Irene Schrier

 

 

‘Stadts Bibliotheca ofte Librije’

 

Een analyse van het historisch en modern gebruik van de woorden ‘stadsbibliotheek’ en ‘librije’

 

 

   

1. Inleiding

 

In 1616 maakte Pieter Corneliszoon Hooft een bewerking van de komedie Aulularia van de Romeinse auteur Plautus. Hooft verplaatste de handeling in zijn Warenar naar Amsterdam. In het vierde bedrijf speelt de handeling zich af bij de Dam, bij het kerkhof en de Nieuwe Kerk. Zo komt het dat we opeens in de versregels 843-845 lezen, als de knecht Ritsaert komt informeren over het aanstaande huwelijk van zijn oom met de dochter van Warenar:[1]

 

Daer heb ick ongse Ritsert esocht om heynd en om by,

Ten lesten sey my ien van zijn speulnoots, hy was inde Libry.

Daer vond ick hem legghen mit de neus inde boecken;

 

In de regels 1222-1224 ziet Ritsaert de knecht aankomen en herinnert zich het voorgaande:

 

Sie ick daer ongse Lecker niet? jae, 'tis de jonghen, 

'tIs drie uren gheleen dat hy quam inde Lybry,

En hy sel noch niet t'huys gheweest zijn sint hy scheyde van my.

 

Met ‘Libry’ verwijst Hooft naar de in de zestiende eeuw opgerichte boekerij die zich bevond in de Nieuwe Kerk van Amsterdam. In de zestiende eeuw waren er in nog meer plaatsen boekerijen opgericht, zoals de boekerij die tegenwoordig bekend is als de ‘Zutphense librije’. In een studie over de ‘librije van Enkhuizen’, wordt ook gesproken over ‘de librije van Gouda’, de ‘librije van Edam’ en de ‘librije van Hoorn’. De boekenverzameling van Amsterdam wordt dan echter aangeduid als de ‘stadsbibliotheek van Amsterdam’.[2] Waarom dit verschil? Zoals we in de citaten hierboven kunnen zien is de term ‘librije’ wel degelijk ook voor Amsterdam gebruikt. Of had Hooft hier te maken met rijmdwang? Naast Amsterdam lijken ook de boekerijen van Haarlem en Deventer als stadsbibliotheek bekend te staan. Ook in dit geval gaat het om boekerijen die in de zestiende eeuw werden opgericht. In dit onderzoek wil ik proberen om meer helderheid te krijgen over het gebruik van de woorden ‘librije’ en ‘(stads)bibliotheek’. De volgende vragen komen aan de orde:

 

1)                 Hoe werden de woorden ‘librije’ en ‘(stads)bibliotheek’ in historische zin (in de zestiende en zeventiende eeuw) gebruikt?

2)                 Hoe worden de woorden ‘librije’ en ‘stadsbibliotheek’ heden ten dage gebruikt als er verwezen wordt naar de oude zestiende-eeuwse en vroeg-zeventiende-eeuwse institutionele boekerijen? Is een librije iets anders dan een stadsbibliotheek?

 

De naamgeving van een boekencollectie zegt niets als je het niet bekijkt tegen de achtergrond van haar ontstaan, ontwikkeling en voortbestaan. Een zeer belangrijk onderdeel in dit verslag is dan ook de beschrijving en vergelijking van een tiental boekerijen. Deze beschrijvingen zullen naar ik hoop een goed overzicht geven van de verschillende collecties en zijn daarom tevens te gebruiken als startpunt voor verder onderzoek naar de zestiende- en vroeg-zeventiende-eeuwse bibliotheken.

In paragraaf 2 zal ik inventariseren welke ideeën er reeds zijn over het gebruik van de woorden ‘librije’ en ‘(stads)biliotheek’. In paragraaf 3 zullen een tiental zestiende-eeuwse en vroeg-zeventiende-eeuwse boekerijen de revue passeren. In paragraaf 4 worden de gegevens uit de vorige paragraaf geanalyseerd met de hoop een voorlopig antwoord te kunnen formuleren op de vragen die hierboven gesteld zijn. In paragraaf 5 volgt de conclusie.

 

 

2. Librije of bibliotheek, kerkbibliotheek of stadsbibliotheek

 

2.1 De woorden ‘librije’ en ‘bibliotheek’ in historisch perspectief

Het woord ‘librije’ kent vele schrijfvarianten: lib(e)rie, lib(e)ry(e), lib(e)rij(e). De term is indirect afkomstig van het Latijnse woord ‘libraria’. Het is waarschijnlijk dat het woord via het Frans (librairie) in de Nederlandse taal terecht is gekomen. Het woord ‘bibliotheek’ heeft zijn oorsprong in het Grieks (βιβλιοθηκη = verzamelplaats van boeken) en kan qua vorm zowel aan het Latijn (bibliotheca) als aan het Frans (bibliothèque) ontleend zijn.[3]

Interessanter dan de oorsprong van het woord is in dit onderzoek de ontwikkeling in het gebruik. In het Middelnederlands Woordenboek (MNW) zijn de woorden ‘lib(e)rie’ en ‘lib(e)rarie’ als lemma opgenomen, het woord ‘bibliotheek’ niet.[4] Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) heeft zowel een lemma voor ‘librije’ als voor ‘bibliotheek’. Wel staat bij ‘librije’ vermeld: ‘thans is het woord vooral nog als historische term bekend, maar althans te Gouda en Zutfen nog de naam eener bibliotheek’.[5] Blijkbaar was het woord ‘librije’ al in de Middeleeuwen in gebruik en was het woord ‘bibliotheek’ toen niet of weinig gangbaar, terwijl in de vroegmoderne tijd beide termen werden gebruikt, al raakte ‘librije’ toen verouderd. In het WNT is ook ‘boekerij’ opgenomen. Het woord zou een verdietsing zijn ‘van het nog in de 17e eeuw gewone lib(e)rije’.[6]

Een soortgelijk beeld komt naar voren in het Lexikon des gesamten Buchwesens (LdgB). Hierin wordt aangegeven dat de Romeinen het woord ‘bibliotheek’ uit het Grieks hebben overgenomen. De betekenis van het woord veranderde in de tweede eeuw na Christus: het werd gebruikt voor de aanduiding van banden die meer werken in zich hadden verenigd, maar sinds Hiëronymus vooral voor de Bijbel, als eenheid van verschillende bijbelse boeken en voor andere ‘boekrijke’ werken. Door deze betekenisverandering werd voor de bibliotheek in de zin van inrichting en gebouw een nieuw woord gebruikt, namelijk ‘libraria’. Het gebruik van het woord ‘librije’ heeft de hele Middeleeuwen stand gehouden. Ten tijde van het humanisme werd het woord ‘bibliotheek’ opnieuw in gebruik genomen, al is ook de term ‘librije’ nog een tijdlang gehandhaafd. Heden ten dage heeft het Engelse ‘library’ nog dezelfde betekenis, terwijl het Franse ‘librairie’ (boekhandel) een betekenisverandering heeft ondergaan.[7]

Ook Schneiders geeft aan dat men van ‘librijen’ na circa 1550 steeds minder gaat horen. De naam bleef echter wel in gebruik daar waar men zich bewust was van de oorsprong van de collectie en de oude naam was ingeburgerd. De klassiek geschoolden gaven volgens hem de voorkeur aan de term ‘bibliotheek’: ‘In puristische geleerde ogen moet het woord bibliotheek meer in de smaak gevallen zijn dan librije […]. En misschien klonk librije te middeleeuws, associeerde men het met kerken en kloosters. Bibliotheek (bibliotheecq, bibliothecque) wordt in ieder geval de term’.[8] Volgens Schneiders koos men in de zestiende eeuw bewust voor het gebruik van het woord ‘bibliotheek’ boven dat van ‘librije’, omdat men zich bewust was van de connotaties die aan beide woorden vastzaten. Dit zou te begrijpen zijn vanuit het idee dat men in de Renaissance over de Middeleeuwen terugkeek naar de Oudheid waarin de term ‘bibliotheek’ gangbaar was.

Indien men in de zestiende eeuw inderdaad bewust gebruik maakte van de termen ‘bibliotheek’ en ‘librije’, dan wilden de zestiende-eeuwse (stads)bibliotheken zich mogelijk onderscheiden van de in hun ogen bij de middeleeuwse traditie aangesloten zestiende-eeuwse librijen. Zouden de bibliotheken een ‘modern-humanistisch’ elan hebben willen uitstralen? Het is echter nog maar de vraag of beide termen bewust en/of consequent werden gebruikt of dat de woorden door vele mensen slechts als synoniem werden gezien.

 

 

2.1.1 De Middeleeuwse ‘librijen’

De term ‘librije’ werd al in de Middeleeuwen gebruikt. Daarom zijn enkele opmerkingen over deze collecties wel op zijn plaats. Ik zal me daarbij baseren op het oude, maar nog steeds nuttige overzicht van Meinsma.[9]

De boekerijen in de Middeleeuwen waren verbonden aan religieuze instellingen, de kerken en kloosters. Bij kerken zal het in de eerste plaats gegaan zijn om liturgische geschriften. De verzameling zal in het begin niet erg groot zijn geweest. Door geschenken en erflating kon de verzameling groeien. Meinsma zegt terecht, dat dat vooral het geval zal zijn geweest bij de kapittelkerken waaraan meestal een school was verbonden. Het is te verwachten dat de boekenverzameling van een klooster in het algemeen groter was dan die van de kerk, omdat studie in vele kloosters een belangrijke plaats innam en men ook zelf boeken afschreef. Toch was de verzameling volgens Meinsma ook hier in eerste instantie gering: ‘Eene enkele kast was in den beginne meestal voldoende om den geheelen boekenschat van klooster of kerk te omvatten, en waar deze sterk aangroeide zette men een nieuwe kast naast de oude’.[10] De kast werd een armarium genoemd.[11] Een armarium kon op elke plek in een kerk of klooster worden neergezet en er waren dan ook niet direct aparte bibliotheekruimtes nodig. De meest logische plek in de kerk voor een armarium was in de sacristie of in het koor. Ook konden er boeken op lessenaars liggen in het koor, bij het altaar. Meinsma geeft in zijn bespreking van de buitenlandse bibliotheken aan dat de kasten in een klooster in de kloosteromgang werden neergezet. Voor het Nederlandse klimaat lijkt dat minder geschikt. In Wittewierum stonden er boeken in een kast in het kapittelhuis.

Als een boekenverzameling groter werd en de kasten niet meer voldeden, kon men de boeken over meer plaatsen in het gebouw verspreiden. Ook kon men ertoe overgaan om een aparte ruimte voor de bibliotheek in te richten. De ‘librije’ is dus veeleer een boekenkamer. In het buitenland kwamen die ruimtes er in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw. Ze werden zo ingericht dat ze als boekenbewaarplaats en als studiezaal gebruikt konden worden. Een veel gebruikte plek was de ruimte boven de sacristie. De pulmten of lectrijnen, de lessenaars voor de boeken, en de kettingen waarmee de boeken aan de lessenaars werden vastgemaakt, waren in de Middeleeuwen al in gebruik.

 

2.2 Modern gebruik

Welke ideeën zijn er over het moderne gebruik van de woorden ‘librije’ en ‘stadsbibliotheek’?

Waarom noemen we de boekerij van Amsterdam een stadsbibliotheek en die van Gouda een librije? Hebben we de historische benamingen van de betreffende boekerijen overgenomen? In het verlengde van paragraaf 2.1 zou men kunnen denken dat de boekerij die we nu nog als stadsbibliotheek aanduiden ons beeld van een moderne bibliotheek dichter genaderd is dan een boekerij die we heden ten dage een librije noemen. Dat kan te maken hebben met het ontstaan en het beheer van de bibliotheek, maar ook met de mate waarin de bibliotheek zich door de tijd heen heeft weten te handhaven en de wijze waarop de bibliotheek zich heeft ontwikkeld. Wellicht heeft de stadsbibliotheek zich weten te handhaven in een tijd waarin de term ‘bibliotheek’ de absolute overhand kreeg waardoor de aanduiding bibliotheek voor de betreffende boekerij normaal werd en zo ingeburgerd is geraakt.

Het gebruik van de term ‘stadsbibliotheek’ in plaats van ‘librije’ verdient eigenlijk een tweeledige behandeling. Ten eerste is er namelijk de tegenstelling tussen het woord ‘librije’ en het woord ‘bibliotheek’. Ten tweede suggereert de toevoeging ‘stads-’ een tegenstelling tussen een bibliotheek van de stad en een als librije aangeduide kerkbibliotheek. Zoals uit paragraaf 2.1.1 blijkt, zou het niet vreemd zijn als een librije met een kerkbibliotheek wordt geassocieerd, aangezien het woord in de Middeleeuwen reeds in gebruik was en de boekerijen toen verbonden waren aan religieuze instellingen als kerk en klooster. Een indeling naar kerkbibliotheek en stadsbibliotheek is echter veel ingewikkelder dan het zou lijken, omdat er in de zestiende eeuw geen scherpe grens was tussen geestelijke en wereldlijke sfeer. Daardoor was het vaak onduidelijk van wie de bibliotheek juridisch gezien precies eigendom was.[12]

Volgens de trefwoordenlijst van Bibliopolis is een librije een ‘benaming voor een middeleeuwse of zestiende eeuwse bibliotheek, meestal een kerk-, klooster- of stadsbibliotheek.’[13] Heel nauwkeurig gelezen betekent dit dat een zestiende-eeuwse stadsbibliotheek een librije genoemd kan worden, maar dat niet elke librije een zestiende-eeuwse stadsbibliotheek hoeft te zijn aangezien het ook een middeleeuwse of zestiende-eeuwse kerk- of kloosterbibliotheek kan zijn.

 

In Bibliopolis schrijft Gruys het volgende: [14]

 

Gedurende de laatste decennia van de zestiende eeuw verdwenen in de Nederlanden de meeste toen bestaande institutionele bibliotheken: die van kloosters en kerkelijke instellingen. In dezelfde tijd ontstonden de eerste stadsbibliotheken [zoals…] Veelal waren de collecties gevormd uit opgeheven plaatselijke kloosterbibliotheken. Enkele stads- en kerkbibliotheken (het verschil is vaak moeilijk aan te geven) waren al ontstaan voor de invoering van de Reformatie, en dankten hun oorsprong veeleer aan de geest van de vroegzestiende-eeuwse Latijnse School met haar mengeling van roomse vroomheid en erasmiaans humanisme dan aan de Hervorming. Het bekendste voorbeeld is de Zutphense Librije. […] De oudere ‘librijes’ en de jongere stadsbibliotheken deelden in de volgende eeuwen dezelfde lotgevallen.

 

In deze tekst worden drie ‘soorten’ bibliotheken onderscheiden: de oude klooster- en kerkbibliotheken van voor de zestiende eeuw, de stads- en kerkbibliotheken van voor de reformatie en de stadsbibliotheken van de laatste decennia van de zestiende eeuw (na de reformatie). De bibliotheken van na de reformatie worden door Gruys de ‘jongere stadsbibliotheken’ genoemd. De historische naam ‘librije’ reserveert Gruys voor de oudere bibliotheken van voor de reformatie en wellicht ook voor enkele overgebleven middeleeuwse boekerijen. Hier wordt de suggestie gewekt dat het verschil tussen een librije en een stadsbibliotheek ligt in de relatieve ouderdom van de boekerij. In verband hiermee wordt ook een link gelegd met de ‘geest’ die de oorsprong van de verzameling heeft: de geest van de Latijnse school met een mengeling van roomse vroomheid en het erasmiaans humanisme of een geest van hervorming. Merk ook op dat een librije volgens Gruys zowel een kerk- als een stadsbibliotheek van voor de reformatie kan zijn. Gruys geeft daarbij wel aan dat het onderscheid tussen een stads- of kerkbibliotheek erg moeilijk te maken is. Een stadsbibliotheek is volgens Gruys niet altijd een librije: niet de stadsbibliotheken van na de reformatie.

Hetzelfde idee van de invloed van de Latijnse school bij de librijen komt naar voren in Verzamelaars en verzamelingen bij de bespreking van de boekerij van Edam. De term ‘librije’ wordt uitgelegd als een ‘openbare bibliotheek die ten dienste stond van het onderwijs aan de veelal aan de kerk verbonden Latijnse school’. In de volgende paragraaf zal blijken dat dit bij Edam inderdaad het geval is geweest, maar in dit citaat wordt verondersteld dat het ook bij de andere librijen zo was.[15]

 

3.  Tien boekerijen: hun naamgeving en ontwikkeling

 

In het vorige hoofdstuk is geprobeerd een aantal bestaande ideeën en gedachten over het gebruik van de termen ‘librije’ en ‘(stads)bibliotheek’ op een rijtje te zetten. In dit hoofdstuk zullen tien zestiende- en vroeg-zeventiende-eeuwse Nederlandse institutionele boekverzamelingen besproken worden. De analyse van de naamgeving per boekerij (in historische en in moderne tijd) kan pas in relatie met het onstaan, de ontwikkeling en het voortbestaan van de collectie zijn betekenis krijgen.

 

3.1 Werkwijze en bezwaren

De beschrijvingen van de bibliotheken zullen elk uit drie onderdelen bestaan: Ten eerste zal bekeken worden hoe de boekerij in de zestiende en zeventiende eeuw werd aangeduid. Ten tweede hoe de huidige naamgeving is. Als derde volgt een beschrijving van de boekerij.

Bij het onderzoek naar de afzonderlijke boekerijen ga ik uit van al bestaande studies. Vooral voor onderdeel één is dat een beperking. In veel studies worden (delen van) archiefstukken geciteerd en daar zullen we het mee moeten doen. Dat betekent dat ik afhankelijk ben van de mate waarin dit soort citaten gegeven wordt, van de selectie die de onderzoeker uit zijn archiefmateriaal gemaakt heeft en van zijn of haar nauwkeurigheid. Het is belangrijk dat de citaten gedateerd zijn. Bij onderdeel twee zijn de secundaire bronnen juist van belang, maar ben ik onderworpen aan mijn eigen selectieprincipes. Het is niet altijd mogelijk om alle bestaande literatuur van een boekerij boven tafel te halen. Aan de hand van Schneiders’ bibliotheekgeschiedenis heb ik de belangrijkste studies geselecteerd.[16] Bij onderdeel drie ben ik erg afhankelijk van de informatie die reeds bekend is. Dat verschilt logischerwijs per boekerij.

Bij de beschrijving van de boekerij zal ik aandacht besteden aan: de ouderdom van de boekverzameling, de aanleiding tot oprichting, de ontwikkeling en het voortbestaan van de boekerij. Hierbij horen onderwerpen als accommodatie, bezoekers, het beheer en de aanschaf van boeken: tot wanneer groeide de collectie. Wat voor collectie had de boekerij?

 

3.2 Gouda

Over Gouda’s boekencollectie is redelijk wat bekend. De belangrijkste studies zijn die van Zuijderhoudt-Hulst uit 1976 en die van Klein uit 1994. De analyse van hun termengebruik blijkt een goed startpunt van waaruit we naar de andere boekerijen kunnen kijken. Over het begin van de boekerij zegt Zuijderhoudt-Hulst het volgende:[17]

 

De Librije is voortgekomen uit de oude kerkbibliotheek van de St Janskerk. Na de reformatie ontving zij vele boeken en handschriften, afkomstig uit het bezit van voormalige (veelal Goudse) kloosters, met name van de Collatiebroeders en de Reguliere kanunniken van Stein (bij Haastrecht). Zij werd nu stadsbibliotheek, maar bleef gehuisvest in de St Janskerk tot 1893.

 

Klein is het met de voorstelling van zaken niet geheel eens. Het is volgens hem onjuist te zeggen dat de ‘stadsbibliotheek is voortgekomen uit de librije van Sint Jan’. De inbeslagname van de boeken van Sint Jan was wel het begin van de ‘Goudse Librije’ in 1594.[18] Ik kom daar straks nog op terug. Het is hier interessant om de naamgeving van de beide boekerijen naast elkaar te zetten. De collectie van Sint Jan worden door Zuijderhoudt-Hulst en Klein aangeduid als librije, kerklibrije of kerkbibliotheek. De ‘Goudse librije’ wordt naast librije ook stadslibrije, stadsbibliotheek en bibliotheek genoemd. Deze naamgeving laat ons het volgende zien:

1)      Voor beide boekerijen wordt de term ‘librije’ gebruikt. De term kan blijkbaar zowel verwijzen naar een kerklibrije als een stadslibrije

2)      De boekerijen zijn in naamgeving alleen van elkaar te onderscheiden door de toevoeging van de woorden kerk of stad.

3)      Het gebruik van zowel ‘kerklibrije’ als ‘kerkbibliotheek’ of van zowel ‘stadslibrije’ als ‘stadsbibliotheek’ suggereert dat de woorden ‘librije’ en ‘bibliotheek’ dezelfde waarde hebben.

4)      Als de termen ‘bibliotheek’ en ‘librije’ dezelfde waarde hebben, dan zal het niet vreemd zijn als men niet alleen de term ‘librije’ tegenkomt, maar ook de term ‘bibliotheek’ (dus zonder toevoeging van stad- of kerk-).

 

Of de termen op dezelfde manier worden gebruikt in studies over andere zestiende-eeuwse boekerijen zal in de volgende paragrafen moeten blijken. Hoewel men dus praktisch elke naam kon gebruiken, blijkt er toch een bepaalde voorkeur te zijn. Zuiderhoudt-Hulst en Klein hebben het in de titel van hun studie over de ‘Goudse Librije’. Bij Zuiderhoudt-Hulst wordt de ‘Librije’ vaak met een hoofdletter geschreven, alsof het een eigennaam betreft. Klein kiest in zijn studie het meest voor de aanduiding stadslibrije of librije. Ook Schneiders kiest in zijn bespreking van Gouda voor het woord ‘librije’.[19]

Welke informatie kunnen we uit de studies halen over het historisch gebruik van de termen? Er worden zo’n 20 historische teksten uit de periode tot 1700 in de studies geciteerd. Hierin wordt uitsluitend gesproken over een ‘librije’ (librie, libery enz.).

 

Gouda kende voor de overgang naar de zijde van de Prins in 1572 verschillende kerken en kloosters met een boekenbezit. Volgens Klein zijn die boekerijen alle na 1572-73 ontruimd en verborgen door katholieke geestelijken of geplunderd door soldaten. In 1594 was de situatie voor drie geestelijke instellingen als volgt: (grote delen van) het boekenbezit van de Janskerk was in handen van de vroegere pastoor Frederik Gerritszoon de Lange, de boeken van het klooster Stein werden bewaard door de vroegere prior van het klooster (Wouter Maas) en de bibliotheek van de Collatiebroeders bevond zich bij de Heilige Geestmeesters, maar werd beheerd door een van de laatste collatiebroeders. De librije van Gouda is ontstaan bij de secularisatie van deze boeken. Die kon echter pas plaatsvinden nadat de laatste oud-priester of oud-kloosterling was overleden. In 1594 werd de basis gelegd met de onteigening van de boeken van de Janskerk na het overlijden van pastoor De Lange.[20]

Pas in 1611 werd een overeenkomst gesloten tussen de magistraat en de beheerders van de boeken van beide kloosters. De librije werd aangevuld met zo’n 20% van de boeken van beide kloosters en in ruil daarvoor kregen de beheerders het sleutelrecht. Toen in 1630 de laatste Collatiebroeder overleed, volgde de rest van de boeken. In 1637 kreeg de magistraat de beschikking over het restant van de bibliotheek van Stein, maar door juridisch getouwtrek duurde het tot 1641 voordat de boeken in de librije werden opgenomen.[21]

 

Het jaar 1612 was voor de librije een keerpunt in de geschiedenis. Waarschijnlijk bestond de collectie toen uit niet meer dan 300 boeken afkomstig van de vroegere kerkbibliotheek en een gedeelte van het boekenbezit van de Collatiebroeders en het klooster Stein.[22] De boeken werden bewaard in de St Janskerk, mogelijk op de eerste verdieping van een uitbouw aan de zuidzijde van de kerk, boven de huidige ingang. Het is onduidelijk of dat al meteen vanaf de oprichting zo was. Volgens Zuiderhoudt-Hulst werd deze kamer rond 1612 ingericht: in de kerkrekeningen werd een schrijnwerker betaald voor zijn werk. Hij kreeg meer dan 356 gulden. Waarschijnlijk werden de grote boeken vanaf 1612 aan de lessenaars vastgeketend. De kleine boeken stonden los in de kast. Het beheer voor 1612 was in handen van de kerkmeesters. Ze werden aangesteld door de magistraat. In 1612 werd echter een nieuw reglement opgesteld. Vanaf dan is er ook sprake van Librijemeesters. De drie librijemeesters in 1612 waren burgemeester, predikant en rector van de Latijnse school. In de eerste jaren zou er volgens Zuiderhoudt-Hulst nog weinig van de activiteiten van de librijemeesters te merken zijn geweest. Het waren de kerkmeesters die de boeken aanschaften, zoals het verzameld oeuvre van Erasmus.[23] In 1620-21 werd de rol van de kerkmeesters definitief door de librijemeesters overgenomen. Vanaf 1620 werd dit college jaarlijks door de magistraat gekozen. Het college bestond volgens Klein bij voorkeur uit een predikant, een lid van de vroedschap (een jurist) en een medicus of de rector van de Latijnse School. Daarnaast was de rentmeester van de kerk, Hopcooper, een belangrijke steunpilaar voor kerk- en librijemeesters als ‘opsiender der Librie’.[24]

Vanaf 1612 kon men een sleutel van de librije ophalen bij de ‘kerkekamer’ (de ruimte onder de librije). De bezoeker diende zijn naam te registeren. Hij mocht de sleutel niet namaken of uitlenen. Ook werd bepaald dat er geen vrouwen en kinderen in de librije mochten komen, maar alleen mannen van onbesproken gedrag. De bezoeker mocht de boeken niet beschadigen, ook niet als de passages hem onwelgevallig waren. Daarnaast moest hij de boeken na gebruik weer terug in de kast zetten. De boeken werden niet uitgeleend. De sleutel moest teruggegeven worden als de bezitter was verhuisd of overleden. Daarbij moest hij dan een boek van minstens zes gulden schenken (of een betaling van zes gulden doen). De namen van de schenker werden genoteerd. Volgens Klein heeft dit de basis gelegd voor particuliere schenkingen aan de stadslibrije: vanaf 1612 werden er herhaaldelijk boeken geschonken.[25]

In 1612 werd ook een poging ondernomen de librije van vaste inkomsten te voorzien. De magistraat had bepaald dat de huisjes die op het grondgebied van de kerk stonden jaarlijks geld moesten betalen voor het onderhoud en de uitbreiding van de librije. Dit werd echter een juridische kwestie die resulteerde in een eenmalig bedrag van 400 gulden in 1647. In 1642 werd bepaald dat de librije uit de stadskas gefinancierd moest worden. Dat besluit werd pas vier jaar later uitgevoerd. Pas in 1663 kreeg de librije een jaarlijkse subsidie.[26]

 

In 1620-21 werd een nieuw reglement ontworpen. Er werd een nieuwe sleutel met bijbehorende sloten gemaakt. Dit zou in de geschiedenis van de librije nog veel vaker voorkomen. Ieder die een sleutel wilde hebben, moest nu van tevoren een boek van zes gulden (of zes gulden) schenken. In 1620 werd ook een catalogus van het boekenbezit opgesteld. De librije zou ongeveer 320 boeken hebben gehad. In 1631 volgt het derde reglement. Hierin stond de bepaling dat de kleine boeken een maand uitgeleend mochten worden aan degenen die in het bezit van een sleutel waren. In 1637 en 1645 werden nieuwe catalogi van het boekenbezit gemaakt. In 1645 had de librije meer dan 560 boeken, ruim 310 folianten die op zeven lessenaars waren opgesteld en ongeveer 250 kleinere boeken in de kast.

Vanaf 1645 zijn de notulen van de vergaderingen van de librijemeesters overgeleverd. Uit die gegevens blijkt dat de activiteiten ook in de tweede helft van de zeventiende eeuw doorgingen: aan het eind van de jaren ’50 werd de librije grondig verbouwd en werd er een bord gemaakt met de namen van de schenkers, er werden globes aangeschaft en een Bleau-atlas, de boeken werden voorzien van een stempel, de lessenaars werden verbouwd tot gewone kasten (in 1660) en het koper- en ijzerwerk van de kettingen en de sloten en roeden werden verkocht. Er werd een catalogus op plankjes opgesteld (voor elke boekenkast één). Andere catalogi volgden in 1657, 1671, 1681, 1698-99. In 1719 verscheen de eerste gedrukte catalogus.

In 1668-1669 werden er twee veilingen gehouden waarop enkele honderden boeken zijn verkocht. In 1631 was de librije één uur per week geopend, maar in 1668 werd zij geheel gesloten voor degenen die geen sleutel hadden. De bemoeienissen met de librije van Gouda gaan echter nog door in de achttiende eeuw. Met de Franse overheersing lijkt het verval zich te hebben ingezet, met uitzondering van een korte bloeiperiode in 1840-1865. In 1893 verhuisde de librije naar de Gasthuiskerk waar ook het stadsarchief gevestigd was. Een fossiel was de librije eigenlijk pas vanaf de twintigste eeuw.[27]

 

Door aanschaf en schenkingen kwamen er ook andere werken in de librije, naast de vooral theologische en kerkhistorische werken. In 1645 waren er zeven lessenaars met boeken: de eerste drie bevatten theologische werken, de vierde theologie en kerkrecht, de vijfde en zesde medische en juridische werken en de zevende de ‘litteratores’. In 1657 waren er acht lessenaars. Daarnaast waren er de kleinere formaten: theologie, plantkundige en medische werken. De librije zal dan ook bezocht zijn door intellectuelen: juristen, predikanten, medici, veelal deel uitmakend van de vroedschap, verwierven het sleutelrecht.[28]

 

3.3 Rotterdam

Uit de literatuur van Rotterdam komt minder sterk dan bij Gouda een voorkeursnaam naar voren. Schneiders en Unger kiezen voor de term ‘bibliotheek’ of ‘stadsbibliotheek’.[29] Meyer spreekt echter over de (Laurens)librije en over de librije van de Grote of Sint-Laurenskerk van Rotterdam. Daarbij wordt gezegd dat de boekerij niet de enige ‘kerkbibliotheek’ van Nederland is geweest. Het lijkt erop dat de term ‘kerkbibliotheek’ voornamelijk wordt ingegeven door de plaats waar de collectie was gevestigd.[30]

Net als bij een aantal andere te bespreken boekerijen is er bij Rotterdam een besluit tot oprichting terug te vinden. Unger heeft dit besluit grotendeels geciteerd. Het is interessant vanwege het gebruik van de termen ‘bibliotheek’ en ‘librije’, maar ook omdat er uit blijkt dat stad én kerk een rol hadden bij de oprichting.

 

[In 1604 hadden] de dienaren des Woords en de ouderlingen van de Kercke ofte Gemeente deser stede’ zich tot burgemeesteren gewend met een request ‘bij dewelcke sij versoecken, dat mijnheeren ex publico aerario een publycke Bibliotheke soude gelieven op te richten ende tot coopinghe van boecken jaerlix hondert daelders ofte twee hondert guldens te ordonneren om mettertijdt ende continuatie van aencopinge een vermaerde librarie binnen deser stede te crygen’. Dit verzoek vond bij de Vroedschap ondersteuning en den 23 Februari 1604 hebben zij ‘bewilcht ende geconsenteert, dat te dien eynde uyt deser stede Incompste sal werden verstrect de somme van veertien hondert guldens van 40 grooten, op ses eerstcomende jaeren, te weten het eerste jaer vier hondert guldens, de naest volgende vyf jaer s’jaers twee hondert guldens.[31]

 

Uit een negental citaten uit historische bronnen (tot 1730) blijkt dat Rotterdam zowel librije als bibliotheek genoemd is. Het woord ‘librije’ komen we echter alleen tegen in bronnen uit 1604 en 1606. In de geciteerde tekst hierboven worden beide termen gebruikt. Na 1606 ben ik alleen nog de aanduiding bibliotheek tegengekomen. In 1730 is er sprake van een ‘Stads Bibliotheque’.

 

De boeken stonden in de Laurenskerk boven de noorder ingang.[32] De collectie is gegroeid door aankopen en schenkingen. Admiraal Cornelis Matelieff schonk in 1606 een Koran aan de ‘Librarie van Rotterdam’. Meeldijk en Meyers melden dat de boekencollectie in 1814 uit 331 titels bestond, inclusief vijf handschriften. Het oudste gedrukte boek dateert van 1486, het jongte van 1662. Vrijwel alle boeken zijn in het Latijn en tachtig procent heeft betrekking op theologische, filosofische en kerkelijke onderwerpen. Daaronder was een achttal boeken van Erasmus. Volgens de inleiding van de catalogus werd de bibliotheek door de kerkvoogden aan de predikanten ten gebruike aangeboden.[33]

Ook in Rotterdam waren de boeken met kettingen aan de lectrijnen bevestigd. Het beheer van de boeken was opgedragen aan de voorzanger en koster, die daarvoor een beloning van 25 gulden ontving (in 1632 werd de beloning verdubbeld). Unger vertelt dat de zorg van de bibliotheek in 1658 was opgedragen aan twee oud-schepenen en twee predikanten. In 1648 werd een nieuwe ‘opziener der bibliotheecq’ aangesteld ‘omme deselve te sluyten ende ontsluyten, des noot versocht synde de Camer ende boecken schoon te houden, sorge te dragen voor zoo veel hem aangaet dat geen boecken uit de bibliotheecq by yemanden thuys werden gedragen’.

De ontwikkeling van de boekencollectie kwam tot stilstand rond het midden of einde van de zeventiende eeuw. Uit de thesauriersrekeningen blijkt dat in 1659 voor het laatst een som geld voor aankoop van boeken werd uitgegeven. Het is de vraag of men daarna inderdaad met de financiering is opgehouden. Unger vond het ook een teken van verval dat in 1679 het bewaren en schoonhouden van de ‘bibliotheecq in de Groote Kerk’ werd opgedragen aan de vrouw van de koster. Tot het jaar 1800 werden er vrouwen aangesteld voor het bewaren, waarnemen en schoonhouden van de ‘Bibliotheecq’. In een Vroedschapsresolutie van 12 april 1730 werd nog wel besloten een commissie aan te stellen, bestaande uit de burgemeesters, de rekenmeesters en de curatoren van de Latijnse school, om te onderzoeken welke regels er opgesteld moesten worden ten aanzien van het toezicht op de ‘Stads Bibliotheque’. In 1773 oordeelde het ministerie van predikanten dat het nuttig zou zijn indien de ‘Bibliotheek van de Groote Kerk’ zou worden verbeterd ‘dewijl dezelve genoegzaam tot geen gebruik ’t hand is’. Er is niets bekend over de resultaten van die commissie.[34] In 1814 werd dus wel een catalogus opgesteld door J. Clarisse. De collectie werd in de tweede helft van de negentiende eeuw toegevoegd aan een tweede stadsbibliotheek die terugging op een omstreeks 1700 ontstane raadsbibliotheek. Deze tweede stadsbibliotheek bestaat nog steeds.

 

3.4 Utrecht

In de zestiende eeuw werd in Utrecht een boekerij gevormd die later een universitaire status kreeg. Het is tot nu toe de enige boekenverzameling waar men in de studies consequent de naam (stads)bibliotheek gebruikt. De term ‘librije’ wordt dus niet gebruikt.[35]

Slechts een gering aantal historische aanduidingen heb ik van Utrecht kunnen verzamelen. Het gaat om vier à vijf citaten uit de eerste jaren van de oprichting. Desondanks is het opvallend dat in deze bronnen alleen de term ‘bibliotheek’ wordt gebruikt, al vanaf het eerste moment in 1581. Interessant is bovendien het besluit van het kapittel van Sint Jan van 14 februari 1584 om zijn boeken af te staan aan de stadsbibliotheek: de boekenverzameling van Sint Jan wordt hierin aangeduid als librije, de nieuwe stadsbibliotheek als bibliotheek.[36]

 

Uit de belangrijke studie van Grosheide, Monna en Pesch over de Universiteitsbibliotheek van Utrecht blijkt duidelijk dat de oprichting en het beheer van de bibliotheek vanaf het begin door de stad werden georganiseerd.[37] De oprichting van de bibliotheek kan zeker in verband worden gebracht met de plannen om in Utrecht een universiteit te stichten en een opleidingsinstituut voor predikanten te beginnen. De Universiteit zou nog tot 1636 op zich laten wachten en we zien dan ook het verval en de opleving van de bibliotheek samengaan met de verwaarlozing of nieuwe belangstelling voor plannen op onderwijsgebied.

De basis voor de bibliotheek werd gelegd met de geconfisqueerde boeken uit kapittels en kloosters. In november 1581 werden Floris van Wede en Jacob de Pottere door de vroedschap gemachtigd de boeken in beslag te nemen. De overdracht van de boeken liep moeizaam. In 1584 besloot slechts één kapittel de boeken aan de bibliotheek over te dragen, het kapittel van Sint Jan. Het was eigenlijk slechts een restant, want dit kapittel had in 1581 besloten vele aanwezige boeken onder de kanunniken te verkopen, mogelijkerwijs vanwege het vroedschapsbesluit van 1581. Ook de kloosters werkten niet mee. De collectie werd omstreeks 1584 in de Janskerk bijeengebracht en in het koor van de kerk opgesteld, hoewel de stad in eerste instantie het koor van de Catharijnekerk daarvoor bestemd had. De Catharijnekerk bood echter weerstand. Van de kloosters hebben uiteindelijk vooral het Kartuizerklooster Nieuwlicht en het klooster van de Reguliere Kanunniken van Sint Augustinus boeken aan de stad geleverd. In 1584 bezat de bibliotheek zo’n 550-600 banden. Doordat de Utrechtse kapittels hun bibliotheken, die vele boeken bezaten op juridisch, literair en historisch terrein, niet aan de stad hadden overgedragen, bestond de collectie vooral uit (rooms-)theologische werken. Recent materiaal ontbrak, mogelijk omdat de kloosterlingen die bij de opheffing van hun instelling hadden meegenomen. Volgens Grosheide, Monna en Pesch had de stad een gevarieerdere collectie voor ogen gestaan.

 

In eerste instantie ging de vroedschap over tot de aankoop van boeken. In 1584 werd daarvoor geld ter beschikking gesteld. De groei van de collectie stagneerde echter snel en de aandacht voor de bibliotheek verslapte, mogelijk vanwege de politieke omstandigheden. Aan het begin van de zeventiende eeuw neemt de belangstelling opnieuw toe. Tussen 1601 en 1604 werd een inventaris van het bezit opgesteld. In 1603 en 1605 ontving de bibliotheek bovendien twee belangrijke legaten van Evert van de Poll en van Huybert Edmond van Buchell. Bij de verwerving daarvan had het stadsbestuur behoorlijke invloed uitgeoefend. De collectie boeken van Van de Poll, advocaat van de Staten van Utrecht, omvatte tussen de 800 en 1000 banden op juridisch, theologisch, medisch, natuurwetenschappelijk, geografisch en historisch terrein. Ook de Griekse, Latijnse, Italiaanse en Franse literatuur waren aanwezig. Buchells bibliotheek bestond uit zo’n 3000 titels op het terrein van de theologie met een ruime hoeveelheid vroeg-reformatorische geschriften. Ook waren er historische, geografische, medische en literaire werken aanwezig. De stadsbibliotheek werd door de legaten veel gevarieerder en bovendien verschoof de aandacht van handschriften naar gedrukte werken. Aan het begin van de zeventiende eeuw werden er ook werken aangekocht. Zo werden er globes aangeschaft en recente edities van kerkhistorische werken. Ook probeerde de vroedschap om boeken uit de voormalige kloosters en kapittels alsnog aan de collectie toe te voegen.

In 1608 verscheen de eerste gedrukte catalogus. De plannen tot reorganisatie van de collectie door het verkopen van de dubbele exemplaren werden niet tot uitvoer gebracht. De catalogus bevatte circa 6000 titels. Bijna de helft van de werken had een theologisch onderwerp, 16% had een historisch onderwerp, 12,5% was op juridisch gebied. Literatuur, medicijnen en biologie, wijsbegeerte en muziek waren ook vertegenwoordigd met respectievelijk 7,5%, 6%, 3% en 1,5%. Zeker 70% van het boekenbezit was in het Latijn geschreven, maar daarnaast waren er ook redelijk veel moderne talen (Duits, Frans en Italiaans) aanwezig. Ook bezat Utrecht politiek-actuele geschriften en een aantal actuele literaire werken.

Van 1608 tot 1622 was er vanwege politieke gebeurtenissen opnieuw weinig aandacht voor de bibliotheek. De belangstelling kwam terug toen er wederom plannen werden gemaakt om een Athenaeum Illustre op te richten. In 1622 werd bepaald dat de doubletten uit de bibliotheek verkocht moesten worden om van het geld nieuwe werken aan te schaffen. In 1633 werd dat verzoek herhaald. In 1634 was de Illustere School een feit en zij kwam snel tot bloei. In 1635 werd echter besloten de bibliotheek tot nader order te sluiten omdat er in de ogen van de vroedschap eerst een nadere regeling voor de bibliotheek opgesteld moest worden. Cornelis Booth, schepen, zou in deze reorganisatie een belangrijke rol spelen. Toen na november 1640 de bibliotheek weer in gebruik werd genomen werd Booth bibliothecaris. De Illustere School was in 1636 een Universiteit geworden.

 

Hoe was het beheer van de boeken voor 1640 geregeld? In 1601 kwam het beheer, waarvoor tot dan toe de koster van de kerk werd betaald, in handen van een gecommitteerde uit de vroedschap. Na de uitbreiding aan het begin van de zeventiende eeuw werd opnieuw een koster aangesteld voor het toezicht van de bibliotheek, tegen een vergoeding van 40 gulden per jaar. Hij moest tijdens de openingsuren op maandag- en zaterdagmiddag en woensdag de gehele dag aanwezig zijn. In de catalogus van 1608 spreekt men over maandag-, woensdag- en zaterdagmiddag. Voor vermissingen was de koster aansprakelijk. Daarnaast moest hij de bibliotheekruimte schoonhouden. Boeken konden alleen met schriftelijke toestemming worden geleend. Het financiële beheer bleef een zaak van de gecommitteerde uit de raad. Hij werd bijgestaan door de rector van de Hieronymusschool. Met Booth als bibliothecaris vanaf 1640 werd een belangrijke functie vervuld door een lid van de stedelijke regering en niet door één van de hoogleraren: hier blijkt nogmaals de band tussen bibliotheek en stad. Aan het koor van de Janskerk werd zelfs een kamer voor de bibliothecaris gebouwd. Ook de functie van custos, tot dan door de koster van de kerk vervuld, werd gehandhaafd. De openingstijden werden echter opnieuw verminderd: de openstelling op maandagmiddag kwam te vervallen. Indien iemand schriftelijke toestemming had kon deze ook buiten de uren toegelaten worden tot de bibliotheek. De hoogleraren konden de sleutel op elke dag en elk uur bij de custos ophalen. De hoogleraren kregen dus niet ieder een eigen sleutel.

Vanaf de plaatsing van de boeken in de Janskerk waren er zowel geketende boeken als ongeketende boeken. Het lijkt erop dat men de boeken niet bewust geketend heeft. De boeken die echter al geketend waren voor de oprichting van de bibliotheek, bijvoorbeeld die uit het kapittel van Sint Jan, bleven geketend. De lessenaars werden net als de boeken overgenomen uit de kapittels en kloosters. Voor de legaten van Van de Poll en Van Buchell werden er kasten besteld, waarschijnlijk niet voorzien van een lessenaar. Volgens Grosheide, Monna en Pesch kreeg Utrecht toen het aanzicht van een zaalbibliotheek met wandkasten. Vanaf 1640 mochten de bezoekers niet langer de boeken zelf uit de kast halen. De boeken werden door een hek van de bezoekers gescheiden.

Door wie werd de bibliotheek gebruikt? In 1582 had de vroedschap het over een bibliotheek ‘daer eenen yegelick toeganck ende acces gegost sal worden’. De in eerste instantie vooral rooms-theologische collectie zal echter vooral door predikanten zijn gebruikt. Het waren ook de predikanten die de stadsraad verzochten om een catalogus te laten drukken en de bibliotheek te reorganiseren door dubbele boeken te verkopen. Het gebruik door andere stedelingen zal wellicht zijn toegenomen toen de collectie gevarieerder werd. Daarnaast zal de oprichting van de Illustere School en de Universiteit daarna nieuwe groepen mensen hebben aangetrokken. In de richtlijnen na de heropening van de bibliotheek in 1640 werd bepaald dat de custos ‘alleenlick bekende geleerde off gequalificeerde personen’ mocht toelaten.

 

3.5 Amsterdam

De Amsterdamse zestiende-eeuwse boekerij is de voorloper van de huidige universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Die status kreeg zij in 1877. Daarvoor was de bibliotheek vanaf 1632 verbonden aan het Athenaeum Illustre.

De geprefereerde naam voor de boekerij van Amsterdam is stadsbibliotheek. De la Fontaine Verwey kiest daarbij overigens vaak voor een variant daarvan: de stedelijke bibliotheek of stedelijke boekerij. Naast het veelvuldig gebruik van ‘bibliotheek’ komen we ook ‘(stedelijke) librije’ met enige regelmaat tegen.

Een achttal Nederlandse historische bronnen heb ik als citaat in de studies kunnen vinden. De citaten zijn grotendeels afkomstig uit de periode 1580-1611. Er wordt vooral gebruik gemaakt van verschillende varianten van ‘librije’. In 1611 heeft burgemeester Hooft het zowel over ‘deser stede bibliotheca’ als over ‘librije’. Het drukkersmerk van Spillebout uit de zeventiende eeuw gebruikt de tekst ‘Amsteldamsche Bibliotheeck’.[38]

 

In zijn studie naar de Amsterdamse bibliotheek van voor 1632 moet De la Fontaine Verwey helaas opmerken dat er nogal wat onzekerheid bestaat over de oprichting van de bibliotheek.[39] Er is geen stichtingsakte overgeleverd. Het is waarschijnlijk dat toen bij de Alteratie in 1578 de geestelijke goederen van kerken en kloosters aan de stad vervielen de boeken in de Nieuwe Kerk bijeen werden gebracht.[40] In de Nieuwe Kerk was al een parochiebibliotheek aanwezig.

De la Fontaine-Verwey is er van overtuigd dat de burgemeesters in Amsterdam een moderne bibliotheek wilden opzetten. Uitspraken van C. P. Hooft in 1611 en 1616 tonen dat het de bedoeling was om een vrij ruim toegangsbeleid te hanteren: iedereen moest toegang hebben, ook als iemand er heel andere denkbeelden op nahield dan de kerk. Dit beleid was ook door de kerkenraad goedgevonden. Ook nam men niet alle boeken van de geestelijke instellingen klakkeloos over, maar werden de boeken kritisch bekeken of ze pasten in de nieuwe moderne bibliotheek. De boeken die niet werden opgenomen, konden dan geruild worden voor andere boeken of konden worden verkocht om van dat geld nieuwe boeken aan te schaffen.

 

Het beheer van de collectie werd overgelaten aan de door de stad benoemde kerkmeesters. Mogelijk was de rector van de beide Latijnse scholen in Amsterdam, Peter Vekemans van Meerhout, de eerste bibliothecaris. Zijn opvolger was de Engelsman Matthew Slade die vanaf 1603 rector was van de Latijnse school aan de Oude Zijde. Slade ontpopte zich in de latere jaren tot een vurig calvinist. Bovendien was hij niet alleen latinist, maar had hij ook kennis van het Arabisch en het Hebreeuws. In 1603 werd ook een nieuwe koster aangesteld in de Nieuwe Kerk: de calvinist Harmen Albertszoon van Warmenhuizen, die tevens cartograaf, uitgever en boekbinder was. Volgens De la Fontaine-Verwey zal die functie ook het dagelijkse toezicht op de boekencollectie hebben ingehouden.

De boeken in de Nieuwe Kerk waren opgeborgen in kasten met elk één boekenplank en een lessenaar. De boeken waren vastgeketend.[41] Er werden ook sleutels gebruikt:

 

alle gheleerde ende gheleertheytlievende inwoonders [hadden] tot de selve [de boekerij] enen vrijen toegang, mits alleen enighe kennisse doende oft medebrengende aen de kerkmeesters ende opzieners die haer dan een sleutel doen [geworden] ende zekere billijcke wetten voorlesen, die sij moeten beloven te onderhouden.[42]

 

Ook in een Latijns gedicht naast de toegangsdeur van de bibliotheek stonden allerlei voorschriften. Volgens De la Fontaine-Verwey waren de bezoekers van de bibliotheek, zoals leden van de vroedschap, degenen die door schenkingen en legaten de boekencollectie lieten toenemen. De theologische afdeling was geschikt voor de geleerden onder de Amsterdamse predikanten, de Hebreeuwse en Arabische boeken trokken filologen aan. Ook juristen, rectoren en conrectoren van de Latijnse scholen konden qua onderwerpen in de boekerij terecht, net als de meer praktische wetenschappers van de afdeling cartografie en de zeevaartkunde gebruik konden maken. Burgemeester Hooft heeft het ook over bezoekers die ‘zeer jonck van jaren’ waren. Bij een kaart uit 1611 wordt er gesproken over ‘de costelijcke boeck-kamer of liberije in de Nieuwe Kerck, die tot een wonderlijcke verlustinghe ende gherief den gheheelen dag van verscheyden treffelijcke gheleerde personen besocht wort’.[43]

 

Van de aanschaf van boeken is iets bekend doordat een deel van het bezit werd ingebonden in uniforme boekbanden. Daarop wordt het jaar van aanschaf vermeld: 1587 (34), 1588 (3), 1594 (5) en 1599 (2), 1603 (69) en 1604 (5). In 1596 werd bovendien een juridisch standaardwerk aangeschaft. De eerste catalogus kwam in 1612, gevolgd door de tweede in 1622. De kosten van de tweede catalogus werden gedragen door de kerkmeesters.

In de catalogus van 1612 worden 765 titels vermeld, tezamen zo’n 1400 boekdelen. Het merendeel van de boeken is in het Latijn, maar er zijn ook enkele Hebreeuwse en Griekse boeken aanwezig. De helft van de titels (380) heeft betrekking op de theologie (12 grote kasten). Daarna zijn er onderwerpen als rechtswetenschap (drie grote kasten), medicijnen (één grote kast), oude en nieuwe geschiedenis (zeven kleine kasten), wiskunde (twee kleine kasten), filologie (twee kleine kasten), klassieke en Neolatijnse dichters (één kleine kast), ‘grammatici et litteratores’ (drie kleine kasten), Nederlandse en Duitse auteurs (één kleine kast). De overige boeken namen samen twee kleine kasten in beslag. In 1622 was de collectie met 125 werken uitgebreid.

 

In 1632 verhuisde de collectie naar de zolder van de Agnietenkapel waar ook het Athenaeum Illustre was gevestigd. De stad nam de bibliotheek geheel onder haar hoede. Volgens Schneiders was de collectie inmiddels aangegroeid tot 1500 banden. De bibliothecaris werd Dionysius Vossius. In de achttiende eeuw liet de zorg voor de bibliotheek veel te wensen over.[44]

 

3.6 Haarlem

Zowel in Bibliopolis als bij Schneiders wordt de zestiende- en zeventiende-eeuwse boekerij van Haarlem als een stadsbibliotheek aangeduid.[45] Ook De Wit heeft het meestal over de ‘Stads-Bibliotheek’ van Haarlem, maar ontwijkt ook de term ‘stads- of stedelijke librije’ niet. Jaspers heeft tevens een voorkeur voor stadsbibliotheek, maar in de titel van zijn werk heeft hij het ook over ‘Haarlems Libry’.[46] De stadsbibliotheek Haarlem bestaat tot op de dag van vandaag en het is dan ook de vraag in hoeverre de naamgeving van de zestiende-eeuwse voorloper daardoor wordt beïnvloed.

Het historische tekstcorpus van Haarlem is erg klein. In het vroedschapsbesluit van 22 mei 1596 werd besloten tot oprichting van een ‘libry’: ‘Is mede verhaelt ende voor goet innegesien ende verstaen datmen eene Libry sal toerusten ter plaetse die daer toe int predicarenconvente es geordonneert’.[47] In 1628 dichtte Samuel Ampzing: ‘Ons Stedes Librarij, en rijke Boeken-kas, Die daeglijkx meerder word door merkelijk gewas’.[48] In een citaat uit 1628 staat: ‘Bibliothecarii, ofte Opsienders der Librije’.[49] In 1716 werd de bibliotheek aangeduid als ‘Palladis Sacrarium’ (= heiligdom van de godin der wijsheid Pallas Athene).[50]

 

Wat is er bekend over de geschiedenis van de ‘stadsbibliotheek’ van Haarlem? Vanaf september 1576 stond Haarlem definitief aan de zijde van de Prins van Oranje. Vanaf 1577 kon de stad bij resolutie van de Staten van Holland aanspraak maken op de geestelijke goederen van kerken en kloosters, waaronder dus ook de boeken. In eerste instantie was het de bedoeling de boeken naar de Leidse universiteit te brengen: Schonaeus, rector van de Latijnse school in Haarlem, moest daarvoor de bibliotheken van het Fransciscanenklooster en het Dominicanenklooster catalogiseren. Aanwijzingen dat deze overdacht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden zijn er niet, mogelijk vanwege de ‘Haarlemse Noon’. Toen werden o.a. de beide kloosters en de St Bavo door muitende soldaten geplunderd. De daarna in 1581 aan de stad toegevallen boeken uit kloosters en kerkelijke instellingen die de plundering hadden overleefd, zouden in de in 1596 in Haarlem opgerichte boekerij zijn opgenomen. Alleen de bezittingen van de Sint Jan mochten niet worden geconfisqueerd. De boekerij werd gehuisvest in het in 1581 opgeheven Dominicanenklooster.[51] Dat klooster heette sindsdien het Prinsenhof.[52] Schneiders vraagt zich af of de boekerij is opgericht rond de kern van boeken uit de kloosters of gestart is met een verzameling die gefinancierd werd uit de inkomsten van de kloostergoederen.[53] In 1625 werd de collectie uitgebreid toen (een deel van) de collectie van de Commanderij van Sint Jan werd opgenomen omdat de laatste johannieter was overleden. Het ging om zo’n 500 boekdelen. De rooms-katholieke theologie domineerde daarin, maar er waren ook enkele letterkundige, wijsgerige, geschiedkundige en medische werken.[54]

De eerste gedrukte catalogus verscheen in 1672. Daarin staan tal van uitgaven uit het begin van de zeventiende eeuw. De theologie overheerst: in de catalogus neemt de collectie theologie 21 folio-bladen in beslag. De medische en juridische werken en andere wetenschappelijke boeken nemen respectievelijk, 2½, 2½ en 9 bladen in beslag. In de catalogus van 1716 was de verhouding veranderd. De bibliotheek bestond toen uit 813 werken, waarvan 295 theologische. Ook andere onderwerpen zijn nu in grotere mate aanwezig: 106 juridische werken, 89 medische, 135 werken op het gebied van de wijsbegeerte en het humanisme, 159 historische werken en 30 manuscripten. In 1770 bleek de collectie te zijn gegroeid tot 882 werken.[55]

 

Volgens De Wit was het toezicht op de instelling opgedragen aan een ‘College van scholarchi’, een college dat ook toezicht hield op de Latijnse school en waarin in de zestiende       tot en met de achttiende eeuw vaak één of meer predikanten van de Hervormde Staatskerk zaten.[56]

Het lijkt waarschijnlijk dat met het gevarieerder worden van de collectie de boekenverzameling niet alleen door predikanten gebruikt werd, maar ook door de stedelijke bevolking. De Wit heeft het over intellectuelen als de rector en leraren van de Latijnse school, predikanten in het bijzonder die van de Hervormde Staatskerk, scholarchi en geschiedschrijvers. In een gedicht uit de catalogus van 1672 wordt gesproken over de lieden van ongerepte deugd en van kennis.[57] In 1717 kregen de gepromoveerden in de theologie, medicijnen en rechten een sleutel van de bibliotheek. Daarnaast hadden de opzichters van de Latijnse school een sleutel van een kastje met manuscripten en de atlas.[58]

 

In de achttiende eeuw is de bibliotheek in verval geraakt. In 1794 bevinden de boeken zich op de zolder van het Prinsenhof. De eigenlijke bibliotheekruimte werd toen verhuurd aan M. A. Beels als bewaarplaats voor zijn bibliotheek. In 1812 waren de boeken nog steeds niet in kasten opgesteld, maar lagen ze opgestapeld en voor iedereen toegankelijk op zolder ten prooi ‘van ongedierte, regen, sneeuw ofwel van roofzuchtige menschenhanden’. In 1821 werden de boeken weer op hun oorspronkelijke plaats opgesteld.[59] Uit een bepaling van het begin van de negentiende eeuw blijkt dat de Prinsenhof open was voor ieder die drie gulden betaalde voor de sleutel. Men kon dan alles inzien.[60] Het Prinsenhof bleef in gebruik tot 1974.[61]

 

3.7 Alkmaar

Alkmaar mag in dit overzicht natuurlijk niet ontbreken. Schneiders plaatst de boekerij van Alkmaar bij de stedelijke bibliotheken, waarbij hij ook de naam stadslibrije gebruikt.[62] Plenckers-Keyser en Streefkerk maken duidelijk dat de boekerij bekend staat als ‘de Librije’. Librije wordt steeds met een hoofdletter geschreven. Bovendien laten zij expliciet weten dat het uit het Latijn afkomstige woord ‘librije’ hetzelfde betekent als het uit het Grieks afkomstige woord ‘bibliotheek’. Vandaar dat ook de term ‘bibliotheek’ in hun artikel met regelmaat wordt gebruikt, net zoals de aanduidingen stadsboekerij/ stedelijke boekerij/ stadsbibliotheek naast stadslibrije.[63] De studenten van de projectwerkgroep uit 2006 hebben een duidelijke voorkeur voor ‘librije’, maar gebruiken net zo goed stadslibrije of stadsbibliotheek.[64]

Het historisch gebruik kunnen we aan de hand van een tiental citaten uit de periode 1545-1673 bekijken. Spellingsvarianten van ‘librije’ komen het meest voor, al dan niet in combinatie met stads of stedelijk: Librije deser stede (1596, 1605), stads librije of stede librije (1607). Ook het woord ‘(stads)bibliotheek’ wordt gebruikt: stads bibliotheecque (1601). In de stadskroniek van 1630 (sprekend over het jaar 1594) heeft men het over de ‘Stadts Bibliotheca ofte Librije’.

 

Over de oprichting van de ‘Librije van Alkmaar’ is helaas weinig bekend.[65] In 1594 zou de boekerij, die door ‘troubel geheel vervallen was’ op haar oude plaats aan het zuiden van de Grote Kerk opnieuw zijn ‘opgericht’ en zijn uitgebreid met vele boeken van verschillende onderwerpen. Op basis hiervan wordt duidelijk dat in ieder geval een deel van de collectie al eerder in de Grote Kerk had gestaan. In 1545 zou er al een ‘librie’ in de kerk zijn geweest. Wat de status van die vroege librije was, is moeilijk te zeggen. Mogelijk is het ‘slechts’ de boekencollectie van de kerk, net zoals bij de kerken in Gouda en Utrecht die al een librije hadden voordat er in latere jaren, na de confiscatie van boeken door het stadsbestuur, opnieuw een boekerij werd gehuisvest.[66] Waar de librije van Alkmaar voor 1594 was gehuisvest, is niet duidelijk. Mogelijk stond de collectie in de Latijnse School. Schoorlemmer oppert dat de collectie van de kerk en de boekencollectie van de Latijnse school in 1594 wellicht zijn samengevoegd. In ieder geval werden er reeds voor 1594 boeken aan de librije geschonken: in 1578 een driedelige Latijnse thesaurus door rector Popko Elema, in 1591 door de geneesheer Pieter van Foreest een geneeskundige verhandeling van Avicenna, een incunabel uit 1479 en een werk van eigen hand (Observationem et curationum medicinalium). Of de librije ook is uitgebreid door confiscatie van boeken heb ik in de literatuur niet bevestigd gekregen. In 1572 kreeg de stad een protestants bestuur, de belegering door de Spanjaarden in 1573 werd overwonnen. Schoorlemmer merkt op dat het protestantse bestuur in 1572 beslag legde op alle katholieken bezittingen van kerken en kloosters. Zo kunnen dus eveneens de boeken aan het stadsbestuur vervallen zijn. Bewijzen hiervoor zijn echter niet gevonden.[67]

 

De boekencollectie werd in 1594 geplaatst aan de zuidzijde van de kerk, boven het portaal van de hoofdingang. De boeken waren geketend, dat blijkt althans uit de kettinggaten die vele banden hebben. Vanaf 1605 werd de toegang tot de boekerij met sleutels geregeld: de burgemeesters bepaalden wie er sleutels kregen. Zij moesten een contract ondertekenen. Het contract is ondertekend door leden van de vroedschap, kerkmeesters en rectoren van de Latijnse school. In vergelijking met andere boekerijen is er slechts een klein aantal sleutels in omloop geweest. In 1631 werd het contract voor de laatste keer ondertekend. In 1745 waren de sleutels van de librije in handen van de burgemeester en de gereformeerde predikanten. Alleen zij hadden toen toegang tot de boekencollectie.

In 1634 werd bij de aanstelling van een nieuwe rector van de Latijnse school bepaald dat deze toezicht moest houden op de boekerij. Er zijn aanwijzingen dat ook na die tijd (en wellicht ook voor 1634) de rectoren met het toezicht op de collectie waren belast. Zo werd de catalogus van 1730 gemaakt door de toenmalige rector Rutger Ouwens. Vanaf 1764 moesten de rectoren van de Latijnse school de librije vier maal per jaar inspecteren.

 

Vooral aan het begin van de zeventiende eeuw is er veel in de groei van de collectie geïnvesteerd. In 1596 werden nog ‘eenighe boeken’ op de veiling van de bibliotheek van Bastingius aangeschaft. In 1598 schonk rechtsgeleerde Pancras van Castricum een werk. Uit de vroedschapsresoluties is gebleken dat er op veilingen in Leiden in 1601 en 1607 boeken werden aangeschaft voor respectievelijk 372 en 483 gulden. Hierbij waren de gomaristische predikant (Hillenius) en een raadslid (Rabbi) betrokken.[68] In 1632 werd de Biblia Regia voor 400 gulden aangeschaft. In 1633 bepaalde de vroedschap dat er boeken verkocht mochten worden. De opbrengst moest gebruikt worden voor de aankoop van nieuwe boeken.

Volgens een stadskroniek uit 1645 waren er op dat moment meer dan 360 gebonden boeken. De oudst bekende catalogus is uit 1712. Die vermeldt 312 gedrukte werken en 3 handschriften. In 1725 maakte Rutger Ouwens, rector van de Latijnse school, een catalogus. In het archief bevinden zich momenteel 323 banden met ruim 400 werken. Het grootste deel dateert uit het midden en tweede helft van de zestiende eeuw (na 1540-voor 1600): 219 banden. Het meest voorkomende formaat is folio (234 banden). Daarnaast zijn er respectievelijk 40 kwarto’s en 48 octavo’s. Welke onderwerpen zijn er aanwezig? Het merendeel van de werken gaat over theologische en religieuze zaken (zo’n 270 van de ruim 400 werken), grotendeels van hervormde aard maar er zijn ook katholieke werken, 39 medische werken, 29 geschiedkundige werken, 24 werken met klassieke teksten, 19 werken op het gebied van de rechtsgeleerdheid en de staatswetenschap. De meeste boeken zijn in het het Latijn geschreven, maar er is ook wat Grieks en Hebreeuws.[69]

In 1594 zou de boekerij in de Grote Kerk opgericht zijn ‘tot groot gerief van de burgerij en de studenten’. De collectie zou bovendien toegankelijk zijn voor iedereen, onafhankelijk van hun standpunten of (geloofs)overtuiging. Toch is op basis van de collectie en het sleutelcontract aannemelijker dat het vooral de predikanten, rectoren van de Latijnse school en stadsbestuurders waren die van de collectie gebruik hebben gemaakt. Ook medici of juristen zouden wat met de collectie hebben gekund.

 

De bloeiperiode van de librije van Alkmaar ligt in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De aantekeningen in het archief zijn vooral afkomstig uit de periode 1590-1650. Het sleutelcontract is slechts tot 1631 ondertekend; na 1630 zijn er naar het zich laat aanzien slechts 17 banden aan de collectie toegevoegd. Ook zijn er getuigenissen uit het begin van de achttiende eeuw over de vervallen staat van de collectie: vervallen, verstoft en aangevreten. In 1714 zou de librije nog wel ‘vermaakt’ zijn.

De collectie verhuisde in 1819 naar de charterkamer van het stadhuis. Op dat moment werden de boeken ontketend. In 1875 werden de banden naar het Stedelijk Museum gebracht en in 1996 kwam het beheer ervan in handen van het Gemeentearchief van Alkmaar.

 

3.8 Edam

De literatuur spreekt bijna consequent over de ‘librije van Edam’. Als afwisseling wordt er soms verwezen met het woord ‘bibliotheek’. Hieruit blijkt dat men de betekenis van de woorden niet als substantieel verschillend ervaart, maar dat de term ‘librije’ het meest ingeburgerd is.[70]

Veel materiaal om het historisch gebruik te reconstrueren is niet voorhanden. Er zijn weliswaar 30 citaten in de literatuur te vinden, maar deze betreffen alle dezelfde soort provenancegegevens: in deze teksten wordt meegedeeld dat het boek door een bepaald persoon aan Edam is nagelaten. In 15 gevallen gaat het om boeken die Robertus Puppius (overleden in 1619?) heeft nagelaten, in 14 gevallen gaat het om boeken nagelaten door Pouwels Pieterszn (overleden in 1576). In slechts één geval wordt de term ‘bibliotheek’ gebruikt; in alle andere gevallen verschillende schrijfvarianten van het woord ‘librije’. In een tekst van Hieronymus Stridonensis (Opera Omnia etc.), bestaande uit 10 volumes in drie banden (Edam 58, 59 en 62) worden twee provenancegegevens gevonden. In band 1 staat een voorbeeld zoals we dat bij 28 gevallen in ongeveer gelijke bewoordingen tegenkomen: ‘Robertus Puppius stervende heeft dit boek besproken den librie van Edam’. In band 3 wordt het woord ‘bibliotheek’ gebruikt: ‘Dit boek is besproken van Paulus Pietersz. saliger tot de bibliotheek van Edam’. In Edam 27 wordt vermeld dat ene Jan Pieterszn Scrijver het boek op 2 februari 1586 heeft geruild. Opnieuw wordt het woord ‘librije’ gebruikt: ‘Dese Bijbel behoert tot die liberije van Edam ende is gereult van Jan Pieterszn Scrijver, met consent der Kerckmeesteren aldaer, den 2 februarij 1586’.[71]

 

De librije van Edam bevond zich in de Grote of Sint Nicolaaskerk. Aan deze kerk was tevens een Latijnse school verbonden. De librije en de school bevonden zich beide in de kerk boven de sacristie, gelegen in het zuiderportaal. Het bestaan van de librije blijkt voor het eerst uit een schenking van Paulus Pieterszoon in 1575/1576. Paulus was de eerste predikant van de kerk nadat zij in 1572 in Protestantse handen was overgegaan, maar hij was voor 1572 als rooms-katholiek priester werkzaam geweest. De librije bestond dus reeds voor 1575. Vanaf wanneer precies is niet te zeggen, maar de Latijnse school bestond al vanaf of vóór 1561 en het zuidportaal van de kerk is voor 1538 gebouwd.[72]

Gruys noemt de librije van Edam een kerkbibliotheek. Ook Schneiders spreekt van een kerkelijke bibliotheek, maar ook van een semi-stedelijke, primair voor de predikanten bedoelde ‘predikantsbibliotheek’.[73]

De collectie bestaat uit ruim 158 gedrukte werken in 107 banden. De grotendeels Latijns theologische boekenverzameling bevat werken van kerkvaders, al dan niet gebaseerd op uitgaven van Erasmus, maar ook van reformatorische auteurs. Vele geschriften zijn luthers van aard. De meest voorkomende auteursnaam (15 titels) is Heinrich Bullinger (1504-1575), de opvolger van Zwingli in Zürich.[74]

Van enkele boeken in de verzameling is het zeker dat ze bij het onderwijs gebruikt zijn, maar naast de schoolmeesters zullen de geestelijken van de kerk de eerste gebruikers van de boeken zijn geweest. De verzameling zal vooral dienst gedaan hebben als handbibliotheek voor katholieke en later reformatorische zielenherders. De geestelijken van de kerk waren rond 1550 een pastoor en drie vicarissen. Naast de kerk stond bovendien het zusterconvent van de H. Maria Magdalena en in de directe omgeving van de kerk was er het terminarishuis der fransciscanen. Daarnaast zouden burgers die het Latijn machtig waren van de boekencollectie gebruikt gemaakt kunnen hebben.[75]

Het beheer van de librije lag in handen van de kerkmeesters, in ieder geval in 1586 (zie de reeds bovengeciteerde provenancegegevens). De kerkmeesters onderhielden overigens vaak nauwe banden met de plaatselijke autoriteiten. De boeken lagen met kettingen vastgebonden aan een aantal lectrijnen.[76]

 

Uit de literatuur blijkt nergens dat er boeken zijn gekocht. De collectie is gegroeid van schenkingen en legaten: de belangrijkste donateurs waren de predikanten Pouwels Pieterszoon en Gulielmus en Robertus Puppius.[77] Als we de provenancegegevens nagaan, lijken de boeken vooral als erfenis in de librije terecht te zijn gekomen. Wellicht is dat de reden dat er zoveel kwarto- en octavo-boeken in de collectie zijn opgenomen: slechts 25,6% is folio, 74,4% is kwarto of kleiner (28,2% is kwarto, 44,9% is octavo, 1,3% is sextodecimo).[78] De kleinere formaten had een particulier zich makkelijker kunnen veroorloven.

De meeste werken komen uit de zestiende eeuw (95,4%) en dan vooral de eerste helft van de zestiende eeuw (66,9%), 37% uit het tweede kwart van de zestiende eeuw, 3,2% is van voor de zestiende eeuw. Het jongste boek is uit 1657. Volgens de literatuur zijn er vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw geen nieuwe boeken meer toegevoegd. Ook blijkt er niets van onderhoud van de boeken of het gebruik van de boeken. Veel boeken hebben hun zestiende-eeuwse band behouden vanwege een paar eeuwen van verwaarlozing. Pas in de negentiende eeuw toonde men interesse, bijvoorbeeld bij het opstellen van de eerste catalogus (1867) en de vernieuwing van het meubilair. Vanaf 1934 wordt de collectie bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.[79]

 

3.9 Enkhuizen

Over de boekerij van Enkhuizen zijn twee goede en recente publicaties verschenen: de ene van R.P. Zijp uit 1991, de andere van A. Voorst, een doctoraalscriptie uit 2004.[80] Beide auteurs lijken geen verschil te zien tussen de woorden ‘librije’ en ‘stadsbibliotheek’, al suggereert Voorst met het woord ‘stedelijke librije’ ook het bestaan van een kerkelijke librije, waardoor de term ‘librije’ meer lijkt te omvatten dan het woord ‘stadsbibliotheek’. Voor Enkhuizen gebruiken Voorst en Zijp echter vooral de term ‘librije’.

Schneiders geeft aan dat de boekerij van Enkhuizen in de historische bronnen wordt aangeduid als ‘lybry’, ‘bybieleteecq’ of ‘biebleteeck’.[81] In 1597 betalen de kerkvoogden 13 stuivers en 12 centen aan iemand ‘van Spieckers tot die Libery’. In 1603 werden twee vrouwen betaald om ‘aen die Liberie schoon te maecken’.[82] In 1646 werd echter geld gegeven om boeken te kopen voor de ‘bibliotheecq van de kercke’.[83] Op de eerste catalogus van 1693 en in een boek geschonken in 1628 gebruikt men steeds de Latijnse naam: ‘Bibliotheca Enchusana’.[84]

 

De librije van Enkhuizen bevond zich aan de zuidkant van de St Gomarus of Westerkerk, op de eerste verdieping van de aanbouw die dateert van na 1614 en ligt naast het oudere zuidportaal. De oorsprong van de librije gaat echter verder terug dan 1614. Meestal wordt het ontstaan in verband gebracht met het legaat van de in 1588 overleden Gerardus Jacobi Vesterman, Enkhuizer predikant en rector van de Latijnse school. Vesterman bezat een eigen grote bibliotheek. Bij zijn dood liet hij de theologische werken na aan de hervormde gemeente en de resterende wereldlijke titels aan de stedelijke overheid. Voorst geeft aan dat de boeken vermoedelijk allemaal in de Westerkerk werden bewaard en dat ze nog tot op heden in de librije zijn terug te vinden. Daarnaast is het aannemelijk, maar niet bewijsbaar, dat een aantal oude kloosterboeken in de librije terecht is gekomen. Wellicht zijn deze in latere tijd geruild of doorverkocht. Enkhuizen had vanaf de vijftiende eeuw zes kloosters waarvan de bezittingen in 1572 met de invoering van het hervormde geloof in beslag waren genomen.[85] Zijp vindt het onwaarschijnlijker dat de kloosterboeken in de librije terechtkwamen.[86]

De eerste mededelingen over de librije zijn de hierboven aangehaalde citaten uit 1597 en 1603 waaruit iets blijkt over het onderhoud van de boekkamer. In een boek dat Bernardus Paludanus, stadsgeneesheer, in 1628 aan de librije schonk, noemde hij zichzelf de eerste stichter van de bibliotheek. Volgens Voorst is hij niet zozeer de stichter van de librije, die bestond immers al voor 1628, maar de initiator voor de vestiging van de librije in de nieuwbouw aan de zuidkant van de kerk na 1614. De bouw van dit deel van de kerk viel samen met een economische en demografische bloeitijd in Enkhuizen. De Westerstraat waaraan de nieuwbouw lag, was één van de belangrijke straten in Enkhuizen waar ook vooraanstaande burgers als Paludanus woonden.[87] Zijp denkt dat de librije daar rond 1628 zijn plaats kreeg.[88] In de Westerstraat was ook de in 1549 opgerichte Latijnse school gevestigd.

Net als de librije van Edam vindt Schneiders Enkhuizen een kerkelijke bibliotheek: ‘een specifieke hervormde kerkelijke bibliotheek die slechts in beperkte mate het karakter van een stedelijke bibliotheek droeg’ en die ‘primair onder verantwoordelijkheid van de kerkgemeenschap’ stond.[89] Er is discussie gevoerd over de vraag of de ‘Enkhuizer librije een stads- of een kerkbibliotheek is geweest’.[90] Enkhuizen is zeker niet puur een kerkbibliotheek. De librije wordt vaak als ‘Bibliotheca Enchusana’ aangeduid en ik denk dat dat laat zien dat het boekenbestand in de eerste plaats dé bibliotheek van Enkhuizen was: voor kerk én stad.

In de zeventiende eeuw kreeg het beheer van de librije gestalte door de aanstelling van curatoren en librijemeesters. De librijemeesters waren meestal de kosters en predikanten, maar zij werden door de stad benoemd. Ook zijn er aanwijzingen dat er subsidie gegeven werd door zowel de kerk als door het stadsbestuur. De kerk bepaalde in 1628 dat er jaarlijks een geldsom van ongeveer 105 gulden voor onderhoud van de librije zou worden besteed. In 1641 besloot het stadsbestuur bovendien jaarlijks een bedrag van 150 gulden aan de librije te besteden. Voorst geeft een overzicht van de werken die de hervormde gemeente tussen 1615 en 1694 heeft aangeschaft als ook het geld dat is uitgegeven aan onderhoudswerkzaamheden. Hieruit blijkt dat zowel predikant Dorselaer als schepen Willem Wiggertsz Blau bij aankopen betrokken zijn geweest.[91]

Er werden niet alleen werken gekocht, maar ook geschonken. Zo had burgemeester Jacob Meynertszoon Brouwer in 1652 vastgelegd dat alle in folio gedrukte boeken na zijn dood aan de boekerij moesten worden nagelaten. Van de andere schenkingen geeft Voorst een uitgebreid overzicht.[92] Hieruit blijkt dat de (32) schenkers vooral artsen, predikanten, rectoren, geleerden en bestuurders waren. Zij schonken overheersend folianten.

Het boekenbestand van de librije van Enkhuizen is wellicht mede hierdoor zeer gevarieerd. In de catalogus van 1693 worden 335 folio’s en 52 kwarto’s genoemd. In 1964 worden 339 folio’s en 62 kwarto’s opgenomen, wat overeenkomt met een totaal van 461 titels: 80% in het Latijn, maar ook 11% in het Nederlands. Daarnaast zijn er ook enkele Franse en Duitse boeken.[93] Ook in Enkhuizen lag het zwaartepunt van het boekenbestand op de theologie. Daarnaast waren er echter ook allerlei andere onderwerpen aanwezig, die de boekerij meer als een wetenschappelijke bibliotheek laten uitkomen. In volgorde van belangrijkheid waren dat: geschiedenis, rechten, geneeskunde, (klassieke) letterkunde, geografie, filosofie. Daarnaast waren er boeken op het gebied van de beeldhouwkunst, architectuur/vestingbouw, wiskunde/navigatie, tijdrekenkunde, natuurkunde, natuurlijke historie, herbaria enzovoort.[94]

Dit brede aanbod en ook de afkomst van de schenkers toont eigenlijk al dat zeker niet alleen de kerk van de librije gebruik heeft gemaakt. In 1646 gaf het stadsbestuur een eenmalige subsidie om het aanbod van de Latijnse schoolboeken in de librije te versterken. Hieruit blijkt dat er contact was tussen de Latijnse school en de bibliotheek van Enkhuizen. Het stadsbestuur had ook bepaald dat de librije een instelling ‘voor alle studerenden’ moest zijn. Zo’n 12 procent van de boekencollectie bestaat uit typische Latijnse schoolboeken.[95]

Voorst vindt dat de librije van Enkhuizen een grote mate van openbaarheid had. De kerk was een openbare ruimte en er zijn geen tekenen dat er sprake is geweest van een sleutelrecht. De boeken werden bovendien pas in 1657 geketend. In 1693 werd een traliewerk geplaatst.[96]

 

Tot wanneer heeft de librije van Enkhuizen zich ontwikkeld? De boekencollectie bezit 60 banden uit de eerste helft van de zestiende eeuw, 118 banden uit de tweede helft van de zestiende eeuw, ruim 200 banden uit de eerste helft van de zeventiende eeuw en 26 uit de tweede helft.[97] Voorst geeft aan dat het verval van de librije gelijk loopt met de economische achteruitgang van Enkhuizen. Vanaf de laatste decennia van de zeventiende eeuw bleven aankopen en schenkingen uit en was de librije alleen nog gericht op behoud.[98] Van verwaarlozing, zoals bij Edam, kan niet echt gesproken worden. Ook in de achttiende en negentiende eeuw werden er librijemeesters aangesteld door het stadsbestuur. Er verschenen catalogi in de jaren 1693, 1761, 1853, 1908 en de herdruk daarvan in 1964. In 1818 werden de boeken genummerd. In 1838 werden ze van de ketting gehaald, mogelijkerwijs vanwege de brand in hetzelfde jaar in de librije van Hoorn. De rector van de Latijnse school, A. de Jong, deed diverse aanbevelingen om het beheer van de librije te verbeteren. Boeken konden vanaf dit tijdstip worden uitgeleend. Voorst merkt op dat het al te laat was om de librije op deze manier nieuw leven in te blazen. In 1802 was er in Enkhuizen een volksbibliotheek opgericht door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. De laatste librijemeester was E.C. de Vries die de boeken pas overdroeg aan de Koninklijke Bibliotheek aan het einde van de twintigste eeuw. Het boekenvertrek met de lectrijnkasten in de Westerkerk is nog wel in stand gebleven.[99]

 

3.10 Zutphen

Eén van de bekendste zestiende-eeuwse bibliotheken is de librije van Zutphen. In de literatuur wordt de term ‘librije’ dan ook veruit het meest gebruikt. Toch maakt het gebruik van ‘bibliotheek’ hier en daar duidelijk dat de onderzoekers geen groot verschil tussen beide termen ervaren.[100] Schneiders laat in zijn studie weten dat Zutphen voor hem een voorbeeld is van een kerkelijke librije die zich ontwikkelde tot een stedelijke boekerij.[101]

In de literatuur zijn ruim twintig citaten te vinden uit historische bronnen waarin de term ‘librije’ of ‘bibliotheek’ valt. In de citaten van halverwege de zestiende tot het begin van de zeventiende eeuw wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de term ‘librije’, in vele spellingsvarianten. Opvallend is dat twee citaten van achtereenvolgens 1633 en 1654 spreken over een bibliotheek (‘een nieuwe ordonnantie tot conservatie der bibliotheecq’ en ‘’t opzicht van de bibliotheecq’).[102]

 

Als oprichtingsjaar van de Zutphense librije wordt in Bibliopolis het jaar 1561 genoemd.[103] Toen werd begonnen met de bouw van de ruimte waarin de boekencollectie nog steeds wordt bewaard. Deze ruimte bevindt zich aan noordwestelijke zijde van de St Walburgiskerk. In 1564 was de ruimte (van 8 bij 18 meter) klaar. De initiatiefnemer voor de oprichting van een librije was de kerkmeester Coenrad Slindewater, maar hij overleed al in 1599. De bouw werd na Slindewaters dood doorgezet door kerkmeester Herman Berner. Overigens had het kapittel van de Walburgiskerk al voor 1561 een boekencollectie. Omstreeks 1500 werden deze boeken verplaatst naar een nieuw gebouwd kapittelhuis, dat, toen deze boeken in 1564 overgingen naar de nieuwe ruimte, als ‘de olde liberie’ werd aangeduid.[104]

Uit de aantekeningen van Slindewater weten we dat het de bedoeling was om met de librije de oprukkende ideeën van het protestantisme tegen te gaan: met de librije kon de geestelijkheid zich wapenen.[105] Toch kan niet ontkend worden dat Slindewater geen andere gebruiksmogelijkheden op het oog had. Hij wilde namelijk niet alleen boeken op het gebied van bijbelexegese en kerkgeschiedenis, maar ook werken met betrekking tot kerkelijk en wereldlijk recht, geneeskunde en andere nuttige wetenschappen. Ook de arts en de rechtsgeleerde en andere geleerden die wijsheid belangrijk vonden of arme studenten moesten in de librije terecht kunnen.

Het lijkt erop dat de librije niet alleen voor kerkelijke personen bedoeld was. De boeken waren in de librije met kettingen aan de lessenaars verbonden. Ook zou er een vel perkament gehangen hebben met de ‘leges van der liberie’. In 1564 werden er maar liefst 60 sleutels voor de librije gemaakt. Ook in de jaren daarna werden er nieuwe sleutels vervaardigd.

In de periode na 1561 werden er niet alleen werken geschonken, maar ook gekocht van particulieren en boekhandelaren. Het waren echter vooral theologische werken die werden gekocht. Meinsma laat zien welke boeken kerkmeester Berner kocht en liet inbinden. Het inbinden gebeurde voor een deel bij de broeders van de Moderne Devotie in Deventer en Doesburg. Ook Slindewater liet postuum boeken aan de librije na. In 1566 werd een catalogus gemaakt door Henrick Cansen. Tot 1570 heeft Cansen deze catalogus bijgehouden. Zijn catalogus bestaat uit 347 titels (waarbij meerdelige werken per deel zijn opgenomen). De katholieke theologie overheerst hier totaal. Protestantse werken werden geweerd en ook de Index librorum prohibitorum was in de librije aanwezig. In die zin was de librije dus vooral een wapen tegen het protestantse gedachtegoed.

 

Met de overgang van roomse naar protestantse zijde vanaf 1572 heeft de librije veel verliezen geleden. De collectie raakte in verval. In 1591 ging Zutphen definitief over naar de hervormde zijde. Waarschijnlijk werden op last van de stedelijke overheid delen van het boekenbezit van kloosters in de Walburgiskerk ondergebracht. In 1608 besloot het stadsbestuur het slot van de librije te veranderen. In 1622 werd de conrector van de Latijnse school (vanaf 1627 opgevolgd door de rector) als bibliothecaris van de librije aangesteld. Er werden ook werken van Luther, Calvijn en Zwingli aangekocht. Het kerkbestuur vroeg voor de aankoop van boeken steun bij het stadsbestuur.[106] Hoewel het stadsbestuur in de vele jaren erna steeds een nieuwe bibliothecaris heeft aangesteld en er catalogi werden samengesteld (niet bewaard helaas), lijkt het erop dat de belangstelling vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw behoorlijk gedaald was. In de achttiende en negentiende eeuw zouden er zelfs kinderen in de librije hebben gespeeld. Thans is het mogelijk de librije als toerist te bezoeken.

 

3.11 Deventer

De laatste boekerij die ik hier apart zal behandelen is Deventer. Om het historisch gebruik van de woorden te analyseren was het mogelijk zo’n 20 citaten uit historische bronnen te verzamelen. Daarin is een duidelijke tweedeling te herkennen. Tot 1618 wordt uitsluitend gebruik gemaakt van het woord ‘librije’. In 1618 wordt Revius aangesteld als opzichter van de ‘Bibliothecq’. In 1629 wordt er nog gesproken van een ‘Stadt Liberie’, maar daarna lijkt de term ‘bibliotheek’ het van ‘librije’ te winnen: tot 1700 wordt er acht keer gebruik van gemaakt. Twee keer is er ook echt sprake van een ‘stadsbibliotheek’.[107] De breuk rond 1630 valt zoals we zullen zien samen met de oprichting van het Athenaeum Illustre.

Net als bij Haarlem is de analyse van de moderne naamgeving lastig, omdat de bibliotheek nog steeds bestaat onder de naam ‘Stads- of Atheneumbibliotheek Deventer’. Als we specifiek kijken naar de aanduiding van de zestiende- of zeventiende-eeuwse collectie, dan blijkt dat deze in ieder geval deels door de moderne naam wordt beïnvloed: zo spreekt Koch over de ‘prille stadsbibliotheek’. De oude collectie wordt gezien als een vertrekpunt van de huidige stadsbibliotheek. Koch is zich ook bewust van de historische term aangezien hij hier en daar gebruik maakt van het woord ‘librije’ of ‘Bibliotheca’ (tussen aanhalingstekens).[108] Van Slee gebruikt ook het woord ‘Liberie’, maar op het moment dat hij spreekt over de geschiedenis van de collectie na 1597 wordt er vaker (stads)bibliotheek gebruikt.[109] Schneiders heeft het over de stedelijke boekerij of stadsbibliotheek.[110]

 

Als oprichtingsjaar van de Deventer boekerij wordt zowel het jaar 1560 als 1597 genoemd.[111] Dit lijkt tegenstrijdig, maar kan eenvoudig verklaard worden als we de geschiedenis van de boekerij volgen.[112] Het begin van de collectie werd gelegd toen het Deventer stadsbestuur van de erfgenamen van pastoor Johannes Phoconius het boekenbezit kocht: een vijftigtal werken in circa 60 delen. Het stadsbestuur wilde hiermee de geestelijken de mogelijkheid geven zich te wapenen tegen het gedachtegoed van de reformatie. De boeken werden geplaatst in het Florenshuis, het belangrijkste huis van de Moderne Devotie waar de boeken van Geert Grote en zijn opvolgers ook nog aanwezig waren. De oproep van de bisschop van Deventer (Deventer was vanaf 1559 een bisschopsstad) om de boeken te laten controleren op ketterse bestanddelen heeft de boekencollectie geen goed gedaan.

Vanaf 1591 werd Deventer definitief op de Spanjaarden veroverd. 1597 was het jaar waarin het stadsbestuur opdracht gaf de boeken uit alle kerken en kloosters op één plaats samen te brengen. Een commissie van zes, waaronder alle drie de predikanten, zou alles in goede banen leiden. De kapel van het Florenshuis werd het nieuwe onderkomen van de boeken; deze werd in 1598 omgebouwd.[113] Er werden 6,5 lessenaar geplaatst. Onder elke lessenaar was ruimte voor twee rijen boeken. De boeken kwamen er aan kettingen te liggen.

 

In 1610 werd de collectie uitgedund door een openbare verkoping van spullen, waaronder ook boeken, uit het Florenshuis. De kerkenraad wilde dat uit de verkoop van de oude boeken nieuwe zouden worden gekocht. Uiteindelijk ging 250 gulden naar de bibliotheek (daarvan was 100 gulden bedoeld voor het bindwerk). Na de predikant Assuerus Mathisius, die als beheerder van de collectie vrij veel boeken in korte tijd aanschafte, en na zijn opvolger Caspar Sibelius was het bestuur van de boekerij vanaf 1618 in handen van Jacob Revius, predikant van de hervormde gemeente in Deventer. Bij zijn benoeming kreeg hij de opdracht een lijst samen te stellen van de voornaamste en belangrijkste auteurs om daarna hun werken aan te schaffen. In 1629 werd toegezegd dat men jaarlijks 100 goudgulden aan nieuwe boeken mocht besteden, waarvan de helft aan theologische werken en de helft voor juridische werken was bedoeld. Revius was gewoon dit bedrag te overschrijden. Naast theologie en juridische werken kocht hij, weliswaar in mindere mate, ook historische literatuur. Behalve dat er boeken werden aangeschaft, werden er ook boeken geschonken.

Het besluit van 1629 had te maken met de oprichting van het Athenaeum Illustre in 1630. De bibliotheek was vanaf toen de bibliotheek voor het Athenaeum waar men les kon krijgen in de theologie, recht, letteren en in sommige perioden in geneeskunde. In 1638 mochten er voor de bibliotheek alleen medische werken worden aangeschaft omdat die werken nauwelijks in de bibliotheek aanwezig waren. De letteren bleven als onderwerp ondervertegenwoordigd. In 1632 was er wel een hemelglobe en een aardglobe aangeschaft. Toen Revius in 1641 naar Leiden vertrok, werd de functie van bibliothecaris vervuld door de burgemeester die het toezicht overliet aan de pedel van het Athenaeum. In 1681 kreeg deze  de opdracht de bibliotheek niet meer dan twee maal per week te openen. De expansie van de bibliotheek zou na het vertrek van Revius zijn gestagneerd.

 

Het dieptepunt voor de boekerij lag in de achttiende eeuw. Er brak een betere tijd aan toen Lodewijk Napoleon in 1809 drie kisten met boeken schonk. Belangrijker nog was dat Deventer bij koninklijk besluit van 1818 een groot deel van de collectie van de in 1812 opgeheven hogeschool van Harderwijk kreeg. Blijkens de catalogus van 1761 had Deventer toen 590 boektitels (950 banden) en 81 handschriften. Van Harderwijk kreeg men echter maar liefst 950 titels. Meer dan de helft van de collectie bestond uit theologische werken, een zesde deel bestond uit juridische boeken. De overige onderwerpen, zoals medische werken en historische werken, waren slechts in kleine hoeveelheden aanwezig.

In 1822 werd de collectie naar het stadhuis overgebracht. In 1971 verhuisde de collectie naar het Klooster of Buiskenshuis. Het Athenaeum was in 1878 opgeheven.

 

3.12 Overige steden met een boekencollectie

Inmiddels zijn er tien boekencollecties besproken. Hoewel ik het daar bij wil laten, zou ik hier toch nog enkele institutionele boekerijen willen noemen om aan te geven dat de groep hierboven nog niet compleet is. Ook Hoorn, Dordrecht en Maastricht hadden boekencollecties. De oprichting van de boekerij van Maastricht is vrij laat, namelijk in 1662. De collectie van Dordrecht is ‘begonnen’ in 1606.[114] De boekerij van Hoorn is daarentegen heel erg vroeg, namelijk in 1535. Toen namen de Burgemeester en Raad het besluit een nieuwe sacristie te bouwen waarboven een ruimte voor een ‘librije’ was. De kern was de kerkelijke collectie die reeds vanaf de vijftiende eeuw was opgebouwd. Het stadsbesluit en de vermoedelijk daarbij horende financiering was voor Zijp reden om te spreken over een stadsbibliotheek. Door een brand in 1838 is de boekencollectie in vlammen opgegaan.[115]

Een andere collectie die ik hier niet behandeld heb, is de Universiteitsbibliotheek van Leiden. Deze collectie had reeds bij het ontstaan een universitaire functie in tegenstelling tot de collectie van Amsterdam en Utrecht die pas veel later universiteitsbibliotheken werden. Toch lijkt de ontwikkeling van Leiden vele overeenkomsten te hebben met de andere boekverzamelingen, zoals bijvoorbeeld de plaatsing in een kerk. Ook de collecties van Franeker, Groningen en Harderwijk zijn als universiteitsbibliotheek buiten beschouwing gebleven.

 

4. Op zoek naar een antwoord: de analyse van de inventarisatie

 

Na de bespreking van de verschillende boekerijen hierboven wordt het tijd terug te keren naar de oorspronkelijke vragen van het onderzoek om een poging te wagen ze te beantwoorden.

 

4.1 Historische naamgeving

Laten we eerst het historisch gebruik van de woorden ‘librije’ en ‘bibliotheek’ bekijken. Het corpus van de historische teksten dat is verzameld uit de studies is niet heel groot. De hoeveelheid materiaal is per boekerij zeer verschillend: van Alkmaar en Gouda heb ik nog heel wat kunnen verzamelen, maar de oogst van Haarlem en Enkhuizen valt tegen. We moeten dus voorzichtig zijn met het trekken van conclusies. De resultaten hieronder zijn zeer voorlopig.

De inventarisatie van de naamgeving van de tien boekerijen, toont ons dat voor 9 van de 10 collecties in ieder geval het woord ‘librije’ is gebruikt. Alleen Utrecht wijkt daarvan af: de geciteerde historische bronnen gebruiken alle het woord ‘bibliotheek’. De term ‘librije’ blijkt dus nog volop in gebruik te zijn, ook voor die boekerijen die pas in de laatste decennia van de zestiende eeuw zijn opgericht. De term werd toen dus niet alleen gebruikt voor boekerijen waar de naam reeds was ingeburgerd. De 9 boekerijen verschillen in de mate waarin ook het woord ‘bibliotheek’ is gebruikt. Bij Gouda zijn we deze term helemaal niet tegengekomen. Bij Edam en Zutphen, Amsterdam en Alkmaar slechts één of enkele keren. Ook in de schaarse hoeveelheid citaten van Enkhuizen werd naast librije het woord ‘bibliotheek’ gebruikt. Bij Haarlem ben ik naast librije alleen ‘Biliothecaris’ tegengekomen. Bij Rotterdam werd vaker het woord ‘bibliotheek’ gebruikt dan het woord ‘librije’ en bij Deventer lijkt ‘bibliotheek’ het in de loop van de tijd van ‘librije’ te winnen.

Het historische tekstcorpus dat via de moderne studies van de verschillende boekerijen is verzameld, is te klein om echte uitspraken te doen over een ontwikkeling ten gunste van de term ‘bibliotheek’. Hoewel men op basis van Rotterdam, Zutphen, maar vooral Deventer kan beweren dat de term ‘bibliotheek’ het pas na het eerste kwart van de zeventiende eeuw gaat winnen, moeten we niet vergeten dat Utrecht al voor 1600 gekozen heeft voor ‘bibliotheek’. Daarnaast laten bijvoorbeeld Gouda en Alkmaar zien dat de term ‘librije’ ook nog in de zeventiende eeuw is gebruikt. Het lijkt erop dat de grens van 1550, die Schneiders trekt (zie paragraaf 2.1), voor de institutionele bibliotheken aan de vroege kant is. Het door elkaar heen gebruiken van beide termen duidt erop dat de woorden slechts synoniemen van elkaar waren. Er zijn voorbeelden waarin de boekerij in dezelfde tekst als librije, maar ook als bibliotheek is aangeduid (zie bijvoorbeeld bij Rotterdam, Alkmaar of Edam). Het consequente gebruik van ‘bibliotheek’ bij Utrecht zou echter wel een bewuste keuze kunnen zijn geweest. Zeker als men de oude collectie van Sint Jan met librije aanduidt en in dezelfde tekst de op te richten boekerij als bibliotheek (zie paragraaf 3.4). Ook de voorkeur voor de term ‘bibliotheek’ bij Deventer vanaf 1630 bij de oprichting van het Athenaeum wijst op een mogelijk bewust gebruik van het woord.

De aanduiding ‘stad’ vinden we zowel terug in combinatie met ‘librije’ als in combinatie met ‘bibliotheek’. Er wordt gesproken over de ‘Librije deser Stede’, ‘stads Librije’, ‘Stede Librije’, maar ook van ‘Stads Bibliotheca’ en ‘Bibliotheecq deser Stad’. Daarnaast wordt in plaats van ‘stad’ ook wel de plaatsnaam genoemd, zoals ‘librije van Edam’. De mate waarin deze aanduidingen zijn gebruikt, is per boekerij verschillend. Rotterdam, Deventer en Alkmaar springen er in positieve zin uit. Bij Gouda en Zutphen komen we dit soort aanduidingen eigenlijk niet tegen, bij Amsterdam, Utrecht en Enkhuizen één of enkele keren.

 

4.2 Moderne naamgeving

Het moderne gebruik van de woorden ‘librije’ en ‘(stads)bibliotheek’ heb ik geprobeerd in beeld te brengen door het termengebruik van de onderzoekers van de verschillende boekerijen te inventariseren. Hieruit is gebleken dat in de onderzoeken van de meeste boekerijen de woorden ‘librije’, ‘stadslibrije’, ‘bibliotheek’ en ‘stadsbibliotheek’ door elkaar worden gebruikt. De analyse bij de bespreking van Gouda gaat ook op voor de collecties van de andere steden (zie paragraaf 3.2). Er wordt geen verschil ervaren tussen een librije en een bibliotheek, al is men zich er wel van bewust dat ‘librije’ een oude middeleeuws-zestiende-eeuwse benaming is. Het woord ‘librije’ kan zowel verwijzen naar een stadsbibliotheek/stadslibrije als een kerkbibliotheek/kerklibrije.

Hiertegenover staat dat er meestal wel een bepaalde voorkeur is voor één van de termen. De boekerij heeft naam gemaakt als ‘librije’ óf als ‘stadsbibliotheek’, waardoor er twee groepen te onderscheiden zijn.[116]

 

Librije:           

Zutphen (1561), Edam (1575), Enkhuizen (1590), Gouda (1594), Alkmaar (1594?)

Stadsbibliotheek:       

Amsterdam (1578), Utrecht (1581), Deventer (1560/1597), Haarlem (1596) en Rotterdam (1604)   

 

Op basis waarvan is die voorkeursnaam bepaald: waarom is de voorkeursterm bij Gouda librije en bij Amsterdam stadsbibliotheek?[117] Het rijtje hierboven laat zien dat het onderscheid niet verklaard kan worden uit de jaren waarin de boekerijen zijn opgericht. Het woord ‘librije’ is dan wel een oudere Nederlandse term dan het woord ‘bibliotheek’, maar ook de boekerijen uit de laatste decennia van de zestiende eeuw kunnen als librije bekend zijn geworden. De suggestie die Gruys in Bibliopolis opriep, dat librijen ouder zijn dan bibliotheken (zie paragraaf 2.2), wekt op zijn minst verwarring.

Het is voorstelbaar dat de variatie in naamgeving in de zestiende- en zeventiende-eeuwse bronnen de afwisselende benamingen in moderne studies in de hand zal hebben gewerkt, maar zijn ook de hierboven genoemde geprefereerde namen via de historische bronnen te verklaren? Bij welke boekerijen ben ik in de zestiende en zeventiende eeuw reeds de term ‘stadsbibliotheek’ tegengekomen? Inderdaad bij Amsterdam, Deventer en Rotterdam, maar ook bij Alkmaar. Harde beweringen zou ik op basis van het corpus historische citaten echt niet willen doen, maar er zou een relatie kunnen zijn tussen de mate waarin de term ‘bibliotheek’ is gebruikt in de historische bronnen en de neiging om het woord ‘stadsbibliotheek’ boven ‘librije’ te prefereren. Zoals ik al zei, is Gouda uitsluitend als een ‘librije’ aangeduid. Dat kan een verklaring zijn voor de hedendaagse naamgeving. Hetzelfde geldt, weliswaar andersom, voor Utrecht. Deventer wordt reeds vanaf omstreeks 1630 als een bibliotheek aangeduid. Ook bij Rotterdam kwamen we de term ‘bibliotheek’ vaker tegen. Bij Edam, Zutphen, Alkmaar en Enkhuizen heeft de aanduiding librije mogelijk overheerst. Bij de Stadsbibliotheken van Amsterdam en Haarlem gaat het verhaal overigens minder op, aangezien bij beide in het (overigens vrije kleine) corpus van historische teksten de naam ‘librije’ overheerste.

 

Is het verschil tussen de geprefereerde namen wellicht beter te verklaren met behulp van de gegevens die we hebben verzameld over de oprichting, de ontwikkeling en het voortbestaan van de boekerijen? Ik zal een poging doen om de boekerijen te classificeren. Welke groepsindeling valt het meest samen met de indeling van de boekerijen op basis van hun geprefereerde namen?

 

4.2.1 Classificatie

De tegenstelling tussen librije en stadsbibliotheek suggereert, zoals ik in paragraaf 2 al zei, dat een librije betrekking heeft op de kerk. Inmiddels is gebleken dat dit niet het geval hoeft te zijn. Het voorkomen van aanduidingen als stadslibrije bij o.a. de ‘Librije van Alkmaar’ doet vermoeden dat het verschil tussen Librijen en Stadsbibliotheken niet gezocht moet worden bij de tegenstelling kerk-stad. Toch is die tegenstelling een goed uitgangspunt om de vergelijking en de classificatie van de verschillende boekerijen te beginnen.

Wanneer is er sprake van een stadsbibliotheek en wanneer is iets een kerkbibliotheek? In paragraaf 2.2 is al aangegeven dat er in de zestiende en zeventiende eeuw geen scherpe grens tussen geestelijke en wereldlijke sfeer was. Toch zijn er wel enkele aspecten waaruit de rol van de staat en de kerk zou kunnen blijken. We kunnen ons vragen stellen als:

1)                 Waar was de boekerij gehuisvest?

2)                 Bij wie lag het initiatief voor de oprichting van de boekerij?

3)                 Bij wie lag het toezicht en het beheer van de boekerij?

4)                 Wie investeerde er in de collectie?

5)                 Uit welke onderwerpen bestond de collectie en, in combinatie daarmee, wie maakte er gebruik van?

 

De tien besproken boekerijen zijn alle gehuisvest in een (voormalige) geestelijke instelling. Van de besproken boekerijen bevonden zich er acht in een kerk (Alkmaar, Amsterdam, Edam, Enkhuizen, Gouda, Rotterdam, Utrecht en Zutphen). De collectie van Haarlem was gehuisvest in een voormalig klooster en die van Deventer in het huis van de Moderne Devotie. In deze context werd voor de boekerij van Rotterdam één keer de term ‘kerkbibliotheek’ gebruikt.[118] De Librijen bevonden zich dus alle in een kerk. Hoe was de plaatsing in de kerk verder? Utrecht wijkt namelijk van de rest af omdat de collectie in het koor van de kerk was opgesteld. De collectie van Zutphen bevond zich in een bijgebouw op de begane grond. De collecties van Alkmaar, Edam, Enkhuizen, Gouda en Rotterdam waren opgesteld op de eerste verdieping van de kerk, net naast of direct boven één van de portalen. Bij Alkmaar, Edam, Enkhuizen en Gouda is dat het zuidportaal van de kerk, bij Rotterdam gaat het om de noorder ingang. De plaats van de collectie van Amsterdam is niet helemaal duidelijk: in eerste instantie op de begane grond en later ook op de eerste verdieping van een bijgebouw?

Met de plaatsing van de collecties in een kerk of klooster sluit de zestiende-eeuwse bibliotheektraditie zich aan bij die van de Middeleeuwen. Vooral de plaatsing van de boekkamer op de eerste verdieping van de kerk is een voortzetting van een middeleeuwse gewoonte.

 

De vestiging in een kerk maakt een boekerij niet tot een kerkbibliotheek. De kerk functioneerde als een publieke ruimte.[119] De tweede vraag is dan ook meer van belang: bij welke boekerijen nam het stadsbestuur het besluit tot oprichting?

Er is een groep te onderscheiden waarbij de oprichting samenhangt met de confiscatie van kerk- en kloostergoederen. Dit is heel duidelijk het geval met Gouda, Utrecht en Haarlem. Bij Amsterdam is het waarschijnlijk ook zo gegaan. In Deventer was de confiscatie van geestelijke goederen ook van belang, al was reeds eerder een begin gemaakt met de aankoop van Phoconius’ boeken door het stadsbestuur. Afgezien van Gouda betreft het hier de Stadsbibliotheken. Bij de oprichting van de Stadsbibliotheek Rotterdam is er niets van confiscatie van goederen gebleken. In Rotterdam werd wel door de vroedschap op verzoek van de ‘ouderlingen van de kerk en de gemeente van de stad’ tot oprichting besloten. Ik denk dat ook bij Alkmaar de vroedschap (en niet de kerk) besloten heeft tot de plaatsing van de boeken in de Grote Kerk in 1594. De rol van confiscatie bij de Librije van Enkhuizen is onduidelijk, mogelijk is op deze wijze de collectie in latere tijd vergroot. Het begin van de collectie zou liggen bij een legaat van Vesterman. Daarbij waren zowel de hervormde gemeente als de stedelijke overheid betrokken. In Zutphen is de collectie net als bij Enkhuizen mogelijk door confiscatie uitgebreid. De oorsprong lag echter bij de predikanten die zich wilden wapenen tegen het protestantse geloof via een katholieke boekencollectie. De collectie van Edam is waarschijnlijk uit initiatief van de kerk opgebouwd; de stad heeft er weinig mee te maken gehad. Zutphen en Edam zijn dan ook boekerijen van voor de reformatie.

Ook op het gebied van het toezicht of het beheer van de collectie en op het gebied van de collectie-uitbreiding kunnen we de boekerijen vergelijken. Een duidelijke classificatie levert dit niet op en een verklaring voor het verschil tussen Librije en Stadsbibliotheek evenmin. Het beheer en toezicht van de boekerijen kon in handen zijn van de kerkmeesters, librijemeesters, de predikant, de koster, de voorzanger, curatoren, een college van scholarchi, gecommitteerden uit de vroedschap, de conrector of rector van de Latijnse School of de rentmeester. Kortom, er worden veel verschillende ‘groepen’ genoemd. Het onderscheid is zeker niet altijd duidelijk, bijvoorbeeld omdat het ‘college van scholarchi’ uit meer predikanten kon bestaan. In de meeste gevallen stelde het stadsbestuur de personen aan. Daarbij valt geen onderscheid te ontdekken tussen Librijen en Stadsbibliotheken. De collectie groeide door schenkingen en aankopen. Aankopen werden zowel door de kerkmeesters of predikanten gedaan als door leden van het stadsbestuur. Bij de Librije van Gouda en Enkhuizen werd actief gezocht naar een vaste bron van inkomsten. Bij Alkmaar werden er grote geldbedragen betaald voor de aankoop van boeken op veilingen. Ook in andere boekerijen als Rotterdam, Utrecht, Enkhuizen en Deventer investeerde de stad in de collectie.

Het lijkt er op dat de rol van het stadsbestuur bij de Librije van Zutphen (voor 1572), maar vooral die van Edam minder groot was dan bij de andere boekerijen. De collectie van Edam is ook voornamelijk op basis van legaten tot stand gekomen. Mogelijk is hierdoor de verhouding tussen folio en kwarto/octavo anders dan bij de andere boekerijen. Bij Edam overheerst het kleinere formaat.[120]

 

Valt de indeling Librije – Stadsbibliotheek wellicht samen met de opbouw van de collectie? Gruys suggereerde dat de librijen eerder een geest van de Latijnse school en ‘roomse vroomheid’ uitstraalden en de stadsbibliotheken de geest van hervorming. Overigens koppelde hij dat aan de ouderdom van de boekerij: van voor of na de reformatie, en we zagen dat die indeling het verschil tussen Librije en Stadsbibliotheek niet kon verklaren.

Bij welke boekerijen kwamen we relaties met de Latijnse school tegen? De Latijnse school en de rector konden in de meeste gevallen op de één of andere manier aan de boekerij worden gekoppeld. Met de huidige stand van onderzoek lijkt de rol van de Latijnse school bij de Librije van Edam en Enkhuizen het grootst. De Librije van Edam was in de kerk gehuisvest naast een Latijnse school en er is aangetoond dat er boeken uit de collectie in het onderwijs zijn gebruikt. De nieuwbouw waarin de Librije van Enkhuizen was gelegen, bevond zich in de Westerstraat, waar ook de Latijnse school was gehuisvest. Het legaat waarmee de collectie wellicht ooit begonnen is, is afkomstig van predikant en rector Vesterman. Het meest duidelijk blijkt de rol van de Latijnse school uit het feit dat in 1646 werd besloten het aandeel van de Latijnse schoolboeken in de collectie te versterken. Momenteel is 12% van de boeken aan te wijzen als een typisch Latijns schoolboek. Ook in Alkmaar is er een duidelijke relatie gelegd met de Latijnse school. Allerminst zeker, maar mogelijk, is de vestiging van de Librije in de Latijnse school voor 1594. Ook zijn er schenkingen van rectoren bekend en is gebleken dat de rectoren een sleutel van de Librije bezaten. Vanaf 1634, maar mogelijk ook al daarvoor, was hij belast met het toezicht op de collectie. In Haarlem lag het toezicht bij een ‘college van scholarchi’. Zij hielden tevens toezicht op de Latijnse school. Bij Amsterdam en Gouda heeft de rector van de Latijnse school ook een rol gespeeld bij het beheer van de collectie. Bij Rotterdam, Deventer, Zutphen en Utrecht zijn de connecties met de Latijnse school minder duidelijk gebleven.

In de onderzochte bibliotheken is de theologie het belangrijkste. De samenstelling van de verschillende collecties in de mate waarin ze katholiek of protestants gericht waren is niet voor alle boekerijen duidelijk geworden. Meer onderzoek zou op dit punt nodig zijn. Zutphen, een Librije van voor de reformatie, werd opgericht als wapen tegen het protestantse geloof net als Deventer dat uit dit oogpunt werken van Phoconius aangekocht. De collectie van Zutphen zal hebben bestaan uit rooms-katholieke werken. Na de reformatie zullen ook de protestantse werken toegang hebben gekregen. Een andere Librije van voor de reformatie, Edam, bevatte zowel katholieke als reformatorische werken. De meest voorkomende auteursnaam was Bullinger. Het is echter lastig om te bepalen welk aandeel van de werken na de reformatie is toegevoegd. Zeker is dat door confiscatie ook katholieke boeken werden opgenomen in de na de reformatie gevormde boekerijen. Zo was de collectie van Utrecht in eerste instantie vooral rooms georiënteerd. De Librije van Alkmaar heeft ook katholieke werken in haar bezit, maar de theologische werken zijn grotendeels van hervormde aard. De boeken van Erasmus ben ik tegengekomen in de Stadsbibliotheek van Rotterdam, maar ook in de Librije van Edam.

Geconcludeerd moet worden dat het onderscheid tussen Librije en Stadsbibliotheek niet lijkt samen te hangen met de mate waarin de Latijnse school bij de collectie betrokken is geweest en ook niet met de theologische keuze van de boeken. De theologische keuze hangt wel samen met de reformatie: de boekerijen van voor de reformatie waren logischerwijs in eerste instantie katholiek georiënteerd. Na de reformatie blijven ook de katholieke boeken in de boekerijen aanwezig.

 

De mate waarin er ruimte is voor andere onderwerpen naast theologie is verschillend. In Edam is de collectie het meest theologisch georiënteerd. Het publiek voor de collectie zal dan ook vooral uit predikanten hebben bestaan. Afgezien van Edam en in mindere mate van Zutphen, lijken de andere drie Librijen niet minder onderwerpen in hun collectie te hebben dan de Stadsbibliotheken. De meest voorkomende onderwerpen naast theologie zijn geneeskunde en rechten. Ook geschiedenis is meerdere malen genoemd, net zoals de klassieken. Het Latijn overheerst qua taal, maar in Utrecht is er ook een redelijk aantal moderne talen aanwezig. In Enkhuizen is 11% Nederlands aanwezig. De Librije van Enkhuizen en de Stadsbibliotheek van Utrecht en Amsterdam zijn naar mijn mening qua onderwerp en taal het meest gevarieerd. De positie van Rotterdam is niet echt duidelijk: 80% heeft betrekking op theologische, filosofische en kerkelijke onderwerpen. Over de overige 20% werd in de gebruikte literatuur niets meegedeeld.

De bepaling van het publiek is in de literatuur steeds gekoppeld aan de inhoud van de collectie. Verschillen die het onderscheid Librije – Stadsbibliotheek kunnen verklaren, zullen we dan ook niet vinden. Een ander ingangspunt om de boekerijen te classificeren en die ook samenhangt met het publiek is de toegankelijkheid van de collectie. Waren de Librijen minder toegankelijk dan de Stadsbibliotheken? Lastig bij het classificeren is dat de toegankelijkheid van een collectie door de tijd heen kan veranderen. Bij de volgende boekerijen zijn er op de een of andere manier sleutels gebruikt: Gouda (vanaf 1612), Utrecht (na 1640), Amsterdam, Haarlem (pas vanaf 1717?), Alkmaar (1605), Zutphen. Openingsuren werden genoemd in de studies van Utrecht en Gouda. Het betreft hier zowel Librijen als Stadsbibliotheken. Het ketenen van boeken blijkt uit de bovenstaande beschrijvingen een standaardprocedure, al zijn de boeken van Enkhuizen pas heel laat geketend.

 

Een vergelijking op basis van de grootte van de collectie blijkt een lastige onderneming. In de ene studie wordt gesproken van het aantal titels of aantal werken, bij de andere van boekdelen of banden. Ten tweede heb je te maken met een verschil in jaartal: de ene studie geeft een doorsnee van de collectie van 1612, de ander van 1645 en soms pas van 1693 of 1814! (Rotterdam). Ten derde ontwikkelt elke boekerij zich en kan het aantal werken dus in de loop van de tijd veranderen. In het volgende schema is een poging ondernomen de tien boekerijen naar grootte te ordenen. Indien dit enigszins de waarheid zou benaderen, dan valt het op dat de Librijen vaker kleinere collecties hebben dan de Stadsbibliotheken. Alleen Rotterdam vormt een uitzondering. Zutphen is bovendien groter dan Deventer. De zeer vroege grote collectie van Utrecht is te verklaren uit de twee omvangrijke legaten die deze bibliotheek kreeg aan het begin van de zeventiende eeuw. De kleinste collectie is die van Edam. Deze Librije is zoals hierboven aangetoond afwijkend van de andere Librijen, omdat ze voornamelijk als kerkbibliotheek beschouwd moet worden.

 

 

Collectie

Aantal:

1

Utrecht

1584: 550-600 banden

1608: 6000 titels

2

Amsterdam

1612: 765 titels (1400 boekdelen)

1622: 890 titels

1632: 1500 banden

3

Haarlem[121]

1625: onbekend aantal + ca 500 boekdelen.

1716: 813 werken

1770: 882 werken

4

Zutphen

1566: 347 titels (meerdelige werken zijn per deel opgenomen)

2007: 741 titels[122]

5

Deventer[123]

1761: 590 boektitels (950 banden) en 81 handschriften

6

Gouda

1620: 320 boeken

1645: meer dan 560 boeken

7

Enkhuizen

1693: 387 boeken

8

Alkmaar

1645: 360 boeken

1712: 312 gedrukte werken

2007: 323 banden (400 werken)

9

Rotterdam

1814: 331 titels

10

Edam

1935: 158 gedrukte werken (107 banden)

Tabel 1: aantal werken, titels en/of boekbanden in de boekerijen

 

Het onderscheid tussen Librije en Stadsbibliotheek als geprefereerde naam kan misschien nog het best verklaard worden aan de hand van de wijze waarop de boekerij zich heeft ontwikkeld, of eigenlijk tot wanneer de boekerij zich heeft ontwikkeld. Dit verschilt namelijk per collectie. De ontwikkeling van de boekerijen van Utrecht, Amsterdam, Deventer en Haarlem is eigenlijk nooit gestopt. De collecties hebben zich ontwikkeld van Athenaeumbibliotheek tot universiteitsbibliotheek (Utrecht en Amsterdam) of tot stadsbibliotheken (Deventer en Haarlem). Dat wil niet zeggen dat de boekerijen geen periode van verval hebben gekend, maar op de één of andere manier zijn ze steeds weer tot leven gekomen. Deventer maakte een doorstart op het moment dat ze in de negentiende eeuw de collectie van de hogeschool van Harderwijk kreeg toegewezen. De boeken in Haarlem werden in 1821 opnieuw opgesteld en in de jaren daarna werd de collectie uitgebreid.

De bloeiperiode van de Alkmaarse Librije lag in de eerste helft van de zeventiende eeuw. In de achttiende is ze geheel vervallen. De ontwikkeling van de Librije van Edam stagneerde in de tweede helft van de zeventiende eeuw en bij de Librije van Enkhuizen was men vanaf de laatste decennia van de zeventiende eeuw alleen nog gericht op behoud. Van verval kan minder gesproken worden, maar de Librije groeit niet meer. De belangstelling voor de Librije van Zutphen was in de tweede helft van de zeventiende eeuw behoorlijk gedaald. De ontwikkelingen van de Goudse Librije zijn nog heel lang te volgen, maar de toegankelijkheid werd er in de zeventiende eeuw niet beter op en met de Franse overheersing lijkt het verval zich te hebben ingezet. Gouda is van de besproken Librijen nog wel het langst actief.

De Stadsbibliotheek van Rotterdam valt in deze classificatie overigens uit de toon. De ontwikkeling van de boekencollectie verminderde aan het eind van de zeventiende eeuw. De collectie werd in de tweede helft van de negentiende eeuw toegevoegd aan een tweede stadsbibliotheek die terugging op een omstreeks 1700 ontstane raadsbibliotheek. In die zin heeft de collectie van de Laurenskerk dus wel plaatsgenomen in een zich nu nog steeds ontwikkelende bibliotheek.

Bij het verzamelen van het historisch tekstcorpus heb ik mij gericht op de zestiende en zeventiende eeuw. Als de Stadsbibliotheken zich van de Librijen onderscheiden vanwege hun (nog steeds) doorlopende ontwikkeling dan is het goed mogelijk dat een achttiende- of vroeg-negentiende-eeuwse benaming voor de boekerij de geprefereerde naam is geworden voor de hele geschiedenis van de collectie. De naam librije zal in die periode veel minder gebruikt zijn. De naamgeving van de huidige Stadsbibliotheek van Haarlem en de Stads- en Atheneaumbibliotheek van Deventer zullen de geprefereerde naam zeker hebben beïnvloed.

 

 

5. Conclusie

 

Conclusies met betrekking tot het historisch gebruik kunnen niet heel ver strekken aangezien het corpus van de zestiende- en zeventiende-eeuwse citaten niet erg betrouwbaar zal zijn. De term ‘librije’ werd in ieder geval nog tot in de zeventiende eeuw gebruikt. Omdat de term ook voor nieuwe boekerijen uit de tweede helft van de zestiende en aan het begin van de zeventiende eeuw is gebruikt, denk ik dat het in die tijd nog niet direct als een verouderde term werd ervaren. De woorden ‘librije’ en ‘bibliotheek’ kwamen we door elkaar tegen. Er zijn aanwijzingen dat men niet bewust koos voor een van de termen, maar ook kunnen we hier en daar een bewuste keuze voor ‘bibliotheek’ niet uitsluiten.

De inventarisatie van het moderne termengebruik heeft laten zien dat onderzoekers de woorden ‘(stads)librije’ en ‘(stads)bibliotheek’ door elkaar heen gebruiken. Een librije kan bovendien zowel een stadsbibliotheek als een kerkbibliotheek zijn. De classificatie van de boekerijen uit de zestiende en vroeg-zeventiende eeuw heeft dit ook duidelijk gemaakt, aangezien er binnen de groep Librijen zowel stadsbibliotheken als kerkbibliotheken (vooral Edam en Zutphen voor 1578) te onderscheiden waren. De kerkbibliotheken staan meer dan de stadsbibliotheken in een middeleeuwse traditie.

De boekerijen hebben wel een geprefereerde naam. Tussen de stads-Librijen en Stadsbibliotheken waren op veel vlakken echter geen duidelijke verschillen te ontdekken. De collectieomvang kan wellicht een deel van het verschil in de geprefereerde naam verklaren, maar het meest waarschijnlijk is dat de verklaring gezocht moet worden in de mate waarin de ontwikkeling van de boekerij gestagneerd is of juist, na een mogelijke periode van verval, verder uitgegroeid is in een zich nog steeds ontwikkelende universiteits- of stadsbibliotheek. De invloed van de ontwikkeling van het historische gebruik van de termen ‘librije’ en ‘(stads)bibliotheek’ is daarin nog niet uitgesloten.

Dit onderzoek heeft niet meer dan een voorlopig antwoord willen en kunnen geven. Het onderzoek naar de historische termen van de tien behandelde bibliotheken zou nog kunnen worden uitgebreid. Bovendien zouden boekerijen in de toekomst bij het onderzoek betrokken moeten worden. Ook heb ik nog niet gekeken naar de Latijnse naamgeving van de boekerijen. Mogelijk heeft dit wel degelijk invloed gehad, bijvoorbeeld op de mate waarin de Nederlandse naam ‘bibliotheek’ is gebruikt.

 

Bibliografie

 

  • Alkmaar: Projectwerkgroep 2006: met bijdragen van Elsbeth Littink, Maayke Stobbe, Ans Schoorlemmer, Annemieke Arendsen, Mea van Caspel, Co van der Zwet en Mark Aussems.  

  • Bedaux J.C. e.a., Stads- of Atheneumbibliotheek Deventer 1560-1985. Deventer 1985.

  • Bibliopolis: geschiedenis van het gedrukte boek in Nederland. Een uitgave van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (KB). Zwolle 2003.

  • Fontaine-Verwey, H. de la, De Stedelijke Bibliotheek van Amsterdam in de Nieuwe Kerk 1578-1632. Meppel [1980].

  • Grosheide, D., A.D.A Monna en P.N.G. Pesch, Vier eeuwen Universiteitsbibliotheek Utrecht. Dl 1. Utrecht 1986.

  • Jaspers, G. De zestiende eeuw in de Stadsbibliotheek Haarlem. Uitgave van de Stadsbibliotheek van Haarlem. Amsterdam 1997

  • Hooft, P.C., Warenar. ed. A. Keersmaekers. Amsterdam 1987. Klassieke Galerij. Raadpleegbaar via: http://www.dbnl.org/tekst/hoof001ware01_01/index.htm.

  • Klein, J.W.E., Geen vrouwen ofte kinderen, maer alleenlijk eerbare luijden: 400 jaar Goudse librije 1594-1994. Delft 1994.

  • LdgB: Lexikon des gesamten Buchwesens: Zweite, völlig neubearbeitete Auflage LGB2, Hrsg. von Severin Corsten, Günther Pflug und Friedrich Adolf Schmidt-Künsemüller unter Mitwirkung von Bernhard Bischoff [et al.]. Stuttgart 1985-

  • Meinsma, K.O., Middeleeuwsche Bibliotheken. Zutphen 1903.

  • Meeldijk, E., ‘Van dominees en van boeken: de ministeriebibliotheek’. In: F. A. van Lieburg, J. C. Okkema en H. Schmitz (red.), De Laurens in het midden: uit de geschiedenis van de Grote kerk van Rotterdam. Rotterdam 1996, p. 353-377.

  • Meyers, J.M.M., ‘Erasmus in de Laurenslibrije van Rotterdam’. In: F. A. van Lieburg, J. C. Okkema en H. Schmitz (red.), De Laurens in het midden: uit de geschiedenis van de Grote kerk van Rotterdam. Rotterdam 1996, p. 345-351.

  • MNW: Middelnederlands Woordenboek.

  • Pennink, R., Boeken uit de librije van Edam: tentoonstelling in de Grote Kerk van Edam 30 juni tot en met 29 juli 1984. ’s-Gravenhage 1984.

  • Plenckers-Keyser, G.I. en Streefkerk, C., ‘De librije van Alkmaar’'. In: Leendert Noordegraaf. Glans en Glorie van de Grote Kerk: het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens. Hilversum 1996. p. 263-274.

  • Schneiders, P., Nederlandse bibliotheek geschiedenis. Van Librije tot virtuele Bibliotheek. Den Haag 1997.

  • Schoorlemmer, Ans, De librije van Alkmaar: een onderzoek naar het ontstaan en de geschiedenis van de Alkmaarse librije. Doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam 2007.

  • Slee, J.C. van, ‘Geschiedenis der Athenaeum-Bibliotheek te Deventer’. In: Tijdschrift voor Boek- en Bibliotheekwezen 5 (1907), p. 145-170.

  • Thienen, G. van, ‘Librije van Edam’. In: M. van Delft, A. de Vries e.a., Verzamelaars en verzamelingen. Een uitgave van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (KB). Zwolle 1998.

  • Unger, J.H.W., ‘Het ontstaan van de Stadsbibliotheek’. In: F.K.H. Kossmann, J.H.W. Unger en J.A. vor der Hake, De bibliotheek van de gemeente Rotterdam: beschreven door drie van haar bezorgers in 1891, 1917, 1948. [Rotterdam 1948]

  • Voorst, A., De bibliotheca Enchusana: de librije van Enkhuizen 1590-1690. Doctoraalscriptie Universiteit Utrecht 2004. 2 dln.

  • Wit, P.V. de, Bij het herdenken van 350 jaar Stads- Bibliotheek (en Leeszaal) van Haarlem 1596-1947. Haarlem 1947.

  • WNT: Woordenboek der Nederlandsche Taal.

  • Zijp, R.P., De Librije van Enkhuizen. Enkhuizen 1991. Maelson-reeks dl 5.

  • Zuijderhoudt-Hulst, Willemina Annechiena, Geschiedenis van de Goudse Librije gedurende het verblijf in de St. Janskerk. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen. Meppel 1976.

  • Internet:

  • Protestantse Gemeente Zutphen: de collectie van de librije. Zie: http://www.walburgiskerk.nl/ (laatst geraadpleegd op 19 januari 2008).

  •  


    [1] Hooft, Warenar 1617 (ed. Keersmaekers 1987), versregels 843-845 en 1222-1224.

    [2] Zijp 1991, p. 7-11.

    [3] WNT: librije / bibliotheek

    [4] MNW

    [5] WNT: bibliotheek

    [6] WNT: boekerij. In dit onderzoek zal ik de term boekerij regelmatig gebruiken als onafhankelijke aanduiding van een librije of stadsbibliotheek.

    [7] Lexikon des gesamten Buchwesens (LdgB): libraria

    [8] Schneider 1997, p. 62.

    [9] Meinsma 1903.

    [10] Meinsma 1903, citaat p. 6.

    [11] De term armarium is volgens het LdgB al in de klassieke tijd gebruikt. De oorspronkelijke betekenis van het woord is kast voor gereedschappen en dan vooral met betrekking tot wapens: ‘wapenkast’. In de Oudheid werd de betekenis verruimd en werd armarium ook gebruikt voor kledingkast, provisiekast, kast voor waardevolle spullen of boekenkast. De betekenis van boekenkast kreeg de overhand. In de Middeleeuwen trad er opnieuw een betekenisverruiming op en werd armarium ook in bredere zin gebruikt voor bibliotheek. Hoewel de term armarium ook gebruikt is om te verwijzen naar de sacristie is het volgens het LdgB niet zo dat deze naam automatisch op de daar bewaarde boeken voor de liturgie terug te voeren is (Lexicon des gesamten Buchwesens (LdgB), band I p. 139).

    [12] Schneiders 1997, p.70-71.

    [13] Bibliopolis, online trefwoordenlijst: librijes.

    [14] Bibliopolis, p. 102.

    [15] Van Thienen 1998.

    [16] Schneiders 1997, p. 378-379.

    [17] Zuijderhoudt-Hulst 1976, p. 1.

    [18] Klein 1994, p. 15.

    [19] Zuijderhoudt-Hulst 1976; Klein 1994; Schneiders 1997.

    [20] Klein 1994, p. 9-19.

    [21] Klein 1994, p. 21-27.

    [22] Klein 1994, p. 29.

    [23] Zuijderhoudt-Hulst 1976, p. 29-30.

    [24] Klein 1994, p. 33; Zuijderhoudt-Hulst 1976, p. 31.

    [25] Klein 1994, p. 29-31.

    [26] Klein 1994, p. 33.

    [27] Klein 1994, p.29-79.

    [28] Zuijderhoudt-Hulst 1967, p. 40, 49-50 en 57.

    [29] Schneiders 1997, p. 91 en 100;  Unger 1948.

    [30] Meyers 1996, p. 345.

    [31] Unger 1948, p. 31-32. De historische tekst (tussen aanhalingstekens) is aangevuld door Unger.

    [32] Tenzij anders aangegeven, baseer ik me hier op Unger 1948.

    [33] Meyers 1996, p. 347-348; Meeldijk 1996, p. 353.

    [34] Meeldijk 1996, p. 353.

    [35] Grosheide, Monna en Pesch 1986; Schneiders 1997.

    [36] Geciteerd in: Grosheide, Monna en Pesch 1986, p. 20

    [37] Het volgende is gebaseerd op deze studie uit 1986.

    [38] Voor de inventarisatie van de moderne en historische termen is voornamelijk gebruik gemaakt van Schneiders 1997 en De la Fontaine-Verwey 1980.

    [39] Het onderstaande is gebaseerd op: De la Fontaine-Verwey 1980.

    [40] Waar in de kerk de collectie werd bewaard, is moeilijk te bepalen. In 1616 lijken de boeken te zijn opgesteld ‘in een vertrek gelegen voor de Eggert-kapel, m.a.w. in een bijgebouw met twee puntgevels en twee gotische ramen’. Tussen 1613 en 1664 werd hier een verdieping op gezet. Was dat vanwege de uitbreiding van de bibliotheek? Zie: De la Fontaine-Verwey 1980, p. 20.

    [41] De la Fontaine-Verwey gaat uitgebreid in op de vormgeving van de kasten en de hoeveelheid aan de hand van het drukkersvignet van Lodewijck Spillebout. Zie: De la Fontaine-Verwey 1980, p. 20-21.

    [42] Citaat: De la Fonteine-Verwey 1980, p. 23.

    [43] Citaat: De la Fonteine-Verwey 1980, p. 40.

    [44] Schneiders 1997, p. 97.

    [45] Bibliopolis, p. 102; Schneiders 1997, p. 99.

    [46] De Wit 1947; Jaspers 1988.

    [47] Schneiders 1997, p. 99 en Jaspers 1988, p. 16.

    [48] Schneiders 1997, p. 99.

    [49] De Wit 1947, p. 32.

    [50] Schneiders 1997, p. 63.

    [51] Jaspers 1988, p.15-16.

    [52] De Wit 1947, p. 23.

    [53] Schneiders 1997, p. 99.

    [54] De Wit 1947, p. 10-11.

    [55] De Wit 1947, p. 12-13.

    [56] De Wit 1947, p. 31.

    [57] De Wit 1947, p. 25.

    [58] Schneiders 1997, p. 72. In de boekerij bevindt zich een ongedateerd bord met de tekst (vertaald): Deze plaats nodigt de mannen van wetenschap uit, houdt de menigte op een afstand, verlangt naar rechtschapen zielen, weert de grote hoop (vulgus)’ (Schneiders 1997, p. 71; De Wit 1947, p. 26).

    [59] De Wit 1947, p. 14 en 24.

    [60] Schneiders 1997, p. 99; De Wit 1947, p. 27.

    [61] Japers 1988, p. 16.

    [62] Schneiders 1997, p. 97-98.

    [63] Plenckers-Keyser en Streefkerk 1996, p. 263.

    [64] Projectwerkgroep 2006.

    [65] De informatie is, tenzij anders vermeld, gebaseerd op de scriptie van Schoorlemmer uit 2007.

    [66] Om die reden zal ik voorlopig het jaar 1594 aanhouden als het jaar van oprichting.

    [67] Scriptie Schoorlemmer 2007.

    [68] Projectwerkgroep 2006: Stobbe.

    [69] Scriptie Schoorlemmer 2007.

    [70] Pennink 1984; Van Thienen 1998.

    [71] De citaten zijn verzameld uit Pennink 1984.

    [72] Pennink 1984, p. 7.

    [73] Bibliopolis, p. 102; Schneiders 1997, p. 110.

    [74] Pennink 1984, p. 10; Van Thienen 1998.

    [75] Van Thienen 1998; Pennink 1984, p. 9

    [76] Pennink 1984, p. 8.

    [77] Van Thienen 1998; Pennink 1984, p. 13.

    [78] Pennink 1984, bijlage: catalogus.

    [79] Pennink 1984, p. 11 en 17.

    [80] Zijp 1991; Voorst 2004.

    [81] Schneiders 1997, p. 110.

    [82] Zijp 1991, p. 13.

    [83] Voorst 2004, p. 68.

    [84] Zijp 1999, p. 13-14; Voorst 2004, p. 37.

    [85] Voorst 2004, p. 33-34.

    [86] Zijp 1991, p. 13.

    [87] Voorst 2004, p. 34-36.

    [88] Zijp 1991, p. 13.

    [89] Schneiders 1997, p. 110.

    [90] Zijp 1991, p. 14.

    [91] Voorst 2004, p. 273 bijlage 3.

    [92] Voorst 2004, p. 54-56 en 274-277 bijlage 4.

    [93] Zijp 1991, p. 14.

    [94] Voorst 2004, p. 280 bijlage 6

    [95] Voorst 2004, p. 57 en 68.

    [96] Voorst 2004, p. 227.

    [97] Voorst 2004, p. 44.

    [98] Voorst 2004, p. 231.

    [99] Voorst 2004, p. 40-41.

    [100] Schneiders 1997; Meinsma 1903; Zijp 1991, p. 7.

    [101] Schneiders 1997, p. 54.

    [102] Schneiders 1997; Meinsma 1903.

    [103] Bibliopolis, p. 102.

    [104] Het standaardwerk over de Librije van Zutphen is nog steeds Meinsma 1903.

    [105] Schneiders 1997, p. 11.

    [106] Ik heb helaas de catalogus van Meinsma (1903) niet meer kunnen raadplegen. Volgens de site van de Walburgiskerk (walburgiskerk.nl) zijn er momenteel 741 titels in de boekerij aanwezig.

    [107] Bedaux 1985, Van Slee 1907.

    [108] Bedaux e.a. 1985.

    [109] Van Slee 1907.

    [110] Schneiders 1997, p. 91-92. De aanduiding ‘Athenaeumbibliotheek’ komt ook voor, maar heb ik verder buiten beschouwing gelaten, omdat die naam betrekking heeft op de periode van na 1630.

    [111] 1560: zie Bibliopolis, p. 52; Bedaux e.a. 1985, p.91; Schneiders 1997, p. 91. 1597: zie Bibliopolis p. 102.

    [112] Ik baseer me hierbij volledig op Bedaux e.a. 1985.

    [113] Al in 1581 hadden de calvinistische ouderlingen en diakenen erop aangedrongen de boeken van de kerken en kloosters, inclusief de huizen van de moderne devoten te naasten om ze een algemeen nut te laten dienen. Door de herovering van de stad door de Spanjaarden kon dit plan niet doorgaan (Bedaux e.a. 1985, p. 11 en 33).

    [114] Schneiders 1997, p. 100-101.

    [115] Zijp 1991, p. 10-11.

    [116] In de meeste studies kwam dit tot uiting door de mate waarin de term werd gebruikt: overheersend op de andere termen. Bij Rotterdam kwam de geprefereerde naam minder sterk naar voren. Ook bij Deventer was de literatuur minder uitgesproken daarover.

    [117] In het vervolg zal ik de naam librije of stadsbibliotheek met hoofdletter schrijven indien ik verwijs naar de geprefereerde naam van de boekerij.

    [118] Meyers 1996, p. 345.

    [119] De plaatsing van een boekerij op de eerste verdieping in plaats van op de begane grond zegt iets over de mate van toegankelijkheid. De eerste verdieping van de kerk zal minder tot de publieke ruimte hebben behoord dan de begane grond. Blijkbaar wilde men zo’n boekerij niet té toegankelijk maken.

    [120] Dit zegt niet alles, omdat het maar de vraag is in hoeverre de catalogi van de andere boekerijen de kleinere formaten hebben opgenomen. In ieder geval zegt Schneiders (1997, p. 63) dat folianten favoriet waren omdat men niet het gewone, maar het bijzondere, unieke boek in de collectie een plaats wilde geven.

    [121] In 1672 was ook een catalogus verschenen, maar het aantal boeken werd niet in de literatuur vermeld.

    [122] Ik had niet meer de mogelijkheid de catalogus van Meinsma (1903) te raadplegen. Dit cijfer is gebaseerd op de site van de Walburgiskerk: www.walburgiskerk.nl

    [123] In de negentiende eeuw kwamen er 950 titels bij van de voormalige boekerij van Harderwijk. Deventer staat mogelijk te hoog in de lijst omdat de informatie over het aantal boektitels afkomstig is uit 1761.

     

     

     

    Student:           Irene Schrier

    Studentnr:        5644399

    E-mail:             I.Schrier@student.uva.nl

     

    Docent:            P. J. Verkruijsse

    Cursus:             Het gedrukte boek als materieel en cultureel object

    Jaar:                 2007/2008

    Ingeleverd:       20 januari 2008