Een nieuwe catalogus ingedeeld naar formaat
Een bibliografische en wetenschappelijke catalogus
In het depot van het Regionaal Archief te Alkmaar wordt een collectie oude boeken bewaard, de stadslibrije. Het zijn ruim driehonderd, deels gerestaureerde banden. Het overgrote deel van de boeken dateert uit het midden van de zestiende eeuw. Over het ontstaan van deze verzameling is niet veel bekend maar het is aannemelijk dat het bestaan van een Latijnse school in Alkmaar er mee te maken heeft. Aan het begin van de zestiende eeuw maakte deze school een bloeiperiode door onder leiding van mensen als Johannes Murmellius en Petrus Nannius.
Van deze librije zijn in de loop der eeuwen enkele catalogi bekend. In deze nota staan ze genoemd en ik heb geprobeerd zoveel mogelijk te weten te komen van elk exemplaar. Ik heb ze met elkaar vergeleken en achtergronden gezocht van de personen die ze gemaakt hebben om te kunnen ontdekken waarom deze catalogi door hen en juist op dat moment gemaakt zijn.
De oudst bekende catalogus van de grotendeels 16e-eeuwse Librije van Alkmaar is van 1712: Catalogus Bibliotheca Publicae Almeriana. Het is een anoniem handschrift dat bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek (hs. 75 H 29, fol. 137r-143r). De catalogus maakt deel uit van een verzameling andere teksten met o.a. een lijst van belastingen van steden en dorpen uit Zuid-Holland en Latijnse gedichten van Bartholomeus Coloniensis, Johannes Murmellius en Kempo Texaliensis, rectoren van de Latijnse school te Alkmaar[1]. Ik heb geprobeerd dit handschrift (digitaal) te vinden in de Koninklijke Bibliotheek, maar het opvragen van deze signatuur leverde niets op. Te zijner tijd zal ik dit handschrift met eigen ogen gaan aanschouwen in Den Haag. In het Regionaal Archief van Alkmaar bevindt zich een fotokopie van slechts de catalogus, niet van de overige teksten.
Deze catalogus is onderverdeeld in de letters A t/m S. Onder elke letter wordt eerst het aantal banden genoemd (libros continet, volumina continet of librorum est): A 17, B 17, C 25[24], D 12, E 20[22], F 33[31], G 13, H 21, I 14[11], K 11, L 20[19], M 23, N 16, O 16, P 16, Q 17[19], R 16, S 8. Bij elkaar zouden dit 315 banden zijn. Ik tel er evenwel 3 of 4 minder (zie de getallen tussen rechte haken), bij de E is het niet helemaal duidelijk of bijvoorbeeld het daar genoteerde Opera meegeteld moet worden. Het lijkt mij waarschijnlijk dat de letters A t/m S de 18 planken (3 kasten met 6 planken?) aanduiden waarop de boeken toentertijd geplaatst waren in de ruimte boven het voorportaal van de hoofdingang van de Grote of Sint Laurenskerk van Alkmaar.
De titels zijn erg summier weergegeven: de uitgever wordt niet genoemd, evenmin als het jaar waarin de boeken gedrukt zijn en vaak ontbreekt ook de auteur.
In het Regionaal Archief in Alkmaar bevinden zich vier afschriften van deze catalogus uit 1712.
De eerste is in 1739 geschreven door Joachim Bontius de Waal (1702-?): Catalogus Bibliothecae Almerianae (Collectie aanwinsten 38). De catalogus is opgenomen achterin een handschrift (fol.127r – 133r), dat onder andere een uittreksel bevat van een kroniek van Alkmaar uit oudere codices die in de Librije aanwezig waren[2] en is getiteld: ‘Memorieboek inhoudende veel aenmerckenswaerdigen saecken seedert den jaere 120 v. Chr. tot deese teegenwoordige jaeren van 't gepasseerde soo binne als buyten de stadt Alckmaer’. Enkele ‘hoofdstukken’ in dit handschrift zijn:
- Historie van H. Bloed te Bergen (1426);
- Historie van H. Bloed te Alkmaar
(1429) met diverse verklaringen,verhalen en gedichten;
- Carmina van de rectoren van de Latijnse School;
- Merkwaardige voorvallen in Europa;
- Notitie van het aantal huizen in de voornaamste steden van Europa.
Op de laatste pagina van het handschrift staat geschreven:
Descripta
haec ex vetustissimo codice manuscripto
conservato
in
Bibliotheca Ecclesiae Alcmariensis
Publica
Per
Joachim Bontius
De Waal aetatis suae XIV
Anno Reparationis Salutis
MDCCXVII
Pridie Nonas Januarii
rescripta
Anno a Nativitate Domini
MDCCXXXIX
Tertio Calendas Aprilis
eadem manu.
Blijkbaar heeft Joachim Bontius de Waal deze teksten op 14-jarige leeftijd in 1717[3] voor de eerste keer gekopieerd en het herschreven in 1739[4].
Ten opzichte van het handschrift uit 1712 verschilt de catalogus van Bontius de Waal bij de letter H. Hier zijn namelijk twee titels niet genoteerd: Calvinus in Jeremiam èn Martyr in libros Judicum.
Het tweede afschrift is uit 1750 en is een manuscript van pastoor Wilhelmus Kleeff (Collectie aanwinsten 277): ‘Oudheden ende Geestelijke Gestigten der stad Alkmaar, mitsgaders de Martel-dood van die persoonen, dewelke omtrend den jare 1572 door de waarheid en om de belijdenisse van het roomsche Geloove gestorven zijn, naar 't welk volgt een korte Beschrijvinge van de opkomst ende voortgang deezer Pastore, uyt veele oude handschriften en aantekeningen bij een versameld, door Wilhelmus Kleeff, tiende pastor’. In deze verzameling geschriften bevindt zich o.a. een afschrift van de catalogus uit 1712[5] èn een beschrijving van de Bibliothecae Publica Almeriana (p. 99-110):
De Wel Eerberoemde Bibliotheek
Dezelve is geplaatst boven het groot zuyder Portaal van de Kerk, men vond hier in vorige tijden een groote menigte deftige boeken ende geschriften: welke veel zijn gesmolten met de Gelderse oorlogen en andere inlandse beroertens in het jaar 1594 telde men hier nog drie honderd en zestig welgeconditioneerde boeken, onder welke veel uytmuntende en deftige werken wierden gevonden: dezelve waren alle aan kettingen vastgesloten, dog na dien tijd heeft men daar wijnig opgepast, zoo dat dees schone boekerije deerlijk is in t verval geraakt en geschonden, niemand heeft tegenwoordig toegang tot dezelve, dan de Heere Burgemeesteren en de Predikanten der gereformeerden, bij welke ook de sleutelen van de Bibliotheek in bewaring zijn. Ik hebbe in het jaar 1745 met verlof van haar Edele Groot Agtbaarheden deeze Boekzaal wezen bezien en vond het een welgeschikte plaats te zijn, dog voorzien met wijnig en voor het merendeel geschonden, ja door het ongedierte afgeknaagde boeken, door ouderdom en verwaarloozing zeer mismaakt: de Papieren en oude handschriften die mij daar naar toe hadden gelokt zijn er niet meer te vinden mogelijk verloren, vervreemd, ofwel elders anders in bewaring gebracht, voor den Nakomeling dient de navolgende catalogus dewelke wij uit een oud manuscript hebben getrokken, tot bewijs van wat boeken er geweest zijn.
Dit manuscript van pastoor Kleeff bevat naast geschiedschrijving vele gegevens uit kerkelijke registers. In zijn artikel in het Alkmaars jaarboekje 1969 zegt W.A. Fasel dat het geschrift opvalt door: ‘(…) een gebrek aan belangstelling voor Alkmaars wereldlijke historie en door een absolute catacombenmentaliteit. Kleef is de pastor van een verdrukte kudde en werkt in de stilte van zijn studeervertrek aan de verfraaiing zijner geliefde martelaren, wier lof hij niet moe wordt te zingen’. Pastoor Kleeff schreef de catalogus dus over om aan ‘den Nakomeling’ door te geven welke boeken er ooit geweest waren in de Librije. Blijkbaar was de verzameling toen niet kompleet want hij vond er niet wat hij verwachtte.
Ook in deze catalogus zijn bij de H dezelfde twee titels niet genoteerd: Calvinus in Jeremiam èn Martyr in libros Judicum. Bij de K en de Q is er een kleine verandering in de volgorde van de titels.
Het derde afschrift betreft een anonieme kopie van het handschrift van Joachim Bontius de Waal uit ca. 1800 (Collectie aanwinsten 39, p. 217-228). Hier zijn enkele afwijkingen in de volgorde van de titels ten opzichte van Bontius: bij de G, de I en de O. Ook in dit exemplaar ontbreken dezelfde twee titels bij de H. Bij de C ontbreken echter nog twee titels: Theophijlactus in Paili epistolas èn Liber de gestis virorum illustrum.
Het vierde afschrift is ook anoniem en betreft eveneens een kopie van het werk van Bontius de Waal en dateert ook uit ca. 1800 (Collectie aanwinsten 40, p. 149-161). Ook hier zijn bij de H de twee titels Calvinus in Jeremiam èn Martyr in libros Judicum niet aanwezig. De catalogus komt overeen met die van Bontius de Waal, geen veranderingen in de volgorde.
Samenvattend: De vier catalogi in de verschillende manuscripten zijn kopieën van de anonieme catalogus van 1712. De vraag is waarom alle vier de handschriften bij de H twee dezelfde titels missen. Heeft Bontius de Waal ze ‘vergeten’ bij het kopiëren en hebben de andere drie zijn versie gebruikt bij het overschrijven?
De kleine volgorde-verschillen bij Kleeff (Ca 277) en bij het derde afschrift (Ca 39) zouden bewust gemaakt kunnen zijn, maar dit kan ook berusten op een vergissing bij het overschrijven. Bij het derde afschrift (Ca 39) ontbreken er twee titels bij de C.
De verschillen in de volgorde en het ontbreken van de twee titels bij ca 39 lijken mij eerder te berusten op vergissingen bij het overschrijven dan dat er op dat moment daadwerkelijk twee titels niet aanwezig waren in de bibliotheek en dat de boeken in een iets andere volgorde in de kasten stonden. De (over)schrijvers hebben de catalogus van Bontius gekopieerd zonder zelf echt naar de boeken te kijken.
Een nieuwe catalogus ingedeeld naar formaat
Tussen 1725 en 1734 was Rutger Ouwens (1692-1780) rector van de Latijnse School te Alkmaar. Hij schreef in die tijd een nieuwe catalogus van de oude stadsboekerij: Catalogus bibliothecae publicae Alcmarianae (handschrift 7 C 36). Hij deelde de catalogus in naar formaat: eerst 221 foliobanden, dan 41 banden in quartoformaat, 50 banden in octavo en 1 band in duodecimoformaat. Binnen de formaten is geen alfabetische of chronologische volgorde te ontdekken. Wel is er een ordening naar auteur, de werken van een en dezelfde auteur staan bij elkaar: Folio 26-36 zijn bijvoorbeeld allemaal werken van Calvijn; Folio 24 en 25 zijn beide werken van Erasmus; Fol. 37-42 zijn werken van Gualtherus, enz.
De gegevens over de banden wat betreft titel, auteur, jaar van uitgave zijn uitgebreider beschreven dan in de eerst bekende catalogus van 1712.
In 1769 schreef één van zijn opvolgers, A. Kluit, bij zijn vertrek uit Alkmaar een aantekening vóórin de catalogus van Ouwens: ‘(...) Verklare ik insgelijks alles bij mijn vertrek van hier in goede orde gelaten te hebben’. ‘Insgelijks’ zal slaan op de opmerking ervóór, namelijk: ‘(…) dat volgens Resolutie van Curatoren en Wethouderschap, gedrukt in het jaar 1764, en geinsereerd in het Resolutieboek van Scholarchen’, de rector van de Latijnse School belast was met de zorg voor de Librije en deze minstens viermaal per jaar moest gaan zien.
Pas sinds 1764 was het dus de taak van de rectoren om zorg te dragen voor de Librije. Had Rutger Ouwens dertig jaar daarvoor een reden (of opdracht) om een catalogus te maken of deed hij dit puur uit liefhebberij of interesse? Tot zover heb ik in het Alkmaarse archief hier niets over gevonden. Wel beschrijft Busken Huet (1826-1886) Rutger Ouwens als zijnde filoloog[6]. Ook was hij, naast rector, auteur en in de catalogus van de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam staat bij Naamsvariant: ‘Een Ervaren tael- en outheitkundige’. In 1720 maakte hij een vertaling uit het Latijn van F. Junius: Verklaring van gelijkluidende teksten des O. en N. Testaments. dat in Delft verscheen.[7] Volgens C.W. Bruinvis (1829-1922), eerste gemeentearchivaris van Alkmaar en tevens directeur van het Stedelijk Museum, werd in 1725, toen Ouwens zijn intrede deed in Alkmaar, zijn ‘vertoog over de oudheid en voortgang der scholen’ tezamen met de inhuldigingsoratie van de Oud-burgemeester Nicolaas Vrijburg gedrukt bij de stadsdrukker Van Beijeren.[8] Bruinvis: ‘Hij bragt onze school tot meerder bloei, dan zijn voorganger, Gerhardus Kempher, waartoe bijdroeg dat vele jongelingen van Amsterdam en elders bij hem inwoonden; zijne en hunne redevoeringen, bij het overgaan tot de Akademie, werden op stads kosten in het licht gegeven’.
In 1727 schreef de dichter H.K. Poot (1689-1733) het volgende gedicht over Ouwens:[9]
Indien ge, o Schilderkunst, oit Ouwens recht wilt malen,
Zoo moet uw fix penseel, voor 't aengezigt des nyts,
Aen hem doen tekens zien der kundigheit van talen
En vaste heugenis van menige eeuwen tyts.
Gy moet dien Letterhelt met schoollaurier bekroonen
En stralen des verstants, waervoor de waen verstomm'.
De werelt, als hy wil, moet hem haer jeugt vertoonen
En middellevensstaet en hoogen ouderdom.
Aldus bevat dit hooft meer zaeken, dan veel boeken.
Verliest men die; ik zal ze in zulke hoofden zoeken.
In 1817 bood de heer Mr. J.A. Kluppel, griffier bij het vredegerecht, aan om de archieven van de stad, zowel die in het stadhuis als die in de bibliotheek boven het voorportaal van de grote Kerk ‘behoorlijk te verzamelen en daarvan te formeeren eene zo naauwkeurig mogelijke inventaris’. Zijn aanbod werd geaccepteerd door de ‘Heeren Burgemeesteren’ en er werd hem hulp toegezegd bij het verhuizen van de boeken naar de charterkamer in het stadhuis en hulp bij het maken van kasten waarin de boeken opgeborgen konden worden.[10] In 1819 is de Librije inderdaad verhuisd naar het Stadhuis. Kluppel heeft toen een catalogus gemaakt, waarbij hij enkele wijzigingen ten opzichte van de catalogus van Ouwens uit ca. 1730 heeft doorgevoerd[11]. Deze catalogus is echter helaas spoorloos verdwenen in het archief van Alkmaar. Toen de heer dr. J.J. de Gelder in 1868 zijn wetenschappelijke catalogus maakte, (zie de volgende paragraaf) heeft hij het echter wel kunnen raadplegen, zoals in zijn voorwoord te lezen is. Enige tijd verkeerde hij echter ten onrechte in de veronderstelling dat de heer A. Kluit de maker was van de catalogus en niet de heer Kluppel.
Mr. Jan Andries Knuppel werd op 14 januari 1786 geboren in Enkhuizen. In 1799 ging hij daar naar de Latijnse School waar E. Epkema destijds de rector was. In 1803 begon hij te studeren aan de Akademie in Leiden waar hij in 1807 promoveerde tot ‘doctor in de rechten’ en in hetzelfde jaar werd hij beëedigd als advokaat. Na enkele jaren werkzaam te zijn geweest als o.a. secretaris van de stad Enkhuizen werd hij in het voorjaar van 1811 benoemd tot Griffier bij het Vredegerecht in Alkmaar. Naast zijn werkzaamheden bij de rechtbank werd hij in 1818 ook gemeenteraadslid en in 1840 werd hij gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Noord Holland. In 1820 werd hem door het stadsbestuur van Alkmaar gevraagd ‘zijne zorgen te besteden aan de toenmalige Latijnsche School’.[12] Dit hield hij vol tot 1855. Vanaf 1822 vervulde hij ook nog diverse bestuursfuncties bij de Waterschappen en Heemraden.
Over de wetenschappelijke werkzaamheden van Kluppel schrijft Mr. G. van Leeuwen in zijn Levensberigt van Mr. Jan Andries Kluppel o.a.:
Ik doelde daarmede vooral op het vlijtig en nauwkeurig onderzoek van oorkonden, voor zoo ver die den overledene belangrijk voorkwamen voor eene grondige beoordeeling en doelmatige behandeling van administratieve en waterschaps-zaken. Zo werd hem reeds in 1817 vanwege Burgemeesteren dezer stad opgedragen, om het hier, gelijk veelal elders, wel wat verwaarloosde stedelijke Archief te verzamelen, te inventariseren en in orde te schikken, een arbeid, dien zijne later toenemende bemoeijingen evenwel verhinderden geheel ten einde te brengen.
In de vergadering van 21 november 1846 wordt Mr. J.A. Kluppel benoemd tot werkend lid van het Historisch Gezelschap van Utrecht[13] Over de ‘verdwenen catalogus’ is in de Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht[14] te lezen:
Bibliotheek van Alkmaar. Voorts draagt de genoemde heer rapporteur aan de leden voor, den inhoud van den catalogus eener boekverzameling, aanwezig in de stad Alkmaar. De heer mr. J.A. Kluppel, die met behulp van ds. J.Prins, thans predikant te Amsterdam, dezen catalogus, met de noodige aanteekeningen verrijkt, heeft zamengesteld, meldt daarbij, dat deze verzameling vroeger was berustende in de groote of St. Laurenskerk en dat alle de boeken, welke met koperen of ijzeren ketenen waren voorzien, door hem in 1819, op verzoek der stedelijke regering, zijn overgebragt geworden naar de charterkamer van het stadhuis.
Op voorstel van den voorzitter wordt door de leden besloten dezen catalogus, waarin vele merkwaardige drukwerken schijnen vermeld te zijn, te stellen in handen van dr. Kemink, met verzoek, om omtrent de belangrijkheid dier verzameling op eene der eerstvolgende vergaderingen verslag uit te brengen aan het gezelschap.
In de vergadering van 3 maart 1849[15]: ‘Voorts belooft de heer Kluppel aan het Gezelschap eenige mededeelingen aangaande het archief der stad Alkmaar, waar van hij, reeds verscheidene jaren geleden, eenen inventaris vervaardigd en aan het stedelijk bestuur ter hand gesteld heeft’. In de notulen van de latere vergaderingen heb ik het onderwerp ‘catalogus van de oude bibliotheek van Alkmaar’ niet terug kunnen vinden: noch van Kemink, noch van Kluppel is er een vervolg te vinden in volgende vergaderingen. Van het Historisch Genootschap in Utrecht heb ik nog geen bericht mogen ontvangen op mijn vraag of de catalogus van Kluppel, die in het bezit van Kemink moet zijn geweest, mogelijk nog aanwezig kan zijn in hun archief. Een bezoek aan het Utrechtse archief, waar zich het archief bevindt van het Historisch Gezelschap (later Historisch Genootschap) zal waarschijnlijk meer duidelijkheid verschaffen. De notulen van bestuursvergaderingen 1846-1853 zijn bewaard gebleven, de ingekomen stukken en er is een register van handschriften 1859-1876. Ook is er een catalogus van de bibliotheek 1882 en 1885. Overigens zijn de (gedrukte) boeken uit deze bibliotheek in 1967 door het Historisch Genootschap wegens financiele problemen verkocht.
De catalogus zal niet in druk zijn verschenen, maar is misschien wel gekopieerd aangezien De Gelder hem in 1868 in Alkmaar gebruikt heeft.
Een bibliografische en wetenschappelijke catalogus
In 1868 heeft dr. J.J. de Gelder, wederom een rector van De Latijnse School, een wetenschappelijke en bibliografische catalogus gemaakt[16], welke in 1869 in druk verscheen. Na een voorwoord begint hij met het vermelden van 3 handschriften en verwijst voor de beschrijving hiervan naar de inventaris van het archief[17]. Dan volgt een uitgebreide beschrijving in het Latijn van de incunabelen en van de oudste boeken tot 1520, genummerd van 1 tot 24. Deze 24 nummers zijn 32 banden, die ook in het systematische gedeelte van de catalogus opgenomen zijn met daar een verwijzing naar de eerdere beschrijving. Op pagina 17 begint de indeling naar onderwerp:
I Godgeleerdheid
1. Bijbels (bijbelvertalingen, concordantiën, harmoniën), 25 banden, pag.17-19.
2. Exegese (verklaring van het Oude en Nieuwe Testament), 34 banden, pag. 19-24.
3. Theologia Theoretica (dogmata, controversiën, apologiën, scholastiek en theologia naturalis), 54 banden, pag. 24-30.
4. Theologia Practica (liturgiën en pastoraal), 8 banden, pag. 30-31.
5. Homiliën, 15 banden, pag. 32-33.
6.
Kerkvaders
a. Grieksche, 22 banden, pag. 34-36.
b. Latijnsche, 23 banden, pag. 36-38.
IV Geschiedenis, 20 banden, pag. 46-48.
V Oude Grieksche en Latijnsche schrijvers, 24 banden, pag. 49-52.
VI Taalkunde en Woordenboeken, 11 banden, pag. 53.
Bij elkaar 309 banden en 3 handschriften. Duidelijk is dat het grootste gedeelte van de collectie werken betreft over godsdienstige zaken.
De Gelder heeft de werken dus op inhoud gecatalogiseerd. Onder elke beschrijving vermeldt hij de nummering zoals Ouwens die heeft toegepast. Mevrouw G.I. Plenckers heeft een concordans gemaakt van de catalogus van Ouwens en De Gelder[18]. Uit deze concordans blijkt o.a. dat er vier werken uit de collectie verdwenen zijn[19]. Ook heeft De Gelder enkele banden over het hoofd gezien. Verder geeft de concordans een goed overzicht van de nummerwijzigingen door Kluppel en De Gelder.
In het catalogus-exemplaar, dat elders op deze website is te zien, staat achter elke beschrijving een met de hand, in rode inkt geschreven signatuur (erboven eerst met potlood) [20]. Het is een indeling in 5 getallen: 26-30. Elk getal heeft een onderverdeling in de letters A-F en na deze letters komt weer een cijfer. Ik heb hier tot nu toe geen systematiek in kunnen ontdekken. Zijn bijvoorbeeld de eerste getallen kastnummers? En de letters duiden die de planken aan? Wie zal het gedaan hebben en wanneer en waarom? Even heb ik gedacht dat het de signaturen van Kluppel zouden kunnen zijn, maar zoals ik begrijp uit de concordans van mevr. Plenckers hanteerde ook hij de nummering van Ouwens[21]. Er is ook een signatuur die twee maal voorkomt (30E7 voor Fol.205 en Fol. 189) en bijvoorbeeld Ms III 1 (Bor) heeft geen signatuur gekregen. Fol. 173 en Octavo 45 hebben ook geen signatuur, hier staan de letters n.a. [niet aanwezig? AS] te lezen. Ms III 2[22], in de catalogus van De Gelder onderaan op pag. 48, heeft ook geen rode signatuur gekregen en dit werk vind ik ook niet op de lijst van mevrouw Plenckers. Soms is er bij de signatuur met potlood een vraagteken gezet en dit alleen bij de catagorie 29B.
Jan Jacob de Gelder werd in 1802 in Den Haag geboren[23]. In Delft bezocht hij de Latijnse school en in 1819 ging hij naar de universiteit in Leiden. Naast Grieks en Latijn studeerde hij Arabisch, Hebreeuws en wiskunde. Na het afronden van zijn studie in 1827 begon hij zijn loopbaan als docent bij het instituut Noorthey, een jongenskostschool te Voorschoten, in die tijd een vermaard instituut waar veel jongens uit aristocratische kringen hun opleiding kregen.
In 1832 richtte De Gelder in Leiden zijn eigen ‘Privaat Collegie voor het Onderwijs der Oude Talen’ op dat later werd omgedoopt tot ‘Paedagogium’ en dat bleef bestaan tot 1856. In dit jaar werd hij door de gemeenteraad van Alkmaar benoemd tot rector van het stadsgymnasium. Heel het leven van De Gelder stond in het teken van onderwijs en hij is een actief lid geweest in talrijke commissies.[24] Hij is ook de auteur van veel boeken, vooral schoolboeken. In Alkmaar was hij een van de initiatiefnemers om op 8 oktober Alkmaars Ontzet weer feestelijk te gaan herdenken. De Gelder maakte het feestlied Van Alkmaar de Victorie (muziek van C. Coster) en in 1873 werd de Vereniging tot het vieren van Alkmaars Ontzet opgericht. Deze 8 oktobervereniging bestaat nog steeds. In die tijd werd ook het Alkmaars Stedelijk Museum opgericht, met De Gelder tot aan zijn dood in 1889, als secretaris.
Van Gelder heeft veel tijd en aandacht besteed aan de boeken van de Librije. Dit blijkt onder meer uit een uitgebreide brief die hij schreef aan de Gemeenteraad van Alkmaar op 7 januari 1868:[25]
8 januari 1868
Memorie aan den Raad der Gemeente Alkmaar over de oude Boekerij aldaar.
Bij beschikking van H.H. Burgemeester en Wethouders van Alkmaar, van den 12 April 1867 No 281, werd mij, op mijn verzoek welwillend de vergunning verleend tot het rangschikken en beschrijven van de oude boeken, op het Gemeente Archief aanwezig en van de Handschriften, die niet rechtstreeks tot het administratief archief der Gemeente behooren, maar tot de geschiedenis der stad betrekking hebben. Het zijn die Handschriften, welke door den Heer Dr. P. Scheltema, sub VII.Hands. 42, zijn geïnventariseerd.
Zooveel mijn beschikbare tijd zulks veroorloofde, heb ik mij dadelijk met de uitvoering van het plan bezig gehouden. Het eerste gedeelte van mijne taak is nu in zoo verre afgewerkt, dat ik reeds eene juiste voorstelling van het aantal en van de bibliographische waardij der meeste oude boeken verkregen heb. Spoediger kon ik daarmede niet gereed zijn. Teneinde het lastige en tijdroovende van dien arbeid juist te doen gevoelen, veroorlof ik mij te doen opmerken, dat ieder boekdeel zorgvuldig moest doorbladerd worden, omdat men oudtijds de gewoonte had, om verschillende werken van ongelijksoortigen inhoud maar gelijkvormig formaat in één enkelen band samen te binden. Men moet zich dit veel tijdroovende onderzoek wel degelijk getroosten als men zekerheid verkrijgen zal, dat niets der aandacht ontglipt. Dit werktuigelijke onderzoek is sedert de laatste weken afgeloopen. Ik houd mij thans bezig met de bibliographische beschrijving van de belangrijkste boekwerken en hoop, dat deze in het begin van dit jaar zal zijn afgeloopen, al wordt die arbeid bij het gemis van noodzakelijke hulpmiddelen zoo als Hain’s Repertorium Bibliographicum, Georg.Wolfg. Panzer, Annales Typographie XI vol. in 4o en J.G.T.Graesse, Trésor des livres rares et precieux VI Tom in 4o zeer bemoeilijkt en door briefwisseling met de deskundige te Leiden en elders vertraagd. Zulks moet in elke gemeente bij dergelijke onderzoeken het geval zijn, waar geen rijke openbare bibliotheek de vereischte hulpmiddelen aanbiedt. Zoodra nu ook die arbeid verricht is, zal het rangschikken der werken behooren te volgen. Eer evenwel daartoe wordt overgegaan, is het noodig, dat eenige punten door den Gemeente Raad beslist worden. Daartoe veroorlof ik mij vooraf een korte schets te geven van de bibliographische waardij der reeds onderzochte boeken en in het algemeen belang een bepaald voorstel omtrent de boekverzameling te doen.
Gelijk den meesten Raadsleden ongetwijfeld bekend is, werd in 1594, volgens van der Woude’s Kroniek van Alkmaar blz.81:”de stads Bibliotheca of librye, die door den troebel geheel vervallen was, op haer oude plaetse aen ’t suyde van de groote kerck weder opgericht ende met vele heerlijcke boeken van verscheyden materie versien ende vermeerdert, tot grooten gherief van die Burgherye ende studenten.” Geschenken, zooals van den beroemden geneesheer, Dr. Petrus van Foreest (folio 140 en 146) en van den ongenoemden Heer van Castricum, Raad van Alkmaar, in 1598 (fol.181) schijnen de boekerij toen te zijn aangeboden. Later werden door de Vroedschap geldsommen beschikbaar gesteld: zoo als drie of vierhonderd guldens op 1 juni 1601 om uit de boekerij van Daniel van der Mole, te Leiden, aankopen te doen: waarvan mij verder niets is gebleken, omdat de Thesauriers-rekening van 1601 niet te vinden was. Zes jaren later, 16 september 1607, waren nog eens vierhonderd guldens of daaromtrent toegestaan en Mr. Adriaan Heindrix Rabbi, oud Schepen en Raad van Alkmaar, met een der predikanten, Cornelis van Gille, naar Leijden gezonden, om uit de auctiën van Halsberger en Commelius ten behoeve van der stede Librye eenige boeken aan te koopen, Aan deze Heeren werd, zoo als uit de Thesauriers rekening van Corn. Druijff over 1607 blijkt, voor de aangekochte boeken misgaeders van hunne vacatiedagen, vrachten en andere onkosten daerop gedaen vierhonderd en tachtig gulden en dertien stuivers uitbetaald. Nu ongeveer 98 jaar geleden, 1769, schijnt de toenmalige Rector der Latijnse school, de later als Hoogleraar welbekende A. Kluit, die bij Leidens ramp in 1807 deerlijk omkwam, hetzelfde denkbeeld te hebben opgevat, welks uitvoering mij thans bezighouden. Ook hij begon de oude uitgaven te beschrijven en te waarderen[26]. Maar in zijn tijd had de Bibliographie die vorderingen nog niet gemaakt welke haar thans tot ene soort van Wetenschap verheven hebben. Hem was, evenals de andere Rectoren bij resolutie van Wethouderschap en Curatoren in 1764, de last opgedragen, om viermaal ’s jaars de boeken te gaan zien.De arbeid, die A. Kluit ondernam schijnt slechts tot folio no 51 gevorderd te zijn geweest, toen hij in april 1769 naar Middelburg beroepen en door zekeren van Vaasen opgevolgd werd. In het nog aanwezige rapport van A. Kluit wordt op gezach van een thans vergeten boek Tegenwoordige staat van Holland en West Fr., blz 397, verzekerd: dat er meer dan driehonderd en zestig excellente, fraaie gebonden boeken aanwezig waren, meest in het Latijn, onder welke er verscheiden zijn met de Hand geschreven. “Hiermede” zegt A. Kluit in zijn rapport “stemt de tegenwoordige tijd overeen, gelijk mij ondergeteekenden, bij het in orde schikken en nieuwlings nommeren derzelve gebleken is. Thans zijn er slechts 310 nommers aangetekend en van deze worden er nog eenige vermist, zoo als straks nader blijken zal, zonder dat kan worden uitgemaakt, waar die ontbrekende vijftig boekdelen, nagenoeg een zevende gedeelte van de geheele verzameling, gebleven zijn. Evenwel blijft de vraag: waarom heeft A. Kluit in 1769 de boeken gerangschikt en nieuwlings genommerd, indien er in zijn tijd nog meer dan 360 nummers aanwezig waren? De oudere nummers op de banden met inkt geteekend en de later opgeplakte nummers stemmen overal overeen! Mij is die zaak althans niet duidelijk.
Thans worden vermist Folio 54 en Folio 161, het eerste deel van Folio 179 en misschien ook van Folio 158, als tenminste later blijken zal, wat ik nu nog niet weet, dat van dit werk meer dan één deel is uitgegeven. Kleine defecten door ouderdom, slordige behandeling of vocht ontsieren Folio 1, 25, 48, 73, 111, 149, 206, quarto 22, Octavo 36. Grootere defecten vertoonen Folio 33 en vooral Folio 70, waarin van blz. 1080-2005 witte vellen papier in plaats van de ontbrekende gedrukte bladzijden in den band zijn ingebonden. De overige boeken zijn in tamelijk goeden staat.
Er zijn onder deze 310 boekdeelen een veertiental, van bijzondere hoge waarde. Men noemt in de Bibliographie palaeotypen of meer algemeen incunabelen (van het Latijnsche woord incunabula, dat eene wieg of bakermat betekent) zulke drukken, die voor het jaar 1500 gedrukt zijn. Men had recht om dat jaar tot grens aan te nemen, omdat voor 1500 de techniek der boekdrukkunst in hare hoofdbestanddeelen volkomen gevonden was om later gaandeweg volmaakt te worden. Men gelooft dat het gevonden aantal van zulke drukken op 15000 geschat kan worden. De oudste drukken zijn kenbaar aan de zogenaamde Gotische typen of letters met gekleurde hoofdletters en ornamenten. Iets later werden ronde of Romeinsche letters gebruikt. Titelbladen komen eerst sedert 1485 voor. Alleen het gemis ervan is op zich zelve een twijfelachtig kenmerk, omdat het zo gemakkelijk door ’t gebruik vernield kan zijn.
Van zulke incunabelen bezit de Stads Bibliotheek tenminste een twaalftal als:
Folio No 4, 5, 6, 7 Biblia Hieronymie in vier delen met Gothische letter een inderdaad schone druk, zonder titel en jaartal. Het onderzoek van dezen druk is nog niet afgelopen. Wat A. Kluit omtrent de oudheid uit Eichorn l. 527 en Michaelis Inleiding in het N. Test.1, 2, 788-799 aanteekende, raakt alleen de geschiedenis der vertaling en niet den druk.
Folio 129 De Summa Totius van Antonius Florentinus, waarvan bij mij nog niets nader is uitgemaakt.
Folio 20, Gerardi de Schueren Teuthonista, een Latijnsch en Nederduitsch (bas-Saxon) woordenboek, gewoonlijk der Duytschlender; Gotische letters, hoofdletters gekleurd, Keulen bij Arnold ther Hornen 1477. Het boek is beschreven door Hain 14513 en door Holtrop Catal. Libr. Saec. XV Impress in Bibl. Hagana p.347 N. 159 en in 1804 gedeeltelijk herdrukt door C. Bomzaaijer in 4o, met eene voorrede van J.A. Clignet, maar blijft des niet te min een zeer belangrijk bezit. Het eerste deel, namelijk het Teutonisch Latijnsche woordenboek, ontbreekt hier evenzeer, als in het exemplaar uit de Bibliotheek van Enschede, No966. Het is zeer mogelijk, dat dit onlangs te Haarlem verkochte en het exemplaar der Koninklijke Bibliotheek, te ’s Hage, de twee eenige zijn, Die behalve het Alkmaarsche, in ons land gevonden worden.
Folio 146. Avicennae Libri Canonis 1479.
Folio 19. Joann. De Secubia Concordantie Biblie 1496.
Folio 132-136. (Justiniani) Digestum Vetus librora Pandectarum, vijf deelen 1500-1509.
Folio 175. Philippi Bergomensis Historiam Repercussiones, 1506.
Folio 199. Fratris Johannis Genuensis Catholicon, seu universale Vocabularium ac summa Grammatices, 1506.
Folio 23. Thomas de Aquino summa de veritate, 1508.
Folio 176. Raphael Volaterrani commentaria urbina, 1511.
Quarto 22. Cypriani Opuscula 1512.
Folio 106-108. Ambrosii Episcopi Mediola Opera III vol. 1516.
Folio 119-122. Eusebii Hieronymi Stridonensis. Opera omnia tomi IX (in vier banden) 1516.
Quarto 23. Thomas de Aquino Super Epistolas Pauli 1518.
Waarschijnlijk behoort het Vita Patrum Sanctorum, Folio 220, zonder jaartal, met gekleurde hoofdletters en sieraden, ook tot de incunabelen. Dit is echter, hoe hoogwaarschijnlijk ook, tot nog toe bij mij niet volkomen uitgemaakt.
In de korte opgave is nu met opzet de uitvoerige Bibliographische beschrijving dezer twaalf of dertien hoogst belangrijke drukwerken achterwege gelaten omdat het voor het oogenblik voldoende scheen in dit bericht aan den Raad der Gemeente Alkmaar, alleen de nummers op te geven en het onbeleefd zou zijn door noodelooze uitvoerigheid den tijd aan andere belangrijke zaken te ontrooven.
Maar de schrijver van den Tegenwoordigen Staat van Holland en west.Fr. spreekt ook van Handschriften en de Alkmaarsche Rector A. Kluit wijst in zijn reeds genoemde rapport volstrekt niet op het tegendeel. Intusschen zijn zulke onbepaalde opgaven, vooral in zaken van dien aard, altoos van weinig betekenis. Het kunnen niet anders en zullen ook waarschijnlijk die handschriften zijn, die de Heer Dr. P. Scheltema, in zijn inventaris, sub. VII, Handsch. 42 beschreven heeft. Een handschrift is echter den bekenden Argusblik van Dr. P. Scheltema ontsnapt; waarschijnlijk omdat het zeer nederig onder de gedrukte boeken staat, Quarto No 1. Op de vroegere lijsten of catalogi der boeken wordt het Eene Latijnsche vertaling van het Oude Testament genoemd. Die het Handschrift aldus gedoopt heeft kon blijkbaar geene Manuscripten lezen. Een vertaling van het Oude Testament is het niet. Het boek zonder eenig jaartal, zonder naam des auteurs of van den afschrijver, zonder eenig ander kenmerk is, naar het zogenaamde Kloosterschrift te oordelen, blijkbaar tusschen 1412 en 1450 geschreven, bevat 520 bladzijden in twee kolommen en roode initialen, hier en daar enkele curieuse afbeeldingen met de pen getekend. Wij zouden in onzen tijd zulk een werk een handboek over de Bijbelsche Geschiedenis noemen. Bedrieg ik mij niet zeer, dan is het eene verkorting van de Historia Scholastice van Petrus Comestor (gestorven 1179). Ik put deze gissing uit de mededeeling van professor E. Reus, te Straatsburg, in de Revue de Theologie volum. XIV p.340 en Herzogs Real-Encyclopedie op het woord Romanischer Bibel-übersetzungen. De Hoogleraar Moll te Amsterdam, een specialiteit voor de betekenis van onze middeleeuwsche klooster-literatuur moet evenwel nog eerst over dit handschrift door mij geraadpleegd worden, eer ik eene bepaalde gissing durf uitspreken. Dit boek was voor mij het lastigste van de geheele verzameling: het onderzoek ernaar heeft reeds menig uur verslonden.
Het jongste werk van deze oude in vele opzichten belangrijke verzameling is dat van Chr. Meijer, een bekende Jood uit Hamburg, die in een Hebreeuwsch en Latijnsch geschrift de gronden bloot lag, waarop hij tot het Christendom overging, gedrukt te Amsterdam 1729: waaruit tevens blijkt dat er na 1607 nog boeken of zijn aangekocht of aan de verzameling toegevoegd.
Overigens behoort het grootste gedeelte van deze boekerij tot de Theologie en Patristiek. Onder de rest bevinden zich nog ettelijke min of meer zeldzame werken van belang voor de studie der Geschiedenis en Letteren. Bij de plaatsing is reeds eene zekere rangschikking in achtgenomen; doch een groot deel fol. 159 – fol. 179 en fol. 208 – 220, quarto 38 – quarto 41 staat zonderling door elkaar zoodat er duidelijk uit blijkt, dat deze schikker, wie hij dan ook was, met sommige werken geen weg wist: nog daargelaten, dat een kundig Bibliograaph van onzen tijd zooals b.v. de Heeren Frederik Muller te Amsterdam en Martinus Nijhoff te ’s Hage eene andere indeeling zou gekozen hebben.
Eene alphabetische catalogus der oude boeken is reeds gereed[27] en zou door een van de klerken ter secretarie b.v. de Vries, die in het Latijn reeds eenigzins letterwijs is, dadelijk kunnen worden gecopieerd. Deze alphabetische catalogus geeft alleen den inhoud der boeken zonder hunne bibliographische beschrijving aan en moet dienen om ieder boek zonder tijdverlies dadelijk te vinden.
Het verbeterd rangschikken der boeken zal nu binnenkort moeten ondernomen worden. Vooraf wenschte ik evenwel door eene beslissing van de Gemeente Raad op de volgende punten tot het vaststellen der grondslagen daarvan te worden in staat gesteld.
1. Vergunning om quarto No 1, het boven beschreven handschrift, over te brengen bij de overige handschriften, door den Heer Dr. P. Scheltema onder VII hands. 42 geinventariseerd.
2. De oude gedrukte boeken afzonderlijk wetenschappelijk te catalogiseren en de nieuwere, die niet tot de hulpmiddelen der administratie behooren en op het Archief evenzeer voor handen zijn, als tweede afdeling daarbij te voegen en de geheele verzameling ten minste eenmaal ’s weeks voor het publiek toegankelijk te stellen. De Gemeente Raad gelieve daartoe eenvoudig de resolutie van 1764 te renoveren en volgaarne zal de ondergeteekende, als Rector, zich zonder eenig bezwaar der Gemeente wekelijks op den bepaalden tijd beschikbaar stellen om den bezoekers inzage te geven van hetgeen zij verlangen – en vooral om de bezitters van eenig zeldzaam boek te bepraten dat zij het der Bibliotheek ten geschenke aanbieden.
3. Als het blijkt; dat solide ingezetenen voor hunne Letteroefeningen een boek wenschen te gebruiken; veroorloove men het voor den tijd van veertien dagen uit te leenen tegen afgifte eener reçu. Sommigen zullen daartegen inbrengen dat reeds vroeger boekwerken zijn weggeraakt.
Maar dit zou niet mogelijk geweest zijn indien doeltreffende voorzorgen elders in gebruik, genomen waren, door met een ijzeren stempel bv. Bibl.Publ.Alcm., drie regels onder elkaar op den titel en vooral op den afgesneden rand der boeken met drukinkt door het slaan met een hamer in te drijven. Wekelijks worden op de Leidsche Bibliotheek meer dan honderd dus gestempelde boeken uitgegeven en nooit heb ik van het wegraken van eenig boek gehoord: ’t geen na die stempeling ook zo gemakkelijk niet geschieden kan.
4. De Gemeente Raad bepale later jaarlijks eene kleine som voor den aankoop van een paar doeltreffende buitenlandsche technische en landbouwkundige journalen, die in geen geval, even min als woordenboeken en werken tot Bellettrie behoorende, aan particulieren mogen worden te leen gegeven, maar altoos voor de bezoeker voorhanden zijn.
5. De Gemeente Raad bevele op het voorbeeld van Deventer (Dr. A.M. Ledeboer Notices Bibliographiques des Livres imprimés avant 1525 conservé dans la Bibliothèque Publ. de Deventer 1867) en van Edam (Catalogus der Boekwerken, afkomstig van de oudeLatijnse School berustende in de Groote Kerk te Edam, mij op aanwijzing van Dr. P. Scheltema door den Heer P. Costerus Wz te Edam ten geschenke gezonden) dat zoodra de Wetenschappelijke Catalogus der oude boeken is afgewerkt, deze op kosten der Gemeente gedrukt en aan andere Gemeenten ten geschenke worde aangeboden en ook voor het publiek verkrijgbaar zij. Omtrent de nieuwe boeken, die er reeds zijn of later door geschenken of op welke andere wijze verkregen worden, is het doen drukken van den Catalogus noch raadzaam noch noodig. Van deze is een alphabetisch geschrevene catalogus voldoende, die op losse vellen in een doos liggende door het publiek zelf onder toezicht kan geraadpleegd worden. Dit is het stelsel, dat men tegenwoordig op groote bibliotheken met gewenschten uitslag toepast teneinde den catalogus altoos onmiddelijk bij te houden.
De ondergetekende verzoekt de Raad der Gemeente Alkmaar met bescheiden aandrang om deze vijf punten in overweging te willen nemen en te beslissen, ten einde bij verderen arbeid geen belemmering ondervinde.
Alkmaar 7 januari 1868.
Des Gemeente Raads
Geh. Dienaar
Dr. J.J. de Gelder
De meeste punten van De Gelder werden niet ingewilligd. In Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1870, gedrukt in Alkmaar door Herm. Coster en Zoon, 1871, pag. 36-37 staat te lezen dat de gemeente niet akkoord gaat met het uitlenen van boekwerken. Er waren in het verleden al boeken weggeraakt en het zou ook zeer slecht zijn voor de boeken ‘daar zij, in aanmerking nemende den slordigen en beschadigden toestand, waarin zij somtijds terug ontvangen werden, veel van hunne waarde verloren’. Ook de openstelling van het archief op bepaalde tijden werd niet nodig geacht. Als iemand werkelijk iets in wilde zien, kreeg hij wel toestemming en het kwam zo sporadisch voor, dat er geen behoefte aan was.
Bij wijze van proef zou wel vanaf 21 juli elke maandag tussen 12 en 2 uur ’s middags gelegenheid gegeven worden om in het stadhuis de oude boekerij te bezoeken. Later draaide men dit weer terug want ‘Gedurende den tijd, dat die gelegenheid bestond, werd daarvan gebruik gemaakt door 3 vreemdelingen uit Zwolle, ’s Hage en Leiden, toevallig hier zijnde en 5 ingezetenen, zonder eenig wetenschappelijk doel of bibliographische kennis, terwijl geen enkel exemplaar der catalogus, die tegen betaling van veertig centen verkrijgbaar was gesteld, verkocht werd.’[28]
Aan het eind van het verslag: ‘Bij raadsbesluit van 16 maart werd den heer De Gelder onder dankbetuiging voor de getoonde belangstelling in de oude boekerij dezer gemeente, door zijnen beschikbare tijd te besteden aan eene rangschikking en beschrijving der daartoe behoorende boeken en handschriften, als blijk van erkenning dier diensten en van het op het drukken der inventaris van het archief gehouden toezigt, eene gratificatie van f.100,- toegekend’.
Op 26 januari 1868 verscheen er een artikel van J.J. de Gelder in de Alkmaarsche Courant: De oude Bibliotheek van Alkmaar. Hij vertelt hierin aan de lezers over de librije en waar hij mee bezig is. Onderaan het artikel:
Wel is de meer naauwkeurige beschrijving dezer boeken bij lange na nog niet voltooid. Zulks heeft in eene gemeente als deze eigenaardige moeilijkheden en belemmeringen. Toch hoop ik het eerste gedeelte van dit jaar daarmede gereed te zijn en dit nut uit dien arbeid te trekken, dat deze oude uitgaven voor de beoefenaars der wetenschappen niet langer ontoegankelijk blijven en door de geleerden in deze streken ten gevolge van het openbaar maken van den catalogus gekend, gevonden en gebruikt kunnen worden. Deze voorlopige mededeeling wilde ik aan belangstellenden niet onthouden. Dr. J.J. de Gelder.
Naar aanleiding van dit krantenartikel ontvangt de heer De Gelder een brief van de heer M.F.A.G. Campbell[29], geschreven op 28 januari 1868. De Gelder schrijft de brief over en stuurt hem door naar de Gemeenteraad van Alkmaar: ‘De ondergeteekende zal den uitslag van den Gemeenteraad afwachten, eer hij den Heer Campbell op zijn belangrijk schrijven antwoordt’. [30].
De heer Campbell, werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek, biedt De Gelder aan hem te helpen met het beschrijven van de oudste boeken en de incunabelen, wat hij ook al gedaan heeft bij de Deventerse incunabelen. Hij bekent dit ook deels uit eigenbelang aan te bieden:
Er is nog iets. Laat u, bid ik u, niet afhouden door de gedachte, dat gij verplichting maakt, enz. Want mijn aanbod is ook eigenbaatzuchtig in dien zin dat ik, die de oude boeken van alle onze boekerijen heb gezien en ook Belgie en Duitschland (gedeeltelijk) met dat doel bezocht, dat ik voor zulk eene schikking ook de Alkmaarsche schatten onder de oogen zal krijgen en er mijne kennis mede verrijken, welke laatste tevens te goede moet komen aan de verwezenlijking van een plan reeds gedurende twintig jaar door den heer Holtrop en mij voorbereid om namelijk een Nederlandsche Hain uittegeven. Daartoe ligt reeds veel bouwstof gereed. Wellicht dat de Alkmaarder wiegedrukken , daartoe nog rijke stof bevatten.[31]
Of De Gelder uiteindelijk gebruik heeft gemaakt van dit aanbod is mij tot dusver niet bekend.
In het eerste jaarverslag van het Stedelijk Museum[32], waarvan De Gelder de secretaris was, staat op pag. 4 vermeld dat: ‘De boeken, vormende de oude bibliotheek, benevens eenige handschriften, beschreven door dr. De Gelder, achter den inventaris van het archief door dr. Scheltema van de charterkamer naar het museum overgebracht zijn’. In het jaarverslag van 1884: ‘Van de oude boekerij werden weder een aantal lederen banden vernieuwd (…)’, en in 1885: ‘Met het vernieuwen van de verwaarloosde banden der oude boekerij werd weder voortgegaan: in 1886 zal daaraan de laatste hand worden gelegd’.
Uit de hiervoor geciteerde lange brief van J.J. de Gelder aan de gemeenteraad blijkt dat hij de wetenschappelijke catalogus van de stadsboekerij op eigen verzoek heeft gemaakt. Hiervoor zijn twee mogelijke redenen te geven.
De eerste reden heeft te maken met het feit dat De Gelder rector was van het stedelijk gymnasium dat door hemzelf in 1856 opgericht was. Dit gymnasium was opgericht ‘voorloopig als eene proeve voor den tijd van twee jaren’. Zonder definitief besluit werd die termijn nog twee maal verlengd. Met het oog op de hoge kosten ten opzichte van het geringe aantal leerlingen èn met het oog op de komst van de h.b.s. besloot de gemeenteraad het gymnasium op te heffen per 1 oktober 1867, en op 30 september werd besloten tot het oprichten van een Latijnse School (zonder moderne talen) met J.J. De Gelder als rector[33]. Mogelijk was dit een reden voor De Gelder om de oude boeken van de librije beter ‘in kaart te brengen’.
De tweede reden zou kunnen zijn dat omstreeks die tijd de plannen ontstonden voor een oudheid- en geschiedkundig museum van Alkmaar, waarvan de oude boekerij ook deel uit zou maken. Bestuurders van de Vereniging tot viering van Alkmaars Ontzet 1573 hadden de gemeente om een geschikte ruimte hiervoor gevraagd[34]. Een goede reden voor De Gelder om een gedegen overzicht te maken van de oude boeken. Zoals aan het begin van de paragraaf vermeld, was De Gelder een van de initiatoren van de feestdag voor de viering van Alkmaar Ontzet èn was hij later jarenlang secretaris van het Stedelijk Museum.
De oprichting van het Stedelijk Museum was ook een reden voor de restauratie van zo’n honderd boekbanden. In 1886 was deze restauratie voltooid: ‘Het van nieuwe banden voorzien der eertijds veel geleden hebbende boekdeelen van de oude bibliotheek werd voortgezet en ten einde gebracht. Het voornemen bestaat bij een herdruk van den catalogus der boekerij het onderscheid tusschen de oude en nieuwe op te heffen’.[35]
Toen De Gelder zijn catalogus schreef werd de oude bibliotheek nog als één geheel beschouwd. Vanaf 1861 had de vereniging tot viering van Alkmaar Ontzet echter boeken verzameld en vanaf 1875 vormde deze verzameling de Bibliotheek van het Stedelijk Museum. In de catalogus die in 1904 van deze bibliotheek gemaakt is zijn de nieuwe boeken opgenomen tussen de oude boeken van de librije[36]. De librije stond niet meer op zichzelf. In 1922 werd met behulp van de catalogi van Ouwens en De Gelder de oude bibliotheek gereconstrueerd[37] en werd er een alfabetische kaartcatalogus gemaakt. Aan de hand van een andere kaartcatalogus werd de librije gecontroleerd toen de boeken in 1992 naar het depot zijn verhuisd aan de Hertog Aalbrechtweg. De concordans van mevrouw Plenckers vermeldt de signaturen zoals die toen in die kaartcatalogus vermeld stonden. De signaturen van de boeken zijn toen –gedeeltelijk- veranderd.
Alle titels van de oude stadslibrije zijn ingevoerd in de digitale catalogus van de bibliotheek van het Regionaal Archief en momenteel is men ook bezig de boeken, die verschenen zijn in Nederland tussen 1540 en 1800 in te voeren in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN).
Bruinvis, C.W.
1856 'Rutgerus Ouwens'. In: Navorscher, nr. 6 (1856), pag. 156.
Bruinvis, C.W.
1904 Catalogus der Bibliotheek van het stedelijk Museum te Alkmaar, Alkmaar, 'z.u.'.
Busken Huet, Cd.
z.j. Litterarische fantasien en kritieken, (eerste deel), H.D. Tjeenk Willink, Haarlem, 'z.j.', pag. 84.
Elberts, W.A.
1890 'Levensbericht van Jan Jacob de Gelder'. In: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlansche Letterkunde, te Leiden, over het jaar 1889-1890, in het gebouw van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, (Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1890), E.J. Brill, Leiden 1890, pag. 354-367.
Fasel, W.A.
1969 'Alkmaar en zijn geschiedschrijvers tot aan het jaar 1800'. In: Alkmaars Jaarboekje, nr. 5 (1969), pag. 22-38.
Gelder, de J.J.
1869 Bibliographische en Wetenschappelijke catalogus der oude bibliotheek van Alkmaar door dr. J.J. de Gelder, 1868, Alkmaar, Hermans.Coster en Zoon, 1869.
1846 Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, tweede jaargang 1846, Utrecht, Kemink en Zoon, 1846, pag. 294.
1848 Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, vierde jaargang 1848, Utrecht, Kemink en Zoon, 1848, pag. 254-255.
Laan, ter, K.
2004 Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid, G.B. van Goor Zonen's Uitgeversmaatschappij, Den Haag / Djakarta 1952.
Leeuwen, van G.
1863 'Levensberigt van Mr. Jan Andries Kluppel, Alkmaar, maart 1863'. In: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 18 junij 1863, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen te Leiden, pag. 80.
Plenckers-Keyser, G.I.
1992a Concordans met aantekeningen op de Latijnse Bibliotheek van Alkmaar, Alkmaar, Regionaal Archief, 1992.
1992b
Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992, Archivaria,
jrg.5
(1992), nr. 1/2, pag. 19-25.
Poot, H.K.
1728 Gedichten. Tweede deel, Reinier Boitet, Delft, 1728, pag. 435.
Scheltema, P.
1869 Inventaris van het archief der gemeente Alkmaar, Alkmaar, Coster, 1869.
Jaarverslag.
1876 Stedelijk Muzeüm, te Alkmaar. Verslag over het jaar 1875, Alkmaar, Coster & Zoon 1876.
Jaarverslag.
1868 Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1867, Alkmaar, Coster & Zoon 1868, pag. 31-32.
1871 Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1870, Alkmaar, Coster & Zoon 1871, pag. 36-37.
Digitale bronnen:
http://www.dbnl.org/tekst/busk001litt01_01/busk001litt01_01_0005.htm
http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189001_01/index.htm
http://www.dbnl.org/tekst/laan005lett01/index.htm
http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/
Noten:
[1] Deze informatie komt uit aantekeningen van mevrouw M. Joustra, bibliothecaresse van de bibliotheek van het Regionaal Archief te Alkmaar.
[2] Chronicon Hollandiae en Gesta Virorum. Zie het artikel van W.A. Fasel: Alkmaar en zijn geschiedschrijvers tot aan het jaar 1800 , in het Alkmaars jaarboekje 1969, nr. 5, p. 32.
[3]Alkmaars jaarboekje 1969, nr. 5: Fasel spreekt in zijn artikel over 1707 (p.32). Vergissing?
[4] In 1760 schreef Bontius de Waal: Oorspronck en opkomst der Stede Alkmaar, beginnende Anno DL uyt een seer oud manuscript berustende ter Librije deser Stadt gecopieert ende vervolgt tot MDCCLX door Joachim Bontius de Waal, Collectie Aanwinsten 41. Deze kroniek, bevat tot aan 1667 ongeveer hetzelfde als nrs. 38-40, doch voortgezet tot 1760. Met een aanhangsel, bevattende diverse aantekeningen. 1 deel. De catalogus van de librije wordt in dit handschrift echter niet vermeld.
[5] Alkmaars jaarboekje 1969, nr. 5. Volgens Fasel overgeschreven van Bontius de Waal (p.33).
[6] In: Cd. Busken Huet, Litterarische fantasien en kritieken. Deel 1, in zijn verhandeling over Hubert Kornelisz Poot, pag. 84. (via http://www.dbnl.org/tekst/busk001litt01_01/busk001litt01_01_0005.htm)
[7] C.W. Bruinvis in: Navorscher, nr.6 (1856), pag. 156.
[8] idem
[9] H.K. Poot, Gedichten. Deel 2., 1728, Bijschriften, pag. 435. Via: http://www.dbnl.org/tekst/poot001gedi02/
[10] Zie hiervoor de inleiding van de Bibliographische en Wetenschappelijke Catalogus der Oude Bibliotheek van Alkmaar door Dr. J.J. de Gelder, 1868. De Gelder zegt in zijn voorwoord dat de arbeid van de heer Kluppel nog in het archief aanwezig is in: Inventaris van ’t Archief VII Hands.99.
[11] Zie hiervoor de inleiding van de catalogus van De Gelder: “De arbeid van Mr. J.A. Knuppel is nog voorhanden en berust in het Archief (Inventaris van ’t Archief VII Hands. 99). In den catalogus van R. Ouwens werd niets door ZijnEd. veranderd, dan dat No. 16 Fol. met No. 2 Fol. verwisseld werden en de tusschen geplaatste nommers een hooger cijfer ontvingen. Zijne aanteekeningen betreffen alleen de letterkundige en niet de bibliographische waarde dezer boeken. Ook op dezen catalogus zijn de doorloopende nommers der boekdeelen van R. Ouwens behouden en achter de titels geplaatst. Daardoor blijven de werken van denzelfden schrijver bij elkander, al behoort een deel er van tot eene andere afdeeling van den wetenschappelijken catalogus en kan de catalogus van Ouwens blijven dienen, om zich zeer gemakkelijk van het aanzijn van al de boeken in loco te vergewissen.”
Zie ook: Concordans met aantekeningen op de Latijnse Bibliotheek van Alkmaar, samengesteld door G.I. Plenckers-Keyser, Alkmaar: Regionaal Archief, 1992, voetnoot 1.
[12] Zie hiervoor en voor deze korte levensbeschrijving: Mr. G. van Leeuwen, Levensberigt van Mr. Jan Andries Kluppel, Alkmaar, maart 1863. In: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 18 junij 1863, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen te Leiden, pag. 80.
[13] Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, tweede jaargang 1846, Utrecht, Kemink en Zoon, 1846, pag. 294.
[14] Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, Vierde jaargang 1848, Utrecht, Kemink en Zoon, 1848, pag. 254-255. (vergadering van 9 december 1848)
[15] Idem, vijfde jaargang, pag. 99.
[16] Bibliographische en Wetenschappelijke catalogus der oude bibliotheek van Alkmaar door dr. J.J. de Gelder, 1868, Alkmaar, Hermans.Coster en Zoon, 1869.
[17] De catalogus van De Gelder kwam tegelijk uit met: P. Scheltema, Inventaris van het archief der gemeente Alkmaar, Alkmaar, Coster, 1869.
[18] G.I. Plenckers –Keyser, Concordans met aantekeningen op de Latijnse bibliotheek van Alkmaar, Regionaal Archief, Alkmaar, 1992.
[19] Zie hiervoor het artikel: G.I. Plenckers-Keyser, Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992, Archivaria, jrg.5 (1992), nr. 1/2, pag. 19-25.
[20] Ik geloof niet dat dit bij elk exemplaar van “De Gelder” het geval is.
[21] Ook De Gelder schrijft in zijn voorwoord: In den catalogus van R. Ouwens werd niets door ZijnEd. [Kluppel, AS] veranderd, dan dat No. 16 Fol. met No. 2 Fol. verwisseld werden en de tusschen geplaatste nommers een hooger cijfer ontvingen.
[22] Origineel tractaat der Unie. Gedrukt bij Joh. Enschede en Zonen, met origineele typen. 1778,
Fol. Ms. Cat. III 2.
[23] Voor de volgende korte levensbeschrijving heb ik gebruik gemaakt van Jaarboek van de Nederlandse Maatschappij der Letterkunde, 1890, Levensbericht door W.A. Elberts. Via: http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189001_01/index.htm
[24] In 1986 maakte J.C.van Heijningen de Zoete een studie over het leven van J.J. de Gelder en zijn pedagogische opvattingen: Dr. J.J. de Gelder en zijn Paedagogium te Leiden. Leiden, januari 1986, 160 blz. + bijlagen (skriptie R.U.L.)
[25] Inventaris stadsarchief 1816-1919, nr. 108.
[26] De Gelder was hier nog in de veronderstelling dat dit het werk was van A. Kluit i.p.v. J.A. Kluppel.
[27] Niet bewaard gebleven? Hierover moet ik nog navraag doen.
[28] Cursivering overgenomen uit: Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1870, Alkmaar, Herm. Coster & Zoon, 1871, pag. 39.
[29] M.F.A.G. Campbell (1819-1890), directeur van de Koninklijke Bibliotheek sinds 1868. K. ter Laan: Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid, 2004. Via: http://www.dbnl.org/tekst/laan005lett01/index.htm
[30] Inventaris stadsarchief 1816-1919, nr. 108.
[31] Inderdaad verscheen later: M.F.A.G Campbell, Annales de la typographie néerlandaise au XVe siècle, Nijhoff, Den Haag 1874.
[32] Stedelijk Muzeüm, te Alkmaar. Verslag over het jaar 1875, Alkmaar, Hermans. Coster & Zoon 1876.
[33] Zie hiervoor: Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1867, Alkmaar, Herms. Coster & Zoon 1868, pag. 31-32.
[34] Idem, pag. 46.
[35] Idem 1886, pag. 32.
[36] Zie: C.W. Bruinvis, Catalogus der Bibliotheek van het stedelijk Museum te Alkmaar, 1904, p. IX.
[37] Zie: G.I. Plenckers-Keyser, Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992. In Archivaria, jrg. 5 (1992) pag. 24.
Master Boekwetenschap en Handschriftenkunde
Nota onder leiding van dr. P.J. Verkruijsse
Email: ansschoorlemmer@planet.nl