Gudrun Lehmann
Selecta vel accumulata?
De collectie klassieke auteurs in zeventiende-eeuwse librijen
Inhoud
I Inleiding
II De klassieke lectuur op de Latijnse school
III Klassieke auteurs in de Alkmaarse librije
IV De klassieken in andere Nederlandse bibliotheken
V Conclusie
VI Bibliografie
Bijlage 1: Griekse en Romeinse auteurs in de Alkmaarse Librije
Bijlage 2: Griekse en Romeinse auteurs in de librijes van Alkmaar, Amsterdam, Edam, Enkhuizen en Haarlem
I Inleiding
De Alkmaarse librije heeft, evenals vele andere librijen in Nederland, haar oorsprong in de 16e eeuw. De librijen waren gehuisvest in kerken en vaak vormde een al bestaande kerkelijke boekenverzameling de basis van hun collectie, meestal aangevuld met boeken die tijdens de reformatie uit kloosters waren geconfisqueerd. Hoewel de collecties dus voor het grootste deel uit theologische werken bestonden, vraag ik mij in dit werkstuk af, of niet ook de renaissance haar sporen heeft achtergelaten in deze verzamelingen. Is er iets te merken van de herwaardering voor de Oudheid? Hier zijn in elk geval aanwijzingen voor. De la Fontaine Verwey schrijft bijvoorbeeld over de Stedelijke Bibliotheek in Amsterdam het volgende:
'Ervaren classici trof men in die tijd [scil. 1578–1632] vooral onder de rectoren en conrectoren van de Latijnse scholen, waarmee de stedelijke boekerij zo nauw verbonden was. In de bibliotheek konden zij beschikken over alle teksten en commentaren die zij maar wilden.'[1]
Met dit citaat als vertrekpunt is de centrale vraag van dit werkstuk: welke antieke Griekse en Romeinse auteurs waren er in een librije te vinden, en in hoeverre sluiten zij aan bij de toenmalige canon van de klassieke letterkunde? Door deze laatste vraag kan duidelijk worden of aan de verzameling klassieke auteurs een bewust ‘aanschafbeleid’ ten grondslag lag.
Om te bepalen of de collecties klassieke auteurs van de librijen aansloten bij de toenmalige canon is het belangrijk om te weten uit welke auteurs de toenmalige canon bestond. Dit werkstuk is te kort om hiervan een compleet beeld te schetsen, daarom heb ik mij beperkt tot de schoollectuur. Ten eerste zijn schoolauteurs een belangrijke indicator voor wat als de canon geldt. Ten tweede is er duidelijke informatie beschikbaar over de auteurs die op de Latijnse scholen werden gelezen.[2]
Uitgangspunt van mijn onderzoek is de verzameling klassieke teksten in de librije van Alkmaar zoals die is opgenomen in de catalogus, die rond 1730 vervaardigd werd door Rutger Ouwens, de toenmalige rector van de Latijnse school in Alkmaar.[3] Deze collectie zal nauwkeurig worden beschreven: zowel met het oog op de samenstelling van de collectie (welke klassieke werken waren er überhaupt aanwezig?) als met het oog op de boeken zelf (hoe kwamen de boeken in de librije terecht en tonen zij sporen van gebruik?). In het tweede gedeelte van dit werkstuk zal het corpus van klassieke auteurs in Alkmaar vergeleken worden met het corpus van klassieke auteurs in andere Nederlandse librijen, waaruit kan blijken in hoeverre de verzameling van de Alkmaarse librije representatief is. De keuze van de librijen voor de vergelijking is bepaald door de beschikbaarheid en toegankelijkheid van contemporaine catalogi. Omdat de catalogus van Alkmaar uit de vroege 18e eeuw is, heb ik alleen bibliotheken gekozen, waarvan eveneens een catalogus uit de late 17e of vroege 18e eeuw beschikbaar is. In hoofdstuk III worden daarom de librijen respectievelijk stadsbibliotheken van Amsterdam[4], Edam, Enkhuizen en Haarlem nader bekeken.[5]
Voordat ik verder ga, is het van belang om aan te geven wat ik bij het doorzoeken van de collecties onder 'klassieke werken' heb verstaan. In principe vallen hieronder werken van antieke en laat-antieke, profane auteurs,[6] respectievelijk auteurs, van wie de teksten niet specifiek christelijk zijn (bijvoorbeeld De consolatione philosophiae van Boëthius). Wat betreft het genre heb ik mij beperkt tot teksten die tot de ‘letterkunde’ kunnen worden gerekend, d.w.z. werken in alle poëtische genres (epiek, dramatiek en lyriek), geschiedschrijving, brieven, antieke biografieën, maar ook filosofie, retoriek en geografische respectievelijk natuurhistorische werken. Buiten beschouwing heb ik gelaten auteurs van medische, juridische, wiskundige en astronomische teksten (bijvoorbeeld Galenus en Ptolemaios), bouwkunde en krijgskunst (bijvoorbeeld Vitruvius en Vegetius), en verder woordenboeken, thesauri, lexica en (niet-antieke) commentaren. In principe komt deze keuze overeen met wat ook veel oude catalogi onder 'oude Griekse en Latijnse schrijvers' verstaan, hoewel sommige nog een onderscheid maken tussen bijvoorbeeld 'philosophi et literae humaniores' en 'antiquarii, cosmo-geo-topographi, chronologi et historici veteres'.[7]
II De klassieke lectuur op de Latijnse school
Het curriculum van de Latijnse school was bedoeld om scholieren voor te bereiden op de universiteit. In principe werden de leerlingen hier in de artes liberales onderwezen, maar in de praktijk kreeg vooral het trivium veel aandacht en werd ook daarvan de meeste tijd aan de grammatica, d.w.z. aan het onderwijzen van de Latijnse taal, besteed. Latijn was de taal van de wetenschap, daarom moest zij zowel passief (lezend) als ook actief (schrijvend en sprekend) worden beheerst. Grammatica betekende zowel taalverwerving als het lezen van literatuur – wat wij dus vandaag 'filologie' zouden noemen, hoewel toen literatuur voornamelijk werd gelezen als oefening voor het leren van de taal, en niet bij uitstek vanwege de inhoud van de teksten. De meeste auteurs die op de laat-antieke school werden gelezen, zouden het onderwijs voor vele eeuwen blijven beheersen: Vergilius, Cicero, Terentius en Sallustius vormden in de 4e eeuw op school de zogenaamde quadriga.[8] Voor het middeleeuws onderwijs bleef Vergilius dé dichter bij uitstek, Cicero speelde echter geen rol meer, in tegenstelling tot Sallustius en Terentius (hoewel enige passages van de laatste gecensureerd werden); verder werden Horatius (vooral de brieven, zoals blijkt uit veel schoolcommentaren) en Ovidius in de schoolcanon opgenomen, naast verschillende christelijke auteurs.[9]
Onder invloed van de renaissance groeide de belangstelling voor antieke auteurs enorm, wat gepaard ging met de verbanning van middeleeuwse Latijnse schrijvers uit het curriculum van de Latijnse scholen en het verheffen van het 'zuivere' klassieke Latijn van Cicero tot het summum. Omdat de humanisten vonden dat de antieke teksten in het origineel bestudeerd moesten worden, begon men ook met het onderwijzen van Grieks in de hoogste klassen van de Latijnse school.[10] Vergilius bleef op school een belangrijke auteur en Cicero werd gerehabiliteerd. Verder adviseerde Erasmus in De ratione studii (voor gevorderden) de dagelijkse lectuur van Caesar, Horatius, Terentius, Plautus (zonder de obsceniteiten), en voor het Grieks Lucianus, Demosthenes, Herodotus, Aristophanes, Euripides en Homerus.[11] Johannes Murmellius, onder wiens leiding (tussen 1513 en 1517) de Latijnse school in Alkmaar een grote bloei doormaakte, was zelf een van de grote vernieuwers van het onderwijs. Onder invloed van zijn werk werd het Doctrinale puerorum van Alexander de Villa Dei, het in verzen geschreven middeleeuwse standaardleerboek, uit het onderwijs verdrongen. Verder maakte hij populaire uitgaven van klassieke teksten voor schoolgebruik, waaronder de Epistulae selectae en De senectute van Cicero, de satiren van Juvenalis, De consolatione philosophiae van Boëthius en een bloemlezing van de Romeinse elegiker Tibullus, Propertius en Ovidius.[12] Ook is bekend dat op de Goudse school in 1521 onder rector Nannius (die later rector van Alkmaar werd) voor het Griekse onderwijs naast de Paulus-brieven ook Theocritus op het programma stond, en voor het Latijnse onderwijs de vertaling (door Erasmus) van Plutarchus, evenals Plautus, de Aeneis en Bucolica van Vergilius en van Cicero de brieven en De officiis (zijn laatste werk en morele testament aan zijn zoon).[13]
In de 16e eeuw bestond er nog geen algemeen onderwijsreglement in de Republiek en bepaalde iedere rector zelf wat er gelezen werd op school.[14] Pas met de ‘Hollandse schoolordre’ (1625) kwam er een voor de hele Republiek geldend curriculum. Kuiper geeft een overzicht van de leergangen;[15] voor Latijn ziet het er als volgt uit: na de basisgrammatica in de sexta werd in de quinta de syntax geoefend aan de hand van Cicero’s eenvoudigste brieven. De voltooiing van de syntax en de prosodie gebeurde in de quarta met behulp van Cicero’s De amicitia en De senectute, met Terentius, de verbanningsliteratuur van Ovidius (Tristia; Epistulae ex Ponto) en de Bucolica van Vergilius. In de tertia werden retoriek en logica onderwezen door middel van lectuur van Caesar, de moeilijkere brieven van Cicero, de Metamorphoses van Ovidius en de Georgica van Vergilius. In de secunda werd het retorica- en logicaonderwijs voortgezet aan de hand van de hoogtepunten uit de Latijnse letterkunde: Cicero´s redevoeringen en de Aeneis van Vergilius, het Romeinse nationaal-epos. In de prima lazen de scholieren tijdens de logicalessen de redevoeringen van Cicero, de verzamelde redevoeringen van de geschiedschrijvers Livius, Sallustius en Curtius Rufus, en de bekroning vormden uiteindelijk de oden en de Ars poetica[16] van Horatius.[17] In het kader van de ‘onderwijswet’ werd trouwens ook een groot aantal nieuwe schooluitgaven van de hierboven beschreven werken uitgegeven en verplicht gesteld.
De ‘schoolordre’ bepaalde dat het onderwijs in Grieks in de quinta begon[18]; alle lessen werden in dat jaar besteed aan het leren van het Griekse alfabet. In de quarta volgde de vormleer met als tekst alleen het 'Onze Vader'. Bij de voltooiing van de vormleer in de tertia werden de fabels van Aesopus en de redevoeringen van Isocrates gebruikt. Voor het onderwijs van de syntax in de secunda stonden Xenophons werk over de opvoeding van vorst Cyros, Hesiodus´ werk over het boerenleven en het Nieuwe Testament centraal. Homerus en Euripides lazen de scholieren in de prima. Hoewel het Grieks qua aantal auteurs en moeilijkheidsgraad zeker niet onderdeed voor het Latijn, werd er in de ‘schoolordre’ maar dertien procent van het onderwijs voor het Grieks gereserveerd. [19] Dit maakt duidelijk dat de ‘schoolordre’ waarschijnlijk slechts een richtlijn vormde, waarvan veel scholen in de praktijk afweken. Desalniettemin geeft het bovenstaande een goede indruk van de klassieke canon op de Latijnse school in de 17e eeuw.
Deze informatie over het onderwijs in de 16e en 17e eeuw kan nu als referentiekader dienen om in te schatten in hoeverre de verzameling klassieke auteurs in de librije van Alkmaar (en van de andere steden) georiënteerd was op de schoolcanon.
III Klassieke auteurs in de Alkmaarse librije
Welke klassieke teksten waren er in de Alkmaarse Librije aanwezig? De catalogus van Rutger Ouwens, rector van de Latijnse School in Alkmaar tussen 1725 en 1734, vermeldt de volgende boeken, die tegenwoordig allemaal nog aanwezig zijn, en die ik in bijlage I in short titles opsom.
Met uitzondering van de Seneca-uitgave (1605) bevinden zich onder de klassieken in Alkmaar alleen in de 16e eeuw gedrukte boeken. Er zijn teksten van tien Griekse auteurs uit verschillende eeuwen te vinden. De filosofie wordt vertegenwoordigd door de verzamelde werken van Plato (4e eeuw v.Chr.) en de ethische werken van Plutarchus (1e eeuw n.Chr.). Van de laatste zijn ook de biografieën van beroemde Grieken en Romeinen aanwezig, evenals de biografieën van de Griekse filosofen door Diogenes Laërtius (3e eeuw n.Chr.). De twee grote geschiedschrijvers Herodotos (5e eeuw v.Chr.) en Thucydides (5e eeuw v.Chr.) ontbreken niet in de collectie, en ook de Romeinse geschiedenis en de retorische werken, die Dionysios Halicarnassos in de Augusteïsche tijd in het Grieks schreef zijn aanwezig. Naar verhouding is de geografie goed vertegenwoordigd door het werk van Strabo (1e eeuw v./n.Chr.) en twee uitgaven van Pausanias’ werken (2e eeuw n.Chr.). Het werk van Stobaeus (5e eeuw n.Chr.) is een grote verzameling van fragmenten van Griekse auteurs, die hij voor zijn zoon samenstelde. De 'tafelgesprekken' van Athenaios (2e/3e eeuw n.Chr.) geven informatie over kunst, wetenschap en het Griekse alledaagse leven.
Zijn er in de Alkmaarse librije al niet veel Griekse auteurs te vinden, Romeinse auteurs zijn er nog minder: maar zeven in totaal. Alle Romeinse auteurs zijn schrijvers uit de eerste eeuw vóór en ná Christus. In de eerste plaats bevat de collectie de verzamelde werken van Cicero, dus alle geschriften over de retorica, de reden, brieven en filosofische werken van de schrijver die het stijlideaal van de humanisten belichaamden. Deze uitgave bevat overigens ook de Rhetorica ad Herennium, een retoricaleerboek dat in de Middeleeuwen onterecht onder Cicero´s naam is overgeleverd, maar hier al met incertis auctoris betiteld is. Van Cicero´s De re publica zijn in deze verzamelde werken natuurlijk slechts enkele fragmenten en het bij Macrobius overgeleverde Somnium Scipionis afgedrukt, want pas in 1819 werden er op een palimpsest (onder een tekst van Augustinus) relatief grote stukken van deze waardevolle tekst teruggevonden. Verder zijn er in Alkmaar twee boeken van Seneca aanwezig, wiens stijl door de humanisten slechts tot de 'zilveren latiniteit' gerekend werd (terwijl Cicero als de personificatie van de 'gouden latiniteit' werd gezien). De in de librije beschikbare boeken bevatten alleen het prozawerk van Seneca (dus niet zijn tragedies), d.w.z. alle Dialogi, de Epistulae morales, de troostschriften, zijn Naturales quaestiones en zelfs de Apocolocyntosis – een Menippeïsche satire (een mengvorm tussen proza en poëzie), die een sarcastische afrekening met de gestorven keizer Claudius vormt.[20] In de uitgave van 1593 zijn overigens ook de retorische werken van Seneca´s vader (‘Seneca rhetor’) te vinden.
Een ander Romeins werk dat zich in Alkmaar bevindt, is de grote ‘natuurgeschiedenis’ van Plinius (de oudere). Van de Romeinse geschiedschrijvers zijn in de librije Livius en Tacitus vertegenwoordigd met al hun bewaard gebleven werken. Van Livius zijn dit de boeken 1-10 en 21-45 van de oorspronkelijk in totaal 142 boekrollen over de Romeinse geschiedenis. Van Tacitus zijn het de Germania, wat over is van de Annales en de Historiae, de biografie Agricola en de Dialogus de oratoribus. Over het auteurschap van het laatstgenoemde werk bestond in de 16e eeuw onenigheid: de humanist Beatus Rhenanus betwijfelde Tacitus´ auteurschap, en Justus Lipsius (wiens editio hier voorligt) schreef het toe aan Quintilianus zoals het ook in deze uitgave nog te lezen is. Lipsius is echter later teruggekomen op dit vermoeden, en tegenwoordig wordt ervan uitgegaan, dat de Dialogus daadwerkelijk door Tacitus is geschreven.[21] Een vergelijkbare discussie heeft plaatsgevonden over het auteurschap van de veldheerbiografieën van Cornelius Nepos (1e eeuw v.Chr.), die in de eerste uitgaven onder de naam van Aemilius Probus (5e eeuw n.Chr.) zijn verschenen. Gifanius en Lambinus zetten dit recht in hun uitgaven uit 1566 respectievelijk 1569,[22] maar deze correctie is nog niet overgenomen in de editie die zich in Alkmaar bevindt.
Na dit beknopte overzicht van de klassieke teksten in de collectie van de librije van Alkmaar zal nu de geschiedenis van deze boeken zelf aan de orde komen. Hoe kwamen zij in de Librije terecht? Hoe waren zij opgesteld? En werden zij veel gelezen? Om met het laatste te beginnen: het eenvoudige feit, dat van alle hier besproken boeken slechts vier een gerestaureerde band hebben, doet vermoeden dat het merendeel van deze werken in de loop der tijd niet erg intensief is geraadpleegd. De meeste boeken hebben nog steeds hun originele band, d.w.z. een band van perkament op karton of van over houten platten gespannen leer. Bovendien verkeert de meerderheid van deze boekbanden nog in een goede staat: voor- en achterplatten en ruggen zijn niet zwaar beschadigd en vaak functioneren de sluitriemen zelfs nog. Verder zijn er in de tekst van de boeken geen lees- of gebruikssporen te vinden.
Werden de vier boeken in de gerestaureerde banden daarentegen vaker geraadpleegd, zodat zij na verloop van tijd een nieuwe band nodig hadden? Dit is niet voor elk boek met zekerheid te achterhalen: in het boek dat bijvoorbeeld de Plinius-tekst bevat, zijn (behalve de nieuwe band) helemaal geen gebruikssporen te vinden. Over de andere drie boeken met nieuwe banden valt iets meer te zeggen, aangezien dit de enige boeken zijn,[23] die iets over hun voormalige bezitters prijsgeven.
Zoals op de titelpagina handgeschreven vermeld is, werd in 1589 het werk van Pausanias (Basel 1550) door de rechtsgeleerde Pancras van Castricum aan de Librije geschonken.[24] Het exemplaar heeft een nieuwe band, en werd dus wellicht vaker geraadpleegd. Met de nieuwe band werd trouwens ook een deel van de schenkingsvermelding weggesneden.[25] Dankzij de catalogus van Ouwens is de volledige tekst echter bewaard gebleven:[26]
Ex don. Pancratii Castricomii, Alcmarii, Consiliarii Status Belgici et D.I.[27]
Sum Bibliothecae Alcmarianae An. Ch. M.D.IIC.
Het boek met de Stobaeus-tekst (Antwerpen 1575) heeft een bijzondere geschiedenis achter de rug. Op de titelpagina wordt het volgende vermeld:
Apollonius Scotius Metteliburgensis Matticusa 1.5.99 [handgeschreven]
Janus Vlitius [gedrukt op een strookje], et ex demortui huius auctione
Hagae M.DC.XLIII. emebam fl. 2 : 5. [handgeschreven om het strookje heen][28]
Dit boek was dus in 1599 in het bezit van Apollonius Schotte, een bekende Middelburgse geleerde, die ook in het Latijn dichtte en bevriend was met Hugo de Groot.[29] Als ik de hierboven geciteerde opmerking goed begrijp – in tegenstelling tot wat in de boekbeschrijving (133 D 3) wordt beweerd –, kocht in 1643 de Bredase professor en Nederduitse dichter Jan Vlitius[30] het boek op de veiling van Schottes nalatenschap in Den Haag (Schotte overleed 1639 in Den Haag): 'en op de veiling van diens [scil. Schottes] nalatenschap kocht ik, Janus Vlitius, het te Den Haag in 1643 voor f 2.5.'[31] Hoe het boek later in de Alkmaarse librije terecht is gekomen, valt niet te zeggen, maar het kan dus niet – zoals bij Stobbe wordt geopperd – al op een veiling in 1601 zijn aangeschaft.[32] Wellicht was er op een gegeven moment een nieuwe band nodig omdat dit boek verschillende malen van eigenaar is gewisseld.
De oorspronkelijke bezitter van het derde gerestaureerde boek, Livius (Basel 1531), is helaas niet meer te achterhalen. Op het schutblad zijn alleen de volgende woorden te ontcijferen: Oosthooren / Johannes a / henricus.[33] Daaronder staat een regel in het Grieks en een Latijns distichon, waarvan de herkomst niet nader te bepalen is.[34] Verder is er nog een citaat uit Vergilius te lezen; het zijn de woorden die koning Phlegyas in de onderwereld als een straf voortdurend moet uitspreken (Aeneis 6, 620): 'Discite iustitiam moniti et non temnere Divos' (Jullie, die zijn gewaarschuwd, leer rechtvaardigheid en minacht de goden niet). Welke reden de bezitter ook had om dit te noteren – in elk geval heeft hij zijn boek zorgvuldig gelezen. De talrijke onderstrepingen en notities in de kantlijn getuigen er namelijk van, dat de lezer wist wat hij deed: er staan steekwoorden ter indeling van de tekst, verklaringen, verwijzingen, en er zijn zelfs enkele noties in het Grieks gemaakt.[35] Dit doet vermoeden dat het boek in het bezit van een geleerde is geweest – hoewel het nagetekende drukkersmerk op α1v anderzijds ook aan een zich vervelende scholier doet denken...[36] Wanneer dit boek in de librije terecht is gekomen, valt niet te achterhalen; in elk geval heeft het een nieuwe band gekregen, waarbij ongeveer één centimeter van het boekblok werd weggesneden,[37] zodat ook de handgeschreven marginalia niet meer volledig te lezen zijn.
Het bovenstaande maakt verschillende dingen duidelijk. Ten eerste: er bestaan voor de meeste hierboven beschreven boeken geen aanwijzingen over de wijze waarop ze gebruikt zijn door lezers. Integendeel: het lijkt erop dat de meeste boeken niet vaak geraadpleegd werden, aangezien van het merendeel van de boeken de oorspronkelijke band bewaard gebleven is. Alleen de Livius-tekst werd kennelijk veel gelezen (toen het boek nog niet in de librije was). Ten tweede: met uitzondering van één schenking is het van de meeste boeken niet precies te achterhalen hoe zij in de librije terecht zijn gekomen. Wel is het opmerkelijk, dat het boek met de Stobaeus-tekst in redelijk beroemde handen is geweest.
De oude boekbanden leveren tenslotte interessante informatie op. Uit de olim-signaturen, die op de rug van de boeken staan, blijkt dat deze boeken naar hun formaat waren geordend. De folio´s stonden bij elkaar en apart van de kwarto-, octavo- en duodecimo-formaten. Het gaat hier om de folio´s 180 t/m 190 en 200 t/m 204,[38] verder om één boek in kwarto (Cicero) en de octavo´s 47 t/m 49. Het is duidelijk, dat alle klassieken binnen één formaat bij elkaar gezet werden, en dat daarbinnen een onderscheid werd gemaakt tussen de taalgebieden: zo zijn de folio´s 180 t/m 190 Griekse auteurs, en daarvan gescheiden door woordenboeken volgden vanaf folio 200 de Romeinse auteurs.[39] De kettinggaten zijn echter ogenschijnlijk zonder een duidelijke ordening óf op het achterplat boven rechts óf op het voorplat boven links aangebracht.[40]
Het feit dat de signaturen boven op de rug van de boeken te vinden zijn (bij perkamenten banden met inkt geschreven, bij leren banden óf met inkt óf met opgeplakte stukjes papier), doet vermoeden, dat de boeken in de kast stonden zoals wij het tegenwoordig gewend zijn. Op sommige ruggen zijn daarnaast ook nog kort de auteur en/of de titel van het werk vermeld. Folio 202 (136 E 5) heeft een dergelijke vermelding vreemd genoeg zowel aan de bovenkant van de rug áls aan de onderkant, en daar met het schrift verkeerd om![41] Het lijkt in dit geval een fout te zijn, maar nadere inspectie van de andere banden maakt duidelijk, dat het bij de folio´s 182, 183, 188, 200 en 201[42] blijkbaar met opzet is gebeurd: zij hebben allemaal boven op de rug de signatuur, en beneden én verkeerd om is de titel/auteur vermeld (beide vermeldingen zijn contemporain!).[43] Wat dit te betekenen heeft, is moeilijk te zeggen. Deze boeken kúnnen niet omgekeerd in de kast hebben gestaan, want anders zou op hun rug niet op de 'juiste' manier de folio-signatuur staan. Vraag is ook waarom bij andere boeken de signatuur én de titel/auteur wel op de 'juiste' manier op de rug genoteerd zijn.
Tot slot zou ik de onopgeloste vragen, die de boeken als objecten opwerpen, terzijde willen laten en terug willen keren naar de teksten, die zij bevatten. In één oogopslag wordt duidelijk dat het allemaal teksten in proza zijn: geen epos van Homerus of Vergilius, geen tragedies van Euripides en geen verzen van Ovidius en Horatius. Wat het proza betreft, zijn er auteurs op het gebied van de filosofie, retoriek, geschiedschrijving, geografie en natuurgeschiedenis vertegenwoordigd, maar daarvan waren alleen Cicero, Livius, Plutarchus en Herodotus relevant voor het onderwijs. In het geheel lijkt de collectie dus zeer mager en niet georiënteerd op de schoolcanon. Als wij de blik nog wat verruimen, kan ook vastgesteld worden dat andere (niet school-) auteurs ontbreken zoals Aristoteles en Lucretius.
Was dit normaal voor een librije? Lag het zwaartepunt inderdaad zozeer bij theologische werken, dat er weinig aandacht werd besteed aan een min of meer representatieve verzameling klassieke auteurs? In het volgende hoofdstuk wordt de verzameling klassieke auteurs in de Alkmaarse librije vergeleken met de klassieke auteurs in de contemporaine collectie van andere bibliotheken.
IV De klassieken in andere Nederlandse bibliotheken
Welke antieke auteurs bevonden zich in de collecties van andere zeventiende-eeuwse librijen? En was de collectie klassieke auteurs in Alkmaar representatief voor een librije in de 17e eeuw? Voor een vergelijking heb ik de librijen van Edam en Enkhuizen en de stadsbibliotheken van Amsterdam en Haarlem gekozen.[44] Deze vier bibliotheken hebben hun oorspong allemaal, net zoals de librije van Alkmaar, in de 16e eeuw en waren in hun ontstaansperiode gehuisvest in een kerk. In de meeste gevallen stonden de librijen in nauw contact met de Latijnse scholen: de banden tussen de Alkmaarse librije en de Latijnse school in Alkmaar zijn uitvoerig beschreven in een apart werkstuk.[45] In Edam was de Latijnse school direct naast de librije in de St. Nicolaaskerk gevestigd.[46] In Haarlem werd de bibliotheek onder andere beheerd door leraren van de Latijnse school. En de Amsterdamse bibliotheek verhuisde in 1632 van de Nieuwe Kerk naar de Agnietenkapel en zou daar de basis gaan vormen voor de bibliotheek van het nieuw opgerichte Athenaeum Illustre, de voorloper van de huidige Universiteit van Amsterdam. De bibliothecarissen van deze bibliotheek waren indertijd de zonen van Gerard Vossius, die hoogleraar en hoogste functionaris aan het Athenaeum was. Vossius was daarvoor ook rector van de Latijnse school in Dordrecht geweest en zette zich in voor goed onderwijs, vooral in de periode die vooraf ging aan de invoering van de ‘schoolordre’. Breed opgezette klassieke vorming was voor hem de sleutel tot alle andere wetenschappen.[47] Tijdens zijn hoogleraarschap aan het Athenaeum werd hij trouwens ook tot inspecteur benoemd van de andere Latijnse scholen in Amsterdam.[48] Dit alles doet vermoeden, dat er overeenkomsten bestonden tussen het curriculum van de Latijnse scholen en de collecties van de bibliotheken.
Bij het bestuderen van de resultaten is het echter belangrijk om in het achterhoofd te houden, dat de hier besproken catalogi slechts momentopnames zijn. In sommige librijen, bijvoorbeeld die van Edam, worden er weliswaar vanaf de tweede helft van de 17e eeuw geen nieuwe boeken meer aangeschaft[49], maar de collectie van bijvoorbeeld de snel groeiende bibliotheek van Amsterdam zal slechts een paar jaar later al veel uitgebreider zijn geweest. Om deze reden zal ik dan ook geen exacte vergelijking maken tussen het aantal klassieke auteurs in de hier voorliggende collecties; dit zou bovendien sowieso te ingewikkeld worden, aangezien het daarvoor nodig is om niet alleen elk boek, maar in principe elk werk te tellen, want het is een verschil of een librije bijvoorbeeld de rede Pro Marcello of de Opera omnia van Cicero heeft. In plaats daarvan gaat het mij veeleer om de vraag, hoe veelzijdig het aanbod van antieke auteurs was en in hoeverre de schoolauteurs vertegenwoordigd waren in de collecties van de librijen en bibliotheken die hier vergeleken worden.
Desondanks is het belangrijk om de omvang van de verschillende collecties te kennen, en daarvoor is het aantal boeken een goede indicator. De collectie van de librije van Edam was zeer klein: Pennink vermeldt 158 gedrukte werken. Toen Ouwens de catalogus van de librije van Alkmaar samenstelde, bestond de Alkmaarse collectie in totaal uit 313 banden. De bibliotheek van Enkhuizen telde aan het einde van de 17e eeuw 335 folio- en 52 kwarto-nummers. In de catalogus van de Haarlemse bibliotheek zijn er rond de 800 titels te vinden; de collectie van de bibliotheek van Amsterdam was het omvangrijkst met een geschat aantal van 1200 werken. [50]
In de tabel (bijlage II) zijn de klassieken uit de catalogi van de bibliotheken opgenomen. De auteurs zijn alfabetisch geordend en er zijn geen volledige short titles opgenomen; ten eerste waren de gegevens in sommige catalogi (bijvoorbeeld Amsterdam) hiervoor te onduidelijk en te gering, en ten tweede is het mijn bedoeling hier sowieso niet om na te gaan of de librijen over exact dezelfde exemplaren beschikten. Daarom staan de boeken in de tabel als volgt vermeld: auteur, korte titel, plaats óf uitgever en jaar van verschijning.
Bij de bespreking van de resultaten zal ik vooral aandacht besteden aan enkele bijzonderheden, die de verwachtingen die ik van te voren had wel óf juist niet bevestigen. Wat betreft de Griekse auteurs vertonen de collecties van de bibliotheken van Amsterdam en Haarlem de grootste diversiteit – dit is gezien de omvang van deze bibliotheken niet verbazingwekkend. Toch bestaat er in deze uitgebreide collecties geen duidelijk zwaartepunt op het gebied van de canon, integendeel: niet eens alle schoolauteurs zijn in deze bibliotheken aanwezig. In de librije van Enkhuizen (die qua grootte nog het beste met Alkmaar te vergelijken is) zijn in elk geval de schoolauteurs Demosthenes, Isocrates, Lucianus en Plutarchus te vinden. De kleine verzameling van Edam heeft in totaal maar drie Griekse werken, waaronder de canonauteurs Isocrates en Aesopus. Opmerkelijk is, dat sommige schoolauteurs maar één keer opduiken: Aesopus alleen in Edam, Homerus alleen in Haarlem en Hesiodus en Theocritus alleen in Amsterdam. Euripides – die in de ‘schoolordre’ gepland was voor de prima – ontbreekt geheel (tenzij de verzameling Poetae Graeci veteres tragici [...] in Haarlem meegerekend wordt). Er is overigens geen enkele schrijver – zij het schoolauteur of niet – die in alle vijf collecties aanwezig is. Plato, Thucydides en Plutarchus zijn tenminste in vier bibliotheken (behalve Edam) te vinden. Los van de schoolcanon springt ook in het oog, dat de grote tragedieschrijvers nauwelijks vertegenwoordigd zijn: Aeschylus alleen in Haarlem en Sophocles alleen in Enkhuizen. Daarentegen hebben de meeste collecties juist wél werken, die ik hier in eerste instantie niet verwacht had; zo beschikt bijvoorbeeld de kleine librije van Edam over de Historia plantarum van Theophrastus.
De collecties van Amsterdam en Haarlem hebben ook het meest diverse aanbod van Romeinse auteurs. In deze twee bibliotheken zijn bíjna alle Romeinse schoolauteurs aanwezig. De librije in Enkhuizen daarentegen heeft alleen maar prozawerken,[51] daar ontbreekt dus (net zoals in Alkmaar) een groot deel van de Romeinse letterkunde. Verder lijkt de kleine verzameling van Edam (wat de schoolauteurs betreft) redelijk goed verzorgd: men vindt hier Vergilius, Sallustius, een werk van Caesar, twee komedies van Plautus, de brieven van Horatius, en Cicero (hoewel van de laatste niet alle werken). Er zijn weer enkele schoolauteurs, die slechts één keer opduiken: Terentius in Haarlem en Juvenalis in Amsterdam. Alle vijf bibliotheken beschikken verder over werken van Cicero en Seneca (de laatste was niet verplicht op school), en in vier collecties (behalve Edam) zijn de geschiedschrijvers Livius en Tacitus (ook deze laatste was geen schoolauteur) opgenomen.
Ook op dit punt zou ik de schoolcanon even buiten beschouwing willen laten om aandacht te kunnen besteden aan het opmerkelijke feit, dat enkele bekende Romeinse auteurs geheel ontbreken in de vergeleken bibliotheken. Een voorbeeld hiervan is Plinius (de jongere), wiens brieven veel door de humanisten werden gelezen.[52] Verder ontbreekt Catullus, die in humanistische kringen zeer geliefd was en in Neolatijnse poëzie vaak geïmiteerd werd. Hetzelfde geldt voor Tibullus en Propertius, dé vertegenwoordigers van de Romeinse elegie, die in de 16e eeuw vaak samen met Catullus werden gepubliceerd, en van wier werken zelfs Murmellius een bloemlezing, inderdaad voor gebruik op school, samenstelde. Tot slot ontbreekt in de collecties van de besproken bibliotheken ook het bekende leerdicht De rerum natura van Lucretius, één van de spectaculaire vondsten van de humanist Poggio Bracciolini. Na diens herontdekking in 1418 in een Duits klooster werd deze tekst veelvuldig in Italië afgeschreven en kritisch bewerkt. Er zijn meer dan vijftig humanistische handschriften bewaard gebleven, en de eerste druk verscheen in 1473. Lucretius zou men bovendien ook zeker in de collectie van de bibliotheek van Amsterdam kunnen verwachten, omdat een van de bibliothecarissen in de 17e eeuw, Isaac Vossius, juist de twee oudste bronnen van deze tekst, de codices 'Oblongus' en 'Quadratus' uit de 9e eeuw (tegenwoordig Leiden Voss. Lat. F 30 en Voss. Lat. Q 94 – waarop elke moderne editie is gebaseerd), in zijn privé-bezit had.
Het bovenstaande maakt duidelijk dat in géén van de hier vergeleken bibliotheken het corpus van schoolauteurs bij benadering vertegenwoordigd was. Daarentegen ontstond eerder de indruk, dat de klassieke auteurs ogenschijnlijk willekeurig verzameld waren. Dit sluit goed aan op het beeld dat in hoofdstuk drie is ontstaan van de verzameling klassieke auteurs in de Alkmaarse librije.
V Conclusie
Doel van dit werkstuk was om er achter te komen of in de librijen in de 17e eeuw de gecanoniseerde antieke Griekse en Romeinse auteurs aanwezig waren. Als gecanoniseerde auteurs heb ik voornamelijk auteurs beschouwd, die indertijd op school werden gelezen.
Het corpus van Griekse en Romeinse teksten in de hier beschouwde bibliotheken bleek af te wijken van wat ik had verwacht. De verzameling klassieke auteurs is niet conform aan wat er in de 17e eeuw op school werd gelezen. Zelfs in de grote bibliotheken van Haarlem en Amsterdam ontbreken enkele schoolauteurs. Los van de schoolcanon valt verder op, dat in beide grotere collecties bekende auteurs, zoals Sophocles of Lucretius, ontbreken. Daarentegen zijn er andere auteurs te vinden, die men in eerste instantie juist niet direct zou verwachten (zoals Aelianus of Claudianus). Ook de kleinere verzamelingen van de librijen in Alkmaar, Edam en Enkhuizen zijn niet afgestemd op de schoolcanon. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn, dat de collecties van de vergeleken bibliotheken gebaseerd waren op een aparte canon, een canon van auteurs, die niet op school werden gelezen, maar wél in alle bibliotheken aanwezig waren. Weliswaar zijn in de meeste collecties werken van Cicero, Seneca, Livius, Tacitus, Thucydides, Plutarchus en Plato te vinden – maar een volledige aparte canon zou ik dit niet willen noemen, omdat daarvoor de schrijvers van teksten in de poëtische genres ontbreken. Dat bijvoorbeeld Homerus en Vergilius niet eens in alle vijf librijen aanwezig waren (integendeel, Homerus was slechts in één collectie aanwezig), is veelzeggend.
Wat valt er uit deze resultaten af te leiden? Ik benadruk nog een keer, dat voorzichtigheid geboden is bij het trekken van conclusies, omdat de catalogi die ik gebruikt heb voor mijn analyse slechts een momentopname vormen van de collecties van de besproken bibliotheken. Hoewel de verzamelingen indertijd ongeveer tweehonderd jaar oud waren, moet er rekening mee gehouden worden, dat zij niet als compleet kunnen worden beschouwd. Er werden telkens boeken gekocht en verkocht, ook kregen de bibliotheken regelmatig schenkingen, die natuurlijk welkom waren, maar waarschijnlijk niet altijd de meest gewenste aanvulling op de collectie vormden. Tegen deze achtergrond moet de – voor hedendaagse ogen – willekeurig ogende verzameling klassieke auteurs in de collecties begrepen worden, vooral van de kleinere librijen, die waarschijnlijk niet veel middelen tot hun beschikking hadden voor een weloverwogen ‘aanschafbeleid’.
Maar misschien is er ook een andere verklaring voor het resultaat van mijn onderzoek: wellicht werden de librijen gebruikt door een doelgroep, bijvoorbeeld geleerden, die de schoollectuur niet meer nodig en de standaardauteurs sowieso in eigen bezit hadden en juist de collectie van de librijen gebruikten om zeldzame auteurs of vakliteratuur te kunnen raadplegen, zoals bijvoorbeeld de geografische werken van Pausanias.
Verder mag niet vergeten worden, dat de klassieke auteurs maar een klein bestanddeel van de collecties van de librijen vormden. Wellicht waren de klassieke auteurs voor de doelgroep van de librijen dus gewoon niet zó van belang, en werden deze schrijvers daarom ook niet welbewust verzameld. Hoe dan ook, bij het citaat van de la Fontaine Verwey uit de inleiding durf ik mij in elk geval op dit moment niet zonder meer aan te sluiten.
VI Bibliografie
Albrecht, M. von, Geschichte der Römischen Literatur von Andronicus bis Boëthius. 2e, herz. dr., München: Deutscher Taschenbuch Verlag, 1997, 2 dln.
Catalogus bibliothecae publicae Amstelodamensis. Amsterdam: Caspar Commelin, 1668.
Catalogus librorum bibliothecae Harlemianae. Haarlem: Wilhelm van Kessel, 1716.
Fontaine Verwey, H. de la, De Stedelijke Bibliotheek van Amsterdam in de Nieuwe Kerk 1578–1632. Meppel: Krips Repro, 1980.
Fuhrmann, M., Latein und Europa. Geschichte des gelehrten Unterrichts in Deutschland von Karl dem Großen bis Wilhelm II. Köln: DuMont, 2001.
Gelder, H.E. van, Geschiedenis der Latijnsche School te Alkmaar. Eerste gedeelte: De Groote School tot 1572. Alkmaar: Herm. Coster & Zoon, 1905.
Index variorum, insignium librorum [...] qui servantur in bibliotheca Enchusana. Enkhuizen: Henrici a Straalen, 1693.
Kuiper, E.J., De Hollandse „Schoolordre“ van 1625. Een studie over het onderwijs op de Latijnse scholen in Nederland in de 17e en 18e eeuw. Groningen: J.B. Wolters, 1958. Proefschrift Amsterdam.
Lesky, A., Geschichte der griechischen Literatur. 2e, herz. dr., Bern: Francke, 1963.
Ouwens, R., Catalogus bibliothecae publicae Alcmarianae. [handschrift], ca. 1730. [fotokopie]
Pennink, R., Boeken uit de Librije van Edam: tentoonstelling in de Grote Kerk van Edam, 30 juni tot en met 29 juli 1984. s´Gravenhage: Koninklijke Bibliotheek, 1984.
Rademaker, C.S.M., Leven en werk van Gerardus Joannes Vossius (1577–1649). Hilversum: Verloren, 1999.
Schneiders, P., Nederlandse bibliotheekgeschiedenis: van librije tot virtuele bibliotheek. Den Haag: NBLC, 1997.
Zijp, R.P., De Librije van Enkhuizen. Enkhuizen: Vereniging Oud Enkhuizen, 1991.
http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/ (october 2007 – januari 2008)
http://www.dbnl.org/ (januari 2008)
http://www.ancientlibrary.com/index.php (januari 2008)
http://www.brepolis.net/ (januari 2008)
[1] De la Fontaine Verwey, p. 42.
[2] Bovendien is bekend dat veel librijen nauw verbonden waren met de plaatselijke Latijnse scholen, die soms in dezelfde kerk waren gehuisvest en wier rectoren vaak de functie van bibliothecaris vervulden. Zie bijvoorbeeld het werkstuk van Aussems over de relatie tussen de Alkmaarse librije en de Latijnse school.
[3] De nog oudere catalogus (uit ca. 1712 - zie scriptie Schoorlemmer) heb ik niet gebruikt vanwege de summiere titelbeschrijvingen in deze catalogus; in de catalogus van Ouwens kan daarentegen beter achterhaald worden om welk boek het gaat.
[4] Amsterdam past weliswaar ook niet helemaal in de vergeleken periode, aangezien de beschouwde catalogus uit 1668 eigenlijk enigszins te oud is, vooral omdat de bibliotheek ook heel snel groeide. Maar juist de catalogus uit 1711, die beter in mijn vergelijking zou hebben gepast, was onvindbaar in de UvA-bibliotheek, en voor verder speurwerk naar dit exemplaar in andere bibliotheken ontbrak mij de tijd.
[5] Van andere librijen zoals Deventer en Zutphen zijn slechts catalogi uit de 19e respectievelijk vroege 20e eeuw voorhanden, en van de Goudse librije is alleen een catalogus uit de 16e en een uit de late 18e eeuw beschikbaar.
[6] Daarom noem ik de auteurs bijvoorbeeld ook 'Romeins' en niet 'Latijns'.
[7] Cf de catalogus van Haarlem (1716).
[8] Cf Fuhrmann, p. 24.
[9] Cf Fuhrmann, p. 24.
[10] Cf Gelder, p. 38.
[11] Cf Fuhrmann, p. 40.
[12] Cf Gelder, p. 39.
[13] Cf Gelder, p. 46.
[14] Cf Rademaker, p. 168.
[15] Cf Kuiper, p. 72f.
[16] Dit is de derde en laatste brief uit het tweede boek van de Epistulae.
[17] In principe komt dit overeen met wat tegenwoordig (hoewel in veel geringere omvang) op school wordt gelezen; van Vergilius komt echter meestal alleen de Aeneis aan bod, van Ovidius zou in plaats van de verbanningsliteratuur misschien eerder voor de liefdeselegieën (Amores) en de ‘erotisch-didactische’ poëzie (Ars amatoria) worden gekozen,
en men zou scholieren waarschijnlijk niet met Cicero´s dialoog over de ouderdom vervelen. Maar tegenwoordig zijn inhoudelijke redenen ook belangrijker voor de keuze van de Latijnse werken, terwijl vroeger stijlvragen hiervoor bepalend waren, aangezien men scholieren wou stimuleren om zelf een goede Latijnse stijl te ontwikkelen door het lezen van Latijnse teksten.
[18] Cf Kuiper, p. 80.
[19] Cf Rademaker, p. 169.
[20] In plaats van de voor keizers na hun dood gebruikelijke apotheosis (vergoddelijking), gebeurt hier met Claudius een apocolocynthosis: een 'ver-pompoen-ing'.
[21] Cf von Albrecht, p. 903.
[22] Cf von Albrecht, p. 388.
[23] Van de hier geselecteerde boeken.
[24] Cf ook Arendsen, De Alkmaarse Librije: Aankopen en schenkingen. Het tweede exemplaar van Pausanias (Frankfurt 1583) is overigens waarschijnlijk in 1601 op een veiling aangeschaft. Gezien het kleine aantal klassieke auteurs in de librije is het opmerkelijk dat er zich een twééde exemplaar van Pausanias in de collectie bevindt, maar, wellicht wilde de librije juist nog een exemplaar in de originele taal (het boek van Pancras bevat namelijk alleen de Latijnse vertaling). Het exemplaar uit 1583 werd trouwens waarschijnlijk niet veel gelezen: de perkamenten band is in goede staat en heeft zelfs nog sluitlinten.
[25] Zie foto 1.
[26] Daarmee zou het nog overgebleven vraagteken in de hedendaagse catalogus van het Regionaal Archief vervangen kunnen worden.
[27] Cf Catalogus van Ouwens (onder de signatuur Folio 181).
[28] Foto zie http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/librije/images/titels/133d3.jpg De transcriptie van deze vermelding in de boekbeschrijving van dit boek (133 D 3, onder 'herkomstgegevens') bevat meerdere fouten.
[29] Cf http://www.dbnl.org/tekst/meer035lett01_01/meer035lett01_01_0014.htm (Meertens, Letterkundig leven na de Reformatie. De Zeeusche Nachtegael).
[31] In de boekbeschrijving van 133 D 3 wordt gezegd, dat het boek na de dood van Vlitius in Den Haag geveild werd, maar dit kan niet kloppen. Ten eerste omdat Vlitius pas in 1666 stierf (cf http://www.dbnl.org/tekst/aa__001nieu03_01/aa__001nieu03_01_0485.htm ), en ten tweede: wie, zo niet Vlitius zelf,
zou anders de 'ik' van emebam zijn? Diegene, die het boek gekocht heeft, zou toch zeker niet alleen vertellen, van wie
het boek wás zonder te zeggen in wiens bezit het boek nú is?!
[33] Zie foto 2.
[34] De Latijnse verzen zijn: Vindice bella deo scelerum se[re]nissima poena / Missa iubent vit[a]e rectius ire viam.
[35] Zie foto 3.
[36] Zie foto 4.
[37] Een ezelsoor op F1r illustreert de oorspronkelijke grootte van de bladen.
[38] Folio 191 t/m 199 heb ik buiten beschouwing gelaten omdat het woordenboeken en lexica zijn.
[39] Uitzondering is de Romeinse auteur Probus [Nepos], die samen met Plutarchos een convoluut vormt.
[40] Alleen folio 188 (133 D 5) heeft zowel boven op het voor- als op het achterplat kettinggaten.
[41] Zie foto 5a-c.
[42] Huidige signaturen: 136 A 5; 136 A 8; 133 D 5; 136 A 6; 133 C 7.
[43] Zie bijvoorbeeld foto 6a-d. De stikkers met de latere signatuur laten zien hoe het boek tegenwoordig in de kast hoort te staan.
[44] Zoals toegelicht is in de inleiding, werd mijn keuze bepaald door de beschikbaarheid van de catalogi.
[46] Cf Pennink, p. 7.
[47] Cf Rademaker, p. 169.
[48] Cf Rademaker, p. 193/194.
[49] Cf Zijp, p. 10 (waarin hij een overzicht van verschillende librijen in Nederland geeft).
[50] Er is geen exact getal vermeld; het aantal heb ik geschat op basis van het aantal pagina’s van de catalogus (80) en de 15 titels, die ongeveer per pagina zijn opgesomd.
[51] Het boek met de werken van Seneca (1607) bevat alleen zijn filosofische werken.
[52] Cf von Albrecht, p. 916.
UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM
Master Boekwetenschap en handschriftenkunde
Het gedrukte boek als materieel en cultureel object
docent: Dr Piet Verkruijsse
studiejaar 2007/08, 1e semester
Gudrun Lehmann (5764696)
Houtmanstraat 31
1013 ML Amsterdam