Co van der Zwet

 

 

De Alkmaarse librije en haar publiek

Leescultuur in de zestiende en zeventiende eeuw

 

 

 

Inhoud

Inleiding

Beoogd publiek Alkmaarse librije

Alfabetisering

Leesgewoonten

Particulier Boekenbezit

Publiek boekenbezit

Onderwijs Latijnse school

Stad Alkmaar

Conclusie

Geraadpleegde literatuur

 


 

Inleiding

In de werkgroep Het boek als materieel en cultureel object onder leiding van dr. Piet Verkruijsse is onderzoek gedaan naar onder andere een aantal culturele aspecten met betrekking tot de stadslibrije te Alkmaar.

In dat kader heb ik, uitgaande van enkele contemporaine uitspraken ter zake, onderzoek gedaan naar het lezerspubliek van de librije. Daarbij was richtinggevend de vraag, of en in hoeverre de collectie van deze stadsbibliotheek inderdaad was afgestemd op genoemde burgerij en studenten.

Om die vraag te kunnen beantwoorden, heb ik onderzoek gedaan naar de mate van alfabetisering van beide doelgroepen en naar hun leesgewoonten. In het verlengde van die leesgewoonten heb ik onderzocht welke keuzen particuliere zowel als publieke verzamelaars maakten bij de samenstelling van hun bibliotheken. Vervolgens heb ik gekeken naar de inrichting van het onderwijs aan de Latijnse school in relatie tot het boekenbezit van de stadslibrije.

Ik heb het onderzoek begrensd tot globaal de zestiende en zeventiende eeuw. Immers, hoewel de oudste vermelding van de librije dateert van 1545, mag worden aangenomen dat de librije al bestond ten tijde van de bloeiperiode van de plaatselijke Latijnse school in het tweede decennnium van de zestiende eeuw. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw vervolgens, lijkt de Alkmaarse stadsbibliotheek geleidelijk een zachte dood te sterven. Dus koos ik voor de globale begrenzing 1500 – 1700, globaal ook omdat bepaalde ontwikkelingen niet steeds exact te localiseren blijken te zijn in de tijd.

Vaak is evenmin exact na te gaan of bepaalde ontwikkelingen specifiek voor Alkmaar golden. Bovendien is over de librije ter plaatse evenals over de lokale leescultuur weinig bekend. Ik heb er daarom voor gekozen, onderzoek te doen naar algemene ontwikkelingen binnen het gebied dat tegenwoordig als Nederland wordt aangeduid, en waar mogelijk specifiek naar de Alkmaarse situatie.

Inherent aan zo’n globale aanpak is, dat de conclusies aangaande specifiek Alkmaarse ontwikkelingen een speculatief karakter hebben.

 

Beoogd publiek Alkmaarse librije

De eerste substantiële vermelding van de Alkmaarse librije stamt uit 1630.[1] Daarin verzekert de auteur ons dat de librije in 1594 werd heropgericht ‘tot grooten gherief van die burgherije ende studenten’. In 1645 voegt kroniekschrijver Van der Woude in zijn Kronyk van Alckmaer met zyn dorpen daaraan toe dat de bibliotheek toegankelijk is voor eenieder ‘hoe sy ghesint moghen wesen. Al daer men sien, ende bequamelyck lesen, ende uyt Copieren mach meer als 360. Excellente fraye gebonden boecken: meest in ’t Latyn, al te samen aen kettingen vast gesloten’.[2] En hij vervolgt: ‘Een goe librije in een Stadt, is der Gemeenten ware Schat’. Dat de belangstelling voor de stadsbibliotheek al behoorlijk tanende lijkt op dat moment, blijft hier verder buiten beschouwing.[3]

Mogen we beide auteurs geloven, dan is de librije dus bedoeld voor burgers en studenten, ongeacht hun opvattingen of (geloofs)overtuiging. De bibliotheekbezoekers moeten dan wel tenminste (Latijn) kunnen lezen. En bedoelde burgerij zou de librije als een rijk bezit hebben gekoesterd. [4] Of dit laatste in stoffelijke zin opgevat moet worden of in geestelijke, in ieder geval vond men het nodig de collectie tegen diefstal te beschermen.

Dat de bedoelde studenten tot lezen in staat zijn, zelfs van Latijn, ligt voor de hand. Maar hoe staat het met de leesvaardigheid van die nogal heterogene groep die als burgerij wordt aangeduid? En, in hoeverre is de bibliotheekcollectie inhoudelijk toegesneden op het beoogde publiek?

 

 

Alfabetisering

Laten we om te beginnen eens bekijken hoe het gesteld is met de leesvaardigheid van die burgers. In 1621 roemt Guicciardini in zijn Beschryvinghe van alle de Nederlanden de bewoners van deze contreien om hun ontwikkelingsniveau. Bijna iedereen, zo meent hij, kan lezen en schrijven. Zowel in de stad als op het platteland. Dat klinkt vleiend, maar is op zijn minst geflatteerd. Immers, zijn uitspraak wordt door wetenschappelijk onderzoek niet bevestigd, integendeel. Wel mogen we aannemen, dat van degenen die kunnen lezen, slechts weinigen dat regelmatig doen. Om de eenvoudige reden, dat men doorgaans niet meer dan een bijbel en wat stichtelijke lectuur in huis heeft.

Recent onderzoek toont aan, dat er onvoldoende bronnenmateriaal voorhanden is om absolute uitspraken te kunnen doen over hoeveel mensen konden lezen en schrijven binnen de verschillende bevolkingsgroepen.[5] Op basis van ondertekeningen van (huwelijks)akten heeft men vastgesteld dat aan het begin van de zeventiende eeuw bijna de helft van de mannen en ongeveer een derde van de vrouwen het lezen en schrijven in enige mate machtig is. Aan het eind van de achttiende eeuw zijn die cijfers opgelopen tot respectievelijk 85 en 70 procent. Maar het blijft niet meer dan een veronderstelling. Wie heeft geleerd een handtekening te zetten, hoeft verder niet per se schrijfvaardig te zijn.[6] Evenmin hoeft het te betekenen dat de ondertekenaar leesvaardig is, al is de kans daarop mogelijk iets groter, omdat men in die tijd pas schrijven leert als men het lezen min of meer meester is.[7]

Het is dus uiterst lastig, zo niet onmogelijk, eenduidige uitspraken te doen over de mate van alfabetisering in de Republiek. Omstandigheden van kerkelijke en economische aard, evenals de regionaal-historische situatie zijn van invloed op het alfabetiseringsproces.[8] Desalniettemin schijnt onze jonge Republiek in de zeventiende eeuw, dankzij een combinatie van gunstige factoren, de hoogste alfabetiseringsgraad van Europa bereikt te hebben.[9] Wellicht hebben de voortekenen daarvan Guicciardini’s blik ietwat vertroebeld.

Hoe het zij, duidelijk is dat noch in 1630 noch in 1645 de gehele bevolking lezen kan. Dus mogen we aannemen dat ook van de stand der burgerij heel wat lieden de leeskunst niet meester zijn. En wat voor de volkstaal geldt, geldt uiteraard in nog veel sterker mate voor het Latijn. Er mag dan, sinds midden zestiende eeuw, een duidelijke herwaardering van de volkstaal waarneembaar zijn, zelfs in wetenschappelijke kringen, het Latijn blijft vooralsnog een prominente rol spelen.[10] En de meeste boeken in bibliotheken zoals die van Alkmaar zijn domweg in het Latijn geschreven.

Het is kortom uiterst onaannemelijk dat veel burgers de collectie van de Alkmaarse librije zullen hebben geraadpleegd, als zij al onbeperkt toegang hadden tot de librije.[11] Zoals we verderop zullen zien, is dat laatste onwaarschijnlijk.

 

 

Leesgewoonten

Weten we niet exact hoeveel burgers geletterd zijn, iets meer duidelijkheid hebben we over wat ze zoal lezen. Kijken we naar de boekproductie in de zeventiende eeuw, dan zien we een heel divers assortiment. Er worden veel wetenschappelijke werken gedrukt, maar die worden in aantal overtroffen door bijbels en stichtelijke werken. Daarnaast komt er nogal wat gebruiksdrukwerk op de markt, zoals almanakken, pamfletten en stuiversromans. Er worden tevens novellenbundels, anekdoteverzamelingen en avonturenromans gepubliceerd. Populair zijn onder andere stadsgeschiedenissen, schildersbiografieën, populariserende boekjes over de Opstand, gezondheidsverhandelingen, herbaria, raadsel- en goochelboeken, populaire wiskunde. In trek zijn ook allerlei sensatieverhalen, onmiddellijk opgetekend en in druk gebracht, over rampen, veldslagen, hekserij en wonderbare genezingen. En niet te vergeten popularisende boeken over serieuze onderwerpen, doorspekt vooral met veel verhalen en anekdotes, zoals Het schilder-boeck van Karel van Mander. Ook de medische wetenschap wordt op dergelijke wijze gepopulariseerd.

Het koperspubliek voor deze wijdvertakte, informatieve čn vermakelijke vertelcultuur moet vooral gezocht worden in de elite en de welvarende middengroepen, en niet in de minder ontwikkelde massa.

De Republiek telt een groot aantal boekverkopers en er bestaat dus een ruime gelegenheid tot het kopen van boeken en allerhande ander drukwerk. En wie de drempel van de boekhandel te hoog vindt, kan altijd nog kiezen uit een ruim aanbod van drukwerk dat door ambulante verkopers aan de man wordt gebracht.[12]

Gaandeweg de zeventiende eeuw wordt in het boekenaanbod een voorliefde zichtbaar voor romanpersonages die hun levensvervulling vinden in liegen, bedriegen, zuipen en hoereren. Deze schelmen zijn aan lager wal geraakte burgerjongens die in en rond bordelen leven. Hun avonturen worden in groten getale en doorgaans anoniem gepubliceerd. Tot de verbeelding sprekende vrijmoedige titels als De doorluchtige daden van Jan Stront en Het leven en bedryf van de hedendaagse Haagsche en Amsterdamsche zaletjuffers worden regelmatig herdrukt. Ze worden in onwelvoeglijkheid overtroffen door alhier verschijnende onverbloemde erotische werkjes van Italiaanse en Franse herkomst als La putana errante, L’école des filles en Académie des dames. Niettegenstaande predikanten zich langdurig en luide bekreunen om het zedelijk heil van de jeugd, en dergelijke onkuise en al te libertijnse publicaties graag uitgebannen zien, worden de boekjes in het Nederlands vertaald en door de overheid min of meer getolereerd. [13] Blijkbaar is er zoveel vraag naar zulke lectuur, dat de predikanten reden hebben tot zorg.

Inmiddels is er ook een Nederlandse literaire canon ontstaan, na de aanvankelijke humanistische dominantie van de klassieken. Cats, Hooft, Vondel, en in mindere mate Bredero en Huygens, gevolgd door tal van andere dichters, zijn populair. Tacitus, Vergilius en Plautus, in het spraakgebruik hebben ze hun evenknie gevonden in Hooft, Vondel en Bredero. Waardering blijkt ook hieruit, dat veel Nederlandse dichters postuum hun verzameld werk uitgegeven krijgen.[14]

Drukkers beijveren zich de literaire uitgaven te verkopen, aanvankelijk aan ongeacht wie, later meer gericht aan onderscheiden lezersgroepen. Met de hogere renaissanceliteratuur mikken ze op de stedelijke intelligentsia, met de eenvoudiger gebruiksliteratuur bijvoorbeeld op de kleine burgerij, op vrouwen, schoolkinderen en plattelanders. [15]

Er valt veel te lezen voor wie die kunst machtig zijn, veel profaans zoals blijkt uit het voorgaande. Toch wordt het zielenheil geenszins verwaarloosd. Veel mensen dragen altijd een psalmbundeltje of geestelijk liedboekje bij zich, om daar troost uit te putten indien onvoorziene omstandigheden dat vragen. Schepen worden voor een lange reis niet alleen bevoorraad met proviand, maar ook met een ruime hoeveelheid geestelijk voedsel als bijbel, catechismus en psalmen. In vrijwel alle bevolkingslagen worden dit soort religieuze teksten intensief gelezen, herlezen of voorgelezen. Wie zelf niet lezen kan, laat zich voorlezen. In protestantse huizen is bijna altijd een bijbel aanwezig, in katholieke doorgaans geen bijbel maar wel andere stichtelijke literatuur.[16]

Vergelijken we de lectuur van de burgerij in het algemeen met de collectie van de Alkmaarse librije, dan mogen we constateren dat deze collectie niet bepaald is toegesneden op de behoeften van diezelfde burgerij.

 

 

Particulier Boekenbezit

Zoals hierboven opgemerkt, bezit elk huisgezin wel een bijbel of ander stichtelijk werk. De vraag dringt zich op of het daarbij blijft, of dat men ook andere boekwerken aanschaft.

Van pamfletten tot lijvige boekwerken, er verschijnt veel drukwerk op de markt. En al is het boek, sinds de invoering van de typografie, flink in prijs gedaald en niet meer uitsluitend weggelegd voor geestelijken, edelen en rijke burgers, maar ook voor minder welgestelden, voor de massa blijft het te duur.[17]

Ofschoon gebruiksdrukwerk wel wordt weggegooid zodra het aan actualiteit verliest, verloren gaat door slijtage of tweede gebruik, bijvoorbeeld als wc-papier of verpakkingsmateriaal, op boeken is men doorgaans zuinig. Natuurlijk eisen branden, watersnoden en knaagdieren ook hier hun tol, maar er wordt ook het nodige bewaard. Men begint particuliere verzamelingen aan te leggen, die onder andere door vererving worden doorgegeven aan volgende generaties. Sinds het einde van de zestiende eeuw ziet men ook steeds vaker particuliere bibliotheken geveild worden.

Het zijn vooral maar niet uitsluitend de hogere sociale klassen die zich toeleggen op het verzamelen van boeken. De verzamelaars blijken een voorkeur te hebben voor religieuze en praktische boeken. Overigens doen lang niet alle rijke lieden eraan mee en koopt, aan het begin nog van de zeventiende eeuw, de meerderheid van de bevolking nooit een boek. Pas in de loop van de achttiende eeuw lijkt een groot deel van de middenklasse tot de regelmatige boekenkopers te behoren.[18]

Een bijzondere categorie verzamelaars wordt gevormd door aristocraten – bijvoorbeeld de Oranjes – en vooral geleerden. Zij bouwen aan een serieuze boekencollectie, waarin geen plaats is voor romans en populaire uitgaafjes. Hun bibliotheek heeft een humanistische signatuur, waarin vooral plaats is voor edities van klassieke werken, studies van grote geleerden en, het neusje van de zalm, middeleeuwse handschriften, dat wil zeggen de klassieke bronnen in middeleeuws afschrift.[19]

Inhoudelijk vertonen deze elite-collecties overeenkomsten met een librije als die in Alkmaar. Dat doet vermoeden dat de samenstellers van die laatste bibliotheek vooral een elitair publiek van aristocraten en geleerden voor ogen hebben gehad. Met de particuliere verzamelingen van andere verzamelaars, heeft de librije weinig gemeen. En dat de librije bedoeld is als aanvulling op die doorsnee collecties, is onwaarschijnlijk gezien de dominantie van de Latijnse taal.

 

 

Publiek boekenbezit

Naast het particuliere zien we het publieke boekenbezit, opgeslagen in bibliotheken die eigendom zijn van een kerkelijke of wereldlijke overheidsinstelling. ‘Publiek’ moet men hier niet lezen als ‘voor eenieder bedoeld’ maar in de betekenis van ‘niet-particulier’. De toegang is eeuwenlang voorbehouden aan de ontwikkelde, de academisch gevormde man, zoals men lezen kan in de Haarlemse stadsbibliotheek, uiteraard in het Latijn: ‘Deze plaats nodigt de mannen van wetenschap uit, houdt de menigte op een afstand, verlangt naar rechtschapen zielen, weert de grote hoop (vulgus)’. De Goudse librije weert o.a. vrouwen en kinderen.

De massa heeft er weinig last van. Sterker, ze laat geheel vrijwillig deze stoffige verzamelplaatsen van fossiele geleerden links liggen. Zo men al geďnteresseerd is in de boeken van de op het verleden gerichte bibliotheek, ontbreekt het de massa aan de benodigde kennis van het Latijn.[20] Deze bibliotheken concentreren zich op het verzamelen,bewaren en ordenen van het boekenbezit. Ze doen ook wel pogingen om het boekenbezit beschikbaar te stellen aan gebruikers, maar de nadruk ligt toch op hun conserverende functie. Ze krijgen daardoor een vooral museaal karakter.[21]

Rond 1550 verdwijnt de term ‘librije’ allengs ten gunste van ‘bibliotheek’, via het Latijn stammend uit het Griekse ‘biblio-thčkč’. De klassieke geleerden gaven hieraan om puristische redenen de voorkeur, boven het via het Frans uit het Latijnse ‘libraria’ afkomstige ‘librije’. In vrijwel alle nieuwe bibliotheken is de startcollectie nog middeleeuws, evenals het meubilair en het gebruik van kettingen. De bibliotheek is vrijwel altijd ondergebracht in kerk of klooster.

Theologie blijft dominant in de collectie, met de klassieken als goede tweede. Het nieuwe, algemene en ‘gewone’ boek moet men er niet zoeken, maar het bijzondere, het unieke. Kostbare folianten zijn favoriet. Die zoekt de particulier in de bibliotheek, want hij kan zich niet veroorloven ze zelf te kopen. Literatuur in de moderne talen vindt men in de zeventiende eeuw niet of nauwelijks in openbare instellingen, evenmin als recente, belangrijke wetenschappelijke studies.[22]

Niet alle bibliotheken echter richten zich exclusief op de intellectuele bovenlaag van de bevolking. Overeenkomstig Luthers wens wordt er een aantal stedelijke of raadhuisbibliotheken gesticht met een openbaar karakter. Luther vindt het van groot belang dat gelovigen lezen. Een kerk, scholing en onderwijs zijn onontbeerlijk en een bibliotheek neemt daarin een belangrijke plaats in. Hij drukt protestantse stadsbestuurders op het hart, voor burgers vrij toegankelijke boekerijen op te richten die primair in dienst staan van het godsdienstonderwijs. Derhalve dient de collectie in ieder geval de bijbel en exegetische literatuur te bevatten. Humanistische werken dienen allereerst het onderwijs in het Latijn, de inhoud doet er minder toe. Ook kronieken en historische boeken moeten deel uitmaken van de collectie, opdat men kennisneemt van het verloop van de geschiedenis.

Deze stedelijke bibliotheken zijn dus vaak ontstaan onder invloed van de Reformatie. Ten tijde van en na de beeldenstorm worden kerken en kloosters en de daarbij behorende bibliotheken geconfisqueerd. In een aantal gevallen wordt vervolgens het boekenbezit ondergebracht in een nieuwe stadsbibliotheek, zoals in Utrecht en Amsterdam.

Van een aantal stadsboekerijen echter, is de oorsprong niet meer precies te achterhalen. Dat geldt ook voor de Alkmaarse librije. Mogelijk bestond zij al in het begin van de zestiende eeuw, toen de Latijnse school een grote bloei beleefde. Bekend is, dat in 1578 en 1591 schenkingen worden gedaan aan de stadsboekerij.[23] We weten dat er in 1545 in de Grote Kerk een librije gevestigd is.[24] En we weten dat aldaar in 1594 de librije opnieuw wordt ingericht. Maar voor het overige blijft het gissen naar het ontstaan. In de vijftiende eeuw is het gebruikelijk, dat een kerk van enige betekenis een welvoorziene boekerij bezit, eventueel voortgekomen uit een kloosterbibliotheek.[25] Of dat ook in Alkmaar het geval is, weten we niet.

In de eerste vier decennia van de zeventiende eeuw wordt, voor zover bekend, de Alkmaarse bibliotheek door enkele verspreide aankopen uitgebreid. In 1645 maakt kroniekschrijver Van der Woude nog trots melding van het bestaan van de librije. In 1663 wordt vervolgens een onbekend aantal overbodige werken verkocht ten behoeve van de aanschaf van nieuwe werken – helaas weten we niet om welke titels het gaat - maar daarna wordt het stil. In 1712 wordt de collectie voor het eerst gecatalogiseerd. In 1819 verhuist de verzameling naar het stadhuis, om uiteindelijk na een verblijf van ruim een eeuw in het Stedelijk Museum in het Regionaal Archief te belanden.[26]

Aldus vertoont de geschiedenis van de Alkmaarse librije veel overeenkomst met die van Zutphen. Nadat die is overgenomen door de hervormden, raakt ze in de zeventiende eeuw allengs in de versukkeling. In de daarop volgende twee eeuwen is er nauwelijks belangstelling voor, om rond 1900 in ere hersteld te worden.[27]

 

 

Onderwijs Latijnse school

Behalve aan burgers zou de Alkmaarse librije ook specifiek aan studenten goede diensten moeten bewijzen. Daarmee moeten wel de studenten van de plaatselijke Latijnse school bedoeld zijn. Nadere beschouwing van het onderwijs aan zulke scholen kan ons wellicht enig inzicht verschaffen in de rol die de stadsbibliotheek daarin vervulde, met name voor de studenten.

Naast basisonderwijs in verschillende varianten zien we in veel steden de Latijnse school voor vervolgonderwijs. Overigens rekent men in de zeventiende eeuw de Latijnse school tot het hoger onderwijs, samen met de illustre scholen en de academies. Het basisonderwijs duurt ongeveer zes jaar en wordt gegeven in de Nederduitse taal aan zowel jongens als meisjes. Men leert er o.a. lezen en, in de hogere klassen, schrijven. Kinderen uit de laagste maatschappelijke regionen komen aan het schrijfonderwijs vaak niet toe, doordat ze voortijdig de school verlaten. Het vervolgonderwijs is in het Latijn en wordt feitelijk alleen aan jongens gegeven, hoewel er geen formeel verbod is op de toelating van meisjes. Wie de Latijnse school heeft doorlopen, kan doorstromen naar het universitair onderwijs.

De Latijnse school telt aanvankelijk acht klassen, in niveau opklimmend van de octava tot de prima. De twee laagste klassen worden tot het lager onderwijs gerekend en verdwijnen geleidelijk naar andere schooltypen. De hoogste klassen, vanaf de tertia, sluiten aan bij het universitair curriculum. Met de vakken van het trivium – grammatica, dialectica en retorica – neemt de Latijnse school een deel van de universitaire propedeuse voor zijn rekening.

Nadat Friesland in 1588 is voorgegaan, vaardigt Holland in 1625 een gewestelijke ‘schoolordre’ uit, een succesvolle poging eenheid te scheppen in het Latijnse onderwijs.[28] De schoolordre schrijft eenheid van structuur, van leerplan en van onderwijs voor. Er zullen dientengevolge zes klassen zijn, met een vaste leerstofindeling per klas, waarbij gewerkt wordt met voorgeschreven en officieel gepubliceerde leerboeken. Uitgangspunt van het onderwijs blijft het samengaan van de godsdienstige en intellectuele vorming.[29]

Omstreeks 1650 heeft de standaardisering van het Latijnse onderwijs in de Republiek in hoge mate haar beslag gekregen. Dat betekent onder andere dat men overal dezelfde leermiddelen gebruikt, ook in Alkmaar dus.

Al vroeg in zijn opleiding wordt de student geconfronteerd met Erasmus’ Colloquia en vervolgens met diens De Civilitate morum puerilium. Hij zet zijn tanden in de brieven van Cicero en in de Disticha van Cato. Terentius komt voorbij, de Tristia van Ovidius en Vergilius’ Bucolica. In de hoogste klassen krijgt hij te maken met Vossius, met de logica van Burgersdijk, met Horatius en Homerus. En tenslotte moet hij zich verdiepen in onder andere de rekenkunde van Gemma Frisius en in de Sphaera van Johannes de Sacrobosco.[30]

Voor het godsdienstonderwijs staan op het programma de Heidelbergse catechismus, de kerkgeschiedenis van Sleidanus en, in latijnse parafrase, de Psalmen van Buchanan .

In de opvatting van Erasmus zal het lectuurpakket van de leerling noodzakelijk beperkt zijn. De leraar echter, moet over een zeer ruim pakket beschikken: letterkunde en welsprekendheid, maar ook alle gepubliceerde klassieke werken tot en met die over natuurwetenschappen, astrologie, architectuur, landbouw, aardrijkskunde en geschiedenis. Aldus toegerust kan hij achtergronden schetsen en toelichtingen geven aan de studenten bij hun lectuur van de klassieken.[31]

Als de Alkmaarse studenten inderdaad zoveel baat hebben bij het bestaan van de plaatselijke stadslibrije, zou je verwachten dat die onder andere beschikt over de voorgeschreven leerboeken. Natuurlijk, er staan voldoende Latijnse en Griekse boeken die dienst kunnen doen bij het onderricht in die talen, wat naar Luthers opvatting hun primaire functie is. En mogelijk voorziet de librije ook in de behoefte aan naslagwerken. Maar van de hierboven genoemde leermiddelen is in de collectie niets terug te vinden, of men zou de Opera omnia van Cicero ertoe moeten rekenen.[32] Het ‘grooten gherief’ is voor de studenten van de Latijnse school wellicht iets bescheidener in omvang dan de ronkende teksten van contemporaine scribenten willen doen geloven.

Waarschijnlijker is het dat de librije vooral de leraren gerieft. Het overgrote deel van de collectie is in het Latijn geschreven, een aantal werken in het Grieks en mondjesmaat treffen we ook Chaldeeuws en Syrisch aan. Ongeveer een handvol Nederlandse boeken is opgenomen in de bibliotheek, naast een enkel Frans en Duits. Inhoudelijk bestaat de collectie voor een zeer groot deel uit theologie en kerkgeschiedenis. Daarnaast treffen we onder andere schone letteren en geschiedenis aan evenals geneeskunde.[33] Kortom, veel van wat Erasmus tot hun noodzakelijke geestelijke bagage rekent, vinden de leraren in de librije. En hun talenkennis zal hen in staat stellen kennis te nemen van het leeuwendeel van de aanwezige werken.

 

 

Stad Alkmaar

Voorgaande paragrafen geven een beeld van het lezerspubliek in de Nederlanden in het algemeen. De vraag is nu in hoeverre dat beeld past op de Alkmaarse situatie.

In de eerste decennnia van de zestiende eeuw is Alkmaar geografisch een tamelijk afgesloten stad, hetgeen veroorzaakt wordt door de slechte verkeers- en verbindingsmiddelen. De geestelijke horizon van de stadsbewoners is daardoor nogal beperkt. De enkelen, die door studie of beroep meer van de wereld hebben leren kennen, staan in ontwikkeling boven en buiten de massa, en zijn niet in staat veel verder te kijken dan de kleine omgeving en haar belangen.

In 1514 telt de stad 889 haardsteden, met een inwonertal van ongeveer 4200, kloosterbewoners meegerekend. In 1597 zijn die aantallen gegroeid tot respectievelijk 1500 haardsteden en 6 ŕ 7000 inwoners. In de loop van diezelfde eeuw verliest Alkmaar aan betekenis als handels- en havenstad ten gunste van Hoorn. Door de droogmakerijen rondom ontwikkelt de stad zich tot landstad, het agrarisch marktcentrum van de regio. Een kwart van de rijkdom is in handen van maar een zeer klein aantal personen – met slechts twee of drie uitschieters naar boven - de rest is voor rekening van een omvangrijke middenklasse die op enigerlei wijze op de agrarische markt opereert. Begin zeventiende eeuw weet de kleine burgerij te voorkomen dat de stad onderdak gaat bieden aan de door sommigen gewenste grote nijverheid. Sindsdien kan de stad getypeerd worden als een landbouwcentrum met een uitgesproken kleinburgerlijk karakter.[34]

Desalniettemin maakt de stad een bloeiperiode door, zowel economisch als cultureel. Met name de hogere kringen tonen een toenemende belangstelling voor de zangkunst en de literatuur. De stad wil zich cultureel manifesteren, blijkens de revitalisering van de librije in 1594 en de aanstelling van een nieuwe stadsdrukker in hetzelfde jaar.[35] Weliswaar is er vroeg in de zestiende eeuw al een drukker actief in Alkmaar, mede dankzij de behoefte aan drukwerk van de bloeiende Latijnse school. Maar in het vervolg van de eeuw lijkt het boekbedrijf, op een enkele verkoper na, zo goed als stil te liggen. Tegen het einde van de eeuw nemen de drukkersactiviteiten weer toe, culminerend in de aanstelling van enkele stadsdrukkers, waaronder Jacob de Meester. Hij werkt vooral voor opdrachtgevers van elders en zijn fonds is veel breder – naast het doorsneewerk publiceert hij kunst, literatuur en wetenschap – dan dat van zijn Alkmaarse collega-drukkers. Deze laatsten beperken zich over het algemeen tot het doorsneewerk, dat wil zeggen Nederlandstalig, eenvoudig uitgevoerd en waarschijnlijk goedkoop. Het bestaat voornamelijk uit kronieken, godsdienstige uitgaven, schoolboeken en pamfletten naar aanleiding van de opstand tegen Spanje.[36]

 

 

Conclusie

De geschiedenis van Alkmaar, hoe summier ook geschetst, geeft weinig aanleiding te veronderstellen, dat het er met de mate van geletterdheid, met de leesgewoonten en met het verzamelen van boeken gunstiger voorstond dan in de Nederlanden in het algemeen het geval was. Om deze veronderstelling op haar juistheid te toetsen, is nader onderzoek nodig, diepgaander dan in het kader van dit onderzoek mogelijk was.

Afgaande op het algemene beeld mogen we echter met enige voorzichtigheid concluderen, dat een flink deel van de Alkmaarse bevolking niet kon lezen, niet in de volkstaal, laat staan in andere talen. 

Wat zijn lectuur betreft, zal het lezende deel van de bevolking zich hoofdzakelijk beperkt hebben tot het genoemde doorsneewerk en andere populaire genres. Evenzo zal, gezien de samenstelling van de bevolking, het particulier verzamelen van boeken geen hoge vlucht hebben genomen.

Vergelijkt men de librije met andere publieke verzamelingen, dan vertoont ze daarmee grote overeenkomst op het gebied van collectie-opbouw en elitaire gerichtheid.

Tenslotte mogen we concluderen dat de samenstellers van de librije meer oog hadden voor de behoeften van de geleerden dan voor andere bevolkingsgroepen.

Al wil de zeventiende-eeuwse lofdichter ons verzekeren van het tegendeel, de burgerij zal niet of nauwelijks gebruik hebben gemaakt van de librije. De studenten kwamen er mogelijk wel, al was de collectie niet primair voor hen bedoeld.

 

Geraadpleegde literatuur

Catalogus

[Catalogus] Alkmaarse stadslibrije. [Alkmaar: RAA,] juli 2006.

Diepen

Diepen, A. van. ‘Jacob de Meester (? – 1612); een opmerkelijk drukker’. In: De zeventiende eeuw 6 (1990), nr. 1, p.117-121.

Frijhoff

Frijhoff, W. en M. Spies, m.m.v. W. van Bunge e.a. 1650. Bevochten eendracht. Den Haag: Sdu uitgevers, [1999].

Nederlandse cultuur in Europese context.

Gelder

Gelder, H.E. van. Alkmaarse opstellen. [Alkmaar]: Vereniging Oud Alkmaar, [1960].

Hoftijzer

Hoftijzer, P.G. en O.S. Lankhorst. Drukkers, boekverkopers en lezers in de Republiek. Een historiografische en bibliografische handleiding. 2e, herz. en verm. dr. Den Haag: Sdu Uitgevers, [2000].

Meinsma

Meinsma, K.O. Middeleeuwsche bibliotheken. Zutphen : Meinsma, 1903. 

Nauwelaerts

Nauwelaerts, M.A. ‘Het secundair onderwijs’. in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden. O.r.v. D.P. Blok, W. Prevenier, D.J. Roorda e.a.;.7. Haarlem: Fibula-Van Dishoeck, [1980], p. 277-288.

Pleij

Pleij, H. ‘Lezende leken, of: lezen leken wel? Tekst, drukpers en lezersgedrag tussen middeleeuwen en moderne tijd’. In: Bladeren in andermans hoofd : over lezers en leescultuur. O.r.v. T. Bijvoet, P. Koopman, L. Kuitert, e.a. Nijmegen : SUN, 1996, p. 50-66.

Plenckers

Plenckers-Keyser, G.I. 'Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992'. In: Archivaria, jrg. 5 (1992), nr. 1/2, p. 19-25, ill. - Met lit. opg.

Rombach

Rombach, J.H. 'Tien eeuwen Alkmaar, de Alkmaarders en hun culturele leven'. Zwolle : Waanders ; Alkmaar : Gemeentearchief, 1988. In: Ach lieve tijd: tien eeuwen Alkmaar en de Alkmaarders; 7. p. 151-170.

Schneiders 1985

Schneiders, P. Papieren geheugen : boek en schrift in de westerse wereld. 
[Weesp] : Fibula-Van Dishoeck, 1985. 

Schneiders 1997

Schneiders, P. Nederlandse bibliotheekgeschiedenis: van librije tot virtuele 
bibliotheek. Den Haag: NBLC, 1997. 

Stipriaan

Stipriaan, R. van. Het volle leven : Nederlandse literatuur en cultuur ten tijde van de Republiek (circa 1550-1800). Amsterdam : Prometheus, 2002.

h1 De letteren en de Republiek. p.11-65

h2 Schrijvers en drukkers. p.66-123

h5 Lezers en verzamelaars. p.236-270.

WNT

Woordenboek der Nederlandsche Taal op cd-rom. z.p.: AND Publishers, 1999.

Woude

Woude, A.M. van der. ‘De alfabetisering’. in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden. O.r.v. D.P. Blok, W. Prevenier, D.J. Roorda e.a.;.7. Haarlem: Fibula-Van Dishoeck, [1980], p. 257-264.

 

 

 

Noten:


 

[1] Alkmaar, RAA, DTB 38. Het Memoriaelboek bevat de oudste, zij het uiterst summiere vermelding van de lib rije. Het vermeldt het orgel ‘grenzend aan de librije’, in 1545.

[2] Plenckers, p. 263.

[3] Schneiders 1997, p. 97-98. Zie ook Bruinvis, p.VI.

[4] WNT. Plenckers, p. 266 vertaalt ‘ghesint’ ook als ‘kennisniveau’, wat niet ondersteund wordt door het WNT. Met ‘gemeente’ werd de derde stand ofwel burgerij bedoeld.

[5] Hoftijzer, p. 161-163.

[6] Stipriaan, p. 240.

[7] Woude, p. 257.

[8] Woude, p. 264. Hij definieert alfabetisme als het vermogen het alfabet zowel actief als passief te gebruiken.

[9] Frijhoff, p. 237.

[10] Stipriaan, p. 38-40.

[11] Er is geen onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid van de librije in Alkmaar. Het onderzoek in ditzelfde kader van Mea Caspel naar de sleutelrechten kan hieromtrent meer duidelijkheid verschaffen.

[12] Hoftijzer, p. 163.

[13] Stipriaan, p. 245-252.

[14] Stipriaan, p. 257-260.

[15] Pleij, p. 54-55.

[16] Stipriaan, p. 236-240.

[17] Schneiders 1985, p. 81.

[18] Stipriaan, p. 240-242.

[19] Stipriaan, p. 252-254.

[20] Schneiders 1997, p.70-75.

[21] Schneiders 1985, p. 78-81.

[22] Schneiders 1997, p. 62-70.

[23] Plenckers, p. 267-268.

[24] Alkmaar, RAA, DTB 38, Memoriaelboek.

[25] Meinsma, p. 78-106.

[26] Plenckers, p. 270-272.

[27] Schneiders 1997, p. 11-12.

[28] Frijhoff, p. 239-247.

[29] Nauwelaerts, p. 277-288.

[30] Frijhoff, p. 246.

[31] Nauwelaerts, p. 277-288.

[32] Catalogus, 133 A 1. Onder deze signatuur bezit de librije wel de verzamelde werken van Cicero.

[33] Catalogus.

[34] Gelder, p. 9-12, 29-41.

[35] Rombach, p. 153-155.

[36] Diepen, p. 117-119.

 

 

 

 

Het boek als materieel en cultureel object

Dr. P.J. Verkruijsse

Boekwetenschap en handschriftenkunde

Universiteit van Amsterdam

januari 2007

J.M.M. van der Zwet

5643856

J.M.M.vanderZwet@student.uva.nl