterdam. [hor.lijn] By Joannes de Wees, Boekverkooper op den Middeldam, in ’t Nieuwe Testament. 1699. [UBA Vdl 8 C 14]

Fingerprint: 169904 – b1 A2 Ams: b2 H3 ,$he

Typografisch materiaal: het putje heeft in de schakelketting een beschadiging links; ook rechts onderaan de voet; de lijnen op de put lijken bijgewerkt.

 

J. v. Vondels Gysbrecht Van Aemstel. d’Ondergank van zijne Stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. De leste druck, vermeert, en verbetert. [vignet: putje met devies] [hor. lijn] By Joannes de Wees, Boekverkooper op den/ Middeldam, in ’t Nieuwe Testament. 1699. [UBA Vdl 8 C 15]

Fingerprint: 169904 - b1 A2 $d’A: b2 H3 t,$h

Het is goed om eerst de overeenkomsten vast te stellen:

Beide exemplaren hebben 36 regels op een pagina en volgen 1659? [Vdl 8 C 12] als regel voor regel-herdruk. Regel 18 op D1v heeft de dubbele punt en ook is hier de wijziging van versregel 519 op D, waar Diedrick zegt: ‘Ga roep den vader, flux.’.

Maar verschillen zijn er ook en het levert een verrassing op. Steeds blijkt waar 8 C 14  van 8 C 15 verschilt, dit exemplaar overeen te komen met Vdl 8 C 12! Een klein overzicht geeft dat duidelijk aan:

Vondel 8 C 14 / 8 C 12                                 

Uwe Extie

A3v: komma na Aemstel

A4v: punt na Kampen

Personagien: zelfde interlinie

C4v en G3: rechte haken om tekst

Kleine uitroeptekens zie bijv. op H3 en H3v

H4v: Gysbrecht van Aemstel voluit boven de pagina

 

Vondel 8 C 15

Uwe Exc.

A3: punt na Aemstel

A4v: komma na Kampen

Personagien: afwijkende interlinie

C4v en G3: ronde haken om tekst

Grote uitroeptekens zie bijv. op H3 en H3v

H4v: alleen Gysbrecht boven de pagina

 

De zetbreedte van Vondel 8 C 14 en 8 C 12 komt overeen, die van Vondel 8 C 15 wijkt af. Daardoor moet de zetter steeds woorden afbreken aan het eind van de regel, waarna hij de rest  met een haakje ervoor op de volgende regel plaatst.

Waar Vondel 8 C 14 en 8 C 15 die afbreking beide hebben, valt dit ook te constateren bij Vondel 8 C 12

 

Typografisch materiaal

Aan de hand van het typografisch materiaal moet iets meer over de exemplaren te vertellen zijn. Exemplaar Vdl 8 C 14 heeft een andere initiaal M op A2 dan voor Vdl 8 C 15 is gebruikt. Het verschil is niet direct te zien, maar de tekening van plantornamenten wijkt af.  

De M van Vdl 8 C 14 komt overeen met exemplaar Vdl 8 C 11, drukwerk dat bij de weduwe de Wees verscheen en waarvan we nog niet konden zeggen of het echt in 1659 werd gedrukt. Beide exemplaren hebben op de titelpagina het vignet van het putje met ketting en emmertje (zoals dat voor het eerst in 1641 werd gebruikt). Alleen de houtsnede van Vdl 8 C 14 is iets meer beschadigd aan de linker ketting en ziet er vooral onderaan de voet wat versleten uit. Door te vergelijken en steeds weer terug te grijpen naar andere exemplaren valt nu op dat het exemplaar O 63-167 dezelfde beschadiging aan de ketting heeft als Vdl 8 C 11. Dat kan betekenen dat dit laatst genoemde exemplaar inderdaad van een editie is die nog in, of vrij snel na 1659 verscheen.

De initiaal M op A2 in Vdl 8 C 15 is een andere, deze komt voor in Vdl 8 C 12  

De initiaal M van 8 C 12 is nog betrekkelijk gaaf al heeft zij een beschadiging onder aan de linker poot en bovenaan in de rechter poot. Bij Vdl 8 C 15 is die beschadiging alleen maar erger geworden, ook rechtsboven.

 

Wie kwam eerst?

Het is nog de vraag op welke druk Vdl 8 C 15 teruggaat. Ook is het moeilijk iets te zeggen over de eerste druk. Telkens blijkt weer dat wat gedrukt staat als feit wordt aangenomen. Maar dit drukwerk heeft verrassingen in petto, zoals iets later zal blijken. De chronologie die wij aannemen naar aanleiding van de impressagegevens en die ook wordt aangehouden in dit document, wordt daarom even verstoord zodat een en ander duidelijk kan worden.

In 1716 verschijnt bij Joannes de Wees een nieuwe editie van de Gysbreght:

J.v.Vondels Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergank van zijne Stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. De leste druck, vermeert, en verbetert. [vignet: putje elck zyn beurt] t’Amsterdam. [hor.lijn] By Joannes de Wees, Boekverkooper op den Middeldam, in ’t Nieuwe Testament. 1716. [UBA Vdl 2 E 63]

Fingerprint: 171604 – b1 A2 $d’A: b2 H3 t,$h

 

Deze uitgave komt overeen met die van 1699 [Vdl 8 C 15] die ook bij boekverkoper Joannes de Wees verscheen, zij hebben dezelfde fingerprint. Waarschijnlijk werd alleen het jaartal op de pers gewijzigd. De horizontale lijn daarboven heeft in beide gevallen rechts eenzelfde opwip naar boven en ook links een flauwe holte, alleen is bij [Vdl 8 C 15] de afdruk minder vet. Ook de initiaal M komt overeen, maar maakt een meer versleten indruk dan die van Vdl 8 C 15.  

 

1699 is 1617

De uitgave van 1699 is dus van 1617. Maar hoe weten we nu of dit jaar wel klopt? Bovendien werd hiervoor geconstateerd dat de initiaal M in Vdl 2 E 3 een meer versleten indruk maakte dan die van Vdl 8 C 15! Dit kan misschien duiden op een zeer grote oplage, zo groot dat het toch al wat beschadigde houten blokje aftands raakte.

 

 

Verzameld werk 

Alle de Treurspelen van J. v. Vondel. Tweede deel.[vignet: putje met devies] t’Amsterdam, By Johannes Oosterwyk, Boekverkooper op den Dam, 1719. Met Privilegie.

[UBA Vdl 3 E 2 (13)]

Op folio **4v zijn de ‘Naemen der Spelen, in het tweede Deel begreepen’ afgedrukt: Faeton. Salmoneus. Herkules in Trachin. Hippolytus. Edipus. Feniciaensche Gebroeders. Palamedes. Hekuba. Elektra. Ifigenie in Tauren. Batavische Gebroeders. Maegden. Gysbrecht van Amstel. Maria Stuart. Zunchin. Leeuwendalers.

Nadat Johannes Oosterwyk op 5 januari 1719 het alleenrecht krijgt tot het drukken en publiceren van alle toneelstukken van Vondel, verschijnt er bij hem in dat jaar en het jaar daarop een lijvige bundel in twee delen, hier en daar voorzien van plaatwerk. Uiteraard is de Gysbreght daarin opgenomen. Het jaar daarvoor had Oosterwyk van Johannes de Wees alle exemplaren van de treurspelen van Vondel voor een halve stuiver per stuk gekocht, met de bedoeling de spelen op orde te brengen, te versieren en te herdrukken. Nadat hij dit fonds tegen contante betaling verkreeg, stapte hij naar de Staten van Holland en Westvriesland met het verzoek privilege te krijgen. Voor een periode van vijftien jaar wenst hij het alleenrecht om te drukken, te laten drukken en te verkopen. Wie zich aan nadrukken of verkoop zou bezondigen, moest met een geldboete bestraft worden. Een blik in de Vondelcatalogus maakt duidelijk dat dit verkregen privilege met voeten getreden is[49]. Het geeft direct meer licht op de edities die zonder jaartal zijn verschenen, al is dit nog een losse opmerking.

Omdat de herkomst van deze teksten de drukkerij van Johannes de Wees is, worden hieronder slechts de titel en fingerprint vermeld, met de opmerkingen uit de Vondelcatalogus. Er is een kleine wijziging in de tekst, zoals Oosterwijk die uitgeeft, aan toegevoegd, plus een aantekening van gebruikt papier en een zetfout.  

J.V.Vondels Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergank van zijne Stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit.

Fingerprint : 000004 – b1 A2 Fran : b2 H3 ert,

Typografisch materiaal: de initiaal M (type Vdl 8 C 14)

Terug naar ‘uwe Exc.’

Oosterwijk doet een kleine ingreep in de tekst door de ondertekening van de opdrachtbrief aan De Groot met ‘uwe Exc.’ te laten eindigen. Verder is de tekst conform de wijzigingen van 1659. Op folio D staat onderaan: ‘trouwer wachter’, dit moet zijn ‘trouwen wachter’.

 

Alle de Treurspelen van J. v. Vondel. Tweede deel.[vignet: putje met devies] t’Amsterdam, By Johannes Oosterwyk, Boekverkooper op den Dam, 1719. Met Privilegie.

[UBA Vdl 2 F 7 (13)]

Dit exemplaar maakt deel uit van een editie die in 1720 bij Johannes Oosterwijk verscheen. Volgens de Vondelcatalogus[50] hebben we hier te maken met samengestelde exemplaren: katern A is van de editie Unger 27b(13). Dit is het hierboven beschreven exemplaar Vdl 3 E 2 (13)[51]. De ingreep in de subscriptio is als bij Vdl 3 E 2. De katernen B-H zijn (volgens Schuytvlot) van de editie Unger 258, dit is onder andere exemplaar Vdl 2 E 63 (1716 en dus ook van Vdl.cat. 526=1699). Van de zetfout op folio D is hier uiteraard dan ook geen sprake.

 

Kiezen tussen kwarto en octavo

Pieter vander Veer

In de inleiding van Schuytvlots Vondelcatalogus speculeert Gerritsen over de naam van de drukker. Het zou een fictieve naam kunnen zijn die samen met die van Pieter van der Goes en Pieter Brakman of Braakman voor een ‘Zeeuwse humorist’ kan staan[52].

Vermoedelijk rond 1700 verschijnt bij hem de Gysbreght van Aemstel. In de UB van Amsterdam bevinden zich drie exemplaren die lichte verwarring veroorzaken bij het vergelijken. Het betreft hier twee octavo’s en een kwarto.  

J. van Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergang van zyn stad en zyn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Door hem self verbetert en vermeert. [sierornament] t’Utrecht. [hor. lijn] By Pieter vander Veer. [UBA Vdl 1 G 32a] en [UBA Vdl 1 G 32b]

Fingerprint: 000008 – b1 A1 $d: b2 D4 rms$

Vondel 1 G 32b verschilt in het voorwerk van Vdl 1 G 32a, zoals uit onderstaande  inhoudsopgave valt af te lezen. Het voorwerk is in beide exemplaren nagenoeg niet gesigneerd en wordt met @ aangegeven. Vdl 1 G 32b wijkt hiervan even af, folio @6 is gesigneerd: *2.

Vdl 1 G 32a

Inhoudsopgave:

@1                  Titelblad

@1v               Blanco

@2-@3           Den heere Hvigh de Groot,

@3v-@4v       Voorspel van Gysbreght van Aemstel, Aen Schout, Burgemeesters, Schepens en Raed van Amsterdam.

@5-@6           Kort Begryp.

@6v                Spreeckende Personagien. Stomme

A1-A8             Gysbrecht van Aemstel, Treurspel. Het eerste bedryf.

A8-B4v           II. Bedryf.

B4v-B8           Het derde bedryf.

B8-C5             Het vierde bedryf.

C5-D6v           Het vyfde bedryf.

 

Vdl 1 G 32b

Inhoudsopgave:

@1                  Titelblad

@1v                Blanco

@2-@3           Den heere Hvigh de Groot,

@3v-@4v       Voorspel van Gysbreght van Aemstel,Aen Schout, Burgemeesters, Schepens en Raed van Amsterdam.

@5-@5v         Kort Begryp

@6-@6v         Voorspel van Gysbrecht van Aemstel. Aen Schout, Burgemeesters, en Wethouders van Amsterdam.

@7-@8           Kort Begryp.

@8v                Spreeckende Personagien. Stomme

A1-A8             Gysbrecht van Aemstel, Treurspel. Het eerste bedryf.

A8-B4v           II. Bedryf.

B4v-B8           Het derde bedryf.

B8-C5             Het vierde bedryf.

C5-D6v           Het vyfde bedryf.

 

In het exemplaar Vdl 1 G 32b is een en ander door elkaar gehaald. Duidelijk is te zien hoe gegevens van een eerdere druk - van voor 1659 – vermengd worden met latere gegevens, alsof er katernen[53] uit voorgaand drukwerk met nieuwe vermengd worden. Of er is met verschillende voorbeelden gewerkt. Enkele opvallende zaken zijn:

Het zetsel van de opdrachtbrief aan Hugo de Groot is identiek in beide exemplaren. Aan de hand van de subscriptio ‘uwe Exc.’ en het gebruik van de ‘V’ in Huigh, valt te denken aan de uitgave van Blaeu van 1638. Dit geldt ook voor Kort Begryp op folio @5 en @7 resp. in Vdl 1 G 32a en b. Op de versozijde tot slot staat dan de rolaanduiding met de ‘Stomme’ nog vermeld.

In de tekst van Kort Begryp op folio @5v, hier gesigneerd *2v, zit een kleine wijziging die niet van Vondel afkomstig zal zijn. Bovenaan de bladzijde staat: ‘haren Broeder Arent’. Dit is in 1638 ‘zijnen Broeder Arent’, maar ook in het exemplaar O 63-167 uit 1659 staat hier: ‘zijnen’. Voluit luidt de zin: ‘waer van Badeloch bescheit kreegh door zijnen broeder Arent’. Ook is er in deze tekst sprake van ‘Heer Peter’, dat wijst er nog eens extra op dat deze tekst naar voorbeeld van een exemplaar van 1659 is gezet. Verder maakt de zetter een foutje, op de 6e regel van onder staat: Mevroew van Aemstel.  

Het exemplaar in kwarto schept ook verwondering.

J. van Vondels Gysbreght van Aemstel, d’Ondergang van zyn stad en zyn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Door hem self verbetert en vermeert. [sierornament] t’Utrecht. [hor.lijn] By Pieter vander Veer. [UBA Vdl. 2 E 62]

Fingerprint[54]: 000004 – a1 *2 rusa: a2 **2 ch$gr – b1 A1 $ : b2 H2 en$G

Inhoudsopgave:

*1                    Titelblad

*1v                  Blanco

*2-*3              Den Heere Hvigh de Groot,

*3v                  Blanco

**2(=*4)         Voorspel van Gysbrecht van Aemstel. Aen Schout, Burgemeesters, en Wethouders van Amsterdam.

**3(=*5)         Kort Begryp.

A1-B4             Gysbrecht van Aemstel, Treurspel. Het eerste bedryf.

B4-C4v           II. Bedryf.

C4v-D4           Het derde bedryf.

D4-E               Het vierde bedryf.

E-H2v             Het vyfde bedryf.

Het voorwerk bestaat uit vijf bladen, er ontbreekt een blad. Op **3v is een klein strookje zichtbaar, hier zou een blad verwijderd kunnen zijn. Het is nu vastgeplakt aan folio **3. Folio **3 is geen cancel, dat wil zeggen het is geen ingevoegd blad. Het vormt samen met **2 een planovel gevouwen. Volgens Unger zou tussen blad X (hij bedoelt bladzijde) en fol. 1 een blad zijn weggesneden, hierop zouden dan de Personagien hebben gestaan[55]. Er is een blanco blad waarop een stukje tekst, een pagina uit een octavodruk, is geplakt[56]. De versozijde van die uitgeknipte en opgeplakte pagina is bedrukt met het ‘Voorspel van Gysbreght van Aemstel, Aen Schout, Burgemeesters, Schepens en Raed van Amsterdam’, dit schemert door de tekst heen. Het is de tekst zoals die in Vdl 1 G 32a is weergegeven. Deze tekst komt ook voor in exemplaar Vdl 1 G 32b maar hierin wordt het Voorspel nog eens weergegeven en nu in de vorm zoals Vondel die in 1659 aangaf: ‘Voorspel van Gysbrecht van Aemstel. Aen Schout, Burgemeesters, en Wethouders van Amsterdam’.

Zoals gezegd, het drukwerk schept verwarring en roept vragen op. Er is bij het vervaardigen van deze editie hier en daar iets zeer misgegaan. De kwarto uitgave heeft voor wat betreft de opmaak de zetbreedte van een octavo tekst. Het zetsel van de drie exemplaren lijkt hetzelfde in het geval van de opdracht aan De Groot. Er zijn beschadigingen op folio:

 @2v:              w         (Baethouwers)

 @3v:              l           (telt)

                        e          (vreede)

Ook het zetsel van het titelblad voor wat betreft Vdl 2 G 32a en Vdl 2 E 62 is identiek. De tweede E in Veer (van Pieter vander Veer) is namelijk op dezelfde manier beschadigd. Dit is echter weer niet het geval bij het zetsel van Vdl 1 G 32b. De ‘H’in ‘Utrecht’ is alleen in het kwarto exemplaar aan de rechterpoot middenin iets beschadigd. De n in ‘Ondergang’ en de g in ‘ballingschap’ op dezelfde regel hebben hier onvoldoende inkt gepakt.

Bij een vergelijking van het zetsel van het treurspel blijkt dat alle exemplaren op het titelblad de vanboven afgesleten ‘T’ in ‘Aemstel’ op regel 3 hebben. Op A3v 11e regel van onder zowel bij [Vdl 1 G 32a als b] staat de n van ‘gedreven’ op zijn kop, dit is niet het geval bij Vdl 2 E 62. De custode Arent op A5 bij [Vdl 2 G 32a en b] is op dezelfde wijze bij de t wat verzakt. Bij exemplaar Vdl 2 E 62 begint hier katern B. Echter, dit exemplaar, weliswaar op kwarto gedrukt, volgt nauwgezet het zetsel van de octavo of is het zetsel van de octavo. Dat zou kunnen blijken uit een correctie van de zetter, zichtbaar door het gebruik van een letter in een kleiner corps: op pagina 43 laatste regel zegt Badeloch: ‘En zaegtge doen noch niet na vrouw en kinders om?’. De letter t is in alle drie de exemplaren ertussen gezet. Bij de opmaak in de vorm van octavo naar kwarto of andersom, is dit niet veranderd. Maar een spelvariant in het Voorspel, waar bij Vdl 1 G 32a: ‘leê’ en bij Vdl 1 G 32b: ‘lijdt’ wordt genoteerd, spreekt de suggestie dat het zetsel gelijk is misschien weer tegen.

De tekst van de opdrachtbrief en de ondertekening is als van 1638. Deze tekst is in alle drie de exemplaren identiek, zij maakt overal dezelfde dalende golf op het eind van de brief. In alle exemplaren ontbreekt: Op den Nieuwen Schouwburg. Aen den Raedsheer Nikolaas van Kampen. Ook de versjes Op het Tooneel en Anders ontbreken. In deze drukken zegt de portier op B: ‘Ick heb gebelt. Hy komt, ga roep den Vader, flux.’. Het tweede bedrijf wordt met romeinse cijfers aangegeven: II. Enkele malen wordt de naam Badeloch gespeld als Badelog, cursief gedrukt boven de tekst waarin zij (met anderen) figureert: Badelog. Arent van Aemstel; Gysbrecht van Aemstel. Badelog. Bode; Badelog. Gysbrecht van Aemstel. Arent van Aemstel. Heer Peter. Rey van Edelingen.  

Van Pieter vander Veer bevindt zich nog een exemplaar in de UB, afkomstig van een andere uitgave:

J. Van Vondels Gysbregt van Aemstel, d’Ondergank van zyne Stad en Ballingschap. Treur-spel. Orbis [sic] antiqua ruit. De laatsten Druk, vermeerdert en verbeetert. [vignet: putje omgekeerd] Te Utrecht, By Pieter van der Veer. [UBA Vdl 8 C 14a]

Fingerprint: 000008 - b1 A2 ans$ : b2 D5 n$my

Opbouwformule: 80 A-D8 [$5 (- A1, A5)]

Inhoudsopgave:

A1                   Titelblad

A1v                 Blanco

A2-A3             Den Edelen Heere Huygh de Groot,

A3-A4             Voorspel van Gysbregt van Aemstel.

A4                   Op den Nieuwen Schouwburg.

A4v-A5           Kort Begryp.

A5v                 Spreekende. Personagien.

A5-B4             Gysbregt van Aemstel. Treur-spel. Het eerste bedryf.

B4-B8             II. Bedryf.

B8-C3             Het Derde Bedryf.

C3-C7v           Het vierde bedryf.

C7v- D7v        Het vyfde bedryf.

D8                   Op het Tooneel-Spel. Anders.

D8v                 Blanco

Typografisch materiaal: (omgekeerd) putje 3,3 x 5,6 cm hoog

afwijkingen aan de bovenkant (deze houtsnede van het putje is weer een andere dan in Vdl 1 G 36).

 

De tekst volgt de wijzigingen van 1659, maar er zijn afwijkingen:

Op het titelblad staat ‘Orbis’ in plaats van ‘Urbs’. In de opdracht aan Hugo de Groot wordt de ‘sprong van hetzelfde naar hetzelfde’ gemaakt, op A2 onderaan valt te lezen: Ik vermeet my vermaandelyk [sic] dit uwe Excellentie van dit treurigen Toneelstel [sic], die de hoogdravenste, […] niet afkeerig schynende; […]. Folio A3 heeft een foutieve datering: ‘den 14. van Wynmaand’. Op B5 zegt de Poortier: Ick heb gebelt. Hy komt, ga roept den Vader, flux. Op D7v zegt Badeloch: ‘Vergelde stad’. De naam Badeloch wordt hier, in tegenstelling tot Vdl 2 E 62, nergens afwijkend gespeld.

Opmerkelijk wel is dat in dit exemplaar in Kort Begryp in het zinsdeel: ‘waar van Badeloch bescheid kreeg door Broeder Arent’, het bezittelijk voornaamwoord achterwege is gelaten, alsof de zetter twijfelde en toen de middenweg koos. Het zetsel van deze octavo uitgave is geheel afwijkend van de editie waartoe Vdl 2 E 62 behoort. De hier opgemerkte afwijkingen komen echter in grote lijnen overeen met het exemplaar Vdl 1 G 36 dat in 1704 bij de weduwe De Groot verscheen.

 

Weduwen in octavo

De Groot

J. van Vondels Gysbrecht van Aemstel, d’Ondergank van sijne Stad, en Ballingschap. Treurspel. Orbs [sic] antiqua ruit. Dese laetsten druk, vermeerdert en verbetert. [ vignet: Putje, zonder devies] t‘Amsterdam, By de Wed : van Gysbert de Groot, Boekverkoopster op de Nieuwen-dyk in de Groote Bybel. 1704. [Vdl 1 G 36]

Fingerprint: 170408- b1 A2 ers$, : b2 D5 :$hy$

Typografische materiaal: (omgekeerd) putje voet van het putje 3,7 cm hoogte 5,8

 

De tekst volgt de wijzigingen van 1659, maar er zijn afwijkingen:

Op het titelblad staat ‘Orbs’ in plaats van ‘Urbs’. De datering van de opdrachtbrief is gesteld op: den 14. van Wyn-maant. Ook slaat de zetter een stukje tekst over in de opdrachtbrief, waarschijnlijk door het meer voorkomende Excellentie[57]: ‘Ik vermat my vermaandelyk [sic] dit uwe Excellentie (de tekst:’op te draegen, en dat te vrypostiger, overmits uwe Exc.’ ontbreekt!)van den treurigen Toneelstyl, die de hoogdravenste, onder allerley slag van schryven, de kroone spant, niet afkeerig schyne[sic]; etc.’. In het Voorspel op A3v staat: ‘Priamshof’. De laatste zin van Op den nieuwen Schouwburgh eindigt met een punt. In Kort Begryp is ‘zijnen Broeder A’ gewijzigd in ‘haren broeder A’. Op B4 wordt het tweede bedrijf verkort aangegeven: II. Bedryf. De zin op B5: ‘ga roep den Vader, flux.’, is hier als van ouds voor de portier weggelegd, maar vormt nu een zinsdeel. De gehele zin luidt: ‘Hy komt, ga roep den Vader, flux.’. Tot slot zegt Badeloch op D8: ‘Vergelde stadt’ in plaats van ‘Verdelghde stadt’. Enkele malen wordt de naam Badeloch gespeld als Badelog, cursief  gedrukt boven de tekst waarin zij (met anderen) figureert: Badelog. Arent van Aemstel; Gysbrecht van Aemstel. Badelog. Bode; Badelog. Gysbrecht van Aemstel. Arent van Aemstel. Heer Peter. Rey van Edelingen.

Er verscheen nog een uitgave bij de weduwe:

J. van Vondels Gysbrecht van Aemstel, d’Ondergank van sijne Stadt, en Ballingschap. Treurspel. Orbs [sic] antiqua ruit. Dese laatsten druk, vermeerdert en verbetert. [vignet: hs fontein op sokkel vogels in de lucht links] t’Amsterdam, By de Wed: van Gysbert de Groot, Boekverkoopster op de Nieuwen-dyk in de Groote Bybel. 1709. [UBA Vdl 1 G 37]

fingerprint: 170908- b1 A2 s$,$: b2 D5 m$:$h

Het putjesvignet op het titelblad is vervangen door een totaal andere houtsnede.

 

Van Egmont

J.v.Vondels Gysbrecht Van Aemstel, d’Ondergank van zyne Stad, en Ballingschap. Treurspel. Orbs [sic] antiqua ruit. Deze laatsten druk, vermeerdert en verbetert. [vignet: putje] t‘Amsterdam. Gedrukt by de Wed: van J. van Egmont. Boekdrukster en Verkoopster, op de Reguliers Breestraat, in de Nieuwe Drukkery. [ UBA 316 F 36]

fingerprint: 000008 - b1 A2 $Gri: b2 D5 n$wr

Opbouwformule: 80 A-D8 E2 [5$ (-A1, E2)]

Ook hier worden de wijzigingen van 1659 nagevolgd maar er zijn tevens de al eerder genoemde afwijkingen:

Het titelblad vermeldt ‘Orbs’ in plaats van ‘Urbs’. Het putjesvignet is gespiegeld. De ondertekening is ‘uwe E.’, in de tekst van de opdrachtbrief de klassieke saute du même au même. De datering van de opdrachtbrief is gesteld op ‘den 14. van Wyn-maand.’. Op B5 zegt de portier op regel 519: ‘Ik heb gebelt. Hy komt, ga roep den Vader, flux.’. Aan het eind van het vijfde bedrijf zegt Badeloch op E1v: ‘Vergelde’ i.p.v. ‘verdelghde’ stad.

Deze kleine steekproef aan de hand van een aantal voorkomende veranderingen wijst uit dat de hieronder elkaar genoemde exemplaren dezelfde afwijkingen hebben: 

Vdl 8 C 14a (z.j.)

Vdl 1 G 36 (1704)

Vdl 1 G 37 (1709)

316 F 36 (z.j.)

Het drukwerk dat bij de weduwe de Groot verscheen, staat direct in verband met het drukwerk van de weduwe van Egmont. Ergens zijn genoemde fouten begonnen. Het exemplaar Vdl 8 C 14a, uit een editie die bij Vander Veer verscheen, heeft een aantal afwijkingen niet, maar het feit dat de zetter in Kort Begryp het bezittelijk voornaamwoord in het zinsdeel achterwege laat, geeft of aan dat er al iets niet klopte, of is de aanzet tot de verandering naar ‘haren’. Dat geldt ook voor de verandering van ‘Urbs’ naar ‘Orbs’ of ‘Orbis’. 

 

De octavo’s van Lescailje

De octavo uitgaven die in 1706 bij de erven Lescailje verschenen, missen de bovengenoemde afwijkingen en hebben dus een andere tekst als voorbeeld gehad. Unger maakt melding van de rolwisseling van de portier met Diedrick en ook van de verdeling in tonelen, die in deze uitgave voor het eerst wordt gemaakt[58].

J.v.Vondels Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergang van zijne Stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. Den laetsten Druk [vignet : perseveranter] Te Amsteldam, By de Erfgen : van J.Lescailje, op den Middeldam, op de hoek van de Visch-poort, 1706. [693 G 35]

fingerprint: 170608- b1 A2 terw: b2 E3 e$da

 

J.v. Vondels Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergang van zijne Stadt, en zijn ballingschap.Treurspel. Urbs antiqua ruit. Den laatsten Druk. [vignet: perseveranter] Te Amsteldam, By de Erfgen: van J. Lescailje, op den Middeldam, op de hoek van de Visch-poort, 1706. [ Vdl 2 G 26]

fingerprint: 170608- b1 A2 erwij: b2 E3 $en$

Beschadiging aan de initiaal M rechtsboven in de arcering

 

Gezien de rolwisseling moet deze editie, zowel als de vorige, teruggaan op drukwerk van 1699/1716. Het kan echter ook zo zijn, gezien de onbetrouwbaarheid van de datering, dat het drukwerk van 1699/1716 deze octavo uitgave als voorbeeld nam. De beschadiging aan de initiaal zou een aanwijzing kunnen zijn dat Vdl 2 G 26 van een tweede druk is.

In 1728 verschijnt opnieuw een editie bij de erven Lescailje en Rank. Dit is een regel voor regelherdruk van 1706:

J.v.Vondels Gysbrecht van Aemstel. d’Ondergang van zijne Stadt, en zijn ballingschap. Treurspel. Urbs antiqua ruit. De laatste Druk. [vignet: perseveranter] Te Amsteldam, By de Erfgen: van J. Lescailje en D. Rank, op de Beurssluys, 1728. [UBA Vdl 6 C 31]

fingerprint: 172808- b1 A2 $ter: b2 E3 en$m

 

Een nieuwe Gysbrecht

J.v.Vondels Gysbrecht van Aemstel. Treurspel. Nu voor de eerste reize van woord tot woord gedrukt, gelijk het op den Amsterdamschen Schouwburg gespeeld wordt. [vignet] T’Amsteldam, By David Ruarus, Boekverkoper, 1729. Met Privilegie. [UBA Vdl 2 G 27]

Fingerprint: 172908 – a1 *3 mpe: a2 *5 h$gr – b1 A va : b2 D5 $blo

Inhoudsopgave:

*1                    titelblad

*1v                  blanco

*3-*4              Den Edelen Heere Huigh de Groot,

*5                               Voorspel van Gysbrecht van Aemstel, Aen Schout, Burgermeesters, En Wethouders Van Amsterdam.                

*6                    Op den Nieuwen Schouwburgh, aen den Raedsheer Nikolaes van Kampen.

*6v                  Kort Begryp.

*7v                  Aen den Leezer.

*7v                  Spreekende Personagien.

A-A7               Gysbrecht van Aemstel. Treurspel. Eerste Bedryf. Eerste Tooneel.

A7v-B3           Tweede Bedryf. Eerste Tooneel.

B3v-B7v          Derde Bedryf. Eerste Tooneel.

B7v-C7v         Vierde Bedryf. Eerste Tooneel.

C8-D6             Vyfde Bedryf. Eerste Tooneel.

D6v-D7v         Copye van de Privilegie.

D8-D8v           Blanco

*2 is gesigneerd als *3 en zo vervolgens.

Andere exemplaren: 693 E 101 en Vdl 3 E 22 (1)

Uit het voorwerk van de uitgave van 1729 blijkt dat gedurende voorgaande jaren de uitvoering van de Gysbreght nogal aan verandering onderhevig is. De tekst ‘Aan den leezer’ is in zijn geheel in de bijlage opgenomen[59].De leestekst wordt allang niet meer gevolgd, maar blijft wel al die jaren in omloop. Dat verandert in 1729, leestekst en toneeltekst worden met elkaar in overeenstemming gebracht. Om een vergelijking te maken zijn de tekst van 1637 (editie Smits-Veldt 1994) en 1729 in kolommen naast elkaar geplaatst.en in de bijlage weergegeven[60]. De eventuele veranderingen in het voorwerk worden hier kort genoemd:

·        De opdrachtbrief aan De Groot werd geheel volgens de wijzigingen van 1659 overgenomen.

·        In het Voorspel valt een spelvariant op: ‘Priaems hof’, dit is in 1637: ‘Priams hof’. Maar ook in de uitgaven gedateerd ‘1659’ komen deze spelvarianten voor: in exemplaar O 63 167 is dat ‘Priams hof’, in Vdl 8 C 11 is dat: ‘Priaems hof’.

·        In Kort Begryp werd het bezittelijk voornaamwoord in het zinsdeel: ‘waer van Badeloch bescheid kreegh door zijnen broeder Arent’ op de juiste manier weergegeven.

·        In Spreekende Personagien valt niet meer te lezen dat Rafaël een van de zeven engelen is. Andere wijzigingen op die plaats werden nog door Vondel zelf aangebracht en zijn van 1659:

                        Broer Peter                 Heer Peter                  

Klaeris van Velzen       moeder van ‘t Klaerissenklooster        

Bondtgenooten            weggelaten

Vlughtelingen               weggelaten

Stomme                       weggelaten

 

Verantwoording van de tekst

De veranderingen in 1729 zijn in de tekst van 1637 rood gekleurd en waar de tekst gewijzigd is, in  nevenstaande kolom op de plaats in zwart aangegeven. Deze veranderde stukjes tekst hebben de spelling van 1729 en als dat zo uitkwam in de tekstwijziging werd ook de interpunctie aangehouden. Echter die interpunctie is niet in zijn geheel aangepast. Ook de gehele spelling is niet veranderd, de tekst toont zoveel mogelijk de ingrepen zoals die werden gedaan na Vondels overlijden. Daarbij moet worden bedacht dat tussen 1637 en 1729 ook Vondel aan de tekst gewijzigd heeft, eerst in 1638 en later nog in 1659 en dat deze wijzigingen hier niet gespecificeerd zijn[61]. Dit is om redenen van tijd  niet gebeurd, maar zal in een vervolgonderzoek stellig aan bod moeten komen

 

De wijzigingen

In Vondels tekst is drastisch geschrapt. Volgens Albach[62] zou niet alleen de door Nil Volentibus Arduum zo gewaardeerde moderne Franse toneelstijl tot veranderingen hebben geleid, ‘maar meer nog een puriteinse, antikatholieke geest’.

Woorden als God en Jezus of Christelijck worden stelselmatig uit de tekst geschrapt. Het gebed dat Badeloch (versregel 1800) voor haar vertrek samen met de Deken wenst uit te spreken, wordt weggelaten. Schouwburgregent Andries Pels had destijds al zijn bedenkingen hierover[63]. Een begrip als ‘noodlot’ dat door Vondel in 1659 werd vervangen door ‘Godsschickinge’ wordt weer ‘noodlot’. Het is ook God niet meer die Gysbreght gebiedt Amsterdam te verlaten, maar Rafaël. De vier extra regels voor Rafaël die de Gysbreght er in 1659 bij krijgt, worden hier niet meer nagevolgd. Albach denkt aan een ‘antikatholieke geest’, maar is het gehalte dan nog wel ‘gereformeerd’ genoeg? Aan de Gysbreght is te merken dat er in de achttiende eeuw een andere geest waait.

De opgenomen tekst ‘Aan den leezer’ [bijlage 1]over de indeling van de bedrijven, maakt duidelijk hoe het toneelstuk aantrekkelijk werd gemaakt door visueel prikkelende beelden[64].

Men zal hier ook de verdeeling der Bedryven anders gemaakt vinden dan in de voorige uitgaaven, daar het Derde en Vierde, als ook het Vierde en Vyfde Bedryf in eenloopen, en men niets onderstellen kan het welk tusschen beide zoude gebeurd zyn. Integendeel konnen noch het Vierde noch het Vyfde Bedryf achtereen afspeelen, met een open gordyn. Daarom is het Eerste Tooneel van ’t Vierde Bedryf getrokken aan het Derde;  en aldus de verwoesting van’t Klaarissen klooster, voor een groot gedeelte, geplaatst tusschen deeze twee Bedryven. Van gelyken is het Eerste Tooneel van ’t Vyfde Bedryf aan het Vierde getrokken; waardoor men een’ genoegsaamen tyd uitwint tot het beginnen en volbrengen van dien uitval, waarin Gysbrecht van Aemstel met een kei even aan zyn borst getroffen, en deszelfs broeder Arent doodelyk gekwetst wordt: ’t welk nu tusschen de twee laatste Bedryven gesteld wordt. Deeze verdeeling is al voor veele jaaren gemaakt in het vertoonen, zo dat de verandering niet nieuw is, dan alleen in de uitgaave.

De moord op de Klaerissen en de steen waarmee Gysbreght geraakt wordt en Arent dodelijk getroffen, krijgen voldoende aandacht door het doen samentrekken van de bedrijven. Nadat Gysbreght de kloosterlingen alle hulp heeft toegezegd (vs. 1070) eindigt hier het derde bedrijf. De slachting en daarop het tableau vivant is daarop kennelijk zichtbaar. Het vierde bedrijf begint daarna met Badeloch en Arend van Aemstel, die verslag doet van de slachting.Van de verwondingen die Gysbreght en Arend oplopen moet men dan tussen het vierde en vijfde bedrijf getuigen zijn geweest.

 

Leestekt en speeltekst

In een passage ‘Aan de leezer’ wordt onderscheid gemaakt tussen deze tekst en andere werken van Vondel. De tekst is bedoeld voor de Schouwburg en voor de bezoekers.

‘zynde deezen nieuwen druk niet aangeleid, om gevoegd te worden by de andere werken van Vondel, maar alleen om te strekken ten dienste des Schouwburgs, en der geenen die den zelven bezoeken’.  

Nu kan dit een aardig verkooppraatje zijn, de zin een frase, maar het zou ook kunnen wijzen op een bestaand verschil tussen lezers van teksten als de Gysbreght en bezoekers van dergelijke theatervoorstellingen. Waarom anders heeft het zo lang geduurd voor er een geschikte tekst werd uitgebracht. Of heeft dit met begrippen als ‘traditie’en ‘conservatisme’ te maken?

 

De editie van 1994

Omdat de tekst van 1729 vergeleken wordt met de editie van 1994, is het op zijn plaats ook even naar deze tekst te kijken. De teksteditie van Smits-Veldt volgt de oorspronkelijke uitgave van 1637. Maar welke? De opdrachtbrief van het exemplaar dat zij raadpleegde, is ondertekend met ‘uwe Exc.’ en dat is opmerkelijk. Smits-Veldt vermeldt in haar verantwoording, op p.22 van de uitgegeven tekst, de WB-editie als basis. Maar ook daar wordt op p. 522 de opdrachtbrief ondertekend met ‘uwe E.’. In een noot verwijst zij naar een exemplaar (Vdl P. C3)[65] in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek waarop enkele afwijkingen in spelling en interpunctie berusten en de collationering van de bewaarde exemplaren van de editie door Oey-de Vita[66]. Het is de vraag waarom Smits-Veldt hier voor deze ondertekening heeft gekozen. Zoals Oey-de Vita aangeeft, komt zij slechts voor in het exemplaar dat zich in de Harvard Universiteit bevindt. Dit feit wordt door Smits-Veldt niet genoemd en ook wordt niets rond die subscriptio toegelicht. Over de analyse van Oey-de Vita met betrekking tot de correctie op de pers die mogelijk door de predikanten bedongen zou zijn, blijft de lezer onkundig. De vraag is of dat erg is. Opmerkelijk is wel dat voor Smits-Veldt de ondertekening met ‘uwe Exc.’ meer passend leek, maar dat de opdrachtbrief, in de door Vondel zelf verbeterde uitgave van 1659, met ‘uwe E.’ wordt afgesloten. Daartussen bestaat nog de editie van 1638, die ook door Vondel werd gewijzigd. In deze editie wordt de brief aan Hugo de Groot wel ondertekend met ‘uwe Exc.’.

 

Tot slot een voorlopige conclusie

Wat valt er nu in grote lijnen op te maken uit dit onderzoek?

Drukgeschiedenis

Nadat diverse drukwerken  bekeken zijn en met elkaar in verband gebracht, leidt dit tot een voorlopige registratie van de drukgeschiedenis. Kort samengevat ziet die er als volgt uit:

De hieronder genoemde kwarto uitgaven gaan terug op 1637:

(Blaeu)                                   1637

(Hartgersz)                              1638

(Wed. de Wees)                      1659: 1e uitgave; 2e uitgave

 

De octavo uitgave van (Kornelis de Bruyn)1661 gaat terug op die van 1659, maar heeft veel eigenzinnigs. Niets hiervan is in andere uitgaven teruggevonden.

De octavo uitgave van (Gysbert de Groot) 1662 gaat terug op die van 1659.

De hieronder genoemde uitgaven gaan terug op 1638:

( Blaeu)                                  1638

(Van Ravesteyn/Houthaeck)    1641

(Houthaeck/Houthaeck)           1650

(Wed. de Wees)                      1659 =1699

 

(Lescailje)                               1706

(Lescailje)                               1728

De octavo’s van Lescailje voeren terug op de uitgave van de Wed. de Wees 1659 = 1699, maar in deze uitgave worden veranderingen aangebracht: indeling in tonelen en de rolwijziging van de portier en Diedrick.

De uitgave van Joannes de Wees is vermoedelijk naar de uitgave van Lescailje tot stand gekomen; de datering is foutief .(Joannes de Wees)                 1699 = 1716

(Joannes Oosterwijk)               1719

(Joannes Oosterwijk)               1720

Deze uitgaven gaan terug op de uitgave van Joannes de Wees 1699/1716

Aan de hand van een vergeten komma valt te constateren dat de hieronder genoemde uitgaven meer specifiek teruggaan op 1641:

(Van Ravesteyn/Houthaeck)           1641

(Houthaeck/Houthaeck)                      1650

(Bouman)                                            1655

(Barendsz Smient)                               1664?

 

(Pieter vander Veer)                         z.j.

De kwarto uitgave van Pieter vander Veer gaat terug op 1659, maar heeft ook nog tekstgedeelten van 1638. Dit valt af te leiden aan het gebruik van ‘uwe Exc.’ in de ondertekening van de opdrachtbrief.

Ook de octavo exemplaren voeren terug op 1638 en 1659.

De onderstaande octavo uitgaven moeten met elkaar in verband worden gebracht:

Wed. de Groot                                               1704

                                                                       1709

Wed. van Egmont                                           z.j.

Pieter vander Veer [Vdl 8 C 14a]                    z.j.

Hoe precies alle hierboven vermelde exemplaren van Pieter vander Veer zich tot elkaar verhouden, moet nog nader worden bekeken.

 

De wisselwerking schrijver/drukker/uitgever

Aan de hand van deze samenvatting van het verschenen drukwerk valt wel iets te zeggen over de wisselwerking schrijver/drukker/uitgever. De wijzigingen die Vondel aanbracht, worden over het algemeen opvallend trouw gevolgd. In de wijze waarop de tekst is opgebouwd, verandert ook opvallend niets. De uitgave van Barentsz. Smient, die vermoedelijk in 1664 gedrukt werd, vormt hierop een kleine uitzondering. Smient levert dan drukwerk dat niet Vondels laatste wijzigingen van 1659 volgt. Dit gebeurt nog tijdens het leven van Vondel. Ook is het zo dat hoe verder men in de tijd komt, des te rommeliger sommige drukkers/uitgevers in het nadrukken van de tekst worden. Dit valt vooral te constateren bij de octavo’s van de weduwen De Groot en Van Egmont met die van Pieter vander Veer.

Echter, aan de hand van drie overgeleverde exemplaren bij diezelfde Pieter vander Veer kan ook afgelezen worden dat het de drukker/uitgever erom te doen was zo correct mogelijk drukwerk af te leveren. De correcties naar aanleiding van de wijzigingen van 1659, die in deze exemplaren zichtbaar zijn, wijzen daarop.

Van invloed van theatermakers en Nil Volentibus Arduum valt weinig te bespeuren. Podiumtekst en leestekst hebben ver na Vondels verscheiden naast elkaar bestaan, als je de tekst ‘aan den leezer’ in het voorwerk van de uitgave van 1729 mag geloven. En dat is op zijn minst wonderlijk te noemen. Het lijkt alsof de leestekst een eigen cultuur heeft. Alsof het publiek in de schouwburg een andere was dan die van de tekstuitgaven. Dat Vondel gelezen werd, komt kort in de volgende paragraaf ter sprake.

Er is misschien één toneelwijziging in de teksteditie geslopen en wel in die van 1706, uitgegeven bij Lescailje. Maar zeker is niet of het hier om een toneelwijziging gaat. Wel heeft deze uitgave ook de indeling in tonelen en hij loopt daarmee voor op de hernieuwde tekst van 1729.

 

Antedateren van de uitgave, maar ook meerdere uitgaven binnen het jaar

Uit het onderzoek bleek dat ook de jaartallen op de titelbladen van de diverse Gysbreghts niet altijd kloppen. Het werd geconstateerd bij de uitgaven van de weduwe de Wees in 1659 en bij Joannes de Wees in 1699. Het feit dat in een jaar tijd meer uitgaven bij eenzelfde uitgever verschijnen en dat het dan zou gaan om een grote belangstelling voor die tekst, blijkt ook hier dus niet van toepassing. Waarom men het met die jaartallen niet zo nauw neemt, is nog de vraag. Mogelijk heeft zo’n toegekend privilege aan Johannes Oosterwijk daar voor een deel wel mee te maken. Hoewel daarover op dit moment, op deze plaats verder niets gezegd kan worden.

Overigens beleefde de uitgave van 1659 bij de weduwe hoogst waarschijnlijk wel een tweede druk binnen het jaar of in elk geval snel daarop. En dat moet ook het geval geweest zijn bij de uitgaven die Houthaeck in 1650 voor zijn rekening neemt. Van de vier onderzochte exemplaren, bleken er twee tot verschillende uitgaven te behoren. Een uitgave die terugging op de editie van 1638 bij Blaeu en een die gemaakt was naar de editie van 1641. Dit werd duidelijk doordat een daarin door de zetter gemaakte kleine vergissing, het vergeten van een komma, in de drukkerij van Houthaeck anno 1650 werd overgenomen. Die twee uitgaven in hetzelfde jaar zijn met de twee in 1659 geen uitzonderingen op de regel. Ook bij Lescailje verschijnen in 1706 twee uitgaven. Daarop verschijnt er in 1719 en identiek in 1720 een verzamelbundel van Vondels Treurspelen bij Johannes Oosterwijk. Kennelijk was er wel vraag naar Vondels werk. Het moet deze uitgever toch ook een lucratieve onderneming geschenen hebben, wilde hij het totale fonds van Vondeluitgaven van Joannes de Wees overnemen.

 

Uwe Excellentie of uwe Edele

Zoals ook al in het resumé naar aanleiding van de analyses van Oey en Van der Blom bleek, is de kwestie rond de aanspreektitel van De Groot wellicht een reden om de eerste uitgaven van de Gysbreght, die van 1637 en 1638 bij Blaeu en die van 1638 bij Hartgersz, nog eens ter hand te nemen. Het feit dat Vondel zelf in 1659 kiest voor ‘uwe Edele’ brengt alles wat Oey en Van der Blom hierover zeggen aan het wankelen. Echter de keuze van Smits-Veldt voor ‘uwe Excellentie’ in de editie van 1994, die zij baseert op het onderzoek van Oey en gemaakte correcties naar aanleiding van exemplaren in de UB van Amsterdam, roept de vraag op of wij ooit de ware Gysbreght zullen kunnen samenstellen, dan wel lezen. 

 

De editie van 1729

Hoewel het toneel vijftig jaar na Vondels overlijden drastische veranderingen had ondergaan - welke ook het spel van de Gysbreght betroffen - verandert er dus nagenoeg niets aan de tekst in drukvorm. De wijzigingen waar we mee te maken hebben zijn door Vondel zelf aangebracht of ontstaan door fouten binnen de drukkerij en deze worden successievelijk overgenomen. Intrigerend is de rolwisseling van de portier en Diedrick, dit zou eventueel een regisseursingreep kunnen zijn, temeer daar hij ook in de editie van 1729 voorkomt. De wijziging komt pas voor in 1699, als we de datering op het titelblad mogen geloven, in elk geval tussen 1699 en 1716. De uitgave van 1706 bij Lescaile heeft per bedrijf al de indeling in tonelen, en ook hier is de rolwisseling een feit. Hetgeen waarschijnlijk dan ook inhoudt dat deze editie voor het eerst met de wijziging komt, zoals al eerder werd verondersteld. Maar tot en met de uitgave in 1728 aldaar, heeft de leestekst vooral onafhankelijk van de toneeltekst bestaan.  In 1729 verschijnt de Gysbreght opnieuw, maar nu aangepast aan het toneel. Uit de wijzigingen blijkt niet zozeer een minder ‘Godenwelgevallige’ houding, dan wel een minder Christelijke teneur. En dat betekent misschien zelfs ook minder ‘gereformeerd’.

Het zou nog even duren voor men op het toneel weer naar Vondels oorspronkelijke tekst terugkeerde. Dit gebeurt in de 19e eeuw. Of na de editie van 1729 de oorspronkelijke tekst van Vondel niet meer gedrukt is, of hoe er verder nog aan de tekst gesleuteld is, verdient een vervolgonderzoek. De al aangehaalde opmerking in ‘aan den leezer’, waarin de editie van 1729 wordt verantwoord, sluit een tweedeling in de tekst niet uit.

Tot slot moet gezegd dat het onderzoek naar verschillen in het drukwerk van de Gysbreght van Aemstel , ook als dit wordt gekaderd binnen de tijd van Vondel en vijftig jaar daarna, te veelomvattend is voor het moment en  nog op alle terreinen, die hier weliswaar even werden belopen, dient te worden uitgebreid. Deze nota wordt aangevuld met teksten in de bijlagen [bijlage I, bijlage II] naar aanleiding van de uitgave 1729 en met een literatuurlijst afgesloten.

 

Literatuurlijst

Albach, B. Drie eeuwen ‘Gijsbreght van Aemstel’. Kroniek van de jaarlijkse opvoeringen. Amsterdam: Noord-Hollandsche uitgeversmaatschappij, 1937.

Albach, B. Langs kermissen en hoven. Ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17e eeuw. Zutphen: De Walburg Pers, 1977.

Albach, B. ‘De vertoningen van de kloostermoorden in “Gijsbreght van Aemstel””. In: Literatuur 4 (1987), p. 328-335.

Blom, N. van der. ‘De door Blaeu gedrukte edities van de Gijsbreght’. In: Spiegel der letteren 17, (1975), p. 138-141.

Gemert, L. van. ‘3 januari 1638: De opening van de Amsterdamse Schouwburg. Vondel en de Gysbreght-traditie’. In: Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Hoofdred. M.A. Schenkeveld-Van Dussen. Antwerpen/Amsterdam: Uitgeverij Contact, 1998. p.230-236.

Gerritsen, J. ‘Gedachten over een Vondel-bibliografie’. In: Dokumentaal 16 (1987), afl. 3, p. 90-94.

Gerritsen, J. ‘Honderd jaar Unger - Wat nu?’. In: Spektator 17 (1987), p. 457-464.

Gerritsen, J. ‘Vondel and the new bibliography. Notes towards a new edition of ‘Unger’. In: Hellinga Festschrift/Feestbundel/Melanges. Amsterdam: Nico Israel, 1980, p. 205-215.

Gerritsen, J. ‘De eerste druk van de Palamedes’. In: Uit bibliotheektuin en informatieveld; opstellen aangeboden aan D. Grosheide. Deventer, 1978, p. 219-230.

Gruys, J.A. en C. de Wolf. Thesaurus Nederlandse boekdrukkers en boekverkopers tot 1700; met plaatsen en jaren van werkzaamheid. Nieuwkoop: De Graaf, 1980.

Hummelen, W.M.H. Amsterdams toneel in het begin van de Gouden Eeuw. Studies over Het Wit Lavendel en de Nederduytsche Academie. ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1982.

Koppenol, J. “Nodeloze onrust. Het ‘roomse karakter’ van Vondels Gysbreght van Aemstel”. In: Nederlandse Letterkunde. 4 (1999), p. 313-329.

Oey-de Vita, E. ‘De edities van Gysbreght van Aemstel gedrukt door Wilhelm Blaeu’. In: Spiegel der letteren 15 (1973), p. 81-111.

Oey-de Vita, M. Geesink (e.a.) Academie en schouwburg Amsterdams repertoire 1617-1665. Amsterdam: Huis aan de drie grachten, 1983.

Schuytvlot, A.C. Catalogus van werken van en over Vondel. gedrukt voor 1801 en aanwezig in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Nieuwkoop: De Graaf Publishers, 1987.

Spies, M. ‘Vondel in veelvoud. Het onderzoek sinds de jaren vijftig’. In: http://www.dbnl.org/tekst/spie010vond01/  (1987/2004)

Unger, J.H. W. Bibliographie van Vondels werken. Amsterdam, 1888.

Vondel, J. van den. Gysbreght van Aemstel. Met inl. en aant. door Mieke Smits-Veldt. Amsterdam: AUP, 1994.

Vondel, J. van den. De werken. Volledige en geillustreerde tekstuitgave in tien delen. Sterck, J.F.M. (red) Amsterdam, Wereldbibliotheek, 1929. Dl. 3, p. 520-600.



[1] ‘Vondel in veelvoud. Het Vondelonderzoek sinds de jaren vijftig (1987/juli 2004).

[2] Spies (1987/2004) p. 246.

[3] Gerritsen. ‘Gedachten over een Vondel-bibliografie’ (1987) p. 90

[4] In: Spektator (1987) p. 457-461.

[5] Gerritsen. ‘De eerste druk van de Palamedes’. in: ‘Uit bibliotheektuin en informatieveld’. (1987) p.

[6] Vondel,J. De werken. Volledige en geïllustreerde tekstuitgave in tien deelen. Ed. J.F.M.Sterck e.a. III. p. 520-600. Amsterdam, 1929.

[7] Voor Oey-de Vita gold de editie van 1638 als meest geschikt voor latere edities. Zie Oey-de Vita (1937) p.

[8] Zie wat Spies daarover al opmerkte.

[9] Schuytvlot (500 ).

[10] Albach (1937) p. 36.

[11] Albach (1937) p. 37.

[12] Volgens Oey-de Vita zou voor teksteditie de redactie van 1638 de basis voor heruitgave zijn, boven die van 1637. Zie Oey-de Vita (1973) p. 103.

[13] Zie Oey-de Vita (1973) p. 83 en 85.

[14] Dat er in bepaalde gevallen wel degelijk staand zetsel bestond, is te lezen bij Gerritsen. In het bijzonder gold dit voor impressa. Zie hiervoor zijn Inleiding bij Schuytvlot (1987) p. xii. Maar ook Oey-de Vita ontdekte dat er gewerkt kon worden met staand zetsel. Dit gebeurde bij Blaeus drukwerk van de Gysbreght in 1638. Zie Oey-de Vita (1937) p. 105-108 (p. 106 en 107 is illustratiemateriaal). 

[15] Oey-de Vita (1973) p. 108.

[16] Oey-de Vita (1973) p. 108

[17] Oey-de Vita (1973) p. 108

[18] Oey-de Vita (1973) p. 92, noot 32.

[19] Oey-de Vita en Geesink p. 86.

[20] Oey-de Vita (1973) zie bijlage I op p. 109.

[21] Zie voor briefcitaat en conclusie Oey-de Vita (1973) p. 101.

[22] Van der Blom (1975)‘Spiegel der letteren’ p. 138-141.

[23] Van der Blom (1975) p. 140-141.

[24] Van der Blom (1975) p. 140.

[25] Van der Blom (1975) p. 14, zie ook noot 9 aldaar.

[26] Hierover meer bij de uitgave van 1659 bij de weduwe van Abraham de Wees.

[27] Oey (1973) p. 109.

[28] Bedoeld wordt de bundel Verscheide gedichten die in 1644 werd uitgegeven.

[29] Op deze wijze: (koop:

[30] Schuytvlot noteert: b1 A2 n$de$

[31] Schuytvlot (517)

[32] Zie Schuytvlot (1987) 518. Het onder 517 beschreven exemplaar O 80-288 is geheel gelijk aan Unger 241 en heeft niet de titel van Unger 242.

[33] Zie bij Vdl 8 C 5 op C3 de afbreking van goedkoop: (koop/, op H het woord: (scheede/ en de afbreking van schuwelijck: (lijck / op H1verso de afbreking van scheiden: (den/.

[34] Inhoeverre drukkers deze zin op het titelblad na Blaeus editie van 1638 klakkeloos overnemen heb ik niet onderzocht.

[35] Unger 247 Schuytvlot (522).

[36] Oey-de Vita (1937) p. 83.

[37] Zie voor de wijzigingen in 1659 (WB uitgave) Vondels werken dl III p. 928-30.

[38] Albach (1937) en Smits-Veldt (1994) p. 78, noot 13.

[39] Albach(1977) p.42.

[40] Koppenol (1999) zie zijn beschrijvingen van Willebord, de deken Peter en proost Willem,Gozewijn en de  Klaerissen op resp. p. 315, 316, 317 en 319.

[41] Koppenol (1999) p. 321.

[42] Oey-de Vita (1973) p. 101  In een brief aan zijn broer Willem had De Groot zich er geërgerd over uitgesproken. Wie hem niet serieus namen, konden niet meer op hem rekenen. Zo wenste hij niets voor Barlaeus’ zoon te betekenen, op grond van een ‘foute’ aanspreking van Barleus in een brief waarin deze de gezant om een gunst voor zijn zoon vroeg.

[43] Zie Smits-Veldt (1994) p. 56.

[44] Oey-de Vita (1973) Aldaar genoemd in bijlage I. Het exemplaar uit de Bibliothèque Arsenal dat zij niet heeft bekeken, werd door Van der Blom beschreven als ook met ‘uwe E.’. Zie Van der Blom, noot 6.

[45] Mijn fingerprint wijkt hieraf van Schuytvlot: 000004- b1 A2 in$l: b2 G2 ando (zie 514).

[46] Zie Schuytvlot  500 en 611

[47] Schuytvlot: 166208 – b1 A2 ers$e: b2 D5 :hy$

[48] Unger 250. Deze octavo uitgave bevindt zich niet in de UB van Amsterdam.

[49] Unger (27a)

[50] Schuytvlot (535 en 536).

[51] Het papier van katern A is hier wel anders; een deel van het wapen van Amsterdam is zichtbaar in de rug, ook op A4 is een deel zichtbaar. Het watermerk van katern A in Vdl 3 E 2 is op die plaatsen afwijkend van tekening.

[52] Schuytvlot (1987) Inleiding p. xxiii.

[53] Zie Schuytvlot (528)

[54] Schuytvlot (529) vermeldt bij b: b1 A1 ,$d

[55] Unger 253.

[56] Schuytvlot (529) vermeldt dat het ingelegde blad op 2*1 afkomstig is uit een octavo uitgave. Hij noteert in de opbouwformule voor het voorwerk: *2 **4, maar er ontbreekt een blad en dat wordt hier niet aangegeven. Omdat er maar tweemaal een signatuur gedrukt staat, te weten *2 en **2 en er maar vijf bladen geteld worden, is het niet helemaal duidelijk hoe die signering bedoeld is. 

[57] De klassieke fout bij het overschrijven/overzetten van een tekst: saute du même au même genaamd.

[58] Unger 254. Schuytvlot 530a.

[59] Zie hiervoor Bijlage I.

[60] Zie hiervoor Bijlage II A t/m E.

[61] De wijzigingen die Vondel in 1659 aangaf  en ook die van latere edities zijn afgedrukt in de WB editie dl. III p. 927-931.

[62] Albach (1937) p. 37.

[63] Albacht (1937) p.36. Albach geeft hier en op de volgende pagina een kort beeld van de wijzigingen.

[64] In bijlage I staat de tekst in zijn geheel.

[65] Dit signatuur komt niet overeen met de door mij geraadpleegde exemplaren. Mogelijk is hier sprake van een verschrijving of het betreft een inmiddels veranderde signatuur. Schuytvlot noemt: O 80-218 (3); Vdl 2 E 59 en Vdl 8 C 3.

[66] Oey-de Vita (1937).