Elsbeth Littink

 

 

Zoektocht naar de oorsprong van de librije van Alkmaar

 

 

 

Inhoud

 

Inleiding                                                         

1. Librije                                                        

2. Alkmaarse librije                                        

            2.1 Het ontstaan                               

            2.2 Plaatsing in de kerk                    

Conclusie                                                       

Bijlage                                                           

Bibliografie                                                     

 

 

Inleiding

In het Regionaal Archief van Alkmaar bevindt zich een statische collectie boeken bekend onder de naam de Stadslibrije van Alkmaar. Een op het eerste gezicht rijke collectie bestaande uit hoofdzakelijk folianten. Er is nog geen grootschalig onderzoek gedaan naar deze collectie. Uit de spaarzame vermeldingen[1] blijkt dat er veel onzekerheid bestaat over de Alkmaarse librije. Onder leiding van dr. P. Verkruijsse is een groep studenten van de Universiteit van Amsterdam begonnen met het project De Alkmaarse librije – inventarisatie en beschrijving van de collectie. Met nadruk op begonnen, want gedurende de inventarisatie bleek de collectie complexer dan verwacht. Op zoek naar antwoorden op de verschillende vragen rezen er vele nieuwe raadsels op. Helaas kon het regionaal archief van Alkmaar ook weinig archivalische en/ of secundaire informatie bieden. Spaarzame informatie over een zeer complexe boekencollectie.

Daarom beginnen bij het begin; het ontstaan van de Alkmaarse librije. In deze nota zal het ontstaan van de Alkmaarse librije centraal staan. Wanneer is de librije van Alkmaar ontstaan? Waar bevond de librije zich? Wie nam het initiatief tot het stichten van een librije? Hoe zag het interieur van de librije eruit? Omdat alle studenten over een onderwerp een nota zullen schrijven, kan het voorkomen dat er overlap aan informatie plaatsvindt. Ik zal een poging doen mij strikt aan de eerste jaren van de librije te houden.

 

Hiervoor zullen we allereerst een duik nemen in de geschiedenis van de librije in het algemeen. Omdat veel concrete gegevens over Alkmaar ontbreken, zal de librije, zover als onderzocht door de studenten, en de summiere informatie die ons wel ter beschikking staat, vergeleken moeten worden met librijen elders in het land die overeen lijken te komen. Gecombineerd met archivalische gegevens en informatie over Alkmaar niet specifiek over de librije, zal een eventuele constructie van het ontstaan van deze librije gemaakt worden. Weliswaar eventueel, want zoals zal blijken, blijft de Alkmaarse librije mysterieus.

 

 

1.   Librije

Allereerst de term ‘librije’. De aanduiding librije is afkomstig van het Latijnse mannelijke woord voor boekhandelaar of boekverkoper namelijk librarius. De Latijnse term is via het Frans in de Nederlandse taal geslopen. Het woord in het Frans waar het hierom draait is librairie. Naast de betekenis boekhandelaar en boekwinkel duidt dit woord in het Frans ook bibliotheek en boekencollectie aan. Opmerkelijk is dat de term in het Latijn een mannelijk woord was terwijl librairie vrouwelijk is. Dat de term via het Frans in onze taal is gekomen is niet vreemd, omdat juist Frankische zendelingen in ons land in het begin van de 10e eeuw het christendom predikten. De allereerste boekenverzamelingen waren daarom vooral van religieuze aard. In het Nederlands betekent librije boekenverzameling, kloosterboekerij of stadsboekerij.

De allereerste boekenverzameling binnen onze grenzen behoorde toe aan Bonefacius[2]. Dit was echter een privéverzameling. De allereerste ‘librije’ op Nederlandse bodem was in de Benedictijner Abdij in Egmond, rond 950[3]. Weliswaar was pas ten tijde van Bonefacius sprake van de eerste boekenverzameling binnen onze grenzen, het verzamelen van boeken bestond al zeker in de Oudheid[4]. Ons woord ‘bibliotheek’ is afgeleid van het Griekse woord voor boek βιβλίον. In de Oudheid was ‘bibliotheek’ echter een veel ruimer begrip dan dat wij nu hanteren. Een bibliotheek was een bewaarplek of gebouw voor boeken. Dat konden privé-huizen, koninklijke gebouwen maar ook gebouwen met een sacrale functie zijn. Al vanaf de 6e eeuw voor Christus zijn bibliotheken bekend in de Griekse wereld zoals in Alexandrië, het Serapeion en in Pergamum. In de laatklassieke tijd, aan het einde van de 4e eeuw voor Christus, zien we ook boeken in scholen verschijnen. Er is archeologisch gezien echter geen specifieke ruimte voor te traceren. In scholen zien we pas in het Lykeion van Aristoteles voor het eerst een systematische bibliotheek[5].

Wanneer de Romeinen aan hun expansie beginnen en zij in contact komen met de Grieken nemen zij veel van deze ‘geleerde’ Grieken over. Maar op een andere manier. De eerste boeken in Italië bevinden zich namelijk in privébezit[6]. Pas later is sprake van publieke bibliotheken die vaak gerelateerd zijn aan het bouwprogramma van de heersende keizer. De Romeinse bibliotheken verschillen in vorm, formaat en inhoud. Hier is al sprake van het gebruik van boekenkasten, armaria. Deze term zal nog lang gebruikt worden. Tot laat in de Oudheid bleven boeken en bibliotheken een rol spelen in het leven.

Aan het begin van de Middeleeuwen, als het kloosterleven in beeld komt, spelen Cassiodorus (circa 485-circa 580) en Benedictus van Nursia (480-547) een rol[7]. Cassiodorus kwam uit een aanzienlijke Romeinse familie en had kennis genomen van de klassieke teksten. In die tijd speelde het klassieke gedachtegoed een belangrijke rol. Zowel Cassiodorus als Benedictus stichtte een klooster waarin het een regel was dat geestelijke én wereldlijke (versta klassieke) teksten gelezen werden. Verschillende kloosters werden in de 10e eeuw in Europa volgens de regel van Benedictus gesticht. Teksten en boeken speelden daarbinnen een heel grote rol. Maar over het specifiek stichten van een bibliotheek spreken de regels van Benedictus niet.

Toch behoorde de schriftcultuur – het lezen en schrijven –  in deze tijd tot het domein van het klooster[8]. Ora et Labora vormden de basis van het monastieke leven[9]. Kloosterscriptoria en kloosterbibliotheken waren er om Gods woord te verspreiden. Hierom waren de boeken vooral liturgisch van aard. Ze werden gebruikt voor de eredienst. Daarnaast waren er ook devote werken voor monnikenlezers. Naast het klooster waren er kerkelijke boekverzamelingen. De één omvangrijker dan de ander. Elke kerk, ook de kleinste, had verschillende liturgische werken in zijn bezit[10]. Deze teksten waren van groot formaat, op perkament en met een stevige band. Meinsma[11] uit het vermoeden dat waarschijnlijk al in de 13e eeuw, maar zeker in de 14e eeuw, verschillende kerken een flinke boekenvoorraad bezaten.

 

1. Klooster te Egmond

 

Hoe kwamen kerken en kloosters aan boeken? Belangrijk zijn vooral de aanzienlijke begunstigers die boeken schonken aan de kerk of het klooster[12]. Daarbij waren legaten ook van belang. Dit is waarschijnlijk ook één van de redenen waarom het boekenbezit van een kerk of klooster vaak uit meer bestaat dan louter liturgisch of godsdienstig werk. De schenkingen bevatten vaak ook juridische teksten of werken van klassieke auteurs. Daarnaast was één van de belangrijkste bezigheden van monniken het afschrijven van boeken. Waarvan vele exemplaren voor eigen gebruik of in klooster en/ of kerk werden gebruikt.

Aan het einde van de Middeleeuwen ging de kerk- en kloosterbibliotheek een grillige periode tegemoet[13]. De opkomst van steden en handel in de late Middeleeuwen was een bedreiging voor de positie van de kerk en het kloosters wat betreft het schrift. In de jonge steden woonden zelfbewuste burgers die mee wilden tellen. Zij vonden het kunnen lezen, schrijven en rekenen belangrijk. Voor het boek had dit tot gevolg dat de monopolypositie op het schrift van de geestelijkheid verloren ging. De opkomende stedelijke cultuur in de kathedraalbibliotheken, in lees- en schrijfactiviteiten op prille universiteiten, in het ontstaan van stadsschooltjes en in de opkomst van lekenateliers is van invloed geweest op de wereld van het boek[14].

Maar ook met de komst van de boekdrukkunst in de 15e eeuw veranderde veel. De scribale periode in de kloosters ging al snel ten onder toen in 1473 het eerste gedrukte boek in de noordelijke Nederlanden in Utrecht verscheen[15]. Het gedrukte boek stond nu centraal en monniken waren niet meer hard nodig voor het afschrijven van teksten. Voor de middeleeuwse bibliotheek had dit ook grote gevolgen. De boekdrukkunst leidde tot fundamenteel nieuwe aandachtspunten op het functioneren van de bibliotheek[16].

Daarnaast maakten de Nederlanden in de 16e en 17e eeuw een periode door waarin ze zich ontwikkelden tot een handelsmacht van formaat. Het epicentrum lag vanaf de laatste kwart van de 16e eeuw in Holland. De centrale rol van het gewest Holland in dit welvarende economische leven kan niet los gezien worden van het culturele leven. Hierin moeten we dan ook de tanende rol van het geestelijke leven zien. Door de toename van welvaart, kennis en alles wat toen met economische groei gepaard ging, konden de personen die een centrale rol speelden in deze ontwikkeling zich meer ontplooien en manifesteren. Elke stad van enig statuur had een Latijnse school en een stadsbibliotheek. Met behulp waarvan uitgevers, boekverkopers, humanistische geleerden, dichters, theologen en geschiedschrijvers zich konden ontplooien en verrijken.

Boeken waren voor de geestelijke wereld van belang wegens hun rol in de religieuze beleving. Deze belangrijke rol bleven zij houden, weliswaar met een andere nadruk. Boeken waren een teken van geleerdheid en van maatschappelijk aanzien en bleven onlosmakelijk verbonden met het religieuze leven. Zij speelden ook een rol in scholen. Bijna elke stad had een Latijnse school[17]. Deze hadden vaak zelf een kleine boekencollectie, maar de rector en zijn leerlingen maakten ook gebruik van de stadsbibliotheek. Ook handelaren hadden het schrift nodig.  Niet de oude kloosterboeken maar meer wetenschappelijke boeken waren nu van grote waarde.

Een cruciale rol binnen deze omslag van religieus naar meer wereldse literatuur heeft de Reformatie gespeeld. Volgens Meinsma en Schneiders moeten we in deze context ook het ontstaan van stadsbibliotheken zien.[18] De stadsbibliotheken ontstonden ten tijde van de Reformatie uit de confiscatie van bestaande klooster- of kerkbibliotheken. Veel boeken uit het oude bestand zullen verloren zijn gegaan met de Beeldenstorm in 1566 of op het moment dat een stad in opstand kwam, zoals Alkmaar in 1572. De religieuze gebouwen kwamen na de opstand in handen van de stad. Waar het protestantisme zegevierde, vond confiscatie van kerkelijk en kloosterbezit plaats[19]. Grote getalen handschriften en gedrukte boeken kwamen zo in het bezit van de overheid. In de noordelijke Nederlanden was het vooral de stedelijke autoriteit die de onteigening uitvoerde. Wegens de kostbaarheid, het belang van boeken én de kennis die het bezat, werden de boeken aan het stadsbestuur ‘geschonken’ en na enige tijd werd vanuit die boeken een basis gevormd voor een stadsbibliotheek[20]. 

Toch  moeten hier wel enkele kanttekeningen bij geplaatst worden. Eén[21] is dat er vaak maar enkele boeken uit het oude bestand in de nieuwe stadsbibliotheek kwamen. De stadsbibliotheken laten vooral een ‘modern’ boekenbestand zien. Daarnaast vormen ook enkele stadsbibliotheken een uitzondering op deze bewering. Zo blijkt dat in Deventer[22] de basis niet door boeken van kerk of klooster te zijn gevormd, maar door de koop van het boekbezit van Phoconius. Door deze aankoop wilde het katholieke bestuur van Deventer de geestelijken de mogelijkheid bieden tot studie om beter bestand te zijn tegen de  Reformatie. Een ander voorbeeld is Enkhuizen[23]. Enige discussie is gaande over de precieze stichting, maar zeker is dat de kern bestaat uit een laat-16e-eeuws legaat.

Eén van de redenen van het stadsbestuur[24] om een librije te stichten was waarschijnlijk dat het als middel kon dienen om calvinisering te bevorderen[25]. Hierom werden de predikanten nogal eens belast met de inrichting en het beheer van de librijen. Hierbij vielen katholieke handschriften soms ten offer aan het boekbindersmes om versneden te worden tot bindmiddel voor de ruggen van nieuwe boeken. Maar de stichting van de librije kon ook zijn om juist de geestelijken te wapenen tegen de nieuwe ketterse gedachten, zoals in Deventer het geval was[26]. Religieuze redenen die waarschijnlijk ook voor Alkmaar gespeeld kunnen hebben. Aantoonbaar bewijs ontbreekt. Zoals zal blijken, kunnen we niet meer dan een vermoeden uitspreken dat Alkmaar waarschijnlijk binnen deze trant past. Een andere reden voor de stichting moet men ook zoeken in het licht van de hogere graad van verstedelijking, alfabetisering én de centrale positie van de Nederlanden in het internationale boekenverkeer[27].

Hoe moeten we ons deze stedelijke bibliotheken voorstellen? Termen als ‘openbaar’ en ‘publiekelijk’ in onze betekenis zijn niet toepasbaar op de stedelijke bibliotheken[28]. Vaak was er sprake van een beperkt aantal mensen dat toestemming had, bijvoorbeeld door het bezit van het sleutelrecht[29]. Meestal waren dit liefhebbers van de wetenschap, zoals advocaten, predikanten, de rector van de Latijnse school. Dit is weerspiegeld in de categorieën die veel stedelijke bibliotheken bezaten: bijbeluitgaven, bijbelcommentaren, liturgische werken, werken van kerkvaders, en niet-religieus werk zoals historische, klassieke, grammaticale en juridische werken. Overigens wat betreft inhoud leken de stedelijke bibliotheken sterk op de bibliotheken verbonden aan een universiteit[30]. Het gaat hier te ver om in te gaan op de inhoudelijke kant van de librijen. Systematisch onderzoek naar de inhoud is vaak per stadsbibliotheek wel gedaan[31]. Het lijkt erop dat het inhoudelijk gezien veelal om ‘moderne’ literatuur van die tijd gaat. De inhoud van de boekencollectie van bijvoorbeeld Haarlem weerspiegelt in sterke mate de tijdgeest. Elders is dit waarschijnlijk ook het geval. Een systematische vergelijking tussen de collecties is nooit gedaan.

Vaak bevond de stedelijke boekerij zich in een afgeschermd deel in de kerk[32]. Dat de librije onlosmakelijk verbonden was met de religieuze instelling zien we ook aan het feit dat de beheerders van de ruimte, dus fysiek van de librije, bijna altijd predikanten en/of ouderlingen waren[33]. Deze ‘librijenmeesters’ werden door het stadsbestuur aangesteld. Een professionele bibliothecaris was er niet, soms was de koster opziener, elders waren het de liberijemeesters. In Gouda kwam rond 1620 zelfs een apart college van librijenmeesters bestaande uit een magistraatlid, iemand namens de gereformeerde kerk en een lid van de scholasterie[34].

Er was veelal geen sprake van een budget of van een systematische aanschaf van nieuwe literatuur[35]. Veel werd vergaard via schenking of legaat. Een enkele keer werden boeken verkocht om naar een veiling te gaan en nieuwe boeken te kopen. Het is maar de vraag of er sprake was van een jaarlijkse toename. Veelal was het een statische collectie met geen geregelde nieuwe aanwas. Wat betreft de omvang van de collectie kunnen we zeggen dat die enigszins verschilt. Amsterdam bestond omstreeks 1610 uit circa 1400 gedrukte boeken en 16 handschriften, terwijl Haarlem nog geen 882 gedrukte boeken haalde en 26 handschriften. Dat het nog kleiner kan, kunnen we afleiden uit het boekbezit van de Alkmaarse librije, dit waren er ‘maar’ 360. De librije in de St. Janskerk in Gouda had wel te maken met een jaarlijks vastgesteld bedrag voor de aankoop van boeken[36]. Een librije was eerder gericht op behoud dan op groei. Belangrijker was dat de stadsbibliotheken literaire musea waren, een prestigeobject dat de stad aanzien gaf. Dientengevolge vinden we in stadsbibliotheken niet alleen boeken, maar ook globes, wetenschappelijke instrumenten en opgezette dieren[37].

Voordat we ons op de boekenverzameling in Alkmaar storten, wil ik eerst nog een belangrijk onderscheid maken. Weliswaar viel het doek voor de middeleeuwse librijen na de Reformatie, toch toont de nieuwe situatie van daarna overeenkomsten met de voorgaande traditie. Het meest treffende voorbeeld is de Zutphense librije[38]. Nu ontstonden in  de tijd na de Reformatie universitaire én stedelijke bibliotheken (in de beginjaren werd het soms ook een kerkelijke bibliotheek genoemd). Maar het onderscheid was allerminst duidelijk. Zo was de Utrechtse librije in beginsel een stedelijke totdat deze tot academische bibliotheek werd gepromoveerd[39]. Amsterdam begon ook als stedelijke bibliotheek, maar werd laten ‘ingevoegd’ bij de wetenschappelijke bibliotheek. Anders dan in Leiden waar een bibliotheek werd opgebouwd na de stichting van de universiteit[40]. De librije in Alkmaar is echter nooit verbonden geweest aan een universiteit[41]. Misschien een reden voor het minimale onderzoek dat ernaar verricht is. Opmerkelijk is namelijk dat de librijen verbonden aan een universiteit of een persoonlijke relatie, zoals het geval bij Meinsma in Zutphen, in het verleden wel object van onderzoek zijn geweest.

 


2.   Alkmaarse Librije

 

2.1 Het ontstaan

Moderne wetenschappers[42] noemen als eerste vermelding[43] van de Alkmaarse librije de gegevens uit de Stadskroniek van 1630.

 

1594, Werde de Stads Bibliotheca ofte Librije, die door den troubel geheel vervallen was, op haer oude plaetse aen ’t suyden van de Groote Kercke weder opgericht ende met vele heerlijcke boecken van verscheyden materie versien ende vermeerdert, tot grooten gherief van die burgerije ende studenten.

 

In 1645 voegt C. van der Woude hier nog aan toe dat het gaat om 360 boeken en;

 

 Excellente fraye gebonden boecken: meest in ’t Latyn, al te samen aen kettingen vast gesloten.

 

Plenckers-Keyser en Streefkerk[44] concluderen hieruit dat de Alkmaarse librije voor 1594 bestaan moet hebben, hij is namelijk ‘weder opgericht’. Zij vermelden dat niet bekend is hoe lang de librije al bestond. Zij vertellen tevens in hun artikel dat in 1578 de rector van de Latijnse school,  Popco Elema, een driedelige Latijnse thesaurus schenkt aan de stadsbibliotheek. Uit het artikel is af te leiden dat de Alkmaarse librije bestaan moet hebben voor 1578.

Maar er valt een nog eerdere post quem- datering te geven. Tijdens het onderzoek in het gemeentearchief is namelijk gebleken dat er een archiefstuk bewaard is uit 1545 waarin de librije vermeld wordt. Het gaat om een vermelding van de Librije in het Memoriaal van Kerkmeesters (DTB 38) van het Regionaal Archief Alkmaar. Hierin lezen we over het orgel ‘grenzend aan de Librije’. Vele archiefstukken zijn uitgeplozen, van stadsrekeningen tot het de inventaris van kloosters, maar er is geen eerdere vermelding dan deze vermelding uit 1545 gevonden. Hieruit kunnen we slechts concluderen dat de Librije in Alkmaar bestaan moet hebben voor 1545 en dat hij zich bevond in de Grote Kerk.

           

Allereerst de Grote Kerk. Tot de bouw van de Grote Kerk werd besloten nadat van de voorgaande kerk, de Laurenskerk, de toren instortte op 29 oktober 1468[45]. In 1470 wordt de bouw van de Grote of Sint Laurenskerk begonnen . De twee oude kerken worden afgebroken en er komt dus één kerk voor terug. In 1508 breekt vervolgens brand uit in de in aanbouw zijnde kerk. Hierbij worden twee orgels en ‘de schuit’ verwoest, maar de nieuwbouw blijft wonder boven wonder gespaard. Een interessant zijspoor is dat veel informatie over Alkmaar tot 1508, vooral over de Grote Kerk, afkomstig is uit de codex ‘Chronice Hollandie Zeelandie Frisie et terre Traienctentis’, geschreven door de Haarlemse karmeliet Jan van Leiden. Een boek dat een tijd uit het bezit van de Alkmaarse librije is geweest. Waarschijnlijk is het verdwenen tijdens de Beeldenstorm en het Alkmaars Beleg en uiteindelijk via een schenking weer in handen van Alkmaar gekomen [46].

Puur speculatief zouden we hieruit kunnen opmaken dat de Librije niet voor 1508 aanwezig is geweest in de Grote Kerk. De allereerste vermelding van de Librije uit 1545 maakt duidelijk dat deze zich naast het orgel bevindt. Wanneer de twee orgels en ‘de schuit’ door brand verwoest zijn, is het naar mijn mening waarschijnlijk dat als daar een boekenverzameling gehuisvestigd zou zijn, deze ook door de brand was verwoest. Het is eventueel mogelijk dat de librije, als deze wel aanwezig was, niet genoemd werd. Maar dit lijkt mij onwaarschijnlijk omdat de aanduiding twee orgels en ‘de schuit’ vrij gedetailleerd is, als er een boekenverzameling aanwezig was, dan zou deze wel genoemd worden. Zeker omdat een boek in die tijd een kostbaar bezit was en met in ons achterhoofd het gegeven dat het vaak een prestigeobject was. Maar de librije kan ook op een andere plaats gestaan hebben tijdens de brand. Dus zeker weten is hier niet aan de orde.

Al in de 14e eeuw was Alkmaar een bloeiende stad[47]. Kooplieden, overal vandaan, bezochten de Alkmaarse jaarmarkten, die in aantal steeds toenamen. In de 15e eeuw zette op economisch gebied de voorspoed door. Urbanisatie, handel en nijverheid namen toe. Maar er was ook een keerzijde. Er ontstonden scherpe politieke en economische tegenstellingen tussen rijke burgers en kleine handwerkslieden. Er ontstond een sociale onrust, die tot uiting kwam in een reeks conflicten, de Hoekse en Kabeljauwse twisten, die van oorsprong een adelsvete waren.

Toch hebben deze twisten op cultureel en religieus vlak niet gezorgd voor een neergang. Aan het einde van de 14e eeuw en het begin van de 15e eeuw werd in Alkmaar een zestal kloosters gesticht[48]. De aller-oudste kloosters waren gemeenschappen van vrouwen die onder invloed van Geert Grote (1340-1384) in groepjes bij elkaar gingen wonen. Deze beweging onder invloed van Geert Grote wordt de Moderne Devotie genoemd[49]. De oorsprong van deze beweging lag in Deventer, maar verspreidde zich snel verder. In verschillende steden vond men vijf of zes huizen van de Moderne Devotie. Hier volgden hoofdzakelijk leken een simpel en spiritueel leven. Een belangrijke bron van inkomsten was het kopiëren van boeken. Ik wil hier niet verder uitweiden over de rol van boeken binnen deze beweging. Het belangrijkste is te constateren dat er in Alkmaar kloosters waren waarin het boek een centrale rol speelde.

In Alkmaar werden tussen 1394 en 1444 vier van dergelijke gemeenschappen gesticht; het Oude Hof of Catharinaklooster, het Middelhof of ook wel St. Salvatorklooster, het Jonge Hof of H. Maria van Nazarethklooster en het Jonge Hof of St. Annaklooster of St. Maria Magdaleneklooster. Een eigen plaats nam het in 1505 gestichte Clarissenklooster in, een vrouwenklooster in de streng beschouwelijke orde van de arme Klaren. Het enige mannenklooster was het in 1448 gestichte Minderbroedersklooster.

 

2. Kloosters in Alkmaar

 

Binnen deze kloosters speelden boeken een belangrijke rol[50]. Bijna elk klooster bezat meerdere boeken die van belang waren voor het uitoefenen van de religieuze activiteiten. Zowel het bezit van boeken als het zelf (af)schrijven van teksten waren eerder regel dan uitzondering in de kloosters. Veel kloosters bezaten dan ook een ‘librie’, een bibliotheek. Waarschijnlijk hadden ook de kloosters in Alkmaar boeken in hun bezit. Helaas zijn wij genoodzaakt om het bij een vermoeden te houden. Van de archieven van deze kloosters[51] is echter weinig tot niets bewaard gebleven. Hierin is tot op heden geen vermelding van boeken in het algemeen of specifiek over de librije gevonden. De enige vermelding over boeken in combinatie met het kloosters dateert uit de periode rond het beleg van Alkmaar. Het gaat om de vermelding van de afzetting van de pater Maerten Jacobsz. Formerius van het Jonge Hof in Alkmaar op 18 september 1568[52]. Hij zou namelijk in het bezit zijn geweest van verboden boeken en geweigerd hebben de boeken en de sleutels van het kloosters in te leveren op het stadhuis. Helaas wordt hier alleen gesproken over het bezit van privéboeken.

Naast de kloosters heeft ook de aanwezigheid van de Latijnse school gezorgd voor een bloeiend cultureel leven[53]. Vanaf ongeveer 1513, onder het rectoraat van Murmellius, beleefde de Latijnse School[54] een enorme bloei. Daar kwam abrupt een einde aan met de overval en plundering door Gelderse Friezen. Daarna was er wel enig herstel, maar de school zou nooit meer zo groot worden. In die tijd was er sprake van een nauwe band tussen de Latijnse school en de kerkelijke en stedelijke overheid. Zo werd de rector vaak benoemd door de stadsregering en heeft hij vaak ook kerkelijke functies te vervullen.

Vaak had de Latijnse school wel een eigen schoolbibliotheek. Een grote rol speelde hierin de rector van de school. Daarnaast komt het feit dat in Almaar veel vooraanstaande humanisten, zoals Murmellius, Nannius, Laurens Zas en Piet van Meerhout aan de school verbonden waren[55]. Een eventueel indirect bewijs voor de belangrijkheid van een stadslibrije voor de Latijnse school kunnen we afleiden uit gegevens over Piet van Meerhout. Rond 1557 of 1559 was deze humanist als docent aan de Alkmaarse school verbonden. In 1578 vertrok hij uit Alkmaar om de eerste bibliothecaris van de stedelijke librije van Amsterdam te worden[56]. Heeft deze Pieter van Meerhout ook de Alkmaarse librije beheerd? Was Murmellius tijdens de bloei van de Alkmaarse Latijnse school de oprichter van de librije, als bron voor zijn onderwijs? Veel vragen, waar men tot nu toe alleen vermoedens over kan uitspreken.

In deze tijd bestond er dus in Alkmaar een intellectuele kring. Naast het klooster en de Latijnse school is dit ook te zien aan het feit dat in 1515 de eerste drukker zich in Alkmaar vestigde: Jacob van Deventer[57]. Maar er bestond ook een soort netwerk van vooraanstaande burgers uit de stad Alkmaar. Zo is bekend dat de koopman Guillaume Mostaert zelf een grote bibliotheek bezat. Alles bij elkaar genomen kunnen we constateren dat eind 14e begin 15e eeuw Alkmaar genoeg sociale, economische en culturele grond bezat voor de stichting van een stedelijke librije. Er is geen bewijs voor een precieze datum voor de oprichting. De aanwezigheid van de kloosters kan een rol gespeeld hebben. Maar veelal speelde het boekbezit van de kloosters pas een rol na de Reformatie. Van Alkmaar is wel degelijk vast te stellen dat er al een Librije was voor de Reformatie. De Latijnse school zou de stichting van de librije een stimulans hebben kunnen geven, maar tot nog toe is daar geen bewijs voor. Dat een kerk zelf boeken bezat was niet vreemd. Dit gebeurde al lang voor de 14e / 15e eeuw. Hoogstwaarschijnlijk is de Alkmaarse librije gesticht vanuit het kerkelijke boekenbezit[58]. Een vermoeden dat nog niet hard te maken is.

Ondanks het gegeven dat we nog geen concreet bewijs hebben voor het bestaan van boeken in de Alkmaarse kloosters, is het waarschijnlijk dat de librije ten tijde van de Reformatie en met name daarna een impuls heeft gekregen. Een aanwijzing hiervoor is de stijging van het boekbezit na 1580. Kwamen de ‘nieuwe’ boeken in de librije uit de Alkmaarse kloosters? Tot nu toe kunnen we niet meer dan een vermoeden uitspreken. Dat na de renovatie in 1594 de Librije via schenkingen en veilingen nieuwe aanwas heeft gekregen, zien we ook in de archieven terug. De precieze gang van zaken rondom de stichting blijft echter in mysterie gehuld. Meer dan vast te stellen dat dit voor 1545 en waarschijnlijk na 1508 was, kunnen we niet.

 

2.2 Plaatsing in de kerk

Zoals eerder vermeld is, was het allerminst opmerkelijk dat een kerk een bepaalde boekencollectie bevatte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat we in de vermelding van de librije in 1630 lezen dat er zich een boekencollectie bevond in de Grote Kerk, en wel aan de zuidzijde. Ook in de plaatsen Enkhuizen, Gouda en Haarlem bevond de Librije zich aan de zuidzijde van de kerk. Waarom juist de zuidzijde is niet duidelijk, misschien speelde de zon een rol. Bekend uit de vermeldingen uit de 17e eeuw is dat het om ruim 300 boeken gaat. Eerst wordt gesproken over 360 boeken[59]. Uit de signatuurlijst van de Alkmaarse Librije van juli 2006 blijkt dat het om 323 nog overgeleverde boekbanden gaat[60].

Denkbaar is dat in de loop der jaren verschillende werken ‘zoek zijn geraakt’. Zo is zelfs een gegeven uit 1943 bekend van een wetenschappelijk ambtenaar van het Gemeentearchief die tien werken uit het archief heeft ontvreemd waaronder enkele uit de Librije[61]. Ook is het zo dat verschillende werken later zijn aangeschaft op veilingen[62] en er boeken aan de Librije zijn geschonken[63]. Maar er zijn ook boeken verkocht. Toch gaat het hier veelal om enkele exemplaren, en bestond het grootste deel van de collectie al.                                            

Hoe moeten we ruim 300 banden voorstellen in een kerk? In de Grote Kerk in Alkmaar is nu nog een ruimte die bekend staat als de ‘librije’. Die bevindt zich op de tweede verdieping en heeft ongeveer de afmetingen van 5 bij 10 meter. Hoe heeft de Alkmaarse boekencollectie van ongeveer 300 banden hier gestaan? Allereerst moet vermeld worden dat de Alkmaarse Librije een kettingbibliotheek was[64]. Op vele boekbanden zijn kettinggaten te vinden en sommige bevatten zelfs nog de originele spijkers en klampen. Door de restauratie van verschillende banden kunnen we het aantal boeken met kettingen niet meer nagaan en kunnen we niet precies de datum vaststellen wanneer welke boeken in de Librije zijn gekomen.

Meinsma[65] vermeldt dat zowel voor klooster als kerk gold dat boeken met ijzeren of koperen ketens bevestigd werden aan een roede van hetzelfde metaal, die werden boven of onderaan een lessenaar geplaatst.

 

3. Stang, oog, wervel en deel van een ketting in de Librije te Zutphen

 

Wanneer ze aan de bovenkant bevestigd werden dan werden de ketens met een ‘oor’ van ijzer, koper of zink bevestigd aan de bovenkant van het rechter bandblad. Als het aan de onderkant was, gebeurde het op dezelfde wijze aan de onderkant van het bedoelde blad. Het andere uiteinde van de keten droeg een oog of ring die aan de roede geschoven werd. Als alle boeken, die aan weerszijden van de lectrijn werden gelegd, aan de stang bevestigd waren, dan werd met behulp van een slot en sleutel de stang aan de lessenaar vastgemaakt. Dit met het oog op stelen. Overigens was dit idee niet afkomstig uit de 14e of 15e eeuw. Meinsma[66] merkt op dat het in kerken waarschijnlijk al veel vroeger gebruikelijk was.

 

4. Lectrijn in de St. Walburgskerk te Zutphen

 

Gebruikelijk was een lange, dubbele lessenaar, met steil oplopende zijden.

 

5.Lectrijn te Cesena

 

Men kan dan in zittende houding een boek die op de lessenaar ligt in zijn geheel bestuderen. In Nederland is bekend dat deze lessenaars in de Latijnse School in Edam hebben gestaan en in de Librije van de St. Walburgskerk in Zutphen[67]. Het is voorspelbaar dat ook elders in Nederland, en dus ook in Alkmaar, deze lessenaars in librijen dienden. Al snel kwam ook de enkele lessenaar met bijbehorende bank in gebruik. De plaatsruimte die verloren ging, niet meer een dubbele plek, werd gewonnen door onder de lessenaar een kastje aan te brengen waarin een reeks boeken kon staan. Deze inrichting was alleen mogelijk bij een beperkt aantal boeken. Op elke lessenaar konden immers niet meer dan tien of twaalf boeken en in het kastje daaronder ook niet meer. Maar, de afmetingen geven aan hoe klein het vertrek is, zoveel lessenaars konden nooit in de Grote Kerk in Alkmaar hebben gestaan.

Een meer voor de handliggende situatie is dat in Alkmaar het interieur van de Librije er zo uitzag als later in de Middeleeuwen in kloosters en kerken gangbaar werd wanneer de boeken in aantal toenamen. Het gaat hier om kasten met twee of meer schappen, waarop men de boeken naast elkaar op de plank kon zetten. De boeken konden geketend blijven, de roede bevond zich bijvoorbeeld aan de plank.

 

6. Boekenkast met roede aan plank

 

Zo was er plaats voor een groter aantal boeken. Naar gelang de kasten vrij of tegen de wand stonden, konden één of twee lessenaars geplaats worden aan de zijden van de kast. Een situatie die wij voor Alkmaar kunnen voorstellen. Dat elders in Nederland zich deze situatie voordeed, illustreren de volgende voorbeelden van kettingbibliotheken.

 

7. Lectrijnkast met bank

 

In Amsterdam[68] zien we drie tot vier afdelingen met elk een aantal dubbele lectrijnen met zitbanken aan beide zijden. Hoog boven de hoofden - tussen de zijstukken - was een breed schap. Aan weerszijden stonden boeken, met kettingen vast.

 

8. Amsterdamse stedelijke bibliotheek

 

De Stadsboekkamer van Enkhuizen[69]  bevond zich in de vleugel van de Westerkerk, op de bovenverdieping. De ruimte was 20 voet lang en 16/17 voet breed. Er stonden drie boekenkasten, twee zo opgesteld dat er aan alle kanten omheen was te lopen. De derde tegen de achterwand. De lessenaars bevonden zich aan weerszijden van de vrijstaande kasten en één voor de kast tegen de achterwand. Midden tussen de twee kasten in staat een zitbank. Enige informatie over Deventer, Gouda en Rotterdam is af te leiden uit de catalogi. Hieruit blijkt dat de boeken ook daar geketend waren en er kasten gebruikt werden.

 

9. Boeken met kettingen in Gemeentebibliotheek van Rotterdam

 

Ondanks dat er geen enkele informatie uit catalogi, archivalische en secundaire bronnen te vinden is over het uiterlijk van de Alkmaarse librije, kunnen we aan de hand van informatie over andere librijen wel een beeld vormen. De enige aanwijzing die we hebben is dat Alkmaar hoogstwaarschijnlijk een kettingbibliotheek is geweest. Met een slag om de arm kunnen we vaststellen dat de boeken van de Alkmaarse librijen gestaan hebben in boekenkasten met daarvoor een lessenaar. De boeken waren geketend aan een roede die vast zat aan de boekenkast.

 


Conclusie

Het onderzoek naar de Stadslibrije van Alkmaar heeft weliswaar enkele antwoorden gegeven maar zeker ook vele opgeroepen. Het is een onderzoeksobject waarbij het einde van het onderzoek nog lang niet in zicht is. Nieuwe informatie is wel boven water gekomen, maar zal met een slag om de arm benaderd moeten worden zolang niet elke bron of gegeven is nagekeken. Toch kunnen we zeggen dat we wel vorderingen geboekt hebben. Wat het ontstaan van de librije betreft, kunnen we de post quem- datering iets naar voren halen. In plaats van het dateren van vóór 1594 kunnen we nu met zekerheid vaststellen dat dit vóór 1545 moet zijn geweest. De Stadslibrije is dus waarschijnlijk ouder dan aanvankelijk gedacht.

Speculatief, maar goed om in het achterhoofd te houden, is de ante quem- datering. De verwachting is dat de librije waarschijnlijk pas na 1508 als librije gesticht is. Wanneer er een librije naast het orgel geweest zou zijn dan zal dit vermeld zijn bij de vermelding van de schade van de brand. Anderzijds is het natuurlijk ten zeerste mogelijk dat de librije toen elders in de kerk was gehuisvest.

Dat de librije aan het begin van de 15e eeuw zou zijn ontstaan, is niet vreemd. Alkmaar was op dat moment een zeer welvarende stad. Met een Latijnse school en een intellectuele kring waaraan ook de rector, boekdrukkers en andere personen belangrijk voor het boekwezen deelnamen. Daarnaast was er ook een levendig religieus leven, waarin de Kerk van Alkmaar en de verschillende kloosters belangrijke elementen waren. Dit blijkt ondermeer uit de prikkelingen rond de Reformatie. Het is goed te constateren dat het ten zeerste mogelijk is geweest dat uit deze kloosters boeken geconfisqueerd zijn. Maar net als bij andere librijen is het boekenbestand vooral eigentijds van aard. Het is naar mijn mening ook niet juist om een beeld te hebben van de Alkmaarse librije, ontstaan uit louter het confisqueren van het kloosterbezit. Wat overigens ook chronologisch gezien niet kan omdat er al vermelding van een librije is voordat de Reformatie zijn intrede deed. Hoe moeten we zijn ontstaan dan wel zien?

Dat er een boekenverzameling in een kerk was gehuisvest, was allerminst vreemd in die tijd. Veelal waren dit boeken van liturgische aard ter ondersteuning bij de uitoefening van religieuze activiteiten. Zoals bleek uit het literatuuronderzoek bevond zich in Alkmaar een soort ‘centrum’ van religieuze activiteiten, kerk en klooster waren vlak bij elkaar gehuisvest. Met de komst van meer welvaart, een meer intellectueel niveau en de Latijnse School, waarvan bekend is dat de leerlingen ook gebruik maken van boeken buiten de School, groeide de collectie. Ten tijde van de Reformatie en het confisqueren van de eventuele boeken uit de kloosters zullen ook enkele boeken hieruit in de Stadslibrije zijn gekomen. Dit kunnen nooit veel boeken geweest zijn aangezien in Alkmaar voornamelijk vrouwenkloosters waren en daarvan is bekend dat zij niet zulke grote aantallen boeken bezaten als mannenkloosters.

De Stadslibrije is zeker niet ontstaan na de Reformatie uit confisqueren van boeken uit kloosters of kerk zoals bij andere librijen het geval is. Het is een langzaam groeiende collectie in de Grote Kerk geweest met zijn wortels waarschijnlijk aan het begin van de 15e eeuw.

 

 

Bijlage

 

Stedelijke bibliotheken in Nederland (volgens Schneider 1997)

 

Plaats                         Oprichting                              Bijzonderheden

Alkmaar                      1594                                        1e vermelding uit 1545.

                                                                                  Kerkelijk bezit

Amsterdam                  1578

                                                                                  Confiscatie kerkelijk bezit

Deventer                      1560

Stadsbestuur kocht boekbezit van Johannes Phoconius

Dordrecht                    1606

Oprichting in voormalig kloosterkerk. Aanleiding boeklegaat van Dordts bruger.Opgeheven

Gouda                         1594

                                                                                  Onteigening St. jan

Haarlem                       1596

                                                                                  1596 Vroedschap besluit tot oprichting

Maastricht                   1662

Besluit door stadsbestuur (Luikse en Staatse)

Rotterdam                   1604

Opgeheven. Predikanten en ouderlingen op verzoek bij brugermeesters

 

Toevoeging (scriptie Van Voorst):

Enkhuizen                                                                   1e vermelding van gebruik

1590

Edam

Hoorn

 

 

Kerkelijke librie (Meinsma)

 

Voor 1500

St. Marie in Middelburg

Breda (1401)

Utrecht Buurkerk (1440/1441)

St. Pieterskerk Leiden (7-4-1462)

St. Pancras Leiden (salomo’s tempel) ( 8-7-1380)

Deventer Lebuinuskerk (1414)

Zwolle rector J. Cele overleden 1417 boeken naar Kerk

St. Bravo Haarlem

Oude/ St. Nicolaaskerk Amsterdam (1450)

Maria ten Hove ’s Gravenhage (1457)

St. Marie Utrecht (1476_

Boekerij der Heeren van Veere Slot Sandenburg

 

Eerste vermelding na 1500, aannemelijk wel eerder

St. Nicolaaskerk Kampen (1526)

Martinikerk Groningen

St. Walburgskerk Zutphen

Onze Lieve Vrouwe Kerk Dordrecht (1571)

St. Laurens Rotterdam

St. Joris Amersfoort (1550)

Librije/stadsboekkamer te Hoorn bij/achter de Grote Kerk (1533)

Goudse librije St. Jan (boeken van Roelof Jansz. Van Monnikendam ten grondslag.1545)

St. Maartenskerk Tiel (1545)

Stadsboekkamer Westerkerk Enkhuizen

 

Enkhuizen wordt als uniek gezien. Praktische enige stadsbibliotheek als behuizing en boekenbezit in volledige staat. Meeste boekenbestand overgenomen door archiefdienst of Universiteitsbibliotheek.

 

 

Bibliografie

Abels, P.H.A.M. Duizend jaar Gouda. Een stadsgeschiedenis. Hilversem: Verloren. 2002. Boekbezit. 217-219. De kunst van het verzamelen: de Goudse stadslibrije. 478-483.

 

Ach lieve tijd : tien eeuwen Alkmaar en de Alkmaarders. [Door] M. van der Laan, L. Noordegraaf, G. Valk e.a. Zwolle : Waanders ; Alkmaar : Gemeentearchief. 1987-1988. 16 dln.

 

Alkmaars jaarboekje. [Door] E.H.P. Cordfunke, J.H. Rombach, D.P. van Wigcheren e.a. Alkmaar : Ter Burg, 1965-1974. 10 dln.

 

Baarda, S. ‘De bibliotheek van het gemeentearchief in Alkmaar.’ In: Open 8 (1976). 517-520.

 

Biemans, J.A.A.M. ‘Handschrift en druk in de Nederlanden rond 1500.’ In: H. Pleij en J. Reynaert [red], Geschreven en gedrukt. Boekproductie van handschrift naar druk in de overgang van Middeleeuwen naar moderne tijd. Gent: Academia Press. 2004. 19-46.

 

Blanck, H. Das Buch in der Antike. München: Beck. 1992.

 

Boyd, C.E, Public libraries and literary culture in ancient Rome. Chicago : University of Chicago.1915.

 

Bruinvis, C.W. ‘Het archief van het Sint- Katharina klooster’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 10 (1882).170-210.

 

Bruinvis, C.W. ‘Alkmaar.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 22 (1897). 401-408.

 

Bruinvis, C.W. ‘Het Klooster der H. Maria van Nazareth te Alkmaar.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 18 (1893).1-28.

 

Bruinvis, C.W. ‘Het minderbroeders-klooster te Alkmaar.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 18 (1893).29-47.

 

Bruinvis, C.W. ‘Nog een en ander over het Klooster der H. Maria van Nazareth te Alkmaar.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 20 (1895).308-313.

 

Bruinvis, C.W. ‘Nog eens over het Klooster der H. Maria van Nazareth te Alkmaar.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 27 (1903).118-125.

 

Bruinvis, C.W. ‘Afzetting en vervanging van den pater en de mater van het Jonge Hof te Alkmaar’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 28 (1904). 82-96.

 

Bruinvis, C.W. ‘Maerten Jacobsz. Formerius.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 29 (1905). 326-327.

 

Bruinvis, C.W. ‘Het Middel-Begijnhof te Alkmaar.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 30 (1906). 411-418.

 

Corbellini, S. ‘Sint Catharina, Maria in Nazareth en Sint Salvator. De vroege geschiedenis van de Derde Orde van Sint Franciscus in Alkmaar’ In: Oud Alkmaar jrg. 26 (2002). 19 19-29.

 

Cordfunke, E.H.P. Alkmaar in de prehistorie en middeleeuwen. 10 jaar stadskernonderzoek. Zutphen: De Walburg Pers. 1978. Hoofdstuk X: Alkmaar in de vijftiende eeuw. Hoofdstuk XV: Zo ontstond Alkmaar. Samenvatting.

 

Corte en waerachtige beschrijvinge der stadt Alcmaer, mitsgaders de belegering geschiet in ’t jaer 1573: ende oock vande destructie der oude stadt Vrron. Hoofd-letters tal-dicht, op de belegerde stadt Alckmaer gemaeckt. Alcmaer: Jan. Volckersz. 1630.

 

Diepen, A van. Printen, vercoopen ende coopen. De Alkmaarse boekhandel 1500-1650. Docteraalscriptie Geschiedenis Universiteit van Amsterdan. 1988.

 

Diepen, A. van ‘Thomas Pietersz. Baert. Boekdrukker in de Langestraat’ In: Artistiek en Ambachtelijk. Architectuur, kunsten en nijverheid in Alkmaar 14e-20e eeuw. Hilversum: Verloren. 1993.

 

Fehrle, R. Das Bibliothekswesen im alten Rom. Voraussetzungen, Bedingungen, Anfänge. Breisgau: Universitätsbibliothek Freiburg i. Br. 1986.

 

Fontaine Verwey, H. de la. De Stedelijke Bibliotheek van Amsterdam in de Nieuwe Kerk 1578-1632. Meppel: Krips Repro. 1980.

 

Gelder, H.E. van. Geschiedenis der Latijnsche School te Alkmaar. Eerste gedeelte : De Groote School tot 1572. Alkmaar: N.V. Boek- en Handelsdrukkerij v h HERMs. COSTER & ZOON. 1905

 

Gelder, J.J. de. Bibliographische en wetenschappelijke catalogus der oude bibliotheek van Alkmaar. Alkmaar: Coster, 1868

 

Gumbert, J.P. ‘The Dutch and their books in the fifteenth century.’ In: J.P. Gumbert, The Dutch and their books in the manuscript age. London: The British Library. 1990. 52-79.

 

Jaspers, G. De zestiende eeuw in de Stadsbibliotheek Haarlem. Amsterdam : De Buitenkant, Haarlem : Stadsbibliotheek.1997

 

Klein, J.W.E. ‘Boekgeschiedenis en de uitvinding van de boekdrukkunst, een ‘Gulden legende’.’ In: Geschreven, gedrukt, gedigitaliseerd: elf eeuwen boekcultuur in de LageLanden. Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 6 (1999). 87-103.

 

Meinsma, K.O. De Librye te Zutphen. Ingeleid door drs. B. Loper en Drs. A. J. Geurts. p. 17-64: fotomech. herdr. van p. 198-245 van: K. O. Meinsma. Middeleeuwsche bibliotheken..  Amsterdam : Binger. 1902. Zutphen: Walburg Pers. 1988

 

Meinsma, K.O. Middeleeuwsche Bibliotheken. Amsterdam: Boek-, Kunst- & Handelsdrukkerij voorheen Gebroeders Binger. 1902. Proefschrift Universiteit van Amsterdam.

 

Milkau, F. , G. Leyh en A. Boeckler. Handbuch der Bibliothekswissenschaft2. verm. und verb. Aufl. hrsg. von Georg Leyh. Wiesbaden : Harrassowitz. 1952-1965.

 

Der neue Pauly : Enzyklopädie der Antike. Stuttgart [etc.] : Metzler, 1996-2003. 16 dl.

 

Obbema, P. F. J. ‘De bibliotheken door het boek bedreigd; de weerslag van de opkomst van de typografie in de bibliotheekwereld’ In: Open 16 (1984). 381-390.

 

Obbema, P.F.J. ‘Van schrijven naar drukken’ In: Boeken in Nederland; vijfhonderd jaar schrijven, drukken en uitgeven. Amsterdam : Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen. 1979

 

Plenckers- Keyser, G.I. en C. Streefkerk. ‘De librije van Alkmaar.’ In: Glans en glorie van de Grote Kerk : het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens.[Eindred.:] L. Noordegraaf  Hilversum : Verloren. 1996 (Onderdeel van Alkmaarse historische reeks. 10)

 

Raad, H. de. ‘Het Jonge Hof: lotgevallen van een kloostercomplex.’ In: Oud Alkmaar 23 (1999). 13-23.

 

Raad, H. de. ‘Alkmaarse kloostergebouwen en hun lotgevallen’ In: Geloven in Alkmaar. Alkmaar, 2005.

 

Rijkenberg, E.H. ‘Voor Alkmaar’s kerkelijke geschiedenis van de 15e en 16e eeuw.’ In: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem 24 (1899). 425-432.

 

Schneiders, P. Lezen voor iedereen : geschiedenis van de openbare bibliotheek in Nederland. Den Haag : Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum. 1990. Hoofdstuk 1.

 

Schneiders, P. Nederlandse Bibliotheekgeschiedenis van Librije tot Virtuele Bibliotheek. Den Haag: NBLC Uitgeverij. 1997.

 

Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer 1560-1985. [Door] J.C. Bedaux, A.C.F. Koch, D.A.S.R.P. Heikens e.a. Deventer. 1985.

 

Unger, J.H.W. ‘Het ontstaan van de stadsbibliotheek’ In: F.K.H. Kossmann, J.H.W. Unger, J.A. vor der Hake. De bibliotheek van de gemeente Rotterdam : beschreven door drie van haar verzorgers in 1891, 1917 en 1948. Rotterdam: Gemeente-drukkerij. 1948.

 

Voorst, A. van. De Bibliotheca Enchusana. De librije van Enkhuizen en haar plaats in de stedelijke samenleving (1590-1690). Doctoraalscriptie Universiteit van Utrecht. 2004. 2 dln.

 

Wit, P.V. de. Bij het herdenken van 350 jaar stads-bibliotheek (en leeszaal) van Haarlem 1596-1947. Haarlem. 1947.

 

Wortel, Th.P.H. Oud Alkmaar. Amsterdam: Albert de Lange. 1943.

 

Woude, C. van der en P. J. Schaghen, Kronyck van Alckmaar, met zyn dorpen, ende de voornaamste geschiedenissen desselfs, van 't beginsel der bouwinge der voorsz. stadt Alckmaar, tot den jaren 1658.  Amsterdam : Steeve van Esveldt. 1742.

 

Woude, S. van der. ‘Uit de prille jeugd van de Nederlandse stads-universiteitsbibliotheken’ In: Bibliotheekleven 47 (1962). 618-625.

 

Zuyderhoudt-Hulst, W.A. Geschiedenis van de Goudse Librije gedurende het verblijf in de St. Janskerk. Meppel: Krips Repro B.B. 1976. Proefschrift Groningen.

 

www.bibliopolis.nl

 

Noten:



[1] Belangrijkste: Meinsma (1902) h. 3, Schneiders (1997) h. 2

[2] Meinsma (1902) h. 3

[3] Meinsma (1902) h. 3

[4] ‘Bibliothek’ In: Neue Pauly, Blanck (1992) buch in der antike 1992 Boyd (1915).

[5] Strabo Geographika 13.1.54

[6] Fehrle (1986) 1-29

[7] Schneiders (1997) 17-18

[8] Gumbert (1990)

[9] Schneiders (1997) 17-28

[10] Meinsma (1902) p.91 ff

[11] Meinsma (1902) p. 93

[12] Meinsma (1902) h. 2, Schneiders (1997) h. 1-2

[13] Obbema (1984), Schneiders (1990)

[14] Schneiders (1990)

[15] Biemans (2004), Klein (1999)

[16] Schneider (1990)

[17] Gelder (1905), Schneiders (1990), Voorst (2004) p. 54ff 

[18] Meinsma (1902) h. 3, Schneiders (1997) h. 2. Ondermeer Enkhuizen en Deventer zijn hier een uitzondering op. Voorts (2004), Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer 1560-1985.

[19] Schneider (1997) h. 1-2, Schneider (1990), Meinsma (1902) h. 3

[20] Schneider (1997) h. 1-2, Schneider (1990), Meinsma (1902) h. 3

[21] Helaas bestaat er niet van alle bekende librijes (zie bijlage 1) een catalogus of inleiding op het boekbestand. Fontaine Verwey (1980), Jaspers  (1997), Meinsma (1988),  Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer 1560-1985, Voorst (2004), Wit (1947), Zuyderhoudt-Hulst (1976). Voor Alkmaar geldt dit ook.

[22] Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer 1560-1985

[23] Voorst (2004)

[24] Stadsbestuur en kerkbestuur is niet strict geschieden.

[25] Voorst (2004)

[26] Schneiders (1997) p. 91, Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer 1560-1985

[27] www.bibliopolis.nl

[28] Schneiders (1990), (1997) h. 1-2, Voorts (2004) deel 1.

[29] Schneiders (1990), (1997) h. 1-2, Voorts (2004) deel 1

[30] Van der Woude (1962)

[31] Zie verschillende catalogi.

[32] Schneiders (1990)  19

[33] Schneiders (1997), Voorts (2004) deel 1

[34] Abels (2002) 480

[35] Schneiders (1990), (1997) h. 1-2

[36] Zuyderhoudt-Hulst  (1976)  37ff

[37] Schneider (1997) 63ff

[38] Schneiders (1997) 10-12, Meinsma (1988)

[39] Schneiders (1997) h. 1-2

[40] Schneiders (1990), (1997)

[41] Zie bijlage 1.

[42] Ondermeer:  Schneider (1997) Plenckers-Keyser en Streefkerk (1996)

[43] Corte en waerachtige beschrijvinge der stadt Alcmaer, mitsgaders de belegeringe geschiet in ’t haer 1573: ende oock vande destructie der oude stadt Vroon. Hoofd-letters tal-dicht, op de belegerde stadt Alckmaer gemaeckt. Alcmaer: Jan Volckersz. [1630]

[44] Plenckers-Keyser en Streefkerk (1996) p. 263

[45] Plenckers-Keyser en Streefkerk (1996) p. 265

[46] Plenckers-Keyser en Streefkerk (1996)

[47] Cordfunke(1978) h. 10/15

[48] De Raad (2005) p. 22

[49] Gumbert (1990), Biemans (2004)

[50] Meinsma (1902)

[51] Regionaal Archief Alkmaar, archief klooster (Jonge en Oude Hof). Zie ook inleiding op archief

[52] Bruinvis (1904) 28 82-96, (1905) 29 326-327

[53] Plenckers- Keyser en  Streefkerk (1996),  267-268 Gelder (1905)

[54] Gelder (1905)

[55] Gelder (1905), Plenckers- Keyser en  Streefkerk (1996)

[56] Fontaine Verwey(1980), Plenckers- Keyser en  Streefkerk (1996)

[57] Van Diepen (1988) en (1993)

[58] Schneiders (1997) h.2.

[59] Van der Woude (1742)

[60] Alkmaarse Stadslibrije, Juli 2006, Beschrijvingen met huidige signatuur, daaronder signatuur Rutger Ouwens, ca. 1730 (folio, quarto, octavo, duodecimo) of signatuur J.J. de Gelder (1868). Analyse boekbanden P. Verkruijsse (elders op de website)

[61] Plenckers- Keyser en  Streefkerk (1996)

[62] Plenckers- Keyser en  Streefkerk (1996) Zie scriptie M. Stobbe voor aanmerkingen (ongepubliceerd)

[63] Plenckers- Keyser en  Streefkerk (1996)

[64] Analyse boekbanden P. Verkruijsse (ongepubliceerd)

[65] Meinsma (1902) h. 1

[66] Meinsma (1902) p. 18

[67] Meinsma (1902) h. 3

[68] Meinsma (1902) 104/5

[69] Meinsma (1902) 105

 

 

 

 

Elsbeth Littink  0584932

Universiteit van Amsterdam

Master Boekwetenschap en Handschriftkunde

Het gedrukte boek als materieel en cultureel object