Mark Aussems
Inhoudsopgave
Inleiding
1 Historisch kader
2 De rector en de librije
Conclusie
Bibliografie
Inleiding
Deze nota maakt deel uit van de projectwebsite De Alkmaarse librije – Inventarisatie en beschrijving van de collectie, samengesteld door leden van de werkgroep Het gedrukte boek als materieel en cultureel object onder leiding van dr. Piet Verkruijsse. Alle deelnemers aan het project hebben een nota geschreven over een aspect van de Alkmaarse librije; deze nota’s zijn in hun geheel terug te vinden op de website.
Deze nota beperkt zich niet tot de stadsbibliotheek van Alkmaar, maar onderzoekt de relaties tussen de librije en de Latijnse school te Alkmaar. In het verleden is al geopperd dat Alkmaar over een grote, goed uitgeruste librije beschikte vanwege de aanwezigheid van een Latijnse school binnen de stadsmuren.[1] Daarnaast is vaak aangenomen dat de rector van de Latijnse school een vinger in de pap had bij het beheer van de collectie van de stadslibrije. De precieze historische verbanden tussen de twee instellingen zijn echter tot op heden nog niet duidelijk in kaart gebracht. De relatie tussen de school en de stadsbibliotheek zal geanalyseerd worden aan de hand van de volgende onderzoeksvragen:
(1) Op welke manier zijn de Latijnse school en de stadslibrije van Alkmaar met elkaar verbonden geweest?
(2) Wat was de rol van de rector van de Latijnse school bij het beheer van de librije?
Door middel van het beantwoorden van deze vragen hoop ik meer duidelijkheid te krijgen over de manier waarop de geschiedenissen van de Latijnse school en de librije met elkaar vervlochten zijn. De focus op de relatie tussen school en librije impliceert evenwel dat niet de gehele geschiedenis van beide instituten in detail zal worden behandeld. In deze nota zal ik me concentreren op de periode in de Alkmaarse geschiedenis waarin een duidelijk verband – of verbond – bestaat tussen school en bibliotheek; andere periodes blijven daarmee noodzakelijkerwijze onbelicht.
Aangezien alle deelnemers aan het project De Alkmaarse librije een nota schrijven over de stadsbibliotheek, heb ik geprobeerd me zo min mogelijk op het terrein van mijn collega-studenten te begeven. Dat betekent dat sommige historische gebeurtenissen en voorvallen in de marge van het hier vertelde verhaal niet uitgediept zullen worden. Meer informatie over betreffende aspect van de geschiedenis, cultuur en rol van de librije is te vinden in andere nota’s; op deze plaatsen in mijn betoog zijn verwijzingen toegevoegd naar de betreffende artikelen op deze website.
1 Historisch kader
De geschiedenis van de Latijnse school in Alkmaar gaat terug tot diep in de Middeleeuwen. Op 22 september van het jaar 1390 verleent hertog Albrecht van Beieren, die door de eerste schoolstrijd onder grote druk is komen te staan, aan de kerkvaderen van de stad het recht om de schoolmeesters aan te stellen.[2] Een kleine vijf jaar later, op 7 mei 1395, doet een nieuw privilege de school van Alkmaar volledig toekomen aan het kerkbestuur; daarnaast wordt één persoon benoemd die de taken van koster en schoolhoofd op zich zal nemen.[3]
Al iets eerder in de geschiedenis van de stad Alkmaar komen we aanwijzingen tegen voor het bestaan van een schooltje. In het jaar 1381 wordt een vicarie gesticht in de parochiekerk van de stad; daarbij zou een zekere Mr. Henrick Pietersz. aanwezig zijn geweest als getuige, die de kwalificatie ‘rector scholarum’ oftewel ‘hoofd van de school’ meekrijgt.[4] Dit zou erop kunnen duiden dat er al in de jaren zeventig en tachtig van de veertiende eeuw een zekere vorm van onderwijs bestond in Alkmaar. Het feit dat de benoeming van het schoolhoofd in het privilege van 1390 aan de kerkmeesters wordt overgedragen dient hierbij als ondersteuning: als er geen school geweest zou zijn, viel er ook niets over te dragen.[5]
Er is weinig bekend over de Latijnse school in deze eerste jaren van zelfbestuur. We weten enkel dat rond het jaar 1390 een zekere Claes van Delft als rector aan de school verbonden is geweest en dat hij omstreeks 1404 is opgevolgd door Huge Hugensoen, die wordt genoemd in een door hertog Albrecht afgegeven vergunning.[6] Wel kunnen we constateren dat – ondanks de in alle hevigheid losgebarsten schoolstrijd die poogde het bestuur van de scholen in handen van de steden te krijgen – de Alkmaarse school en de kerk nauw gelieerd waren aan elkaar. Alewijn Visser zegt hierover het volgende:
Hoewel deze eerste schoolstrijd de school dus onder toezicht van leken bracht, bleef het onderwijs geheel in dienst staan van de kerk. De rector moest niet alleen de leerlingen onderwijzen, maar hen ook naar de kerk begeleiden, de zangers oefenen en het koor dirigeren. In de regel behoorden echter de rectoren niet tot de geestelijke stand. (A. Visser, Gedenkboek, p. 10).
Het lijkt erop dat we kunnen aannemen dat de Latijnse school tussen 1405 en het begin van de zestiende eeuw gestaag is gegroeid in leerlingen- en docentenaantallen, zoals het ook vele andere scholen in Holland verging. Het onderwijs zal zich voornamelijk geconcentreerd hebben rondom het trivium, de vrije kunsten grammatica, retorica en dialectica, hetgeen te doen gebruikelijk was op Latijnse scholen in den lande.[7]
Aan het begin van de zestiende eeuw is de Latijnse school in een bloeiperiode terechtgekomen. Onder de bezielende leiding van rectoren Antonius Liber (tot 1506) en Bartholomeus Coloniensis (1511-1513) is het leerlingenaantal waarschijnlijk al fors toegenomen in vergelijking met de voorgaande jaren. Onder het rectoraat van Johannes Murmellius beleeft de school echter een absolute toptijd. Murmellius, geboren te Roermond in 1480 en ex-student aan de beroemde Deventer School en de Universiteit van Keulen, wordt in 1513 door de stad gevraagd om zich in Alkmaar te vestigen als rector van de Latijnse school. Gedurende zijn vierjarig rectoraat groeit het leerlingenaantal tot een onwaarschijnlijke negenhonderd, hetgeen te danken zou zijn aan de humanistische inslag van het onderwijs dat onder Murmellius wordt aangeboden.[8] Gezien de toestroom van leerlingen uit Holland, Utrecht, Friesland, Gelderland en zelfs Noord-Duitsland moet de Latijnse school te Alkmaar destijds een begrip zijn geweest in Noordwest-Europa.
Als in 1517 Karel van Gelder en zijn Gelderse Friezen Alkmaar binnenvallen en de stad plunderen, ontvluchten veel studenten en docenten de stad. De bloeiperiode van de Latijnse school komt daarmee plotseling tot een einde. Een opleving van het succes – en daarmee het leerlingenaantal – van de school vindt nog plaats tijdens het rectoraat van Petrus Nannius (ca. 1522 - ca. 1535), maar nooit meer zal de school het aanzien en de interesse hebben dat zij genoot onder Murmellius.[9] Wel blijven vooraanstaande humanisten werkzaam aan de school; zonder uitputtend te willen zijn, dienen hier (naast Murmellius en Nannius) ook Pieter Lambertsz. Vekeman (alias van Meerhout) en Laurens Zas genoemd te worden.
In de vijftiende eeuw is ook de Alkmaarse kerk aan grote veranderingen onderhevig, zij het niet van eenzelfde constructieve aard. Op 29 oktober van het jaar 1468 stort de in aanbouw zijnde toren van de Sint Laurenskerk in; twee kloosterzusters worden bedolven onder de brokstukken.[10] Twee jaar later wordt de eerste hand gelegd aan de bouw van een nieuwe kerk op de plaats van bovengenoemde Sint Laurenskerk en de naastgelegen Sint Matthiaskerk.[11] Helaas wordt ook deze onderneming geteisterd door ongeluk: op 28 maart van het jaar 1508 breekt een grote brand uit in de kerk. De ‘schuit’ – het noodgebouw dat was opgericht om tijdelijk dienst te doen als kerk en waaromheen de nieuwe kerk naar alle waarschijnlijkheid werd opgericht – en twee kostbare orgels worden verwoest, maar de nieuwbouw blijft wonder boven wonder gespaard.[12] Ondanks de tegenslagen, waartoe ook de verwoesting van Alkmaar door de Gelderse Friezen gerekend dient te worden, zal de bouw van de Grote of Sint Laurenskerk in 1520 voltooid worden.
Dat er in Alkmaar een bibliotheek van enig statuur aanwezig geweest moet zijn, lijkt met zoveel humanistische geleerden niet meer dan logisch. Het artikel ‘De Librije van Alkmaar’ van de hand van G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk vermeldt het gegeven dat de Latijnse school een eigen bibliotheek bezat; ikzelf ben evenwel geen aanwijzingen tegengekomen die deze bewering zouden kunnen staven. Zij merken daarentegen wel terecht op dat er in de periode vanaf 1500 grote belangstelling bestaan moet hebben bij de scholarchen en rectoren van de school voor de plaatselijke bibliotheek.[13] In ieder geval vanaf 1545 herbergt de nieuwe kerk een bibliotheek ofwel librije; het Memoriaalboek van het Regionaal Archief Alkmaar vermeldt gegevens over een orgel ‘grenzend aan de Librije’.[14] Aangezien het hier gaat om de eerste vermelding van de term ‘librije’ in de geschiedenis van de stad Alkmaar, is onduidelijk wanneer men begonnen is met het inrichten van een dergelijke stadsbibliotheek. Het is niet ondenkbaar dat de bouw van de nieuwe Sint Laurenskerk is aangegrepen om de librije een mooie plaats te geven aan de zuidzijde van de kerk; dat zegt evenwel niets over hoe lang de bibliotheek al bestond.
Vanaf ongeveer het midden van de zestiende eeuw neemt de in bronnen overgeleverde informatie over de librije steeds meer toe. Zo weten we bijvoorbeeld dat in 1546 de rector van de school, Michiel Jansz. Hobingius, drie medische werken schenkt aan de librije.[15] De schenking zou kunnen duiden op een relatie tussen de Latijnse school en de librije; in dat geval zou de librije tevens dienst kunnen hebben gedaan als de bibliotheek van de school. In het volgende hoofdstuk zullen we uitgebreid ingaan op de rol van de rectoren van de Latijnse school ten aanzien van de librije. Hier zullen we ons nu concentreren op de geschiedenis van school en bibliotheek aan het einde van de zestiende eeuw.
Het rond 1630 gedrukte werk Corte en waerachtige beschrijvinge der stadt Alcmaer vermeldt het volgende over de librije:
[In] 1594, Werde de Stadts Bibliotheca ofte Librije, die door den troubel geheel vervallen was, op haer oude plaetse aet ’t suyden van de Groote Kercke weder opgericht ende met vele heerlijcke boecken van verscheyden materie versien ende vermeerdert, tot grooten gherief van die burgherije ende studenten. (G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 263)
De beroemde Kronyk van Alckmaer met zyn dorpen uit 1645 van de hand van C. van der Woude merkt nog op:
Al daer men sien, ende bequamelyck lesen, ende uyt Copieren mach meer als 360. Excellente fraye gebonden boeken: meest in ’t Latyn, al te samen aen kettingen vast gesloten. (G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 263)
Een aantal elementen in deze passages verdient de aandacht. Allereerst is er de uitdrukking ‘weder opgericht’ die, naar ik meen, inhoudt dat de librije een tijd afwezig is geweest van de voor haar bestemde plaats in de Sint Laurenskerk en nu, in 1594, weer ‘op haer oude plaetse’ wordt teruggezet. Van der Woude voegt daar aan toe dat de boeken ‘al te saemen aen kettingen vast gesloten’ zijn, hetgeen kan duiden op een plaatsing en inrichting zoals die van de librije in de Walburgkerk te Zutphen. Ten slotte moet nog vermeld worden dat de bibliotheek niet alleen teruggeplaatst wordt in de Sint Laurenskerk, maar ook nog eens ‘met vele heerlijcke boecken van verscheyden materie versien ende vermeerdert’ wordt, zodat Van der Woude tot een totaal van meer dan 360 boeken komt; dat is al met al een erg groot aantal en daarmee na Enkhuizen de grootste bibliotheek van de steden in de kop van Noord-Holland.[16]
Bovengenoemde elementen staan stuk voor stuk in verband met elkaar en kunnen nader verklaard worden met behulp van gegevens over de Latijnse school en dankzij gegevens over de librije die afkomstig zijn van de boeken zelf. Laten we beginnen met de aanwezigheid van kettingen in de opstelling van de librije in de Grote Kerk.
Zoals Plenckers-Keyser en Streefkerk al opmerken, is het begrijpelijk dat er op zekere wijze een beveiligingsmechanisme aanwezig moet zijn in de librije: niet alleen zijn de ruim 360 banden een enorm fortuin waard aan het einde van de zestiende eeuw, maar ook is de librije vanaf 1594 in een open opstelling geplaatst en aldus toegankelijk voor iedereen.[17] Het is in deze tijd niet ongebruikelijk, ja zelfs usance, om boeken in een bibliotheek vast te klinken aan de kast waarop zij liggen door een ijzeren ketting aan de ene kant vast te zetten aan de boekband en aan de andere kant te bevestigen aan een in de kast verwerkte metalen buis.[18] De boeken worden dan veelal on display gelegd: ze liggen plat op een schuin opstaande plank en worden tegengehouden door een steunrand aan de onderzijde, zoals te zien is op Afbeelding 1. Aangezien dat betekent dat het leer van de boeken meer te lijden heeft dan wanneer ze staand in een kast opgeborgen worden, is op een groot aantal boeken knoppen aangebracht op het voor- en/of achterplat, zoals gezegd ter bescherming van de band.

Figuur 1: Interieur van de Librije van de Walburgkerk te Zutphen.
Het lijkt erop dat zowel de ketens alsook de knoppen in een later stadium zijn verdwenen uit de librije. In 1605 wordt namelijk een zogeheten sleutelcontract opgesteld, waarin wordt bepaald welke mensen bevoegd zijn om de librije te bezoeken.[19] Zij krijgen een sleutel van de deur die toegang verschaft tot de boekerij. Dit zou kunnen betekenen dat de noodzaak om de boeken te ketenen, vervalt – ze staan immers al achter slot en grendel – en dat het systeem verwijderd wordt. Daarmee wordt de ruimte gecreëerd die broodnodig is voor het herbergen van nog meer boeken. Tussen 1596 en 1607 worden verschillende veilingen bezocht en voor ongeveer fl. 1.000 aan nieuwe boeken gekocht; daarnaast profiteert de librije van schenkingen van de Alkmaarse arts Pieter van Foreest in 1591 en van de rechtsgeleerde Pancras van Castricum in 1598.[20] Gezien de omvang van de collectie zou het mogelijk kunnen zijn dat men bij het opstellen van de sleutelcontracten de inrichting van de librije heeft gewijzigd teneinde alle boeken te kunnen plaatsen in de ruimte boven het portaal van de Grote Kerk.
Gezien het feit dat onduidelijk is waarom sommige boeken wel beschermknoppen hebben gehad en andere niet, zou geopperd kunnen worden dat de boeken rond 1610 rechtop staand in kasten zijn neergezet. Daarbij moeten dan de knoppen verwijderd zijn – immers, zij doen nu geen dienst meer en nemen alleen nog onnodig veel ruimte in – hetgeen verklaart waarom er op veel boeken slechts resten van knoppen te vinden zijn. Boeken die na deze herinrichting aan de librije zijn toegevoegd, zullen dan geen sporen van knoppen bezitten.[21] Vanwege gebrek aan primair bewijsmateriaal blijft het hier echter voorlopig bij een interpretatie van de hierboven gegeven informatie.
Het tweede belangrijke gegeven – we gaven het hierboven al aan – betreft de wederoprichting van de librije in de Sint Laurenskerk. Zoals gezegd, het gebruik van deze term geeft aan dat de collectie op een zeker moment de kerk verlaten heeft en er omstreeks 1594 weer is teruggeplaatst. Helaas ontbreken ook hier de nodige bronnen die het traceren van de bewaarplaats van de boeken zouden vergemakkelijken en lijken we ons te moeten beperken tot enkele vragen: Waarom is de librije uit de Grote Kerk verwijderd en wanneer heeft dat plaatsgevonden? Naar welke plaats is de librije destijds overgebracht? Wat wordt bedoeld met de aantekening ‘grenzend aan de librije’ uit 1545 en is de collectie dan nog in de kerk aanwezig?[22]
Definitieve en bevredigende antwoorden op deze vragen zullen wellicht nooit gevonden worden. De geschiedenis van de Latijnse school biedt evenwel een interessant gegeven en tevens een mogelijk aanknopingspunt omtrent de verblijfplaats van de boeken. In 1595, het jaar volgend op de wederoprichting van de librije in de Sint Laurenskerk, verhuist de Latijnse school van haar oude plaats achter het stadhuis naar het ‘jongen Begijnhof’.[23] Het zou kunnen berusten op toeval dat de librije en de Latijnse school enkele maanden na elkaar verhuizen, maar de samenhang en verbanden tussen beide instituten lijkt te groot om het een puur toevallige samenloop van omstandigheden te noemen. In het licht van deze verbanden zou dan ook geopperd kunnen worden dat de librije – als instrument voor wetenschappelijke arbeid en scholing – een tijdlang in het schoolgebouw heeft gebivakkeerd. De redenen daarvoor zouden dan gezocht kunnen worden in de extra functie die de rector uitoefent als conservator annex bibliothecaris van de stadsbibliotheek – maar daarover meer in het volgende hoofdstuk. Als de school dan rond 1594 een ander pand toegewezen krijgt en de bibliotheek ‘met vele heerlijcke boecken […] versien ende vermeerdert’ zal worden, besluit men de collectie terug te plaatsen in de Grote Kerk en de boeken aan de ketting te leggen. Het hier beschreven scenario wint nog aan geloofwaardigheid als men in acht neemt dat de plaats waar de school voor de verhuizing gevestigd was, in het geheel niet ruim bemeten was. Visser merkt op:
Meestal stond de school in de onmiddellijke nabijheid van de kerk. Waar zij in de oudste tijden in Alkmaar stond, is niet bekend; op het einde van de 15e eeuw was zij gevestigd achter het stadhuis. Veel ruimte kan zij daar niet hebben gehad, daar ook het mannengasthuis zich hier nog bevond. (A. Visser, Gedenkboek, p. 11)
Het is dus niet ondenkbaar dat de librije heeft moeten verhuizen onder druk van de grote collectie-uitbreiding. De vraag daarbij is echter of de bibliotheek daadwerkelijk in het gebouw van de Latijnse school aanwezig is geweest. Specifieke informatie daarover hebben de onderzochte bronnen niet, maar een analyse van de catalogus van de librije kan wellicht meer licht werpen op deze zaak. Hoewel een systematische analyse van de collectie van de Alkmaarse librije en een vergelijking met de inhoud van andere librijes in den lande schiet het doel en het onderwerp van deze nota voorbij, is het hier wel mogelijk een zeer summiere vergelijking te maken tussen de collectie van de librije te Alkmaar en de inhoud van de stadsbibliotheek van Enkhuizen. In zijn studie naar de Enkhuizer librije geeft Van Voorst een lijst van Latijnse schoolboeken in het boekenbestand van de librije.[24] Hij noemt daarin vijftig werken die zijns inziens gebruikt zijn bij het onderwijs aan de Latijnse school te Enkhuizen. Een vergelijking van deze lijst met de inventaris van de Alkmaarse librije zoals die is opgesteld door het Regionaal Archief Alkmaar toont aan dat dertien van deze werken – hetzij dezelfde druk, hetzij een andere druk van dezelfde tekst, hetzij een werk met dezelfde inhoud en hetzelfde doel – aanwezig zijn in de Alkmaarse collectie. Tabel 1 geeft een overzicht van deze werken.
|
Titel cf. lijst Van Voorst
(2004) |
Signatuur Enkhuizen (Brinkerink) |
Signatuur Alkmaar (RAA) |
|
Plutarchi omnium quae exstant
operum tomi duo. Gr. et Lat. Interpr. H. Cruserii et G. Xylandri: notae
doctorum virorum, 2. voll. Lut. Par. 1624. |
1F |
136 A 8 |
|
Platonis opera quae exstant
omnia. Gr. et Lat. Ex. nova L. Serrani interpr., perpetuis eiusdem notis
illustrata. 2 voll. H. Stephanus, 1578. |
7F |
136 B 5 |
|
H. Stephanus, Thesaurus
Graecae linguae, 5 voll. H. Stephanus, 1572. |
12F |
135 A 9 |
|
M. Tullii Ciceronis opera
omnia quae exstant. Ex sola fere Codd. Mss. Fide emendala studio atque
indistria J. Gulielmi et J. Gruteri. 4 tomi. 2 voll. Hamb. 1618. |
13F |
133 A 1 |
|
L. Annaei Senecae
philosophi et M. Annaei Senecae rhetoris qua extant opera. Acc. D. Gothofredus,
Loci Communes ex utroque Seneca facti. Par. 1607. |
20F |
136 E 5 |
|
D. Erasmus, Epistolarum
opus. 28 libri. Bas. 1558 |
45F |
136 A 2 |
|
Commentariorum Urbanorum
Raphelis Volaterrani: octo et triginta libri cum duplici eorundem indice secundem
Tomos collecto., Item economicus Xenophontis: ab eodem latio donatus. – 1
vol. Parrhisijs 1515. |
46F |
133 C 12 |
|
C. Cornelii Tacitii opera
quae exstant (rec. I. Lipsius). Additi Commentarii aucti emendatique ab
ultima manu. Acc. C. Velleius Paterculus cum eiusdem Lipsi auctioribus notis.
– Antv. 1627. |
74F |
133 C 7 |
|
T. Livii Patavini libri
omnes superstites. Edidit I. Gruterus. Par. 1625 |
76F |
136 A 6 |
|
Thucydidis de bello
Peloponnesiaco libri octo. Gr. et Lat. Interpr. L. Vallae. Francof. 1594 |
110F |
134 C 3 |
|
Cor. Nepotis vulgo Aemilii
Probi de vita excellentium Imperatorum Graecorum a Romanorum. Cum commentariis
D. Lambini Monstraliensis. Francof. 1608 |
111F |
136 C ½ |
|
Autores Historiae
ecclesiasticae (scil. Eusebij… libri novem, Ruffino interprete; Ruffini…
libri duo; aliorum) Bas. 1539 |
128F |
133 C 10 |
|
C. Plinius Secundus,
Historiae mundi libri 37. Genev. 1631 |
189F |
136 B 8 |
Tabel 1: Overzicht van de boeken uit de librije van Enkhuizen die ook in de Alkmaarse librije aanwezig zijn.
De vraag werpt zich op wat de relevantie is van het hierboven genoemde aantal van 13 werken die zich zowel in de Enkhuizer alsook in de Alkmaarse librije bevinden – een overeenkomst van zesentwintig procent in relatie tot de vijftig aanwezige schoolboeken in Enkhuizen. Aangezien de bibliotheken qua omvang ongeveer even groot zijn[25], zou geconcludeerd kunnen worden dat de librije te Enkhuizen nauwere banden onderhield met de onderwijsinstellingen aldaar en misschien zelfs meer als schoolbibliotheek functioneerde dan de Alkmaarse librije. Van Voorst komt in zijn doctoraalscriptie tot de volgende conclusie:
Natuurlijk zullen de leerlingen ook gebruik hebben gemaakt van de nabijgelegen librije. Voor veel leerlingen zal de librije zelfs essentieel zijn geweest om toegang te krijgen tot bepaalde boeken. Het is aannemelijk dat de librije bij de autodidactie van leerlingen een grote rol heeft gespeeld. Het boekenbestand daar wijst in ieder geval in de richting van een intensieve relatie tussen de Latijnse school en de librije. (A. van Voorst, De Bibliotheca Enchusana, p. 68)
Het is nog maar zeer de vraag of de situatie die Van Voorst schetst, ook van toepassing is op de Alkmaarse librije en Latijnse school. Het onderzoek van de werkgroep Het gedrukte boek als materieel en cultureel object van de Universiteit van Amsterdam[26] heeft vooralsnog geen aanwijzingen gevonden voor veelvuldig gebruik van de collectie door jonge leerlingen. Wellicht kan een nauwgezet en op dit onderwerp toegespitst cultuur- en boekhistorisch onderzoek daar verandering in brengen.
2 De rector en de librije
Dat de rectoren van de Latijnse school gezien worden als notabelen en invloedrijke personen van de stad Alkmaar, lijdt geen twijfel. Ze zijn dan ook niet alleen betrokken bij het bestuur van de school, maar hebben vaak ook nog allerlei andere bezigheden. Zo weten we bijvoorbeeld dat Laurens Zas, rector van de school van circa 1546 tot ongeveer 1557, een veelgevraagd predikant is in de Sint Laurenskerk; daarnaast fungeert hij ook als rector of pastor van de Witte Zusters aan de Nieuwe Sloot.[27] In dit hoofdstuk wil ik dieper ingaan op de vraag wat nu precies de rol van de rectoren van de Latijnse school is geweest bij de conservering, plaatsing, controle, instandhouding en uitbreiding van de librije. Teneinde een beeld te schetsen van de dubbelbaan rector-conservator[28] en alle aspecten die hierbij verder komen kijken, zal bovenal gebruik gemaakt worden van primair bronnenmateriaal. Daarnaast zullen – zoals al aangekondigd in het vorige hoofdstuk – conclusies getrokken worden over de rol van de librije bij het onderwijs aan de Alkmaarse Latijnse school.
De in het vorige hoofdstuk al genoemde rector Pieter van Meerhout vormt het welhaast perfecte voorbeeld van een rector-conservator. Als hij in 1578 Alkmaar verlaat en naar Amsterdam verhuist, is dat om aldaar bibliothecaris van de stedelijke boekerij te worden.[29] Zoals Plenckers-Keyser en Streefkerk mijns inziens terecht opmerken, is het niet onmogelijk dat Van Meerhout in Amsterdam bibliothecaris wordt omdat hij reeds ervaring heeft opgedaan met het beheren en aankopen van boeken; dat zou kunnen betekenen dat Meester Pieter, zoals Van Meerhout vaak genoemd wordt, tijdens zijn rectoraat ook optreedt als bibliothecaris van de librije. Daarnaast verwijst het naar zijn reddingsactie in 1573, wanneer hij tijdens plunderingen op de Egmondse abdij enkele kostbare handschriften uit de bibliotheek van de abdij weet te redden; daaronder bevinden zich onder meer het beroemde Willeram-handschrift en de rijmkroniek van Melis Stoke.[30]
Of de rectoren van de Latijnse school allemaal zo nauw betrokken zijn bij het reilen en zeilen van de Alkmaarse librije als Pieter van Meerhout lijkt te zijn geweest, is helaas niet te reconstrueren. Wel wordt uit het bronnenmateriaal duidelijk dat er een verband bestaat tussen het ambt van rector en het uitvoeren van taken die betrekking hebben op de librije. Zo hebben we bijvoorbeeld al kennis genomen van de schenking van rector Hobingius aan de librije in het jaar 1546. In 1578 vindt een zelfde schenking plaats: rector Popco Elema[31] geeft een bij drukker Fröben in Basel gemaakte thesaurus aan de librije. Opgemerkt dient te worden dat deze schenkingen misschien niet zo bijzonder zijn – Hobingius kreeg de boeken in handen via de erfenis van zijn vader, Elema was werkzaam bij Fröben voordat hij naar Alkmaar kwam – maar dat ze wel informatie verschaffen over de manier waarop omgegaan wordt met de collectie in de librije. Blijkbaar is men overtuigd van de goede zaak van het creëren van een stadsbibliotheek, een openbare kennisinstelling waar geïnteresseerden informatie over de meest uiteenlopende onderwerpen kunnen terugvinden, en besluiten de twee genoemde rectoren om de boeken die hen ten deel vallen niet bij zich te houden, maar ze te schenken aan de stad Alkmaar ter promotie van het wetenschappelijke klimaat aldaar.
Voor duidelijke informatie omtrent de rol van de rector bij het beheer van de librije, moeten we ons verplaatsen naar de zeventiende eeuw. De eerste specifieke aanwijzing dat de rector van de Latijnse school wel degelijk betrokken is bij de Alkmaarse librije, vinden we in 1630. In het bewaard gebleven contract van rector Wilhelmus Tiberius Puteanus (1630-1637) wordt vermeld dat hij toezicht moet houden op de stadsbibliotheek.[32] Wat dit toezicht precies inhoudt, is niet bekend. Wel heeft deze maatregel blijkbaar het beoogde effect gesorteerd, want Puteanus’ opvolger Reinerus Neuhusius (1638-1679) heeft een instructie achtergelaten die aantoont dat de rector van de Latijnse school nog steeds verantwoordelijk is voor de boekenverzameling.[33] Rond het eerste kwart van de achttiende eeuw is de situatie nog steeds hetzelfde. Rector Rutger Ouwens inventariseert de collectie van de librije tussen 1725 en 1734 en schrijft de bijbehorende catalogus. Hoewel deze catalogus niet de eerste is – een overzicht was al gemaakt in 1712, maar helaas verloren gegaan en slechts overgeleverd in een afschrift uit 1739[34] – vormt ze toch een waardevolle bron voor het reconstrueren van de collectie van de librije.[35] Daarnaast bevat de handgeschreven catalogus van Ouwens enkele interessante handgeschreven toevoegingen van later datum. Een aantekening van A. Kluit, rector van de Latijnse school van 1764 tot 1769, gaat kort in op de geschiedenis van de librije en vermeldt dan:
Hiermede stemt de tegenwoordige tijd overeen, gelijk mij ondergeschreven bij ’t in orde schikken en nieulings nommeren derzelve gebleken is: zijnde den rector in der tijd belast met de zorg om ten minsten 4. maal des jaars de Bibliotheek te gaan zien, volgens Resolutie van Curatoren en Wethouderschap, gedrukt in ’t jaar 1764, en geïnsereerd in het Resolutieboek van Scholarchen. (Alkmaar, RAA, 7 C 36, binnenschutblad voor.)
Ook in de tweede helft van de achttiende eeuw is de rector van de Latijnse school tevens conservator van de librije. Dit zal zo blijven tot in de negentiende eeuw. Visser vermeldt in zijn Gedenkboek een rapport van de burgemeester van Alkmaar van 25 februari 1809, waarin uitgelegd wordt dat rector Isaac de Leeuw (1777-1814) niet alleen les geeft in alle klassen, maar ook bibliothecaris van de librije is.[36] Dresch voegt hier nog aan toe dat het rapport ook rept over een jaarsalaris van fl. 1.150 voor de rector, waarvan fl. 800 voor zijn taak als rector-bibliothecaris.[37]
Als de librije in 1819 wordt overgebracht naar de charterkamer in het stadhuis, lijkt de taak van de rector der Latijnse school als conservator van de collectie in omvang af te nemen. Vanaf dat moment is het onbekend wie nu precies de leiding heeft over het beheer van de Librije. Gedacht kan worden aan Mr. J.A. Kluppel, griffier bij het Vredegerecht te Alkmaar, die in 1817 aanbiedt om de collectie te inventariseren en over te laten brengen naar het stadhuis.[38] Ook Jan Jacob de Gelder (rector van 1856 tot 1859), die in 1868 een uitvoerige catalogus samenstelt en zich voorts intensief heeft beziggehouden met de stadsbibliotheek, kan een van de beheerders zijn geweest.[39] In 1875 wordt de librije overgebracht naar het Stedelijk Museum en valt de collectie onder het beheer van de conservatoren van het museum. Daarmee komt een eind aan de meer dan 300 jaar oude traditie die voorschrijft dat de rector van de Latijnse school zich bezig dient te houden met het beheer, de uitbreiding en de instandhouding van de collectie van de Alkmaarse librije.
Conclusie
In deze nota hebben we kennis gemaakt met twee instellingen die midden in de Alkmaarse samenleving van de jaren 1500-1800 staan: de stadslibrije en de Latijnse school. Hoofdstuk 1 heeft de geschiedenis van beide instituten geschetst voor zover deze met elkaar verbonden zijn geweest; in hoofdstuk 2 zijn we wat dieper ingegaan op de rol van het hoofd van de Latijnse school bij het beheer van de librije. We hebben ons daarbij de volgende vragen gesteld:
(1) Op welke manier zijn de Latijnse school en de stadslibrije van Alkmaar met elkaar verbonden geweest?
(2) Wat was de rol van de rector van de Latijnse school bij het beheer van de librije?
Het bronnenmateriaal en de redeneringen in deze nota in ogenschouw nemend, kunnen we allereerst concluderen dat de Alkmaarse librije en de Latijnse school als instituten nauw met elkaar verbonden zijn geweest. Een reconstructie van de gebeurtenissen rondom de verplaatsing van de librije in 1594 en de verhuizing van de school in het daaropvolgende jaar heeft aangetoond dat het mogelijk is dat de librije tijdens haar afwezigheid in de Sint Laurenskerk in de Latijnse school opgesteld is geweest. Zoals we gezien hebben, zou de wederoprichting van de bibliotheek in de Grote Kerk in 1594 een direct gevolg kunnen zijn van de verhuizing van de school, in combinatie met de vrij forse uitbreiding van de collectie in diezelfde periode.
Een hiermee gepaard gaande verandering in de opstelling van de librije zou de overgang geweest kunnen zijn van een ‘display-opstelling’, waarin de boeken liggend op een schuin opstaande plank worden bewaard, naar een kastopstelling, waarin de werken staand in een kast worden opgeslagen. Deze verschuiving zou in ieder geval een verklaring kunnen vormen voor het verschijnsel dat sommige boeken wel voorzien zijn van beschermknoppen op het voor- en/of achterplat en andere niet.
Een tweede onderdeel van samenwerking tussen de Latijnse school en de librije betreft de dubbele baan van de rector van de school. Van oudsher – of toch in ieder geval vanaf het midden van de zestiende eeuw – is de rector van de Latijnse school nauw betrokken bij het reilen en zeilen van de librije: rectoren hebben schenkingen gedaan, catalogi gemaakt en de librije onderhouden en geïnventariseerd. Uit bronnen uit het begin van de negentiende eeuw weten we dat de rector betaald werd om conservator te zijn van de stadsbibliotheek.
Bibliografie
Dresch, N.J.M. Van Latijnsche school tot Gymnasium: uitgave ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Gymnasium. [S.l.: s.n.], 1929.
Gelder, H.E. van. Geschiedenis der Latijnsche School te Alkmaar, eerste gedeelte: De Groote School tot 1572. Alkmaar: Coster, 1905.
Groenland, J.A. Een humanist maakt school: de onderwijsvernieuwer Joannes Murmellius (ca. 1480-1517). [S.l.: s.n.], 2006.
Meinsma, K.O. Middeleeuwsche bibliotheken. Zutphen: [s.n.], 1903.
Plenckers-Keyser, G.I. ‘Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992’. In: Archivaria. Periodiek van de stichting ‘Vrienden van het archief van Alkmaar en omgeving’ 5 (1992), nr. 1-2, p. 19-25.
Plenckers-Keyser, G.I. en C. Streefkerk. ‘De Librije van Alkmaar’. In: J. Drewes e.a. Glans en glorie van de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens. Hilversum: Verloren. (Alkmaarse Historische Reeks 12), p. 263-74.
Vis, G.N.M. Cornelis Cooltuyn (1526-1567): de vader van de Hollandse Reformatie. Hilversum: Verloren. 1995. (Zeven Provinciën Reeks 10).
Visser, A. Gedenkboek ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Murmellius-gymnasium 1381-1904-1954. Alkmaar: Het Curatorium, 1954.
Voorst, A. van. De Bibliotheca Enchusana: de librije van Enkhuizen en haar plaats in de stedelijke samenleving (1590-1690). Tilburg: 2004.
[1] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 267.
[2] Voor het privilege, zie H.E. van Gelder, Geschiedenis der Latijnsche School te Alkmaar, bijlage A, p. 127.
[3] Idem, bijlage B, p. 128-9.
[4] Idem, p. 79-80.
[5] Uitvoerig bronnenonderzoek in het Regionaal Archief te Alkmaar (hierna: RAA) heeft helaas geen informatie opgeleverd over de beginperiode van het onderwijsstelsel in Alkmaar.
[6] H.E. van Gelder, Geschiedenis der Latijnsche School te Alkmaar, p. 9-11. A. Visser, Gedenkboek, merkt terecht op (p. 9) dat het hier waarschijnlijk gaat om een goedkeuring van de kant van de hertog van een door de stad Alkmaar zelf gedane voordracht.
[7] Zie A. Visser, Gedenkboek, p. 10.
[8] N.J.M. Dresch, Van Latijnsche school tot Gymnasium, p. 7; A. Visser, Gedenkboek, p. 21. Zie ook J. Groeneveld, Een humanist maakt school voor een levensbeschrijving van Murmellius.
[9] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 267-8.
[10] Idem, p. 265, en Alkmaar, RAA, Librije, hs. 128 A 1, f. 302v.
[11] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 265 en Alkmaar, RAA, Librije, hs. 128 A 1, f. 303r.
[12] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 266 en Alkmaar, RAA, Librije, hs. 128 A 1, f. 310v.
[13] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 268.
[14] Alkmaar, RAA, DTB 38. Het is niet duidelijk welke boeken tot deze ‘eerste librije’ behoord hebben
[15] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 269.
[16] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 263-6.
[17] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 266.
[18] Zie o.a. K.O. Meinsma, Middeleeuwsche bibliotheken voor een beschrijving van deze vorm van diefstalpreventie.
[19] Zie de bijdrage van de hand van Mea Caspel aan deze website voor meer informatie over het sleutelcontract. Ik heb twee van deze boeken kunnen traceren: het gaat om de boeken Alkmaar, RAA, Librije 144 A 13 en 133 A 2.
[20] Zie de bijdragen van de hand van Annemieke Arendsen en Maayke Stobbe aan deze website voor meer informatie over respectievelijk de schenkingen en de aankopen m.b.t de Alkmaarse librije; zie ook G.I. Plenckers-Keyser, ‘Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992’, p. 19-20.
[21] Ik laat een deskundig oordeel over deze kwestie over aan dr. Piet Verkruijsse, die zich uitgebreid gebogen heeft over de boekknoppen (en de resten daarvan) op de boeken uit de Alkmaarse librije; zie daarvoor een ander gedeelte van deze website.
[22] Zie Alkmaar, RAA, DTB 38.
[23] Alkmaar, RAA, DTB 38.
[24] A. van Voorst, De Bibliotheca Enchusana, bijlage 5, p. 278-9.
[25] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 266.
[26] Deze nota, alsmede de andere gegevens op deze website, behoren alle tot dit project.
[27] Zie G.N.M. Vis, Cornelis Cooltuyn, p. 28-9. Zie ook DTB 38, f. 30, onder het jaar 1552.
[28] Met de term ‘conservator’ wordt hier bedoeld: verantwoordelijke voor het beheer van de librije.
[29] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 268 en n. 13.
[30] Zie G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 268.
[31] De bronnen zijn het niet eens over de exacte naam van deze rector; hij wordt ook wel Pomponius Elama genoemd.
[32] A. Visser, Gedenkboek, p. 49. Er volgt hier een verwijzing naar Alkmaar, RAA, Inventaris Gemeente Archief III, 8, f. 40, maar deze bron is helaas niet teruggevonden.
[33] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 268. Het artikel vermeldt evenwel niet om welke bron het hier gaat.
[34] Idem, p. 270.
[35] Dat is onder meer gedaan in G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’.
[36] A. Visser, Gedenkboek, p. 64.
[37] N.J.M. Dresch, Van Latijnsche school tot Gymnasium, p. 15. Het genoemde bedrag van 800 gulden komt heden ten dage overeen met zo’n 5000 euro; zie The IISH List of Datafiles of Historical Prices and Wages, http://www.iisg.nl/hpw/.
[38] G.I. Plenckers-Keyser, ‘Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992’, p. 23.
[39] Ibidem.
Het gedrukte boek als
materieel en cultureel object 13
januari 2007
dr. P.J. Verkruijsse J.F.A.
Aussems
MA Boekwetenschap en
Handschriftenkunde 5700809
Universiteit van
Amsterdam J.F.A.Aussems@student.uva.nl