Meike Poortman
Een vergelijking met de librije van Alkmaar met betrekking tot het ontstaan, de inhoud en de doelstelling.

Net als vorig jaar hebben de studenten van de master Boekwetenschap en handschriftenkunde zich onder leiding van dr. P.J. Verkruijsse dit jaar opnieuw bezig gehouden met de boeken van de Alkmaarse librije. Daar waar de studenten vorig jaar gestopt zijn met de beschrijving van de boeken, hebben wij het dit jaar opgepakt. Niet alleen het beschrijven van de boeken behoorde tot onze taak, ook stond er weer een onderzoek op het programma dat op enige manier betrekking heeft op de librije van Alkmaar. Nu hebben de studenten vorig jaar al een groot aantal van de mogelijke onderwerpen voor hun rekening genomen, en was het voor onze groep wat lastiger een onderwerp te vinden. Lastig, maar uiteraard niet onmogelijk.
Mij leek het een aardig idee de librije van Alkmaar te vergelijken met de welbekende librije van Zutphen. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen in het ontstaan, de inhoud en de doelstelling?
Voor de gegevens wat betreft het ontstaan, de inhoud en de doelstelling van de librije van Alkmaar maak ik dankbaar gebruik van de nota’s van vorig jaar en van de scriptie van Ans Schoorlemmer. Het leek mij dubbel werk om in deze nota de librije van Alkmaar opnieuw te beschrijven, dat hebben zij al gedaan. Ik zal daarom beginnen met het beschrijven van het ontstaan, de doelstelling en de inhoud van de librije te Zutphen. In mijn conclusie zal ik dan de verschillen en overeenkomsten tussen de librije van Alkmaar en die van Zutphen beschrijven.
De Librije van Zutphen is waarschijnlijk de oudste bibliotheek van Nederland.
In 1561 begon men met de bouw van de librije, die in 1564 werd voltooid. De Librije is gebouwd naar middeleeuws model en neemt een unieke positie in, omdat de honderden oude boeken de meeste tijd op dezelfde plek bewaard zijn gebleven.
De Librije bevindt zich in de St. Walburgiskerk, een van de oudste collegiale kerken in Nederland. De kerk had al boeken in haar bezit voordat de Librije gebouwd werd. Deze bevonden zich hoogstwaarschijnlijk in de kapittelbibliotheek, de olde librarie. In de eerste helft van de twaalfde eeuw, misschien zelfs al wel in de elfde eeuw, bezat de kerk een kapittel van kanunniken, dat zijn eigen inkomsten en bezittingen had, eigen altaren bediende en een kapittelschool onderhield[1]. Bovendien hadden vele kanunniken aan de universiteiten van Parijs, Keulen of Leuven gestudeerd. Waar geleerde mannen in elkaars gezelschap verkeerden, zoals in de kapittelkerk in Zutphen, moesten volgens K.O. Meinsma wel boeken aanwezig zijn geweest in de vorm van een bibliotheek[2]. Dit zullen voornamelijk boeken geweest zijn die van belang waren voor het werk van deze heren. Wat voor boeken er precies in deze bibliotheek waren, en waar deze zich bevond is niet duidelijk.
Toen men in 1564 klaar was met de bouw van de nieuwe librije was de reeds aanwezige hoeveelheid boeken niet langer toereikend. Uit rekeningen valt op te maken dat er veel nieuwe boeken zijn aangeschaft. Opvallend is dat de rekeningen alleen gedrukte boeken vermelden, geen handgeschreven werken. De twintig handschriften die in de eerste catalogus van Henrick Cansen staan (1566-1570) zijn dus waarschijnlijk al in het bezit geweest van de oude librije van de kerk. Er zijn maar twee van deze handschriften bewaard gebleven. Het is enigszins vreemd dat er geen enkele complete bijbel is gevonden. Ook alle kerkvaders zijn ver te zoeken. Reden hiervoor zou kunnen zijn dat Cansen niet alles wat de kerk aan handschriften bezat in de catalogus heeft opgenomen, omdat die in de kerk zelf bleven. Het zou ook kunnen dat er oude handschriften zijn versneden om het perkament te gebruiken voor omslagen voor rekeningen, voor schutbladen voor boeken, of andere doeleinden.
Toen de drukpers eenmaal op gang was gekomen, zou het kapittel regelmatig met gedrukte werken zijn verrijkt. In de catalogus van Cansen werden immers al meer dan zestig incunabelen vermeld. Rekeningen maken duidelijk dat deze incunabelen niet voor de nieuwe librije zijn gekocht, maar al in de librije van het kapittel aanwezig waren. Meinsma denkt daarom dat deze boeken al vrij snel nadat ze gedrukt waren door de librije zijn gekocht. Geurts denkt daar anders over. Hij stelt dat het zo goed als zeker is, dat er ten behoeve van de librije geen wiegedrukken zijn gekocht. De incunabelen zijn wel voor 1561 verworven[3].
De meeste boeken werden echter niet rechtstreeks aangeschaft, maar kwamen voornamelijk door nalatenschap in bezit van de librije. Zo liet in 1500 de burgemeester van Zutphen, Henricus Kreynck, toen hij overleed, al zijn boeken na aan de librije van het kapittel. Van deze verzameling boeken, die voornamelijk bestond uit boeken over Romeins recht en werken van commentatoren, zijn er nu nog zes aanwezig. Ook Arnold van Herwarden, doctor in de rechten en kanunnik bij de St. Walburgiskerk, die in 1521 overleed, heeft zijn boekencollectie aan de kapittelbibliotheek nagelaten. Deze collectie zou uit boeken over zowel wereldlijk als kerkelijk recht bestaan hebben.
Niet alleen de boekerij groeide hard, ook het aantal mensen in de gemeente Zutphen nam toe, en de kerk werd te klein voor het aantal mensen dat haar bezocht. De kerk werd uitgebouwd met dwarspanden, een in het noorden in 1485, en een aan het zuidelijke gedeelte van de kerk. Achter het zuiderdwarspand werd een nieuw kapittelhuis gebouwd. Dit werd zo hoog gebouwd dat er twee boven elkaar gelegen kamers gemaakt konden worden. De bovenste kamer ging vanaf ca. 1500 dienst doen als librije. De boeken bleven hier tot 1564. Tot 1563 werd deze kamer aangeduid als de liberie, na 1564 als de olde liberie. Deze liberie was zes meter lang en vijf meter breed. Er stonden zes spinden en er was een kast ingemetseld, waar de boeken in stonden. Wilde men een boek raadplegen, dan kon men dat gewoon uit de kast pakken en op tafel leggen. De mensen die toegang hadden tot de librije waren de heren van het kapittel en de anderen die tot de kerk behoorden. Er is, als men op de overgeleverde rekeningen van de kerkmeesters moet afgaan, in deze tijd weinig aan boeken gekocht. Wellicht vonden de kerkmeesters dat de zorg voor de librije niet tot hun taak gerekend moest worden, of was er in de kerk zelf veel nodig, zodat er weinig geld overbleef voor de aanschaf van boeken.
Rond 1540-1544 braken er andere tijden aan. Herman Berner en Coenraad Slindewater werden aangesteld als kerkmeesters. Beide heren waren zeer ontwikkeld. Ze verdeelden de bezigheden en hielden een zeer nauwkeurige boekhouding bij. Vooral Slindewater is van grote betekenis geweest voor het ontstaan van de huidige Librije. Hij was van mening dat er een nieuwe librarie getimmerd moest worden. De beste plek daarvoor was op het kerkhof, tussen de raadskapel en het knekelhuisje. Slindewater was een begenadigd redenaar, die zijn (lezende) publiek door middel van argumenten wist te overtuigen van de noodzaak van een nieuwe librije. De beste boeken op het gebied van bijbelexegese, kerkgeschiedenis, kerkelijk en wereldlijk recht, geneeskunde en andere nuttige kunsten en wetenschappen moesten in deze librije aanwezig zijn. Zo’n librije was wenselijk en nuttig voor iedereen, niet alleen voor de kapitteheren en de geleerden, maar voor alle inwoners van de stad; voor iedereen die af en toe iets goeds wilde lezen, maar het geld niet had om zelf boeken aan te schaffen.[4] Boeken waren volgens Slindewater het beste middel om te leeren den weg des Heeren te bewandelen. Het was de manier om een groot aantal mensen te bekeren tot een heilig leven. En hoe groter het aantal mensen dat bekeerd werd tot een heilig leven, des te groter ook het loon bij God. Goede boeken zijn meer waard dan goud en zilver.[5] Welk argument kan daar nog tegen op! Het was dus de bedoeling, dat de bibliotheek voor iedereen die kon lezen en Latijn beheerste, toegankelijk zou zijn.
In 1555 had Slindewater zijn plannen al helemaal uitgewerkt en stond men op het punt om met de bouw van de librije te beginnen. De grond was al uitgepaald. Toch begon men pas echt met bouwen in 1561. Wat de reden was van de vertraging is niet duidelijk. Slindewater maakte de bouw van zijn Librije niet meer mee. Hij stierf in 1559. Hij liet zijn boeken aan de Librije na.
In 1560 werd Evert van de Capelle tot kerkmeester verkozen. Een jaar later begon men aan de bouw van de Librije, tegen de zuidmuur van de kerk tussen de raadskapel en het zuiderdwarsschip[6]. Er was genoeg geld in de kas, de laatste jaren was men zeer zuinig geweest en waren er geen dure ornamenten of sieraden gekocht voor de kerk. Vooral Herman Berner, die al sinds 1540 kerkmeester was, nam het voortouw met betrekking tot de bouw van de Librije[7]. Een zekere Welmer, een ‘maeler’, kreeg de opdracht een ontwerp te maken, er werd kalk gekocht bij een oude schippersvrouw uit Venlo, er kwam dekkoper uit Munster, en meester Wilhem, beeldensnijder, kreeg de opdracht uit de pilaren beeldjes te houwen[8]. Ook de (kerk)lessenaars, de pulmten, heeft hij van snijwerk voorzien. De smid heeft ijzeren roeden en kettingen aan de pulmten vervaardigd om de boeken aan vast te leggen.
In 1564 was het werk gedaan en kon de Librije in gebruik genomen worden. De Librije was achttien meter lang en ruim acht meter breed. Langs de lange buitenmuur stonden tien pulmten. In 1565 zijn er langs de kerkmuur acht bijgemaakt, maar deze zijn niet door meester Wilhem Beldesnyder van snijwerk voorzien. Dat de Librije op een middeleeuwse bibliotheek lijkt, is geen toeval. Slindewater had duidelijk kenbaar gemaakt hoe hij de Librije wilde inrichten. Als voorbeeld voor de inrichting dienden twee kloosterbibliotheken uit Zutphen: de bibliotheek van het Predikheerenklooster uit de dertiende eeuw en die van het Observantenklooster Galileën uit de vijftiende eeuw. De afmetingen van de pulmten van de librije zijn nagenoeg hetzelfde als die van de kloosterbibliotheken[9].
Omdat van begin af aan de opzet van de Librije is geweest dat deze ook toegankelijk gemaakt zou worden voor niet-kerkelijke personen, werd boven elke lectrijn een roede aangebracht. Aan de boeken werden kettingen bevestigd, die op hun beurt aan de roede werden bevestigd. Zo konden ze wel verschoven worden, maar kon men ze niet meenemen. Er was geen bibliothecaris aanwezig die constant toezicht hield op de boeken, en er waren meer dan zestig sleutels voor de librije verdeeld. De doelstelling van de Librije was, de mensen voor het "ware" geloof te behouden door hen "goede" boeken te laten lezen[10]. De boekerij was geen echte openbare collectie. Waarschijnlijk hebben alleen wereldlijke geestelijken, kloosterlingen, wetenschappers en geleerde leden van het stadsbestuur gebruik gemaakt van de librije. Men moest immers het Latijn machtig zijn.
De Librije van Zutphen: inhoud
De twintig hierboven genoemde handschriften en zestig incunabelen kregen hun plaats in de nieuwe librije. Deze hoeveelheid boeken was echter nog lang niet toereikend. Er waren achttien dubbele lessenaars die gevuld moesten worden, en een enkele lessenaar bood al plek aan achttien tot twintig delen. Nu was er gespaard gedurende de tijd dat Slindewater kerkmeester was, dus er was een redelijk budget om boeken aan te schaffen. Berner heeft de boekhouding keurig bijgehouden, en zowel de aankopen als de kosten voor het binden van boeken zijn in de boekhouding terug te vinden. Uit deze gegevens blijkt dat Berner voornamelijk theologisch werk heeft aangeschaft en maar zeer sporadisch andere wetenschappelijke werken. Berner kocht bovendien zelden bij boekhandelaars. Meestal kocht hij boeken van particulieren; in de meeste gevallen ging het om boeken die verkocht werden wanneer iemand was overleden. Hij liet de boeken onder andere binden door de Broeders des Gemeenen Levens te Deventer en door het Fraterhuis te Doesburg[11].
Er werden ook boeken geschonken aan de librije. De rector van de Latijnse school, Derk van Velp, liet enkele boeken na aan de Librije. De rest van zijn boeken ging naar zijn neef. Na de dood van deze neef zouden ook die boeken aan de Librije geschonken worden. Berner kwam er achter dat de familie van Slindewater boeken achterhield die hij aan de Librije had nagelaten. Hij deed zijn best om de boeken alsnog naar de Librije te halen, en dat lukte uiteindelijk in 1571.
Omdat de hoeveelheid boeken gestaag groeide en Berner het van belang achtte dat men wist wat er in de Librije aanwezig was, gaf hij Cansen de opdracht op te schryven enen chatalogum van boicken in der liberie.[12] Hij heeft de catalogus bijgehouden tot 1570. Uit de catalogus wordt duidelijk dat Berner zijn best deed boeken aan te schaffen die de roomse geestelijkheid van dienst konden zijn voor de kerkdienst, maar ook werk dat nuttig was in de strijd tegen de hervorming. Berner moest van de hervorming niets hebben, geen boek van de hervormers kwam de bibliotheek in.[13] Geschriften tegen de hervormers waren meer dan welkom, zelfs in de volkstaal. Opvallende afwezigen in de Librije zijn werken van Copernicus, Ruusbroec, Thomas a Kempis en Thomas van Aquino. Ook de Nederlandse mystieken van de veertiende en vijftiende eeuw waren slecht vertegenwoordigd.[14]
In de jaren van 1572 tot 1591 werd Zutphen bezet door nu eens Spaanse en dan weer Staatse troepen. De stad had te kampen met brandstichting en plunderingen. Ook uit het kapittelhuis, de oude en de nieuwe librije werd van alles geroofd. Wat er aan boeken verdwenen is, is niet bekend. Berner heeft daar geen melding meer van kunnen maken. Hij stierf in 1573. Zijn opvolger, Derck van Thyll, heeft weinig kunnen doen voor de Librije. Deze schafte in 1577 nog wat werken aan, waaronder rechtsgeleerde boeken, maar vluchtte naar het buitenland toen de hervorming opnieuw werd ingevoerd.[15]
Toen in 1572 het Predikheerenklooster en daarna het Observantenklooster Galileen respectievelijk gedeeltelijk en geheel verwoest werden door soldaten scheen een deel van hun redelijk omvangrijke bibliotheken in de Librije terecht te zijn gekomen. Zo is er in de Librije een handschrift met het tweede gedeelte van Summa van Thomas van Aquino. Voorin staat geschreven: dit boek is gegeven aan de bibliotheek van het klooster der minderbroeders in Galilaea, nabij Zutphen, door de Duitse broeders M. Hermannus, en M. Johannes Herwin van Zutphen, [...],altijd geketend in de voornoemde bibliotheek blijven.[16]
In 1582 ging de neef van de rector van de Latijnse school vroegtijdig van school om een ambacht te gaan uitoefenen, en zijn alle boeken uit de nalatenschap van de rector alsnog naar de Librije gegaan. Het gaat voor een deel om Latijnse schoolboeken, waarvan er nu nog meerdere aanwezig zijn.
In 1591 kwamen de hervormers aan de macht,nadat Prins Maurits Zutphen had ingenomen. De kloosters rondom Zutphen werden bezocht en er werd een inventaris opgemaakt van de aanwezige boeken. Diverse van deze boeken zijn in de Librije terecht gekomen.
Uit de nalatenschap van Bernard Bouwhuys, een man van zeldzame geleerdheid, is een andere lange reeks van boeken afkomstig[17]. Dat hij zijn boeken intensief heeft gebruikt, blijkt uit de vele aantekeningen in deze boeken. Zijn bibliotheek bestond voor een groot deel uit Griekse en Romeinse klassieken, en een enkel Hebreeuws boek. Zijn bezittingen gingen in eerste instantie naar de nonnen van het Heer Hendrickshuys, waar hij inwoonde. Zijn boeken waren bestemd voor het Predikheerenklooster. Waarschijnlijk zijn deze boeken na de gedeeltelijke verwoesting van het klooster in het bezit van de Librije gekomen.
Omdat er steeds meer boeken verdwenen, besloot men een nieuw slot op de Librije te zetten. Niemand buiten de kerk kreeg de sleutel. Aan een gesloten Librije had echter niemand iets, dus werd er uiteindelijk een opzichter voor de Librije aangesteld. Naast hem kregen alleen de kerkmeesters en de predikant de sleutel van de Librije. De opzichter werd al gauw vervangen door een conrector. In 1627 werd Johan Anton Biber rector van de Latijnse school en ook rector van de Librije. Hij bleef rector van de Librije tot zijn dood, en onder zijn bewind werden op aandringen van mannen met wetenschappelijke belangstelling werken aangekocht van Calvijn, Luther en Zwingli.[18] Na zijn dood werd er beduidend minder aandacht aan de Librije geschonken.
In 1669 werd Johannes Lomeier aangesteld als rector. Zijn bijdrage aan de Librije bestond uit het vervaardigen van een catalogus van de boekerij, maar die is helaas niet bewaard gebleven. De jaren daarna was het droevig gesteld met het aantal mensen dat wat voor de librije over had.[19] In 1690 schonk een zekere Carolus Coke een werk van de theoloog Henricus Morus aan de bibliotheek. Kerkmeester Winoldus Valck schonk ook regelmatig boeken. Op de pulmten was inmiddels geen plaats meer, dus werd er een grote boekenkast gemaakt. Valck stierf in 1731 en schonk zijn gehele rechtsgeleerde bibliotheek aan de Librije.
Huybert Sluiter, die rector en bibliothecaris was van 1720 tot 1735, heeft ook een catalogus gemaakt. Deze is net als die van Lomeier verdwenen. De volgende rectoren hebben hun werk als bibliothecaris niet al te serieus genomen. In 1815 ging men het anders aanpakken en werd besloten dat de oudste leraar der Nederduitsch Hervormde Gemeente van Zutphen voortaan tot bibliothecaris benoemd moest worden. Tot 1868 zijn dat achtereenvolgens Ds. Dirk van Wullen, Ds. Dirk Bax en Ds. A. Verwey.
Van Vullen heeft veel gedaan voor de Librije. Hij heeft een inventaris gemaakt van de kerkelijke archieven en catalogi bewerkt van de kerkelijke bibliotheek, waarvan Meinsma gebruik heeft gemaakt bij het maken van zijn catalogus in 1902.
Onder Verwey is de Librije tot een speelplaats voor kinderen geworden! Er was geen toezicht meer, en vele boeken raakten beschadigd. De archivaris van Zutphen, Mr. R.W. Tadema, verzocht het college van kerkvoogden de boeken in bruikleen te geven aan de stad, om verdere schade aan de boeken te voorkomen. Het verzoek werd ingewilligd en de boeken verhuisden eerst naar het gemeentehuis en later naar het archief in het Wijnhuis.[20]
In 1896 werd K.O. Meinsma benoemd tot leraar Nederlandse taal- en letterkunde en de nieuwe geschiedenis aan het Zutphense gymnasium. Hij hield zich in Zutphen bovendien al gauw bezig met de studie van boeken en bibliotheken. Hij was dan ook regelmatig in de Librije te vinden en heeft zich zeer voor deze bibliotheek ingezet. Hij promoveerde uiteindelijk op middeleeuwse bibliotheken in 1902.[21] In juni 1912 werd Meinsma aangesteld als archivaris en bibliothecaris van de St. Walburgiskerk. Het is Meinsma geweest die de collectie weer naar haar oude plaats, de Librije, terug heeft gehaald. De Librije werd onder zijn leiding opgeknapt en de boekenschat onder handen genomen.[22]
Het leek erop dat het onderzoek van Meinsma zeer grondig was en dat hij alles wat er te ontdekken viel wel onderzocht en beschreven had. Toch bleek er later bronnenmateriaal te zijn dat Meinsma nog niet in zijn onderzoek betrokken had. Ook bleken de boeken onvoldoende onderzocht te zijn. Het is volgens Geurts bij het onderzoek naar boekenbezit en boekengebruik in de St. Walburgiskerk van belang om rekening te houden met een grote variëteit aan bezitters en gebruikers. Niet alleen zijn er veel boeken geconfisceerd en door schenking of nalatenschap in bezit gekomen van de librije, de kanunniken hadden ook boeken in eigen bezit. Ook aan de uiteenlopende inhoud en verschijningsvorm dient veel aandacht besteed te worden.[23] De catalogus die Meinsma gemaakt heeft, is eenvoudig. Eigenlijk is het niet meer dan een verkorte titelbeschrijving. Informatie over afmetingen, de materiële toestand van de boeken en hun geschiedenis zijn er niet in opgenomen.[24] Men is bezig aan een nieuwe catalogus, waarin naast de beschrijving van de boeken zelf ook aandacht wordt besteed aan de fragmenten van handschriften en drukken die in de boeken aangetroffen werden, of bij de restauratie van boeken te voorschijn zijn gekomen. Ook boeken die zich buiten de kerk bevinden, maar die wel iets te maken hebben met de Librije worden onderzocht. De catalogus zou in 2007 klaar zijn. Wie er aan werken, en of hij inderdaad al klaar is, heb ik geprobeerd te achterhalen, maar tot nu toe zonder succes. De Librije is voor bezoek gesloten tot april 2008.
De catalogus van Kansen die hij heeft bijgehouden tot 1570 bestaat uit 347 titels, voor het meerendeel op juridisch en godsdienstig gebied. Daarna zijn er nog veel boeken bijgekomen. Berner heeft met grote ijver boeken aangeschaft, er zijn uit de nalatenschap van onder anderen Van Velp, Slindewater, Bouhuys boeken bijgekomen, en er zijn uit de kloosters uit de omgeving boeken in de Librije terecht gekomen. Van de liturgische werken die zich ook in de kerk bevonden, is nooit een overzicht gemaakt. Nu zijn er in de Librije nog 741 titels aanwezig: 7 handschriften, 85 incunabelen, 501 titels uit de zestiende, 134 uit de zeventiende en 13 uit de achttiende eeuw. De onderwerpen: theologie, kerkelijk en wereldlijk recht, klassieke letterkunde en geschiedenis.
Zo veel als er terug te vinden is over het ontstaan van de oude en nieuwe librije van Zutphen, zo weinig is er bekend over het ontstaan van de librije van Alkmaar. Zowel Elsbeth Littink als Ans Schoorlemmer komen niet verder dan dat de librije van Alkmaar bestaan moet hebben vóór 1545, en dat deze zich moet hebben bevonden in de Grote Kerk[25]. Dat er zoveel bekend is over het ontstaan van de Librije van Zutphen is te danken aan de nauwkeurige boekhouding van de kerkmeesters Slindewater en Berner. Zij zijn het geweest die de Librije voor een heel groot deel gemaakt hebben tot wat deze nu nog is.
De kerk in Zutphen was vanaf de elfde of de twaalfde eeuw een kapittelkerk. De kanunniken die verbonden waren aan deze kerk onderhielden een kapittelschool, en het was deze geleerden toegestaan eigen boeken in bezit te hebben. Daar waar geleerden dagelijks met elkaar in aanraking kwamen, moet volgens Meinsma een verzameling boeken zijn ontstaan in de vorm van een bibliotheek.
De Grote Kerk in Alkmaar, voltooid in 1520, was geen kapittelkerk. Mark Aussems en in navolging van hem Ans Schoorlemmer zijn van mening dat de librije nauw verbonden was aan de Latijnse school, die al bestond vóór 1400. Het gedenkboek van het Murmelliusgymnasium vermeldt het oudste privilege waarin over de Alkmaarse school wordt gesproken, dat dateert uit 1390. In dit privilege geeft hertog Albrecht de kerkmeesters van Alkmaar het recht schoolmeesters te benoemen.[26] Gezien de nauwe band tussen de kerk en de Latijnse school moet er volgens Ans Schoorlemmer wel een bibliotheek aanwezig zijn geweest. Het is volgens haar goed mogelijk dat na plunderingen door de West-Friezen in 1517 echter een groot deel van deze boeken verloren is gegaan.
De oorsprong van de librije in Alkmaar zou gelegen kunnen zijn in het mogelijke boekbezit van de kerk. Er wordt immers in archieven melding gemaakt van een librije, een ruimte boven het voorportaal.[27] Deze verzameling zou wellicht zijn uitgebreid met boeken die geconfisceerd waren uit de kloosters uit (de omgeving van) Alkmaar. Ook in Zutphen zijn boeken terechtgekomen uit de kloosters uit de omgeving. In tegenstelling tot in de boeken uit Zutphen, zijn in de geconfisceerde boeken uit Alkmaar geen eigendomskenmerken terug te vinden. Het zou kunnen dat deze kenmerken verloren zijn gegaan bij de restauratie van een deel van de boeken[28]. Waar de boeken dus precies vandaan komen, blijft onduidelijk.
Wat de Librije in Zutphen zo bijzonder maakt, is het feit dat de boeken het merendeel van de tijd op hun plek gebleven zijn. Alleen in de negentiende eeuw is een deel van de Librije op verzoek van Mr. R.W. Tadema verhuisd naar het gemeentehuis en later naar het Wijnhuis. Meinsma heeft na zijn aanstelling als archivaris en bibliothecaris alle boeken weer naar hun oude plaats teruggehaald. De librije uit Alkmaar is niet zo standvastig geweest. Waar de boeken zich sinds het ontstaan van de librije hebben bevonden, is niet altijd duidelijk. Gedurende de godsdiensttwisten kan een en ander verloren zijn gegaan, maar het is volgens Ans Schoorlemmer ook goed mogelijk dat de boeken tijdelijk een veiliger onderkomen kregen in het stadhuis of in de Latijnse school. In 1594 zouden ze op hun oude plek zijn teruggezet, misschien in verband met de verhuizing van de Latijnse school naar een andere locatie. Mogelijk is het boekbezit van de school in die tijd samengevoegd met de kerkelijke collectie[29].
Wat de librije van Alkmaar met die van Zutphen gemeen heeft, is dat uit oude archieven naar voren komt dat de librije bedoeld was voor ‘iedereen’. In Zutphen voor de kapittelheren, voor geleerden en voor inwoners uit de stad: Voor iedereen die af en toe iets goeds wilde lezen, maar het geld niet had om de boeken zelf aan te schaffen. In Alkmaar tot grooten gerief van die burgherije ende studenten.[30]
In Alkmaar heeft de vrije toegang tot de librije maar een jaar of tien geduurd. In 1605 was de librije niet langer toegankelijk voor publiek en werd er een sleutelcontract opgesteld. De burgermeesters bepaalden vanaf toen wie de sleutel kreeg. Alleen notabelen uit de stad hadden nog toegang tot de librije. Onder hen waren leden van de vroedschap, kerkmeesters en rectoren van de Latijnse school. Tot 1814 werd de bibliotheek beheerd door de rector van de Latijnse school.
In dezelfde periode dat in Alkmaar een sleutelcontract werd opgesteld, verdwenen er uit de Librije van Zutphen steeds meer werken. Men besloot ook hier een nieuw slot op de librije te zetten. In eerste instantie kreeg niemand buiten de kerk de sleutel, maar omdat niemand iets heeft aan een gesloten librije, besloot men een opzichter aan te stellen. Alleen de opzichter, de kerkmeesters en de predikant kregen de sleutel. De opzichter werd later vervangen door een rector, en tot 1815 was de rector van de Latijnse school tevens bibliothecaris van de Librije. Aangezien de laatse rectoren hun werk niet zo serieus namen, besloot men in 1815 dat voortaan de oudste leraar der Nederduitsch Hervormde Gemeente van Zutphen tot bibliothecaris benoemd moest worden. Hoewel beide librijen tot doelstelling hadden dat het een ‘openbare’ bibliotheek moest zijn, was het in de praktijk zo dat alleen wereldlijke geestelijken, kloosterlingen, wetenschappers en geleerden gebruik maakten van de librije. Alleen deze ‘bezoekers’ waren immers het Latijn machtig.
De Librije van Zutphen is door de eeuwen heen gegroeid door aankopen, schenkingen, nalatenschappen en door geconfisceerde boeken uit de kloosters uit de omgeving. Er is het meerendeel van de tijd veel aandacht geschonken aan de librije. Er waren perioden dat de kerkmeesters tot weinig aankopen in staat waren, maar de intentie om zorg te dragen voor de librije lijkt de meeste tijd in meer of mindere mate aanwezig. Alleen in de negetiende eeuw, en met name onder het beheer van Verwey, werd de librije enige tijd echt verwaarloosd. Meinsma heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat de Librije opgeknapt werd.
De situatie in Alkmaar lijkt lijkt hiermee in schril contrast te staan. Ik krijg de indruk dat men hier lang niet zo begaan is met de boeken als in Zutphen. De collectie groeide niet erg. Er was geen vast budget voor de aankoop van boeken en schenkingen kwamen nauwelijks voor. Alleen in de zeventiende eeuw werd er door de contraremonstrant Cornelius Hillenius tot twee maal vierhonderd gulden uitgegeven aan boeken[31]. Hoe weinig men om de boeken gaf, maakt Ans Schoorlemmer duidelijk wanneer zij vertelt over het huis ten behoeve van de heren gedeputeerden in Den Haag, De Twee Steden. Toen dat verkocht werd, werd er niet eens aan de mogelijkheid gedacht de librije te verrijken met de verzameling die in De Twee Steden aanwezig was. De boeken werden net als de rest van de inboedel publiekelijk verkocht.[32]
De librije van Alkmaar is volgens Ans Schoorlemmer vooral een humanistische bibliotheek. De nadruk ligt op hervormingsliteratuur. Het grootste deel van de collectie bestaat uit eigentijdse werken en commentaren van reformatoren. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw was er weinig belangstelling voor de librije en werd deze ernstig verwaarloosd. Pas toen het Stedelijk Museum in Alkmaar werd opgericht, kwam er hernieuwde aandacht voor de boeken van de librije. De boeken werden beschreven en meer dan honderd boeken kregen een nieuwe band. De collectie bestaat tegenwoordig nog uit 323 banden met 400 titels. De meeste werken hebben een theologische en religieuze inhoud: het gaat om psalmboeken, bijbels, bijbelcommentaren, kerkgeschiedenissen en hervormde literatuur. De collectie bevindt zich in het Regionaal Archief Alkmaar.
Berner, kerkmeester ten tijde van het ontstaan van de Librije, deed juist zijn uiterste best de hervorming buiten de deur te houden. Hij schafte zo veel mogelijk werk aan in dienst tegen de hervorming, zelfs in de volkstaal als dat nodig was! Uiteindelijk lukte het hem niet de hervorming buiten de deur te houden. Na zijn overlijden komt de hervorming ook de St Walburgiskerk binnen. De collectie in Zutphen beslaat 741 titels: acht handschriften, 84 incunabelen, waaronder veel katholiek werk 91 kerkvaders, 153 titels onder de noemer theologie, 38 met als onderwerp geschiedenis, 94 letterkundige werken (waaronder onder andere Erasmus, ), 84 schoolboeken, 12 boeken onder de noemer verschillende wetenschappen, en 177 werken met betrekking tot het wereldlijk- en kerkelijk recht. De hoeveelheid boeken in deze laatste categorie kan worden verklaard door het feit dat Zutphen al voor de twaalfde eeuw een centrumfunctie had op het gebied van recht, rechtspraak en bestuur.[33] Verreweg het meeste werk dateert uit de zestiende eeuw: de meeste kerkvaders, een aanzienlijk deel van de theologische werken, alle schoolboeken, een flink deel van de letterkundige werken, en ook in de categorie rechtsgeleerde werken is de zestiende eeuw ruim vertegenwoordigd. Verder zijn er veel boeken uit de zeventiende eeuw, met name in de categorieën theologie en letterkunde. Enkele werken stammen uit de achttiende eeuw, maar boeken uit deze eeuw zijn veruit in de minderheid. Negentiende eeuwse boeken zijn er niet. Of de werken aangeschaft zijn in de tijd dat ze verschenen, lijkt waarschijnlijk, maar is naar mijn idee niet met zekerheid te zeggen. Wel is duidelijk dat de collectie vanaf de achttiende eeuw aanzienlijk minder en in de negentiende eeuw waarschijnlijk helemaal niet meer groeide. De collectie bevindt zich nog altijd in de Librije te Zutphen.
De studenten van Boekwetenschap en handschriftenkunde van de UvA zijn vorig jaar onder leiding van dr. P.J. Verkruijsse begonnen met een analytische beschrijving van de boeken van de librije. Dit jaar zijn wij, de nieuwe lichting, daar weer een stukje verder mee gekomen. Wanneer de beschrijving van de boeken uit de librije voltooid zal zijn, is nog niet duidelijk.
In Zutphen is men de laatste jaren bezig geweest met het maken van een nieuwe catalogus. Aanzet werd gegeven in 1978, in het kader van de restauratiecampagne van de banden. Meinsma stelde in 1903 een overzicht van 741 boeken samen. In 1988 blijkt dat tientallen titels onvoldoende of niet zijn geïnventariseerd[34]. Bovendien zouden er werken ontbreken, die Meinsma nog wel heeft gezien. De nieuwe catalogus zou in 2007 af zijn.
2006 Aussems, Mark. De librije en de Latijnse school te Alkmaar. Nota projectwebsite
1989 Frijhoff, W.Th.M. (red.) Geschiedenis van Zutphen. Zutphen: De Walburgpers
1999 Groothedde, M. e.a. (red. ), De Sint-Walburgiskerk in Zutphen. Zutphen: De Walburg Pers
1978 Kiezebrink, H.H. De Walburgskerk te Zutphen. Zutphen: De Walburg Pers
2006 Littink, Elsbeth. De geschiedenis van de librije van alkmaar. Nota projectwebsite
1903 Meinsma, K.O. Catalogus van de librije der St. walburgskerk te Zutphen. Zutphen: Kerkvoogdij Nederlands Hervormde Gemeente
1988 Meinsma, K.O. De librije te Zutphen. Ingeleid door B. Looper en A. J. Geurts. Zutphen: De Walburg Pers
2007 Schoorlemmer, Ans. De librije van Alkmaar, een onderzoek naar het ontstaan en de geschiedenis van de Alkmaarse librije. Doctoraalscriptie Nederlandse taal en letterkunde UvA.
1954 Visser, A. Gedenkboek ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Murmelliusgymnasium 1381-1904-1954. Alkmaar: uitgegeven door het curatorium
Noten
[1] Zie: Groothedde e.a. 1999, p.234
[2] Zie: Meinsma 1903, p. 3
[3] Zie: Groothedde e.a. 1999, p.237
[4] Zie: Meinsma 1903, p. 14
[5] Zie: Meinsma 1903, p..15
[6] Opvallend is dat ook hier de librije tegen de zuidmuur is gebouwd, net als in Alkmaar. Deze plek is waarschijnlijk gekozen omdat die gunstig is met betrekking tot licht en vochtigheid.
[7] Zie: Groothedde e.a. 1999, p. 224 e.v.
[8] Zie: Meinsma 1903, p. 20
[9] Zie: Meisma 1903, p. 22
[11] Zie: Meinsma 1903, p.28
[12] Zie: Meinsma, p. 29
[13] Zie: Meinsma p.31
[14] Zie: Meinsma 1903, p.32
[15] Zie: Meinsma 1903, p.35
[16] Zie: Meinsma 1903, p. 37: Istum Librum dederunt ad librariam conventus Fratr. Minorum in Galilaeam, prope Zutphanium, Germani fratres M. Hermannus, et M. Joannes Herwin de Zutphania […] ut in praedicta libraria catenatus permaneat.
[17] Zie: Meinsma 1903, p.39
[18] Zie: Meinsma 1903, p.42
[19] Zie: Meinsma 1903, p.44
[20] Zie: Meinsma 1903, p. 47
[21] K.O. Meinsma. Middeleeuwse bibliotheken. Proefschrift Amsterdam; 1902
[22] Zie: Meinsma 1988, p.7 e.v.
[23] Zie: Groothedde e.a. 1999, p. 234-235
[24] Zie: Groothedde e.a. 1999, p. 235
[25] zie: A. Schoorlemmer, De librije tot 1600. In: De librije van Alkmaar. Amsterdam 2007
[26] Zie Visser 1954, p. 9
[27] Zie: A. Schoorlemmer, Conclusies. In: De librije van Alkmaar. Amsterdam 2007
[28] Zie: A. Schoorlemmer, De librije tot 1600. In: De librije van Alkmaar. Amsterdam 2007.
[29] Zie: A. Schoorlemmer, Conclusies. In: De librije van Alkmaar. Amsterdam 2007
[30] Zie: A. Schoorlemmer, De librije tot 1600. In: De librije van Alkmaar. Amsterdam 2007
[31] Zie: A. Schoorlemmer, De librije na 1600. In: De librije van Alkmaar. Amsterdam 2007
[32] Zie: A. Schoorlemmer, De librije na 1600. In: De librije van Alkmaar. Amsterdam 2007
[33] Zie: O. Moorman van Kappen, Zutphens centrumfunctie op het gebied van recht, rechtspraak en bestuur. In: Geschiedenis van Zutphen, Zutphen: De Walburgpers,1989
[34] Zie: Meinsma 1988, p.15
Boekwetenschap en handschriftenkunde
Het boek als cultureel en materieel object 2007-2008
Dr. P.J. Verkruijsse
Meike Poortman
Student nr.: 9839690