Danny Holstein
Restanten van de zestiende-eeuwse gezondheidszorg in Alkmaar.
Gebruikssporen in geneeskundige boeken van de Alkmaarse Librije
Inhoud
Inleiding
Gezondheidszorg in Alkmaar in de zestiende eeuw
Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw
Pieter van Foreest
Wetenschap en pseudo-wetenschap in de geneeskunde
Geneeskundige boeken in de Alkmaarse Librije
Gebruikssporen in de geneeskundige boeken van de Alkmaarse Librije
Het nut van gebruikssporen in oude boeken
Conclusie
Inleiding
Dit essay is geschreven in het kader van het college “Het gedrukte boek als materieel en cultureel object”. Als onderwerp heb ik gebruikssporen in geneeskundige boeken gekozen. Deze boeken waren in de zestiende eeuw in het bezit van de Alkmaarse Librije. De medische stand in Alkmaar in de zestiende eeuw kan hierbij niet onbesproken blijven. In eerste instantie trok het boek van de Perzische arts en filosoof Avicenna mijn aandacht. Dit boek bleek door Pieter van Foreest, een bekende stadsarts uit Alkmaar in de zestiende eeuw, aan de Librije te zijn geschonken. De Alkmaarse Librije was geruime tijd gevestigd in de Grote Kerk in Alkmaar. De geneeskundige boeken maakten deel uit van deze collectie en vermoedelijk was de scheiding tussen kerkelijke en geneeskundige activiteiten in de zestiende eeuw niet zo groot. Een ander voorbeeld daarvan is dat alle welzijnsgebouwen, zoals de gasthuizen voor mannen en vrouwen, het pesthuis en andere vergelijkbare gebouwen, een lange tijd onder kerkelijk gezag stonden.[1] Een gasthuis is een liefdadige instelling of ziekenhuis ter verpleging van onvermogenden.
In dit essay wordt een aantal zaken nader behandeld. Ten eerste wordt besproken hoe de situatie in de gezondheidszorg in het zestiende-eeuwse Alkmaar was. Hierna komen eveneens andere stadsartsen uit Alkmaar uit diezelfde periode aan bod. De meeste aandacht wordt geschonken aan de hierboven reeds genoemde Pieter van Foreest, over wie verreweg het meeste bekend is. Bovendien was zijn invloed van belang in de geneeskunde, niet alleen op lokaal gebied, maar ook op nationaal gebied en zelfs over de landsgrenzen heen. In het tweede deel van dit essay worden in het kort enkele geneeskundige boeken behandeld die via de catalogus van J.J. de Gelder zijn gevonden. Daarna volgt een paragraaf over de gebruikssporen die in de geneeskundige boeken zijn aangetroffen. De grote vraag blijft echter wat nu precies het nut is van gebruikssporen. Over het nut ervan zijn namelijk de meningen tussen boekhistorici verdeeld. Naar mijn mening kunnen op basis van de gebruikssporen kleine beweringen en ontdekkingen worden gedaan. Hier wordt later in dit essay nader op ingegaan.
De invloed van Pieter van Foreest is in de zestiende eeuw overduidelijk aanwezig geweest. Niet voor niets is in de laatste regel op zijn grafsteen te lezen: “Hippocrates Batavus si fuit ille fuit” (Als er ooit een Hollandse Hippocrates is geweest, dan was hij het).[2] De titel ‘Hollandse Hippocrates’ had in de zestiende eeuw een zeer eervolle betekenis. Daarnaast heeft Van Foreest enkele boeken geschreven, waarvan in dit essay ook enkele voorbeelden worden genoemd. Centraal in dit essay staat de vraagstelling: Welke rol vervulden de Alkmaarse Librije en haar boeken nu precies in geneeskundige kwesties in Alkmaar in de zestiende eeuw en hoe is dit terug te zien aan de hand van gebruikssporen?
Gezondheidszorg in Alkmaar in de zestiende eeuw
Sommige stadsbesturen stelden al in de late Middeleeuwen stadsdoctoren aan. Pas in de loop van de zestiende eeuw werden er in alle steden in de Nederlanden stadsdoctoren aangesteld.[3] Na het jaar 1500 zijn er over de situatie in Alkmaar gegevens aanwezig. Feitelijk hadden de stadsdoctoren drie taken: verzorging van de armen en zieken, advies geven aan het stadsbestuur en toezicht houden op de beroepsuitoefening. Waar het op neerkwam was dat de stadsdokter van Alkmaar de gasthuizen bezocht en ‘scamele luyden’ om ‘gotswillen’ hielp.[4] Bepaalde taken binnen de geneeskunde waren echter sterk afgebakend door middel van gilden.[5] Er waren regels opgesteld dat een stadsarts geen apotheek mocht hebben. Voor geneesmiddelen kon men dus bij een ander gilde terecht. Verder was er de regel dat de stadsarts zich niet zomaar buiten de stad mocht begeven. Er konden meer stadsartsen worden aangesteld binnen een stad. In het midden van de zestiende eeuw was er veel vraag naar stadsdoctoren, waardoor het loon over het algemeen goed was.[6] De honorering werd gewoonlijk uit de stadskas betaald.
In de zestiende eeuw werd het steeds noodzakelijker dat Alkmaar geneeskundige voorzieningen trof. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog ging de pest vaak als een razende tekeer in Nederlandse steden. Nu scheen de situatie in Alkmaar in de zestiende eeuw wel te zijn meegevallen.[7] Het is Pieter van Foreest die enkele gunstige omstandigheden schetst waaraan Alkmaar voldeed, waardoor de pest minder vaak uitbrak. Hij noemt zaken zoals: brede straten, stromend water, en een voldoende en gevarieerd dieet. In de zeventiende eeuw kreeg Alkmaar echter hardere klappen te verduren door pestepidemieën. Vooral in het midden van de zeventiende eeuw keerde de pest in al zijn hevigheid terug. Toch kende de stad Alkmaar al enkele grotere epidemieën in 1519-1520, 1556 en 1599. In tijden van hoge nood werd de stadsarts vaak als pestmeester aangesteld.
In Alkmaar werd pas in 1559 een pesthuis gesticht.[8] In juli 1519 werd het klooster Egmond, dat in de buurt van Alkmaar ligt, door de pest bezocht. Deze plek was echter tot dan toe beschouwd als een veilige en afgezonderde (heilige) plaats. In 1519 was de pest overgebracht door een Belgische monnik, waarna de besmetting zich verder verspreidde. In de archieven is duidelijk terug te zien dat omstreeks 1520 een pestepidemie woedde.[9] De schout en schepenen gingen toen namelijk regels opstellen waaraan pestlijders zich moesten houden. Dit hield onder andere in dat zij een strooien wisser voor de deur moesten hangen, en duidelijk een witte stok bij zich moesten dragen. De uitbraak in 1556 werd in een deel van de Observationes van Pieter van Foreest beschreven.[10] Naast de pest heersten in de zestiende eeuw eveneens talrijke andere ziektes.
In de Noord-Hollandse steden konden leprozen terecht bij de Sint Jacobuskapel in Haarlem. Pieter van Foreest had een duidelijke mening over de priesters van deze kapel. Hij vond hen onkundig en zorgeloos.[11] Maar de schouw van leprozen behoorde in de Noord-Hollandse steden niet tot de taak van de stadsarts. De stadsarts was verder een adviseur van de overheid.[12] Hij kon een gezaghebbend oordeel vellen met betrekking tot medische aangelegenheden. In de zestiende eeuw bestond lange tijd de gewoonte dat de stadsarts deel uitmaakte van de schepenen. Hij stond het gerecht bij met medische kennis, bood heelkundige assistentie na folteringen en getuigde bij bekentenissen. Een andere taak was het toezicht op de medicijnen. Verder bleven stadsartsen vaak actief in het (middelbaar) onderwijs of de Latijnse school. Ook kon de stadsdoctor optreden als examinator van bijvoorbeeld apothekers, chirurgijns en andere stadsdoctoren. Tenslotte waren de geneeskundige almanakken en aderlaatkalenders een terrein van de stadsarts.
Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw
Door een gebrek aan bronnen is er over stadsartsen in Alkmaar voor 1500 weinig bekend. In de periode voor 1540 was er een zekere Aemelius actief met als echte naam: Melus Cornelisz. Hij was de lokale en vroege leermeester van Pieter van Foreest.[13] Cornelisz. en Van Foreest waren verreweg de belangrijkste stadsartsen in het zestiende-eeuwse Alkmaar. Een tijdstabel van Alkmaarse stadsartsen uit de zestiende eeuw ziet er als volgt uit:[14]
|
Melis Cornelisz. (in 1529 praktiserend, in 1549 overleden) |
|
Pieter van Foreest (praktiserend 1546-1558, de facto Stadsdoctor) |
|
Allard Cornelisz. Cooltuyn (praktiserend vanaf 1557, Stadsdoctor 1560-1561) |
|
Laurentius van Oirschot (Stadsdoctor 1562-1566) |
|
Jacob van Foreest (rond 1576 Stadsdoctor ) |
|
Willem van Brakel (Stadsdoctor 1582-1591) |
|
Jan van Teijlingen (Stadsdoctor 1591-1597) |
|
Henricus Salius (Stadsdoctor in de jaren 1593-1595) |
|
Pieter van Foreest (Stadsdoctor 1595-1597) |
|
Stephan Backer (Stadsdoctor vanaf 1597) |
Veel Alkmaarse stadsdoctoren waren in de zestiende eeuw figuren uit de omgeving van Pieter van Foreest.[15] Dit waren vaak mensen uit de lokale toplaag van Alkmaar. Van Foreest trouwde in 1546 met Eva van Teijlingen, die uit een rentmeesterfamilie afkomstig was.[16] De hierboven genoemde Jan van Teijlingen was indirect familie van Pieter van Foreest. De in de tabel genoemde Jacob van Foreest was de jongere broer van Pieter. De meeste doctoren, in ieder geval tot 1575, waren universitair geschoold. Sommige van de Alkmaarse stadsdoctoren hebben medische werken, almanakken en aderlaatkalenders geschreven die tegenwoordig nog zijn terug te vinden.
Pieter van Foreest
Pieter van Foreest (1521-1597) was afkomstig uit een aanzienlijke familie. Zijn vader, genaamd Jordan, was eerst baljuw en werd later burgemeester van Alkmaar.[17] Zijn broer Nanning was pensionaris en werd later ook burgemeester, net zoals zijn vader. Na de Latijnse school studeerde Pieter van Foreest een half jaar medicijnen in Leuven. Maar het studeren daar was te theoretisch en scholastisch. Met uiteindelijke toestemming van zijn vader vertrok hij richting Italië om zijn studie daar verder voort te zetten. Op 23 november 1542 promoveerde hij in Bologna. Van Foreest studeerde in Bologna in een tijd waarin de renaissance zijn hoogtijdagen beleefde met een hernieuwde belangstelling voor de mens. Het was in Bologna dat hij beïnvloed en gevormd werd door de ontleedkundige Andreas Vesalius (1514-1564). Van Foreest leerde in Bologna het geneeskundige vak in de praktijk. Deze vorming zou zich in zijn latere werk en boeken weerspiegelen.[18] Onder andere was hij ervan overtuigd dat men in de zomermaanden moest streven naar koelte en rust, dit om ziekten en de verspreiding ervan tegen te gaan. Als arts deed hij nog zoveel meer, hij gaf bijvoorbeeld regelmatig het advies aan zijn patiënten mee om de leefgewoonten aan te passen. In het boek de Observationes komt dit ook met regelmaat naar voren. Van Foreest wist dat zijn vak ook zijn grenzen had, want in de zestiende eeuw mochten er nog geen inwendige operaties worden verricht, tenzij dit allernoodzakelijkst was. De natuur moest voor het grootste deel zijn werk doen, waarmee hij aansluit op Galenus, die een arts als niets anders zag dan de assistent van de natuur.[19] Met de geneeskundige literatuur uit de Oudheid heeft hij ongetwijfeld in Bologna kennisgemaakt en hij was daarvan goed op de hoogte.
Tijdens zijn studie werd hij eveneens door andere leermeesters gevormd. Het is duidelijk dat Van Foreest contact had met Valerius Cordus, een botanisch specialist waarmee hij bevriend was geworden.[20] Daarnaast volgde Van Foreest botanie bij Luca Ghini, een medicus uit Florence. Tijdens die colleges werden de werken van de Griekse geneesheer Dioscorides (+/- 50 n.Chr.) behandeld.[21] Het boekwerk van Dioscorides de Materia Medica was nog eeuwenlang het botanische standaardwerk. Belangrijkste leermeester in de praktische geneeskunde was Benedictus Faventinus.[22] Verder kreeg Van Foreest anatomie van de chirurg Berengario da Carpi. Tenslotte waren er de praktijklessen van Antonio Maria Betti, hoogleraar logica en praktische geneeskunde. Bij die laatste werd eveneens Avicenna gedoceerd, van wie Van Foreest een boek in zijn bezit had. De opleiding die Van Foreest volgde, benadrukte de methode die gebaseerd was op waarneming en wetenschappelijke proefondervindelijkheid. Dit alles zou Van Foreest in de praktijk gaan toepassen.
In de periode van 1546 tot 1558 was hij actief als stadsarts in Alkmaar. Binnen deze functie was hij vrijgesteld van belastingen en andere verplichtingen, zoals het dienen in de schutterij. Opmerkelijk is dat hij voor zijn werkzaamheden als stadsarts geen vergoeding ontving.[23] Een nevenactiviteit van Van Foreest en zijn vrouw was het lesgeven in Latijn en Grieks.[24] Als stadsdokter in Alkmaar wist hij snel zijn autoriteit te doen gelden. Zelfs van buiten de stad werd hij door zijn collega’s regelmatig geraadpleegd bij moeilijke kwesties binnen het gebied van de geneeskunde. Het werkterrein van Van Foreest lag ook buiten Alkmaar. Veel van zijn ervaringen als stadsarts zou hij later opnemen in de Observationes. Het bleef echter niet alleen bij beschrijvingen, want Van Foreest ging ook op zoek naar verklaringen van bepaalde ziekten, waarmee hij modern was voor zijn tijd.
In februari 1558 vertrok hij naar Delft om daar stadsarts te worden, waar hij wel een vergoeding voor zijn werkzaamheden ontving. Op dat moment woedde in die stad een enorme pestepidemie, die een tol van 6.000 slachtoffers op een bevolking van 18.000 inwoners eiste.[25] Hij noteerde tijdens deze tijd in Delft dat op het kerkhof de doden waren opgestapeld, zo hoog als de muren rondom het kerkhof.[26] Na 1574 was Van Foreest de lijfarts van Willem van Oranje. Hij zou dit tot 10 juli 1584 blijven. In Leiden was hij aanwezig bij de plechtige opening van de universiteit op 8 februari 1575. Van Foreest was officieel de eerste hoogleraar in de geneeskunde. Toch zou hij nooit les gaan geven. Blijkbaar gaf hij de voorkeur aan de praktijk van zijn vak. Het was Gerard Bontius die de eerste hoogleraar zou zijn die echt les gaf in de geneeskunde aan de Leidse universiteit. Van Foreest diende 38 jaar lang als stadsarts in Delft en keerde in 1595 terug naar Alkmaar.
In de religieuze kwesties van zijn tijd was Van Foreest geen uitgesproken figuur, dit in tegenstelling tot zijn broer Nanning.[27] Vanwege zijn beroep moet Van Foreest het wijs hebben gevonden zich niet in felle partijschappen te begeven.[28] Hij behoorde feitelijk tot de grote middengroep. Van Foreest werd uiteindelijk protestants, maar dit omdat de rest van zijn stad hem voorging. Dit wil uiteraard niet zeggen dat hij helemaal geen contacten meer had met katholieken. De pragmatische kant van zijn werk moet voor hem zwaar hebben gewogen. Bovendien is de rol van God in de werken van Van Foreest niet weg te denken.[29] Van Foreest zou later de volgende spreuk op zijn familiewapen plaatsen: “Salus Mea Christus” (Christus mijn heil).[30] Het is wel bekend dat hij persoonlijk een sterk geloof in God had, net zoals zoveel anderen in de zestiende eeuw. Een goede arts ontleende volgens hem zijn kunst aan God.[31] God zou volgens de mensen uit de zestiende eeuw ziekten veroorzaken, maar kon deze ook laten verdwijnen indien de ‘zondaar’ bleef bidden en berouw toonde. In de visie van Van Foreest waren wonderen heel goed mogelijk, maar een ander belangrijk middel bleef het bereiden en voorschrijven van medicijnen. Als geneesmiddelen gebruikte hij allerlei afkooksels met diverse plantaardige bestanddelen.
Van Foreest gebruikte naast methoden eveneens astronomische kennis voor voorspellingen, waarvan zijn boek de Prognosticatie getuigt.[32] Op basis van ‘voortekenen’ konden voorzorgsmaatregelen worden genomen om de effecten van een pestuitbraak te verminderen. Uit dit laatste blijkt dat de scheiding tussen wetenschap en pseudo-wetenschap in de zestiende eeuw niet zo helder was. Hierop wordt in de volgende paragraaf nader teruggekomen. In zijn boekwerken wordt wel regelmatig ene Fracastoro geciteerd.[33] Die sprak vaak in zijn boekwerken over ‘zaden van ziekten’, zoals vatbaarheid door voedselschaarste of honger, gastheren die ziekten overdroegen, binnendringing van ‘vuile materie’ en nog vele andere oorzaken. Van Foreest gebruikte deze kennis echter wel op zijn eigen manier en gaf hieraan zijn eigen invulling. Wel was het hem duidelijk dat golfbewegingen van oorlog, honger en armoede de uitbraken van pest onvermijdelijk maakten, waarmee hij zich opnieuw als een modern denker karakteriseert.
Op latere leeftijd ging Van Foreest de ruim 1400 beschrijvingen rangschikken om deze in verscheidene boekwerken te kunnen uitgeven. De Leidse hoogleraar Johannes Heurnius spoorde hem hiertoe aan. Pieter van Foreest zou een voorwoord van zijn Observationum in de librije hebben geschreven. In 1584 verscheen de eerste uitgave van twee boeken over koortsen bij de Plantijnse pers te Leiden. Twaalf jaar later verschenen er nog eens drie delen over koortsen. De andere exemplaren zouden voor het eerst gezamenlijk in 1609 te Frankfurt verschijnen. Deze waren gebundeld als Opera Omnia en onder de titel: Observationum et Curationum Medicinalium ac Chirurgicarum (geneeskundige en heelkundige waarnemingen). Dit werk zou 28 boeken gaan omvatten, maar tijdens zijn leven verschenen er drie delen. De boeken zijn financieel ondersteund door de staten van Holland en West-Friesland.[34] Het voorwoord van zijn eerste boek is gedateerd op 1 januari 1587.[35] Ook beschrijft hij daarin de belegering van Alkmaar en hij was zich maar al te goed bewust welke ellende dit met zich meebracht. Oorlogvoering zorgde voor de verspreiding van ziekten, wat niet onopgemerkt bleef door Van Foreest en een aantal van zijn tijdgenoten. De zestiende eeuw stond bekend om een heel nieuw bereik van besmettelijke epidemische ziekten. Daarom werd er juist in deze tijd aandacht besteed aan de oorzaken, het verloop en een mogelijke genezing van deze ziekten. Gelukkig kon medische kennis zich dankzij de boekdrukkunst sneller en makkelijker verspreiden. Daarnaast stonden geleerden in Europa in de geneeskunde geregeld met elkaar in contact. De context waarin de boeken zijn geschreven, doet eveneens ter zake. In de jaren zeventig van de zestiende eeuw waren er bijvoorbeeld veel oorlogen, waardoor geleerden waren afgesneden van nieuwe boeken, de laatste ontwikkelingen en onderlinge contacten.
In de Observationes beschrijft Van Foreest niet alleen het ziektebeeld maar ook de levensomstandigheden en levensgewoonten van patiënten. De naam, een eventuele bijnaam en het adres van de patiënt worden in de Observationes genoemd. De Observationes zijn daarom alleen al interessant om meer inzicht te krijgen in de levensomstandigheden van mensen uit de zestiende eeuw. Van Foreest was van mening dat bij epidemische ziekten, zoals de pest, verder moest worden gekeken dan de reikwijdte van het ‘humorale systeem’. De ‘humorenleer’ met de bijbehorende temperamenten (sanguïstisch, flegmatisch, cholerisch en melancholisch) stonden eveneens centraal in zijn beroep.[36] Bij deze methode ging men uit van de harmonie tussen de menselijke lichaamssappen, zoals: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Ziekten werden veroorzaakt door een onbalans in de lichaamssappen. Hij was zich ervan bewust dat sommige zaken hierbuiten vielen, en bepaalde ziekten werden veroorzaakt door een samenhangend complex van zaken. Hierbij komen dus de levensgewoonten en levensomstandigheden van de patiënten om de hoek kijken. Binnen de Hippocratische traditie was de patiënt net zo belangrijk als de symptomen en generaliteit van de ziekte zelf.[37] Met andere woorden: het was van belang om niet alleen de kwaal te genezen, maar ook de patiënt zelf. Het was helaas nog wel zo dat de meeste patiënten, vooral die aan de pest leden, overleden.
Zijn Observationes bevatten eveneens een groot aantal ziektegevallen uit Alkmaar van voor 1559. Een probleem is de datering van de originele samenstellingen van zijn Observationes. Het woord ‘observaties’ in de titel houdt impliciet in dat er meer nodig was bij geneeskunde dan alleen boekenwijsheid.[38] Het was de ervaring van de arts die zelf ging meetellen. Het boek is ingedeeld volgens een Grieks model, dat bekend was in de academische wereld.[39] Na iedere observatie volgt in zijn boek een ‘scholia’ (een gedetailleerd en uitgebreid commentaar op het geval waarover het handelt).[40] Hierna volgt vaak een verslag van de behandeling en de samenstelling van de geneesmiddelen. Bij dit alles wordt aandacht geschonken aan het detail.
Pieter van Foreest schonk aan de Alkmaarse Librije een geneeskundig werk van Avicenna (een incunabel uit 1479) en zijn eigen eerste drie delen van de Observationem et Curationum Medicinalium.[41] Vanaf 1595 was Van Foreest weer terug in Alkmaar, waar hij tot aan zijn dood stadsmedicus bleef. Hij overleed op 10 maart 1597 en werd begraven in de Grote Kerk.[42]
Wetenschap en pseudo-wetenschap in de geneeskunde
Zoals hierboven in het kort is weergegeven, stond Van Foreest voor een deel nog binnen de Middeleeuwse traditie. Aan de andere kant liep hij feitelijk aan de leiband van Hippocrates. Zijn medicijnen hadden een eenvoudige samenstelling en deze werden met verstand toegepast. Modern aan de werkwijze van Van Foreest is dat hij ook wetenschappelijk te werk ging. Aan de hand van een methode van waarneming probeerde hij de oorzaken van ziekten vast te stellen. De patiënt stond centraal en er werd naar zijn of haar achtergrond en of leefgewoonten gekeken. In dit laatste opzicht was hij grensverleggend.
Van Foreest had verder veel kritiek op zijn collega’s. Dit weerspiegelt zich in een aantal boeken die van zijn hand afkomstig waren. In De incerto, fallaci, urinarum iudicio (Over het onzeker en bedrieglijk oordeel der wateren) fulmineert hij tegen piskijkers en het urineonderzoek dat zij bedreven. Van de stadsdoctor werd verwacht dat hij toezicht hield op de medische beroepsuitoefening alsook het toezicht hield op de kwaliteit van de geboden hulp.[43] Een boek dat hieraan bijdroeg was Van der Empiriken, lantloeperen ende valsche medicijns bedroch, dat gericht was tegen kwakzalvers. Vooral de ideeën en stellingen van Paracelsus worden in dit boek hevig onder vuur genomen. Van Foreest was een fel tegenstander van Paracelsus, die soms giftige stoffen voorschreef zoals kwik, arseen en antimoniumverbindingen.[44] Antimonium werd nota bene gebruikt bij de vervaardiging van drukletters.[45] Paracelsus is de geschiedenisboeken ingegaan als een charlatan, die op de meest onbegrijpelijke manieren magie en geldige wetenschap met elkaar vermengde.[46] Van der Emperiken is een boek dat simpel en in de volkstaal is geschreven.[47] Het is duidelijk bestemd voor het volk om het tegen de kwakzalverij te behoeden. Van Foreest meende dat de kwakzalvers misbruik maakten van de goedgelovigheid van het publiek. In zijn ogen waren de kwakzalvers als niets anders te bestempelen dan als moordenaars. Verder heeft hij geen enkel goed woord over voor zijn collega’s in Alkmaar, onder wie groepen vielen zoals de barbiers[48], de geestelijken die hij “empiricus sacrificulus” (alchemist-offerpriesters) noemde, de franciscanen uit het minderbroederklooster, alchimisten die volgens hem de sadisten bij uitstek waren, en ten slotte “mulierculae” (vrouwtjes).[49] Hij koesterde voor die laatste groep grote minachting wegens hun drankjes en hun zalfjes, die veel meer kwaad dan iets goeds uitrichtten. Van Foreest was de juiste persoon die autoriteit bezat op zijn gebied en zich tegen allerlei misstanden kon richten. Een stadsarts moest volgens de regels immers een (echte) bul of licentie tonen om het geneeskundige vak uit te kunnen oefenen.[50]
Wat we hier terugzien, is dat het werkterrein binnen de geneeskunde in de zestiende eeuw nog vaag was afgebakend. De verschillende beroepsgroepen waren immers in gilden georganiseerd. Hoe meer organisatie er bestond door middel van gilden, des te meer terrein moest een stadsarts prijsgeven. Een uitspraak van Van Foreest is dat “Die gesondtheyt is een onwerdeerlicke schat, die met geen goudt oick te gelijcken is.”[51] In de Emperiken staat deze laatste redenering centraal. Het was Hippocrates die een gedragscode opstelde en die stond model voor de ideale arts waarnaar Van Foreest zijn gehele leven streefde. Het waren de lessen van zijn leermeesters die voor Pieter van Foreest als leidraad dienden. De duidelijke stellingname van Van Foreest tegen Paracelsus heeft nog met iets anders te maken. Net zoals in de Oudheid bestond er competitie tussen de geneeskundigen over wie nu precies dit gebied mocht bewandelen en hoe wetenschap nu precies moest worden bedreven. In de tijd van Van Foreest was dit niet anders en zelfs tegenwoordig sleept zich de strijd en spanning die tussen wetenschap en pseudo-wetenschap bestaat nog steeds voort.
Geneeskundige boeken in de Alkmaarse Librije
De catalogus van J.J. de Gelder vermeldt 23 geneeskundige boeken. Sommige hiervan zijn convoluten, dat zijn boekbanden waarin meer boeken zijn ingebonden. In een ander essay zijn al enkele geneeskundige werken van de Alkmaarse Librije beschreven.[52] Daarom wordt er in dit essay niet verder op ingegaan, want het onderwerp van dit essay is de gebruikssporen in de geneeskundige boeken en de medische stand in Alkmaar. De geneeskundige werken met gebruikssporen verdienen hier aandacht. In dit geval zijn het zeven boeken die gebruikssporen bevatten. Het betreft de titels:
|
Aetii Antiocheni Medici de cognoscenis et curandis morbis (133 A13) |
|
Aetii Amideni Quem Alii Antiochenum Vocant Medici Clarissimi Libri XVI |
|
(133 A12/1) |
|
Tomus Tertius Habet Aetii Amideni Medici Clarissimi De Re Medica Libros |
|
Tres (133 A12/2) |
|
Paradoxorum Medicinae Libri Tres (133 A12/3) |
|
Avicennae medicorum Arabum principis (134 E1) |
|
Observationum et curationum medicinalium (134 B15) |
|
Commentarii secundo aucti, in libros sex (133 B6/1) |
|
Apologia adversus Amathum Lusitanum. Venetiis (133 B6/2) |
|
De Subtilitate Libri XXI. (133 B4) |
|
Epistolarvm Medicinalium libri dudeuiginti (133 B2) |
De gebruikssporen zijn aantekeningen in de marge, onderstrepingen in de tekst, en aanvullingen. Problematisch blijft wanneer deze boeken voor het eerst in de Alkmaarse Librije hebben gestaan. Vermoedelijk waren sommige van deze boeken eerst in het bezit van de stadsartsen zelf. In de Alkmaarse Librije waren de boeken op formaat en taal gerangschikt. Helaas hebben vele boeken waterschade opgelopen, maar hiermee valt te stellen dat de boeken op zijn minst met elkaar in verband stonden of naast elkaar hebben gestaan.[53]
Gebruikssporen in de geneeskundige boeken van de Alkmaarse Librije
Door de waterschade aan veel van de boeken zijn veel gebruikssporen en aantekeningen niet goed te lezen. Toch zijn sommige leesbare gegevens interessant en er kunnen aan de hand hiervan kleine ontdekkingen en uitspraken worden gedaan. Wat het meeste voorkomt, is dat er in de tekst woorden zijn onderstreept en het desbetreffende woord in de marge is opgeschreven, zoals in Epistolarvm Medicinalium libri dudeuiginti (133 B2) op C6r-C6v:
Uermes sufficit interficere absinthium [Vrije vertaling: Absinthium is voldoende om een worm of larven te vernietigen][54]
Absinthium is een in Europa algemeen voorkomend kruid.[55] De bladeren zijn zijdeachtig en bleekgroen en deze plant heeft gele bloemen. Al in de Oudheid werd dit gebruikt om uiteenlopende kwalen te bestrijden, waaronder hoge koorts. Er werd geloofd dat deze plant wormafdrijvend was en een goede spijsvertering zou bevorderen. De talloze onderstrepingen van woorden in de tekst en het noteren ervan in de marge moeten hebben bijgedragen aan de opzoeksnelheid. In een tekst van meer dan 500 bladzijden en volle bladen met letters is het nu eenmaal niet makkelijk om te vinden wat men zoekt. De meeste zaken staan al in het lettertype romein gedrukt, maar de gebruikers van de boeken vonden dit blijkbaar niet genoeg. Deze bevinding geldt ook voor de andere boeken die meer globaal zijn bekeken. Er kan voorzichtig worden gesteld dat dit ook vanuit maatschappelijk oogpunt noodzakelijk was, want het is beter als een arts snel weet welke handeling hij moet verrichten of welk recept hij moet voorschrijven.
Over het algemeen zijn in de boeken weinig woorden doorgestreept. Sommige fouten zijn met een inktvlek bedekt geworden, maar door de tand des tijds weer zichtbaar geworden. Zo is in de kantlijn te lezen op u6r (133 A12) “Citho, globulus” (Vrije vertaling: Met snelheid de ziekte bezweren). Aan de hand van deze gebruikssporen kan worden beweerd dat er in Alkmaar in de zestiende eeuw meer artsen waren die genoeg autoriteit bezaten om verbeteringen in de boeken aan te brengen. Verbeteringen konden op hun beurt weer ongedaan gemaakt worden.
In het boek Paradoxorum Medicinae Libri Tres (133 A12/3) is op C6r een verbetering aangebracht. Het woord “aconitum” is zeer terecht verbeterd in: “aronitu”.[56] Met “aconitum” wordt namelijk de monnikskap of ‘genus aconitum’ bedoeld, een plant die een paarse en een gele soort kent, in West-Europa voorkomt, maar deze plant en dan vooral de gele soort is zeer giftig! Met “aronitu” wordt de aronskelk bedoeld, die slechts lichtelijk giftig is, maar na het koken zijn giftigheid verliest. De aronskelk was verder een lange tijd populair om op graven te leggen. Het sap van de aronskelk (nadat deze eerst gekookt is) diende als een geneesmiddel tegen pest en melaatsheid.[57] Uit dit voorbeeld blijkt dat er dus een belangrijke verbetering in dit boek uit de zestiende eeuw is aangebracht. In de kopij van het originele boek moet deze fout er waarschijnlijk zijn ingeslopen. De gebruiker of lezer van dit boek had dus voldoende autoriteit en of praktijkervaring om deze verbetering aan te brengen.
Problematisch blijft wanneer deze verbeteringen zijn aangebracht. Dit is belangrijk, omdat pas na 1545 met zekerheid is te zeggen dat de Alkmaarse Librije bestond.[58] Misschien zijn de meeste gebruikssporen aangebracht toen de boeken in particulier bezit waren, maar dit kan niet met zekerheid worden gezegd. Het kan ook mogelijk zijn dat de gebruikssporen in de Alkmaarse Librije zijn aangebracht, hoewel dit tegen de regels inging. Als dit laatste het geval was, dan was het (naar mijn mening) alleen mensen met een bepaalde autoriteit toegestaan om in de geneeskundige boeken van de Alkmaarse Librije belangrijke verbeteringen aan te brengen.
Wat ook vaak voorkomt in de boeken zijn onderstrepingen van de symptomen van bepaalde ziektes. Speciale aandacht ging uit naar koortsen die in de zestiende eeuw waarschijnlijk zeer vaak voorkwamen. In het boek Aetii Amideni Quem Alii Antiochenum Vocant Medici Clarissimi Libri XVI (133 A12/1) op r5v staat het hoofdstuk: “Febris ardentis curatio ex philumeno” [Vrije vertaling: Een medische behandeling voor de brandende koorts en waaraan men deze kan herkennen]. Onderstreept is de volgende tekst:
horum exarescit, nigrescit, exasperatur, ac uentriculi eorio, sitis intolerabilis, uigilae, saepe & delyrium insestat.
[Vrije vertaling: Bij deze ziekte trad droogte op, werd het (gal) zwart, was de huid ruw, achter de buik was er iets te zien, en men was niet in staat om wakker of alert te blijven, vele malen trad ook een waanzinnige woede of krankzinnigheid op]
Opzoeksnelheid is ook in dit voorbeeld het sleutelwoord. De ervaring van artsen was natuurlijk belangrijk en betaalde zich vroeg of laat uit, maar ook een stadsarts uit de zestiende eeuw kon onmogelijk de volledige vakliteratuur en het gehele vakgebied beheersen. Hierdoor was men wel genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot de geneeskundige boekwerken. Omdat er mensenlevens op het spel stonden, was het extra noodzakelijk dat zaken snel genoeg konden worden opgezocht en gevonden.
In hetzelfde boek (133 A12/1) op r6v zijn eveneens belangrijke woorden onderstreept bij het hoofdstuk: “Exquisitae tertianae dignotio” [Vrije vertaling: Onderzoek naar de anderdaagse of derdendaagse koorts en hoe deze zich onderscheidt]. Deze anderdaagse of derdendaagse koorts wordt veroorzaakt door parasieten en de koortsaanvallen treden om de andere dag op. In een tabel heb ik opgenomen wat er is onderstreept in de tekst:
|
Onderstreepte Latijnse tekst: |
Vrije vertaling: |
|
|
|
|
tempore maxime |
maximale tijd |
|
|
|
|
stimulet & tanquam |
ziekte wordt aangestoken & zoals |
|
|
|
|
fundum magis obsidete |
als een groot deel van het land of stad |
|
|
wordt belegerd |
|
|
|
|
exactus ordo |
juiste volgorde (om de ziekte uit te drijven) |
|
|
|
|
postea |
erna |
|
|
|
|
subrussae subflaua ec[que] sunt |
rood warme met lichte, deze zijn |
|
|
|
|
sunt & moderate crassae |
zijn & beetje ruw |
Deze onderstreepte woorden kunnen aantonen wat de stand was van medische kennis in de zestiende eeuw. Bij de derdendaagse koorts wist men dat deze in het bijzonder tijdens langdurige belegeringen optrad. Heel dodelijk was deze ziekte niet, maar het was wel enorm lastig. Alkmaar was een stad die in de zestiende eeuw door de Spanjaarden werd belegerd en met regelmaat door andere vijandelijke legers werd omsingeld.[59] Opnieuw is ook hier opzoeksnelheid van symptomen, voorwaarden en een eventuele genezing van belang. Alleen de ziekten die voorkwamen en waarvan het nuttig was om kennis te nemen, zijn in de boeken vaak onderstreept. Dit verklaart mede waarom in sommige delen van de boeken veel is geschreven en in andere delen weer helemaal niet. Middelen waarvan gedacht werd dat ze genezing zouden brengen van de derdendaagse koorts, staan iets verder op dezelfde pagina in het hoofdstuk: “Tertianae exquisitae curatio” (onderzoek naar de genezing van de derdendaagse koorts). In de tabel hieronder is opgenomen wat onderstreept is.
|
Onderstreepte Latijnse tekst: |
Vrije vertaling: |
|
|
|
|
humectare ac frigefacere oportet |
vochtigheid en het koudmaken is |
|
|
noodzakelijk [voor alles en iedereen] |
|
|
|
|
mollientibus |
verzachten |
|
|
|
|
acque perfusos aegros |
en ook het nat-/koudmaken van |
|
|
de zieken |
|
|
|
|
hortabimur ibic[q]ue quandiu |
voor een langere periode moet dit |
|
|
worden gedaan |
|
|
|
|
hisante |
hiervoor |
|
|
|
|
ptisanae cremor |
gerstewater of dikke saus gemaakt van |
|
|
granen of groenten. |
Zoals ook bij Pieter van Foreest bleek, wisten de geschoolde artsen uit de zestiende eeuw dat koelte en rust bijdroegen aan genezingen. Het gerstewater, dat hierboven in de tabel is genoemd, werd gebruikt tegen allerlei ontstekingen en koortsen.[60] De onderstrepingen dienden vooral om geneesmiddelen en praktische aanwijzingen tegen ziekten snel te kunnen vinden.
Het belang van Galenus en Hippocrates blijkt uit de geneeskundige boekwerken uit de Alkmaarse Librije. Als er door een van de twee een belangrijke bewering is gedaan, dan is dit vaak onderstreept. In hetzelfde boek (133 A12/1) is op s3r in het hoofdstuk met de titel: “Remedia communia ad hac febres quae per circuitus accedunt ex dioscoride” [Vrije vertaling: De normale genezing van deze koortsen door middel van (…) afkomstig van Dioscorides (+/- 50 na Chr)]. Onderstreept is de tekst waarin Galenus iets heeft beweerd:
Galeni ad omnem periodum sed quartanariam [Vrije vertaling: In overeenkomst met Galenus (moeten/moet) alle mannen of iedereen voor een (bepaalde) tijd onder quarantaine of naar een speciale plaats.]
De autoriteit van Galenus en Hippocrates was in de vroegmoderne geschiedenis enorm en het werd van belang geacht de teksten en uitspraken van beide antieke geneesheren goed te kennen. Een zelfde voorbeeld van de autoriteit van de antieke geneesheren is te vinden op x3v van hetzelfde boek (133 A12/1), en onderstreept is:
De epilepsia uel morbo comitiali Galeni [Vrije vertaling: Over epilepsie alsook zwakke aanvallen van epilepsie beschreven door Galenus].
Bovendien is er een korte tekst met inkt in de marge geschreven op x4r bij hetzelfde hoofdstuk over epilepsie, maar dit is wel zeer fragmentarisch:
|
Latijnse Tekst: |
Vrije Vertaling: |
|
|
|
|
Alex Aehrod Sen. |
[Dit lijkt op een eigennaam, maar is onduidelijk] |
|
Vult in codomta |
(iets m.b.t een wond?) |
Er staan eveneens nog twee andere korte regels, maar daar valt niets uit op te maken. Bij de bestudering van zestiende-eeuwse geneeskundige boeken zullen vragen onbeantwoord blijven.
Gebruikssporen kunnen er in eerste instantie op wijzen dat een boek werd gebruikt en in een bepaalde tijd is gelezen. In Epistolarvm Medicinalium libri dudeuiginti (133B2) ben ik een aantekening tegengekomen onder de tekst op e6v, waaruit blijkt dat er nog geen grens tussen geneeskundige en geestelijke activiteiten was:
Paulus addu Sina potione de Alve Ph.2 Anno 1528. [Vrije vertaling: Paulus plaatst(e) een schaal om uit te drinken (…) [Filippenzen 2 Anno? 1528.]
Hierboven wordt naar De Brief van Paulus aan de Filipenzen uit het Nieuwe Testament verwezen. Filippenzen 2 gaat gedeeltelijk over de geestelijke weerstand tegen ziekten. In Filippenzen 2:19-3:1 is te lezen dat de christenen Timoteüs en Epafroditus lichamelijk ziek waren geworden. Door te blijven bidden, zich geestelijk te sterken en rechtvaardig te blijven, zouden deze twee christenen weer zijn genezen. De tekst hierboven is in een recentere Bijbel niet letterlijk terug te lezen. De mogelijkheid blijft open dat deze tekst in een oude Bijbel uit de zestiende eeuw (en in het Latijn) nog wel is te lezen.
Het nut van gebruikssporen in oude boeken
In eerste instantie lijkt het niet zo vanzelfsprekend dat er in oude gedrukte boeken werd geschreven. Na de uitvinding van de boekdrukkunst was het boek al snel een duur handelswaar geworden.[61] Alleen al het papier van de boeken was zeer kostbaar. Vanuit dit standpunt is het opmerkelijk dat er dan toch in deze boeken gebruikssporen zijn terug te vinden. Blijkbaar overschreed men sneller de ongeschreven regel om boeken ‘netjes’ te houden. Bij de geneeskunde stonden echter mensenlevens op het spel, waardoor het eerder was toegestaan om in de boeken te schrijven en daarmee de kennis op peil te houden en vooral ook om snel bepaalde zaken terug te kunnen vinden. Onder boekhistorici zijn echter de meningen over het nut met betrekking tot de studie van gebruikssporen verdeeld.[62] Sommige boekhistorici stellen dat de geschiedenis van het lezen niet uit gebruikssporen valt te reconstrueren, hoe vindingrijk de methode van aanpak ook is. Bovendien is volgens deze groep een reconstructie compleet overbodig. Achter deze bewering gaat echter een ander debat schuil, namelijk over het gebruik van theorie in de geschiedenis. Het zijn vaak de historici die het gebruik van theorie verwerpen.[63] Andere boekhistorici, zoals H.J. Martin, zijn van mening dat het op zijn minst heel moeilijk is om een tekst compleet te begrijpen in de context en dat gebruikssporen slechts een klein aandeel kunnen leveren in een onderzoek. Een meer neutrale bewering is afkomstig van J. Machor, die vindt dat de gebruikssporen alleen iets aangeven over de manier waarop een boek is gebruikt.
Naar mijn mening kunnen alleen op basis van gebruikssporen, die feitelijk hele kleine snippertjes zijn, kleine beweringen en ontdekkingen worden gedaan. Toegang tot mentale processen van lezers zal men echter niet krijgen, daar is de informatie vaak te gering voor. Er zullen wel altijd problemen blijven hangen aan onderzoek naar gebruikssporen. Een probleem is dat deze altijd indirect zijn. Wel zijn gebruikssporen een indicatie of boeken nu werkelijk werden gelezen of slechts op de boekenplank stonden. En aan de hand van gebruikssporen kan worden nagegaan wat men nu precies uit de boeken haalde en welke kennis men belangrijk vond.
Een bijna algemene regel is dat indien eenmaal in een boek is geschreven, dit aanleiding vormde om meer in een boek te schrijven.[64] De geneeskundige boeken hebben waarschijnlijk aan het einde van de zestiende eeuw altijd in de Alkmaarse Librije gestaan. En dit laatste is misschien ook maar goed geweest voor de beoefening van de geneeskunde. Niet iedere ongekwalificeerde geneesheer, of beter gezegd kwakzalver, was hierdoor in Alkmaar in staat om zaken in de boeken te verbeteren, door te halen of aan te vullen. Met andere woorden waren de geneeskundige boeken met opzet afgeschermd tegen ‘corrumperende’ invloeden van buitenaf en misbruik werd hierdoor dan ook voorkomen. Deze redenering valt in stand te houden, omdat de aangetroffen gebruikssporen een terugkerend patroon vertonen van onderstrepingen, aanvullingen en enkele zeer nuttige verbeteringen. Een tweede mogelijkheid is dat bepaalde geneeskundige boeken eerst privé-bezit waren van Alkmaarse stadsartsen, maar dit is niet duidelijk. De Alkmaarse Librije had een beperkt aantal sleutels die toegang boden tot het gebouw en men had allicht de mogelijkheid om teksten over te schrijven. Omdat er veel onduidelijk is, kan voorzichtig worden gesteld, dat in theorie een stadsarts in de gelegenheid was om in de boeken van de Alkmaarse Librije te schrijven.
Er komt nog veel meer kijken bij het onderzoek naar gebruikssporen, bijvoorbeeld externe zaken. Misschien vond de overheid dan wel de maatschappij het van belang dat de geneeskundige kennis betrouwbaar bleef. Bovendien waren de boeken in de Latijnse taal gedrukt. Dit vormde een extra barrière, omdat niet iedereen deze taal van de geleerden machtig was. In de literatuur over gebruikssporen wordt gesproken over het gebruik van inkortingen die gebruikt zijn zodat allerlei lieden (die geen Latijn kenden) de inhoud konden lezen of aan een publiek vertellen.[65] Dit is bij de geneeskundige boeken niet het geval, want er wordt geen inhoud ingekort en wat er in de marges is geschreven staat eveneens allemaal in het Latijn.
De angst was altijd groot dat er allerlei irrelevante zaken in de boeken werden geschreven, indien de grens eenmaal vervaagd was.[66] Commentaar en ondoordachte aantekeningen kunnen serieuze schade aanrichten aan de inhoud van het boek. In de vorige paragraaf heb ik genoemd dat onnodig of fout commentaar werd bedekt met inkt. De angst voor corrumpering van kennis in boeken komt niet uit de lucht vallen, want een aantal geleerden uit de renaissance was al van mening dat commentaar, hetzij handgeschreven of gedrukt, de waarneming van een centrale tekst kon veranderen.[67] Hiermee werd bedoeld dat commentaar iemand de verkeerde kant uit kon sturen en of de betrouwbaarheid van de tekst kon schaden. Dit alles was bij geneeskundige boeken dan ook zeer onwenselijk.
De aangetroffen gebruikssporen in de geneeskundige boeken van de Alkmaarse Librije waren in de eerste plaats aangebracht om ergens de aandacht op te vestigen. Dit alles was dus uiterst functioneel en in de eerste plaats om de symptomen van de ziekten en genezingen snel terug te kunnen vinden. Er werden alleen woorden in de tekst onderstreept als deze ter zake deden. Het is ook heel goed mogelijk dat de aangebrachte aantekeningen in de marges als een soort geheugensteun dienden. Omdat waarschijnlijk alleen Alkmaarse stadsartsen de geneeskundige boeken in de Librije lazen en er soms in schreven, hoefden de opvolgers van een stadsarts niet opnieuw het wiel uit te vinden. Een opvolger kon uit de voeten met het commentaar of aangebrachte aantekeningen van zijn voorganger. Zodoende werd er werk bespaard en wist men met meer zekerheid dat de informatie betrouwbaar was.
De gebruikssporen geven duidelijke aanwijzingen welke ziekten er in Alkmaar regelmatig voorkwamen en welke kennis men van belang achtte. Op basis van de vele onderstrepingen kan worden gesteld dat bepaalde geneeskundige boeken als naslagwerk werden geraadpleegd. Er valt aan de hand van deze boeken ook te achterhalen welke kennis er op een bepaalde tijd en plaats voor een geleerde beschikbaar was. Ondanks de moeilijkheden die gebruikssporen met zich meebrengen, kunnen deze tegelijkertijd niet buiten het onderzoek worden gehouden.
Conclusie
De geneeskundige boeken uit de Alkmaarse Librije kunnen meer inzicht geven in de zestiende-eeuwse ideeënwereld en leefomstandigheden op lokaal gebied. Voor 1500 zijn er te weinig gegevens beschikbaar, maar in de zestiende eeuw bleek dat het bestuur en de maatschappij behoefte had aan geneeskundige zorg. Van de stadsdoctoren die Alkmaar in de zestiende eeuw kende, waren Melis Cornelisz. en Pieter van Foreest veruit de belangrijkste. Een lange tijd stonden de geneeskundige instellingen onder kerkelijk bestuur. In de gehele zestiende eeuw is God niet weg te denken uit de ideeënwereld. Dit laatste blijkt ook bij nadere bestudering van Pieter van Foreest, die persoonlijk een sterk geloof in God had, maar zich buiten de religieuze twisten van zijn tijd hield. Ook wordt in Epistolarvm Medicinalium libri dudeuiginti (133B2) naar een passage uit De Brief van Paulus aan de Filipenzen uit het Nieuwe Testament verwezen.
In de zestiende eeuw is er ook al genoeg strijd en spanning tussen wetenschap en pseudo-wetenschap binnen de geneeskunde. De groep stadsartsen die gestudeerd had en een licentie of bul kon tonen, viel binnen de geneeskundige wetenschap. Zij gingen wetenschappelijk te werk, door middel van een methode die gebaseerd was op observaties en het zoeken naar verklaringen. Binnen de pseudo-wetenschap vallen feitelijk de groepen die op de argwaan van Pieter van Foreest konden rekenen en waarvoor hij geen goed woord over had.
Op basis van de gebruikssporen kunnen alleen kleine ontdekkingen en beweringen worden gedaan. Heel misschien kunnen deze tot een grotere reconstructie leiden. Het schrijven en onderstrepen in geneeskundige boeken was vooral functioneel en had tot doel om tijd en indien mogelijk mensenlevens te besparen. De geneeskundige boekwerken werden als naslagwerk geraadpleegd en gebruikt, waarbij opzoeksnelheid het sleutelwoord was. De Alkmaarse Librije was niet alleen een bewaarplaats van de boeken, maar diende ook om de boeken tegen verkeerde lieden en invloeden af te schermen. Misschien konden alleen gekwalificeerde stadsartsen in de Alkmaarse Librije de boeken lezen en in de boeken schrijven. Als dit laatste het geval was, dan is op basis van de behandelde gebruikssporen te stellen dat ongekwalificeerde lieden uit de Alkmaarse Librije werden geweerd. Dit laatste was maar goed ook, want hierdoor bleef de informatie in de geneeskundige boeken betrouwbaar.
Literatuur
Bosman-Jelgersma, H.A., ‘Hoe Pieter van Foreest de geleerde Foreestus werd.’ in: H.L. Houtzager (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989)
Bruijne, M.C. de, ‘De Pieter van Foreeststichting 1964-1989’ in: H.L. Houtzager (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989)
Febvre, L., en H.J. Martin, The coming of the book. The impact of printing 1450-1800 (London 1979)
Gelder, H.E. de, Alkmaarse opstellen (Alkmaar [1961])
Herdenkingsbijeenkomst voor Pieter van Foreest 1521-1597. Ter gelegenheid van zijn 400ste sterfdag in de Grote Sint Laurenskerk te Alkmaar op 13 maart 1997 (z.p. [1997])
Houtzager, H.L, ‘Pieter van Foreest, lijfarts van de Prins van Oranje’ in: Idem (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989)
Jackson, H.J., Marginalia. Readers writing in Books. (New Haven 2001)
Lieburg, M.J. van, ‘Pieter van Foreest en de rol van de stadsmedicus in Noord-Nederlandse steden van de 16e eeuw’ in: H.L. Houtzager (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989)
Lindeboom, G.A., Pieter van Foreest (1522-1597) (Amsterdam 1960)
Nutton, V., ‘Pieter van Foreest and the plagues of Europe: some observations on the Observationes’ in: H.L. Houtzager (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989)
Palmer, R.R. e.a., A History of the Modern World. 9th ed. (Boston 2002)
Resoort, R., ‘Over de betekenis van gebruikssporen in prozaromans en volksboeken’ Spektator 6 (1976-1977) p. 311-327
Vis, G.N.M., 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar. 1341-1991 (Hilversum 1991)
Vis, J., ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’ Gewina 21 (1998) p. 65-80
Wortel, Th. P.H., Oud Alkmaar (Amsterdam 1943)
Literatuur slechts vermeld in de noten:
Atrium encyclopedie (Londen 1994)
Beliën, H., en G.J. van Setten, Geschiedschrijving in de twintigste eeuw. Discussie zonder eind (Amsterdam 2000)
Woordenboek der Nederlandsche Taal
Herwig, A.J., Herwigs praktische tuin-encyclopedie (Arnhem 1964)
Moyers, B., Gezondheid en geest (Houten 1994)
Phillips, R., en S.E. Stumpel-Rienks, Wilde bloemen (Utrecht 1987)
Noten:
[1] Wortel, Th.P.H., Oud Alkmaar (Amsterdam 1943) 50.
[2] Bosman-Jelgersma, H.A., ‘Hoe Pieter van Foreest de geleerde Foreestus werd.’ in: H.L. Houtzager (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989) p. 11.
[3] Vis, J., ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’ Gewina 21 (1998) p. 65.
[4] Ibidem, p. 79
[5] Lieburg, M.J. van, ‘Pieter van Foreest en de rol van de stadsmedicus in Noord-Nederlandse steden van de 16e eeuw’ in: H.L. Houtzager (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989) p. 47.
[6] Ibidem, p. 63-64
[7] Vis, G.N.M., 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar. 1341-1991 (Hilversum 1991) 63.
[8] Ibidem, 62
[9] Ibidem.
[10] Ibidem.
[11] Lieburg, ‘Pieter van Foreest en de rol van de stadsmedicus’, p. 50.
[12] Ibidem, p. 54.
[13] Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 55 en Vis, ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’, p. 65.
[14] Vis, ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’, p. 79. Niet alles is overgenomen uit de tabel.
[15] Ibidem, 80.
[16] Lindeboom, G.A., Pieter van Foreest (1522-1597) (Amsterdam 1960) 12.
[17] Ibidem, 8.
[18] Herdenkingsbijeenkomst voor Pieter van Foreest 1521-1597. Ter gelegenheid van zijn 400ste sterfdag in de Grote Sint Laurenskerk te Alkmaar op 13 maart 1997 (z.p. [1997]) p. 21-24:
[19] Moyers, B., Gezondheid en Geest. (Houten 1994) 83.
[20] Bosman-Jelgersma ‘Hoe Pieter van Foreest de geleerde Foreestus werd.’ P. 15-16.
[21] Ibidem, p. 14.
[22] Ibidem, p. 14-15.
[23] Lindeboom, Pieter van Foreest, 9.
[24] Dat zijn vrouw ook lesgaf is uitzonderlijk. Zie: Houtzager, H.L, ‘Pieter van Foreest, lijfarts van de Prins van Oranje’ in: Idem (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989) p. 74.
[25] Ibidem, p. 72-73.
[26] Ibidem, p. 74:
[27] Vis, ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’, p. 76.
[28] Lindeboom, Pieter van Foreest, 26.
[29] Nutton, V., ‘Pieter van Foreest and the plagues of Europe: some observations on the Observationes’ in: H.L. Houtzager (ed.), Pieter van Foreest. Een Hollands medicus in de zestiende eeuw. (Amsterdam 1989) p. 33-34.
[30] Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 58.
[31] Ibidem, 54.
[32] Nutton, ‘Pieter van Foreest and the plagues of Europe: some observations on the Observationes’, p. 33-34.
[33] Ibidem, 35.
[34] Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 54.
[35] Nutton, ‘Pieter van Foreest and the plagues of Europe: some observations on the Observationes’, p. 31: Behalve als dit een fout is voor 1 januari 1588, dit is het jaar waarin het eerste boek verscheen.
[36] Bosman-Jelgersma ‘Hoe Pieter van Foreest de geleerde Foreestus werd.’, p. 22.
[37] Nutton, ‘Pieter van Foreest and the plagues of Europe: some observations on the Observationes’, p. 33.
[38] Ibidem, p. 25.
[39] Ibidem, 26-27.
[40] Bosman-Jelgersma ‘Hoe Pieter van Foreest de geleerde Foreestus werd.’, p. 19.
[41] Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 54. Zie ook: Vis, ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’ p. 70: zie daar de noot: Streefkerk, ‘De boekschenking van Pieter van Foreest aan de Alkmaars Librije’: in: Bosman-Jelgersma, Petrus Forestus Medicus, 365-366.
[42] Herdenkingsbijeenkomst voor Pieter van Foreest 1521-1597. p. 37-38.
[43] Lieburg, ‘Pieter van Foreest en de rol van de stadsmedicus’, p. 56.
[44] Bosman-Jelgersma ‘Hoe Pieter van Foreest de geleerde Foreestus werd.’, p. 21.
[45] Febvre, L., en H.J. Martin, The coming of the book. The impact of printing 1450-1800 (London 1979) 57. De letters werden gegoten van drie verschillende metalen, namelijk van lood, tin en antimonium (element 51) en dit in strenge proporties om maximale kracht te verzekeren.
[46] Palmer, R.R. e.a., A History of the Modern World. 9th ed. (Boston 2002) 267.
[47] Vis, G.N.M., 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 52-54.
[48] Woordenboek der Nederlandsche Taal: Barbier: Naar het ouder gebruik, ten tijde dat het baardschrappen werd beschouwd als behorende tot het werk van den heelmeester. Barbier wordt dan gebruikt waar men thans chirurgijn zou verwachten.
[49] Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 55.
[50] Lieburg, ‘Pieter van Foreest en de rol van de stadsmedicus’, p. 56-57.
[51] Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, p.5.
[52] Zie de scriptie van Ans Schoorlemmer op de website over de Alkmaarse Librije.
[53] Resoort, R., ‘Over de betekenis van gebruikssporen in prozaromans en volksboeken’ Spektator 6 (1976-1977) p. 320.
[54] Bij de vertaling uit het Latijn zijn diverse digitale woordenboeken gebruikt.
[55] Herwig, A.J., Herwigs praktische tuin-encyclopedie (Arnhem 1964) 16 en 63. ook wel Artemisia genoemd. Zie ook: Phillips, R., en S.E. Stumpel-Rienks, Wilde bloemen (Utrecht 1987) 158(k).
[56] Aan de hand van een digitaal woordenboek (Latijn-Engels) bleek dat het ging om twee verschillende planten. Aconitum is in het Engels Wolfsbane of Aconite. Dat is in het Nederlands dus de monnikskap (of aconitum) Zie daarvoor: Herwig, Herwigs praktische tuin-encyclopedie, 20 en Phillips en Stumpel-Rienks, Wilde bloemen, 88(e) en 136(e). Het woord ‘aronitu’ werd in het Engels vertaald als ‘plants of genus arum’, dat in het Nederlands de Aronskelk (of Zantedeschia) is. Zie daarvoor: Herwig, Herwigs praktische tuin-encyclopedie, 628-629 en Phillips en Stumpel-Rienks, Wilde bloemen, 46(b), 88(g) en 150(d).
[57] Zie noot 55.
[58] Zie de essays van vorig jaar op de website over de Alkmaarse Librije.
[59] Tijdens de rondleiding in de Grote Kerk is hierover gesproken.
[60] Atrium encyclopedie (Londen 1994) 189.
[61] Febvre en Martin, The coming of the book, 109.
[62] Jackson, H.J., Marginalia. Readers writing in Books. (New Haven 2001) 253-254.
[63] Beliën, H., en G.J. van Setten, Geschiedschrijving in de twintigste eeuw. Discussie zonder eind (Amsterdam 2000) 301-304.
[64] Jackson, Marginalia, 234.
[65] Resoort, ‘Over de betekenis van gebruikssporen in prozaromans en volksboeken’ p. 325.
[66] Jackson, Marginalia. 240.
[67] Ibidem, 241.