Mea van Caspel
De sleutel tot de Librije in Alkmaar
Inleiding
De kerk Librije of boekenkamer lag in de regel boven of vlak bij de sacristie . De collectie bestond vaak uit (studie)boeken voor de priesters ter voorbereiding van de preek zoals de Heilige Schrift, commentaren, exempla-verzamelingen, sermoenen. Ze waren meestal afkomstig uit legaten en schenkingen. Daarbij konden ook andere werken met juridische, historische of medische inhoud geschonken worden waardoor zij interessant voor studieuze leken konden zijn [1].
Dit is in het kort de beschrijving van een Librije die Schneiders geeft in zijn overzichtswerk Nederlandse bibliotheek geschiedenis; van Librije tot Virtuele bibliotheek. Met de werkgroep Boekwetenschap en Handschriftenkunde zijn we aan de slag gegaan met de librije in Alkmaar. Het eerste gedeelte van de cursus bestond uit het fysieke beschrijven van enkele aanwezige boeken. In het tweede gedeelte hebben we gekeken naar de maatschappelijke context van de Librije. Ik heb me toegelegd in mijn onderzoek op de toegankelijkheid van de stadslibrije van Alkmaar. In het Regionaal Archief in Alkmaar is een sleutelcontract waarin verschillende namen vermeld zijn. Deze personen kregen na ondertekening van het contract een sleutel van de Librije. Naar aanleiding van dat sleutelcontract ben ik verder gaan zoeken naar meer informatie over de toegankelijkheid.
Wat het onderzoek naar de Librije lastig maakt, is het feit dat de informatie is opgedeeld in vele kleine stukjes. Er is een artikel geschreven over de Librije in Glans en Glorie. Dit artikel bevat enkele fouten. Ten eerste wil ik noemen de oudste vermelding van de Librije: deze stamt uit 1545 en staat in het memoriaal van de kerkmeester[2]. Hierin wordt een kerkorgel genoemd onder de librije.
De huidige Sint Laurenskerk wordt gebouwd van 1472 tot 1520. De kerk zoals we die nu kennen voor kerkdiensten of verbouwd tot cultureel centrum had in de tijd van het ontstaan van de Librije een grote maatschappelijke functie. De kerk diende dus niet alleen als plek om te kerken, maar was ook een ontmoetingsplaats binnen het sociale leven in Alkmaar, zo vertelde de gids tijdens onze rondleiding in de Sint Laurenskerk[3]. Tijdens de Republiek der Letteren (term voor het eerst genoemd door Erasmus 1469-1536) waren boeken en bibliotheken het collectief geestelijk bezit in een gemeenschappelijk vaderland [4]. Hoe gemeenschappelijk is nu deze stadsbibliotheek van Alkmaar?
Toegankelijkheid van de Librije 1605-1621
In het interdictieboek [5] van de Burgemeesters staan verschillende documenten waaronder het sleutelcontract van de librije. Het beheren van de sleutels van de Librije ligt niet in handen van een kerkmeester maar in die van de burgemeesters[6]. Hier volgt eerst mijn transcriptie van de sleuteleed:
Gelofte te doen ende te praesteren, bij den genen die den sleutelen van de Librije deser Stede sullen ontfangen.
Des t'Oirconde dese bij mij ondertekent,
Doeze [Jansz] Medenblick 1605
Cornelius Hillenius
F. van Teylingen
J. Coren 1607
C. Boen
Jan Pieterszoon van Oeijen
J Helias Capelman
Adolphus Venator
A. Rabbi
P. van Teylingen
Adriaen Coren
Johannes Coren
Rombout van Teylingen med.
Jacob Capelman
Alsoo d’ sleutelen anno 1621 sijn verandert soo hebben d'ondergeschreven op voorige conditie d'selve ontvangen ende tot confirmatie dese getijckent
Egid. Oudestein
Franciscus Ostorpius scholae publicae rector
Thom. van Egmondt van der Nijenburgh
C. Schaghen 1624
Jan van Oijen f.
Andreas Schaghen
Nicolas van Bije 1631
Wilhelmus Tiberius [Puteaneus] scholae publicae rector
Dirck Vrijburg
Adr. Schaghen



Wat kunnen we concluderen uit deze sleuteleed? Ten eerste dat de Librije zich bevond in een gesloten ruimte. Onder punt vijf wordt met nadruk gevraagd om de deur van de Librije af te sluiten. Deze boekencollectie was dus niet voor iedereen te raadplegen. Eventueel kon een sleutelbewaarder een gast meenemen “op de librije” maar hij mocht de sleutel zeker niet uitlenen. Een gast mocht alleen worden meegenomen als de sleutelbewaarder garant kon staan voor deze persoon. Wie zijn de personen die een sleutel hadden en waarom hadden zij deze in bezit?
Ten tweede is te concluderen dat de sleutelbewaarders allen mannen zijn. Zo vreemd is dit niet aangezien het geleerde leven uit die tijd uitsluitend uit mannen bestond. Er waren niet veel vrouwen die konden lezen en al zeker geen Latijn en als ze dat wel konden, hadden ze alleen de mogelijkheid om via een particuliere verzameling aan boeken te komen[7].
Ten derde kunnen we concluderen dat er meer sleutels in omloop zijn. Hoeveel sleutels er waren, is echter niet beschreven in het contract. Na de dood van de sleutelbewaarder moet de sleutel weer teruggegeven worden aan de burgemeesters.
Ten vierde zijn er op het contract verscheidene data geschreven, namelijk vijf. Het eerste deel van het contract is niet gedateerd in tegenstelling tot het tweede deel waar wel expliciet een datum wordt genoemd. De vroegste datum is 1605 en staat geschreven onder de naam van Doeze Medenblick. Deze datering houd ik in de rest van mijn nota aan als datum waarop de eed is getekend. In het jaar 1621 komen er nieuwe sleutels van de Librije die onder dezelfde voorwaarden uitgereikt worden als in het contract uit 1605. Waarom er nieuwe sleutels worden uitgegeven is niet bekend. Het kan zijn dat er oudere sleutels zijn kwijtgeraakt of dat de oude sleutels inmiddels in verkeerde handen zijn gevallen. In ieder geval geven de burgemeesters in 1621 nieuwe sleutels aan de personen die dit contract ondertekenen.
Wie waren deze personen en waarom hadden zij een sleutel in hun bezit? Eerst behandel ik het oudste deel van het contract. De eerste naam die ik uit dit contract na veel moeite heb weten te kunnen herleiden is Doeze Jansz Medenblick (als naamsvariant ook tegengekomen als Medemblick). Hij was burgemeester[8], van 1592 tot 1609; tevens was hij lid van de vroedschap. In de tijdsperiode waarin Medenblick burgemeester is, worden de sleutels uitgegeven. Zijn naam is de eerste die op het document te vinden is. In mijn veronderstelling is hij dan ook de persoon die het sleuteldocument heeft opgesteld of opdracht daartoe heeft gegeven. Medenblick wordt in 1610 ontslagen uit de vroedschap tijdens zijn pensionarisambt, hij overlijdt in 1612 en wordt begraven op 29 oktober 1612[9].
De tweede naam die op het contract vermeld staat, is Cornelius Hillenius. Hij is predikant te Alkmaar. Samen met Adriaan Hendricx Rabbi gaat hij naar een boekenveiling om boeken voor de Librije te kopen. Meer informatie daarover te vinden in een van de andere nota’s over de Librije van Alkmaar.
Vervolgens is de naam J van Wittendel[10] opgeschreven op het sleutelcontract. Van Wittendel is van 1603 tot 1617 [11] burgemeester van de stad Alkmaar. Tevens was hij lid van de vroedschap in 1606 en werd hij herbenoemd voor de vroedschap in 1610. In 1618 kreeg Van Wittendel zijn ontslag uit de vroedschap. Verder is bekend dat hij op 1 april 1624 begraven is.
J Coren, heeft zijn naam verbonden met het sleutelcontract. Mr. Jacob Gerritsz Coren is van 1600 tot aan 1621 secretaris van Alkmaar. Opvallend is dat er bij zijn naam tevens een jaartal geschreven is, namelijk 1607.
Wat moeilijker leesbaar is de naam van Jan Pietersz van Oijen, als schepen van 1621 tot 1627 verbonden met de stad Alkmaar. Daarnaast wordt hij benoemd in 1624 in de vroedschap. Verder wordt hij begraven op 19 januari 1639. Het tweede deel van het sleutelcontract wordt ook door een Jan Pietersz van Oijen ondertekend. Gezien zijn sterfdatum ga ik ervan uit dat hij als enige ook in het bezit was van een nieuwe sleutel uit 1621.
Helias Capelman werd benoemd tot burgemeester in 1608. Verder was hij schepen van 1603 tot 1606. Verdere informatie heb ik niet kunnen achterhalen.
Adolphus Venator is predikant te Alkmaar. Hij wordt enkele malen geschorst door het kerkbestuur. Ook heeft hij een geschil met Hillenius, de andere predikant die ook op het sleutelcontract vermeld wordt. Daarnaast word Venator aangesteld als rector[12] van de Latijnse school in 1609. Op 1 maart 1614 legt hij deze functie neer.[13]
Adriaen Heyndricxz Rabbi, burgemeester van stad Alkmaar van 1609 tot 1620. Vanaf 1588 is hij lid van de vroedschap, in 1610 wordt hij herbenoemd tot lid van de vroedschap. Op 11 oktober 1618 wordt hij nogmaals herbenoemd door de commissarissen van de staten van Holland. Van Rabbi is tevens bekend dat hij samen met Hillenius enkele boeken heeft aangeschaft, wat wordt besproken in een andere nota binnen dezelfde werkgroep. Adriaen Rabbi wordt op 4 maart 1620 te Alkmaar begraven.
De familie van Teylingen is goed vertegenwoordigd op het sleutelcontract. De naam die ik heb kunnen aflezen is Floris van Teylingen [of P. van Teylingen?]. Hij wordt herbenoemd in 1618 als lid van de vroedschap van Alkmaar. Verder is hij benoemd tot burgemeester van 1620 tot 1624. Hij overleed op 30 oktober 1624 [14].
De namen van J van Teylingen, C. Boen, Adriaan Coren, Johannes Coren, Rombout van Teylingen med. en Jacob Capelman heb ik naar aanleiding van mijn onderzoek niet verder kunnen identificeren of plaatsen binnen de context van Alkmaar. De andere helft van de personen genoemd op het eerste deel van het sleutelcontract heeft een binding met enerzijds het bestuur van de stad waarbij een viertal de functie van burgemeester vervulde. Anderzijds zijn de namen in de context van een kerkelijke functie te plaatsen. De vele naamsvarianten maken het moeilijk om een duidelijk overzicht te krijgen. Er is in 1619 een Jacob van Teylingen als scholarch genoemd van de Latijnse school. Of dat de persoon is die het sleutelcontract heeft ondertekend, is moeilijk met zekerheid te zeggen. Er zijn nog enkele namen die als scholarch genoemd worden en die wel op het sleutelcontract staan namelijk Adriaen Rabbi, Mr. Jan de Wittendel en Floris van Teylingen
Het tweede gedeelte van het contract begint met de naam van Dr. Gilles Oudestein ofwel Aegidius Oudesteyn. Hij is burgemeester geweest in 1624-1625 [15]. Daarna vervulde hij de functie van tresaurier van 1630-1631[16]. Door het notarieel archief te vergelijken met het Doop-, Trouw- en Begraafregister ben ik erachter gekomen dat de verschillende naamsvarianten inderdaad bij een en dezelfde persoon horen. In het Doop-, Trouw- en Begraafregister staat Gilles Oudesteyn getrouwd met Josefine Calf. In het Notarieel archief is het testament aanwezig waarin Egidius Oudestein getrouwd is met dezelfde Josefine Calf. Hij schenkt samen met drie andere burgemeesters een boek in 1625 aan de librije[17]. De namen van de andere burgemeesters komen niet voor op het contract.
Franciscus Ostorpius scholae publicae rector. Als rector van de Latijnse school zal Ostorpius er belang bij hebben om een sleutel van de Librije in zijn bezit te krijgen. Dit is niet de enige rector van de school die het contract ondertekent; ook Wilhelmus Tiberius [Puteaneus] tekent als rector van de Latijnse school. Vreemd is dat in het eerste gedeelte van het contract geen functies vermeld staan en bij het latere deel wel.
Thomas van Egmondt van der Nijenburgh is van 1635 tot 1674 burgemeester van de stad Alkmaar. Hij is schepen[18] van 1623-1632. Tevens is hij scholarch van de Latijnse school in 1643.
C. Schaghen 1624 kan Cornelis Mathijsz Schagen zijn, die burgemeester was van 1600 tot 1624. Ook in het Doop-, Trouw- en Begraafregister worden de varianten Schaghen en Schagen door elkaar heen gebruikt. De familie Schaghen was dol op dezelfde namen, want ze geven drie personen dezelfde naam mee: Adriaen Cornelisz Schagen, Adriaen Pietersz Schagen, en Mr. Adriaen Schagen[19]. Welke van deze personen het sleutelcontract heeft ondertekend, kan ik niet zeggen. Wel is duidelijk dat ze alle drie de functie van burgemeester vervulden voor de stad Alkmaar. Daarnaast is er nog een familielid die het sleutelcontract ondertekent en wel Adr. Schagen. Helaas is ook hij niet te identificeren naar aanleiding van mijn onderzoek.
Als enige ondertekent Jan van Oijen het eerste en het tweede deel. Zie hiervoor bovenstaande beschrijving.
Nicolas van Bije 1631 is ook niet terug te vinden in een functie binnen de stad Alkmaar, evenmin in de boeken van de Latijnse school. Wel is hij terug te vinden in het Doop-, Trouw- en Begraafregister waarin vermeld staat dat hij op 16 oktober 1641 begraven is.
Dirck Vrijburg, misschien Dick Vrijburgh, lid van de vroedschap in 1640[20], overleden op 5 januari 1664. Op 13 december 1644 staat Dirck Vrijburgh vermeld als scholarch[21] van de Latijnse school.
Wat is te concluderen uit de bovenstaande informatie? De meeste namen die op het contract vermeld staan zijn tevens werkzaam binnen het stadsbestuur van Alkmaar hetzij als burgemeester, schepen, lid van de vroedschap en thesaurier. Daarnaast staan er personen op die vanuit de kerk een sleutel krijgen voor de librije. Tot slot de personen verbonden aan de Latijnse school. Kortom de mensen met een sleutel hadden deze vermoed ik allen op grond van hun functie. Als medicus is Rombout van Teylingen, zover ik heb kunnen nagaan, de enige die een ander beroep heeft. De collectie bestond niet alleen uit theologische werken en de klassieken, ook geneeskunde was een onderwerp waarvan enkele boeken zich binnen de collectie van de Librije bevonden. Dat zou kunnen verklaren waarom Rombout van Teylingen het sleutelcontract ondertekent.
Daarnaast kunnen we uit de gift [22] aan de Librije uit 1625 door Gilles Oudestein en drie andere burgemeesters te weten komen dat van het groepje burgemeesters er een persoon is die het sleutelcontract heeft ondertekend. De andere drie namen komen niet voor op het contract. Dat zou inhouden dat er binnen de burgemeestersposten een verdeling van de verantwoordelijkheden is waarvan het beheren van de sleutels van de Librije aan één persoon wordt toevertrouwd.
Het contract wordt op verschillende jaartallen ondertekend. Er staat er niet bij elke naam een jaartal vermeld. Mijn vermoeden is dat er tussen de 2 en 4 sleutels in omloop zijn die bij de dood van de sleutelbewaarder teruggegeven werden. De burgemeester wees vervolgens een nieuwe persoon aan om de sleutel te bewaren en het contract te ondertekenen. De laatste persoon die het contract ondertekent volgens de aanwezige data is Nicolas de Bije die overlijdt in 1641.
Toegang tot de Librije na 1621
Hoe gaat het na deze datum verder met de Librije? Het beheer verdwijnt uit de handen van de kerkmeesters en gaat over in de handen van de rector van de Latijnse school. Dit staat beschreven in de catalogus bibliothecae publicae Alcmarianae van Ouwens[23] waarin de volgende aantekening staat geschreven:
Twee sleutels van de stads Librije leggen in de lade van de burgemeester.
en
[…] Hiermede stemt de tegenwoordige tijd overeen, gelijk mij ondergeschreven bij ’t in orde schikken, en nieulings nommeren derzelfde gebleken is: zijnde de rector in der tijd belast met de zorg om ten minsten 4 maal des jaars de bibliotheek te gaan zien, volgens de resolutie van curatoren en wethouderschap gedrukt in t jaar 1764 en geinsereerd in het resolutieboek van de scholarchen
verklare ik ingelijks alles bij mijn vertrek van hier alles in goede orde gelaten te hebben.
A Kluit 23 maart 1769
De eerste opmerking over de sleutels van de stadslibrije is opgetekend in een ander handschrift. Deze opmerking is dus niet te herleiden naar Adrianus Kluit of aan een datum te identificeren. De catalogus van Ouwens is gedateerd omstreeks 1730.
In 1745 weten we uit het ooggetuigenverslag van pastoor Wilhelmus Kleeff dat de sleutels van de Librije in bewaring zijn bij de burgemeester en de predikanten van de gereformeerden en dat alleen zij toegang hadden tot de boekencollectie. Voor de volledigheid volgt hier de transcriptie van het deel over de Librije uit Oudheden ende Geestelijke Gestigten der stad Alkmaar [24] :
De Wel Eerberoemde Bibliotheek
Dezelve is geplaatst boven het groot zuyder Portaal van de Kerk, men vond hier in vorige tijden een groote menigte deftige boeken ende geschriften: welke veel zijn gesmolten met de Gelderse oorlogen en andere inlandse beroertens in het jaar 1594 telde men hier nog drie honderd en zestig welgeconditioneerde boeken, onder welke veel uytmuntende en deftige werken wierden gevonden: dezelve waren alle aan kettingen vastgesloten, dog na dien tijd heeft men daar wijnig opgepast, zoo dat dees schone boekerije deerlijk is in t verval geraakt en geschonden, niemand heeft tegenwoordig toegang tot dezelve, dan de Heere Burgemeesteren en de Predikanten der gereformeerden, bij welke ook de sleutelen van de Bibliotheek in bewaring zijn. Ik hebbe in het jaar 1745 met verlof van haar Edele Groot Agtbaarheden deeze Boekzaal wezen bezien en vond het een welgeschikte plaats te zijn, dog voorzien met wijnig en voor het merendeel geschonden, ja door het ongedierte afgeknaagde boeken, door ouderdom en verwaarloozing zeer mismaakt: de Papieren en oude handschriften die mij daar naar toe hadden gelokt zijn er niet meer te vinden mogelijk verloren, vervreemd, ofwel elders anders in bewaring gebracht, voor den Nakomeling dient de navolgende catalogus dewelke wij uit een oud manuscript hebben getrokken, tot bewijs van wat boeken er geweest zijn”.
Uit dit ooggetuigenverslag blijkt dat voor 1745 de sleutels toebehoorden aan de burgemeesters en de predikanten. De controle van de collectie ligt vanaf 1764 in handen van de rector van de Latijnse school volgens de catalogus van Ouwens. Blijkbaar is de collectie ernstig verwaarloosd sinds 1641 na de dood van Nicolas de Bije, de laatste persoon die de eed ondertekende, de eed waarin het zorgvuldig gebruik van de Librije centraal staat. Het beheer van de Librije blijkt in handen te zijn van de rector van de Latijnse school. Zo heeft Neuhusius,[25] rector van de Latijnse school, op 17 juni 1638 beschreven in zijn instructies dat de rector het opzicht had op de stadsbibliotheek ”volgens de orde daarvan zijnde” . Echter komt de bepaling niet voor in de reglementen van 1615, 1659 en 1708 dat de rector enkele malen per jaar de Librije moest controleren. Die bepaling wordt pas in 1764 opgenomen: zie hiervoor de verklaring van Adrianus Kluit in de catalogus van Ouwens.
Hoe komt het dat de Librije in zo’n slechte staat verkeert? Onder andere door het nalaten van enkele rectoren van de Latijnse school om de Librije te controleren en te beheren. Volgens Bruinvis[26] verkeerde de Librije in 1704 ook al in een zeer slechte staat omdat de Graaf van Antoing na het bezoeken van de Librije zelfs zijn kleding moest laten reinigen. Daarnaast is in de stadsrekening van 1673 een bedrag van 315 gulden opgenomen ter beschikking van de “reparatie van de Librij een het torentje” [27] . Daarmee zou bedoeld kunnen zijn dat de boeken beschadigd kunnen zijn door de oorzaak waardoor ook de Librije gerepareerd moest worden, reden waarom ze in zo’n slechte staat verkeren in 1745.
Hoe slecht de staat is in 1799 laat zich raden als de betreffende verantwoordelijke voor de librije, Mr. Isaac de Leeuw, rector van de Latijnse school sinds 1777, niet in het bezit is van een sleutel als hem in 1799 opgedragen wordt een catalogus te maken. Op dat moment bevinden zich twee sleutels bij de secretarie, zo beschrijft Bruinvis [28] in het voorwoord bij zijn catalogus. Wat er in de tussentijd met de sleutels is gebeurd, is niet erg duidelijk. Regelmatig wordt er beschreven dat de sleutels worden teruggegeven aan de burgemeester bijvoorbeeld in de catalogus van Ouwens. Alleen in 1745 wordt vermeld dat er een sleutel is afgegeven tussen 13 en 16 november aan ‘Aribaat’ en “deselve in handen van de burgemeester te hebben gerestitueerd om te leggen in haar 8e laatje”[29].
Omstreeks 1817 wordt het plan opgevat om de Librije over te brengen naar de charterkamer in het stadhuis waarvoor enkele kasten worden getimmerd. In 1819 worden de boeken uiteindelijk verplaatst naar deze nieuwe bestemming in het stadhuis. Uiteindelijk worden deze boeken tezamen met een andere collectie ondergebracht in de bibliotheek van het stedelijk museum in 1875. Op dit moment staat de Librije in het regionaal archief waar men met een elektronische sleutel toegang krijgt tot de verzameling. Deze elektronische sleutels zijn in het bezit van de medewerkers van het archief die de gevraagde boeken voor de geïnteresseerde en voorzichtige lezers uit hun boekenkast halen. Dat je een sleutel nodig hebt om de boeken van de Librije te bezichtigen, is nog steeds hetzelfde, de vorm is in de jaren alleen wat veranderd.
Toegankelijkheid andere stadsbibliotheken
Voor mijn onderzoek heb ik in de secundaire literatuur gekeken naar wat er geschreven is over de toegankelijkheid van de librije in andere steden. Ik heb slechts enkele voorbeelden aangehaald. Het overzicht dat ik geef in dit hoofdstuk behandelt niet alle stadsbibliotheken, maar het is wel representatief voor het geheel.
Het beheer van de Librije in de 17e eeuw is in Enkhuizen een gecombineerde verantwoordelijkheid voor de kerk en de overheid, zo schrijft Van Voorst in de doctoraalscriptie over de Librije te Enkhuizen. Ook in deze scriptie wordt er aandacht besteed aan de toegankelijkheid van de librije, gevestigd in de Westerkerk. Zij kenden niet het sleutelprincipe dat bij de Librije in Alkmaar voorkomt. Zo schrijft Van Voorst [30]:
Zover bekend, is de toegang tot de Enkhuizer Librije ook nooit ingeperkt door de invoering van het ‘Ius Clavium’ het sleutelrecht. Het siert de Librije van Enkhuizen dat zij blijkbaar vasthield aan de doelstelling een instelling te willen zijn ‘voor alle studerenden’.
Deze vrije toegang betekende wel een groter risico op diefstal en vernielingen. De Librije in Enkhuizen begon in 1657 met het ketenen van boeken ter preventie van diefstal. Niet alle boeken werden geketend maar slechts de meest kostbare of zeldzame boeken werden aan de ketting gelegd [31]. Zo wordt er ook in 1693 een traliehek geplaatst om de collectie te beschermen. Daarnaast wil ik nog opmerken dat het toezicht van de Librije in Enkhuizen een erebaantje was voor predikanten, rectoren der Latijnse school en oud-burgemeesters[32]. Dit hield niet in dat zij uitvoerig toezicht hielden op de boekencollectie, wat wel wenselijk was.
Het grote standaardwerk voor de Librije in Zutphen is geschreven door K.O. Meinsma in 1903 [33]. Hierin staat het volgende geschreven over de toegankelijkheid van de Librije.
“Het behoeft nauwelijks betoog, dat deze Librije toegankelijk was voor de Heeren van het Kapittel en wie ver in voortdurende betrekking stonden tot de kerk. In hoeverre ook anderen er toegang hadden blijkt niet; docht uit het feit, dat de burgemeester Kreinck zijne boeken aan haar vermaakte, zouden wij willen afleiden dat zij ook voor de leden der magistraat openstond”.
De eerste boekenkamer die zich binnen de kerk bevindt, is toegankelijk voor de mensen die betrekking hadden met de kerk. Meinsma veronderstelt dat ook de leden van de Magistraat, de bestuurders van de stad, de mogelijkheid hadden om deze boeken te raadplegen. In de nieuwe Librije worden de boeken op lectrijnen gelegd en verankerd aan een ijzeren staaf zoals in het onderstaande citaat naar voren komt:
“Van den aanvang af schijnen de kerkmeesters de bedoeling gehad te hebben hunne boekerij ook voor niet-kerkelijke personen toegankelijk te stellen. Daarom werd in de lengte, boven elke lectrijn een stevige ijzeren roede aangebracht, slechts met een sleutel van ongewoon model los te maken”.[34]
Door deze methode te gebruiken, verzekeren de kerkmeesters zich ervan dat de boeken wel verplaatst konden worden op de lectrijn maar niet vervreemd van de Librije. De sleutels voor de librije werden in grote getale, meer dan zestig stuks, gemaakt voor de lezende Zutphenaren, zo wordt op de rekening van de smid vermeld[35]. In dit geval zijn het de sleutels voor de ruimte en niet de sleutels om de boeken los te kunnen maken. In Zutphen wordt de ruimte dus wel afgesloten maar zijn er zestig sleutels in omloop onder de leesgrage bevolking.
In een tijd dat publieke boekerijen uitsluitend toegankelijk waren voor enkele bevoorrechte groepen, waren in Amsterdam alle belangstellenden, jong en oud welkom. De stedelijke boekerij was zoals een tijdgenoot, de dichter en polemist Reinier Telle het in 1616 uitdrukte: ‘een zake voorwaer van groten behulpe ende verlichtinghe voor alle liefhebbers die de middel niet en hebben om zelve alderley boecken te kopen’ [36].
In Amsterdam is de meeste publieke librije te vinden. Het is dan ook geen kerkbibliotheek maar het wordt gezien als een moderne bibliotheek voor de gehele geletterde burgerij waarbij ook de toegankelijkheid hierop wordt afgestemd. De verantwoordelijkheid voor de bibliotheek van Amsterdam is in handen van de burgemeesters, zij benoemden kerkmeesters om de praktische reden dat de bibliotheek zich in de Nieuwe Kerk bevond. Dit schrijft De La Fontaine Verwey. Ook in deze bibliotheek lagen de boeken geketend[37].
Toch waren er bij de Librije in Amsterdam ook sleutels in het spel. Zo wordt het volgende beschreven door Reinier Telle[38]:
‘Alle gheleerde ende gheleertheytlievende inwoners tot de selve [de boekerij] enen vrijen toegang, mits alleen enighe kennisse doende oft medebrengende aen de kerkmeesters ende opzieners die haer dan een sleutel doen [geworden] ende zekere billijcke wetten voorlesen, die sij moeten beloven te onderhouden.’
De Librije in Gouda was gevestigd in de Sint Janskerk. In 1612 wordt er een bepaling opgesteld door de magistraat[39] :
‘Dat sy [de librijemeesters] geen vrouwen ofte kinderen in de librie sullen leyden, maar alleenlyck eerbare luyden van dewelcke sy weten dat de librie in geender manieren beschadigt sal worden’.
In Gouda moest men betalen om gebruik te maken van de bibliotheek. Het sleutelrecht, Ius Clavium, bedroeg zes gulden of er kon aan worden voldaan door middel van een boekenschenking. Het sleutelrecht is volgens Scheiders een beproefd middel voor de bibliotheken om slechts een select gezelschap toe te laten.
Conclusie
Bibliotheken van toen zijn vaak aanwezig in een publiek gebouw, namelijk een kerk. In die tijd fungeerde de kerk als een ontmoetingsplaats voor de gehele gemeente. Er werden niet alleen kerkdiensten gehouden; ook voor diverse andere activiteiten was men in de kerk aan het goede adres. Toch zijn de bibliotheken die zich in deze kerken bevinden niet zo openbaar als de kerk zelf. Men spreekt over publieke collecties aangezien deze niet in handen zijn van een particuliere verzamelaar maar van een overheidsinstelling zoals een stad. Wie hadden toegang tot deze bibliotheken? Meestal waren dat de notabelen van de stad. Onder hen bevonden zich notarissen, advocaten, predikanten, medici, rectoren en docenten van de Latijnse school. Deze bevindingen, genoemd door Schneiders,[40] komen overeen met die van de Librije in Alkmaar.
Voor Alkmaar geldt dat er slechts enkele sleutels worden afgegeven na de ondertekening van het sleutelcontract. In vergelijking met andere steden had in Alkmaar slechts een heel select publiek toegang tot de librije. In Zutphen waren er 60 sleutels in omloop onder de bevolking, dit in tegenstelling tot de ongeveer vier sleutels van Alkmaar. In Enkhuizen hadden ze geen sleutels en hadden ‘alle studerenden’ toegang. Uiteindelijk besloten ze toch om de boeken aan kettingen te leggen en om een hek te plaatsten om diefstal te voorkomen. Over sleutelrecht of een sleutelcontract wordt niet gesproken.
De stedelijke boekerij van Amsterdam had net als Enkhuizen de intentie om voor iedereen toegankelijk te zijn. Hierbij was iedereen welkom, niet alleen de gegoede burgerij maar ieder gheleertheytlievende die de boekerij wilde bezoeken. De wetten die golden om gebruik te maken van de Librije werden door de kerkmeesters voorgelezen en na de belofte dat ze deze zouden respecteren, kregen de bezoekers een sleutel van de Librije mee.
Tot slot is er in het geval van Gouda sprake van betalende bezoekers. Bezoekers werden geacht geld af te dragen of een boek te schenken als sleutelrecht. Ik heb gekeken naar de rekeningen van de stad Alkmaar, waarin geen vergelijkbare post is opgenomen. De notabelen van de stad hoefden om in het bezit van de sleutel van de Librije te komen geen geld af te dragen aan de stad. De ondertekening van het sleutelcontract was voldoende. In het contract staat een bepaling dat indien een sleutelbewaarder en zijn eventuele bezoeker een boek beschadigt, verkreukt of anderzijds onbruikbaar maakt hij dit boek dient te vervangen.
Toegang tot de librije in Alkmaar hadden slechts enkele voorname leden van de stad. Veelal waren zij betrokken bij het bestuur van de stad als burgemeester, lid van de vroedschap of schepen. Daarnaast zijn er enkele kerkmeesters die het contract ondertekenden en in het bezit van een sleutel waren. Tot slot zijn er de scholarchen of rectoren van de Latijnse school die een sleutel hadden tot de Librije. Het beheer van de librije lag eerst in handen van de kerkmeesters, maar werd overgenomen door de rectoren van de Latijnse school. Het mag duidelijk zijn dat niet iedereen goed zijn taken heeft uitgevoerd gezien de slechte staat van de stadslibrije van Alkmaar in verschillende periodes. Aan een te grote hoeveelheid bezoekers heeft het in ieder geval niet gelegen. Mijn bevinding is dat de Librije van Alkmaar het minst toegankelijk was voor publiek van alle stadsbibliotheken die hier vergeleken zijn.
Literatuuropgave
Brouwer, H. Geschreven Verleden. Genealogie en oud schrift. ’s-Gravenzande: Europese Bibliotheek. 1963.
Bruinvis, C.W. Catalogus der bibliotheek van het Stedelijk Museum te Alkmaar. Alkmaar: Coster .1904.
Cox, J. De heeren van Alkmaar. Regeerders en regenten, vroedschap en raad 1264-2005. Alkmaar: Gemeente Alkmaar. 2005.
Fontaine Verwey, H. de la. De stedelijke Bibliotheek van Amsterdam in de Nieuwe Kerk 1578-1632. Meppel: Krips Repro.[ 1980]
Jaspers, G. De zestiende eeuw in de Stadsbibliotheek Haarlem. Amsterdam: de Buitenkant, Haarlem: Stadsbibliotheek. 1997.
Meinsma, K.O. De Librye te Zutphen. Zutphen: De Walburg Pers. 1988.
Plenckers-Keyser, G. I. en Streefkerk, C. 'De librije van Alkmaar'. In: Leendert Noordegraaf. Glans en Glorie van de Grote Kerk: het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens. Hilversum: Verloren, 1996. p. 263-274
Schneiders, P. Lezen voor iedereen; geschiedenis van de openbare bibliotheek in Nederland. Den Haag: Nederlands bibliotheek en lektuur centrum. 1990.
Schneiders, P. Nederlandse bibliotheek geschiedenis. Van Librije tot virtuele Bibliotheek. Den Haag: NBLC Uitgeverij. 1997.
Visser, A. Gedenkboek ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het murmellius-Gymnasium. 1381-1904-1954. Alkmaar: Het Curatorium.1954.
Voorst, A.van. De Bibliotheca Enchusana: de librije van Enkhuizen en haar plaats in de stedelijke samenleving (1590-1690). Tilburg. 2004.
Regionaal Archief Alkmaar
v Stadsrekening
Inventaris 204, Stadsrekening 1673
v Memoriaal van de Burgemeesters 21 februari 1733 tot 13 september 1746.
Inventarisnummer 00136, pag. 137.
v Memoriale van Kerkmeesters (oudste vermelding Librije)
Inventarisnummer 234
v Catalogus bibliothecae publicae Alcmarianae van Rutger Ouwens. Ca 1730.
7 c 36
v Notities van Pastoor Wilhelmus Kleeff
"Oudheden ende Geestelijke Gestigten der stad Alkmaar[…] versameld, door Wilhelmus Kleeff, tiende pastor”
Collectie aanwinsten 277
v Interdictieboek (bevat sleuteleed)
Archiefnummer 00288 p. 145.
v Boek geschonken aan de Librije door vier Burgemeesters
134 D 17
Noten:
[1] Schneiders, 1997, pag. 54.
[2] Inventaris nummer 234 , memoriale van kerkmeesters, regionaal archief Alkmaar.
[3] Rondleiding Sint Laurenskerk, maandag 30 oktober 2006.
[4] Schneiders,1997, pag. 58.
[5] Interdictieboek, p 145, archiefnummer 00288.
[6] Cox, J, 2005, pag. 45.
[7] Zo zijn er in de middeleeuwen twee vrouwen bekend die konden lezen en boeken in particulier bezit hadden: Margaretha van Kleef had een getijdenboek en Jacoba van Beieren had een aantal boeken op het gebied van geneeskunde en geschiedenis, zo is te lezen in Schneiders, 1997, p 21.
[8] Cox, J. 2005, pag 50.
[9] Ibidem pag. 84.
[10] In de veronderstelling dat J de Wittendel gelijk staat aan Mr. Jan van Wittendel.
[11] Cox, J. 2005, pag. 53.
[12] Fasel, W.A.1973 pag. 31
[13] Ibidem, pag. 33.
[14] Cox, j. 2005, pag. 87.
[15] Ibidem, pag. 51
[16] Ibidem, pag. 75
[17] 134 D 17, regionaal archief Alkmaar.
[18] Cox, J. 2005, pag. 65
[19] Ibidem, pag. 66
[20] Ibidem, pag. 88
[21] Visser, A, 1954, register Scholarchen van de Latijnse school.
[22] 134 D 17, regionaal archief Alkmaar.
[23] 7 c 36, regionaal archief Alkmaar.
[24] Collectie aanwinsten 277, regionaal archief alkmaar.
[25] Bruinvis, 1904, pag. VI.
[26] Ibidem
[27] Inventaris 204, Stadsrekening 1673, regionaal archief alkmaar.
[28] Bruinvis, 1904, pag VII.
[29] Inventarisnummer 00136, Memoriaal van de Burgemeesters, pag. 137.
[30] Van Voorst, A. 2004, pag. 38.
[31] Ibidem.
[32] Ibidem.
[33] Meinsma,1988, pag. 28.
[34] Ibidem, pag. 39.
[35] Ibidem pag. 40.
[36] De la Fontaine Verwey, 1980, pag. 7.
[37] Ibidem pag. 21.
[38] Ibidem pag. 23.
[39] Schneiders Paul, 1990, pag 18
[40] Ibidem, pag. 19
Het boek als materieel en cultureel object
Docent Dr. P.J. Verkruijsse
Master Boekwetenschap en Handschriftenkunde
Universiteit van Amsterdam
Nijmegen, 20-01-2007
Mea van Caspel
5683610