Ans Schoorlemmer

 

De librije van Alkmaar

Een onderzoek naar het ontstaan en de geschiedenis van de Alkmaarse librije

 

Doctoraalscriptie in het kader van de opleiding Nederlandse taal en cultuur - vrije opleiding aan de Universiteit van Amsterdam

2007

 

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave. 1

Voorwoord. 2

Inleiding. 2

De librije. 3

Alkmaar, een historisch overzicht 6

Het ontstaan en de geschiedenis van de librije. 8

De librije tot 1600. 8

De librije na 1600. 13

De catalogi van de librije. 20

De oudste catalogus. 20

Vier afschriften. 20

De catalogus van Ouwens. 22

Een verdwenen catalogus. 24

Een bibliografische en wetenschappelijke catalogus. 26

Wie lazen de boeken van de librije?. 31

De boeken van de librije. 38

Theologie. 38

Bijbels. 38

Kerkvaders. 40

Katholieke boeken. 41

Kerkgeschiedenis. 42

Reformatie. 42

Geneeskunde. 46

Klassieke teksten. 48

Geschiedenis. 49

Rechtsgeleerdheid en staatswetenschap. 50

Overige onderwerpen. 51

De hervorming in Alkmaar 51

Conclusies. 53

Bibliografie. 55

Chronologie van de librije. 59

Boekenlijst 62

 


 

Voorwoord

Bij het maken van deze scriptie ben ik dank verschuldigd aan een aantal mensen. Allereerst zijn dat de medestudenten van de werkgroep Boekwetenschap en Handschriftenkunde ‘Het gedrukte boek als materieel en cultureel object’: Mea van Caspel,  Annemieke Arendsen, Elsbeth Littink, Maayke Stobbe, Co van der Zwet en Mark Aussems. Mijn scriptie zou veel minder uitgebreid zijn geweest als ik niet van hun onderzoeksnota’s gebruik had kunnen maken.

            Een dankwoord ook aan mijn begeleider dr. P. Verkruijsse, die steeds heel snel reageerde als ik weer een hoofdstuk had opgestuurd. Ook heeft hij een overzicht gemaakt van de uiterlijke staat van de boekbanden.

            De mensen van het Regionaal Archief en de bijbehorende bibliotheek wil ik bedanken voor hun gastvrijheid, hulp en goede raad bij het vinden van de juiste bronnen en secundaire literatuur.

            Als laatste, maar daarom niet minder belangrijk, wil ik mijn zoon Tom bedanken; hij was mijn geduldige steun en toeverlaat bij computertechnische ‘problemen’.

 

Inleiding

Aan de zuidzijde van de Grote of Sint Laurenskerk in Alkmaar, op de tweede verdieping, boven het portaal van de hoofdingang, bevindt zich een vertrek waar drie eeuwen lang de Alkmaarse stadsboekerij, oftewel librije gehuisvest was.

Voor zover bekend is de vroegste vermelding van het bestaan van de librije in Alkmaar in 1545 en deze is te vinden in het Memoriaalboek van de Kerkmeesters in het Regionaal Archief te Alkmaar.[1] Er wordt gesproken over het  kleine orgel ‘an de librie’. Rond 1630 volgt op een historieprent de vermelding dat de librije in 1594 ‘weder opgericht’ was en voorzien van en uitgebreid met ‘vele heerlijcke boecken van verscheyden materie’ en dat deze weer teruggeplaatst werd op haar oude plaats aan de zuidkant van de Grote Kerk.[2] In 1645 noemt ook C. van der Woude de librije in zijn Kronyck van Alkmaar.[3]

Tegenwoordig wordt de ruim driehonderd banden tellende boekverzameling bewaard in het depot van het Regionaal Archief te Alkmaar, aan de Hertog Aalbrechtlaan.

In september 2006 is een werkgroep van de Universiteit van Amsterdam, onder leiding van dr. P. J. Verkruijsse, voor de module Het gedrukte boek als materieel en cultureel object, begonnen aan een nieuw onderzoek naar de librije van Alkmaar. De resultaten van dit onderzoek, dat duurde tot januari 2007, zijn te vinden via de website van Boekwetenschap en handschriftenkunde.[4]

Er is een begin gemaakt met een uitgebreide beschrijving van de boekwerken en van de banden. Verder heeft elke student een nota geschreven over een aspect van de librije. De boekbeschrijvingen en de nota’s zijn ook op de website te vinden. Het is de bedoeling dat in september 2007 een nieuwe werkgroep de draad weer op gaat pakken.

In deze scriptie wil ik proberen antwoorden te vinden op vragen als: Hoe is de librije ontstaan, wie beheerde de boeken, wanneer en door wie en waar zijn ze gekocht, en wie maakte gebruik van deze grotendeels Latijnstalige bibliotheek? Hierbij zal ik o.a. ook gebruik maken van de nota’s die mijn medestudenten gemaakt hebben.

Toen ik de boeken van de librije voor het eerst zag, prachtige oude ruggen en grote formaten, werd ik meteen nieuwsgierig naar wat voor boeken dit zouden zijn. Wat staat erin, hoe oud zijn ze, wie zou ze gelezen hebben? Voor deze scriptie heb ik ook een poging gedaan te achterhalen wat de inhoud is van deze indrukwekkende boekbanden. Ik heb ze dan ook één voor één mogen bekijken. Omdat het ondoenlijk was ze allemaal te lezen, enerzijds vanwege het grote aantal en anderzijds vanwege mijn zeer beperkte kennis van het Latijn, heb ik namen genoteerd die vooral bij voorwoorden staan en andere dingen die me opvielen, om op die manier meer informatie te vergaren voor mijn zoektocht naar de inhoud.

 

De librije

De Alkmaarse librije is sinds 1994 gevestigd in het depot van het Regionaal Archief te Alkmaar. De oude, vaak zeldzame en kostbare boekwerken worden onder gunstige klimatologische omstandigheden bewaard. De collectie bestaat uit 323 boekbanden, waarvan 70 een leren band hebben (meestal over houten platten) en 138 banden hebben een perkamenten band[5]. Veel banden bevinden zich in slechte staat. Omdat de band vaak (gedeeltelijk) los ligt zijn er bij veel exemplaren perkamenten stroken met (middeleeuws handschrift) te zien, die gebruikt zijn om de rug te versterken. Toen de boekdrukkunst in het midden van de vijftiende eeuw zijn intrede deed zijn heel veel perkamenten handschriften door de boekbinder verknipt. Perkament was duur en de met de hand afgeschreven werken waren ‘overbodig’ geworden zodat veel oude manuscripten onder schaar of mes terechtkwamen om als repen versteviging te bieden aan de boekruggen. Soms ook werd het voorplat en/of achterplat in zijn geheel beplakt met een gedeelte van een oud manuscript op perkament.

Aan het eind van de negentiende eeuw werden 115 boekbanden van de Alkmaarse librije  gerestaureerd; ze zullen er erg slecht aan toe geweest zijn. C.W. Bruinvis (1829-1922), eerste gemeentearchivaris van Alkmaar en tevens directeur van het Stedelijk Museum heeft ze waarschijnlijk in die tijd met eigen ogen gezien en hij merkt hierover op:

 

De toestand der daarheen overgebrachte oude boekerij bleek hoogst ongunstig, al hadden sommige werken den ongunst van tijd, zorgelooze bewaring en verzuimd toezicht verwonderlijk wederstaan. Van vele boeken waren de banden van leder aan stukken gebersten, die van perkament ingescheurd, zoodat een 100-tal vernieuwd moest worden; en het binnenwerk was vaak door vocht of door schimmelplanten geteisterd, het laatste bedenkelijk o.m. der kostbare Biblia Regia. En, ergerlijk, schennende handen hadden zich niet ontzien om van sommige boeken een titelvignet, een fraai gedrukte of geteekende hoofdletter uit te snijden.[6]

 

Zelfs in de gerestaureerde banden is af en toe het papier heel kwetsbaar en op sommige plekken verpulverd. Schade door vocht, vraat en verwaarlozing is vaak aanwezig, hoewel er ook boeken zijn die nog in prima staat verkeren, alsof ze nooit gebruikt zijn. De gerestaureerde banden hebben een bruine lederen rug en zwarte platten. 234 Banden hebben een folioformaat, er zijn 40 kwarto’s, 48 octavo’s en er is 1 duodecimo. Verreweg het grootste gedeelte van de librije dateert uit het midden en de tweede helft van de zestiende eeuw. Er zijn 8 incunabelen (t/m 1500), 37 postincunabelen (1501-1540), 219 banden uit de zestiende eeuw na 1540, 41 uit de zeventiende eeuw, 11 uit de achttiende eeuw en 7 banden zijn ongedateerd.

            Tot ongeveer 1830 werd de boekband meestal gemaakt in opdracht van de eerste eigenaar van het boek[7]. Men kocht een boek in losse katernen en men koos zelf bij de binder welke band men wilde hebben. Zo kon men een bibliotheek samenstellen met allemaal eendere banden. Het leer of perkament kon met een bepaalde patroon bestempeld worden, tot ca. 1500 blind en daarna in toenemende mate met goud. Men kon kiezen voor sluitlinten, beslag en/of sloten van koper of zilver en voor houten of kartonnen platten. In de librije van Alkmaar zien we bij de perkamenten banden vaak sluitlinten. Bij een aantal lederen banden zijn de sloten nog geheel intact. Ook werden er vaak meer werken in één band gebonden, de zogenaamde convoluten. Vaak zijn dit verschillende werken van eenzelfde auteur of werken met eenzelfde onderwerp, maar het komt ook voor dat de delen van een convoluut geen enkele relatie tot elkaar hebben. Er bevinden zich in de librije veel convoluten, zoals in de bijlage te zien is. De 323 banden herbergen ruim 400 werken, titels dus.

            Veel banden vertonen kettinggaten, waar uit afgeleid kan worden dat de librije een kettingbibliotheek is geweest[8]. Sommige banden bevatten nog de originele spijkers en klampen. Een aantal werken vertoont kettinggaten in zowel het voorplat als in het achterplat. Dit zou erop kunnen wijzen dat deze banden aan een andere bibliotheek hebben behoord voordat ze in de librije terechtkwamen, of dat ze in een eerder of later stadium in dezelfde bibliotheek (op een andere locatie?) op een andere manier geketend waren. Aan het begin van de negentiende eeuw, toen de librije verhuisde van de Grote Kerk naar het stadhuis zijn de kettingen verwijderd. Bij de gerestaureerde banden is hier en daar door roestvlekken nog te zien waar de kettinggaten gezeten hebben. Hoeveel boeken er aan de ketting gelegen hebben, is niet meer na te gaan door de restauratie van de 115 banden aan het einde van de negentiende eeuw. Het was in de zestiende eeuw in stadsbibliotheken gebruikelijk om boeken aan de ketting te leggen. Boeken waren kostbaar en ze werden zo beveiligd tegen diefstal. Ter bescherming van de – lederen – boekband werden op het voorplat en/of het achterplat dikwijls knoppen aangebracht. Zo had de – vaak mooi bestempelde – band minder te lijden als het boek plat op de lessenaar lag. Enkele banden in de Alkmaarse librije hebben deze knoppen nog en bij verschillende zijn de gaten te zien waar ze gezeten hebben. Mogelijk zijn de knoppen ooit verwijderd om meer ruimte te creëren. Als boeken met knoppen rechtop in een boekenkast staan, nemen ze veel meer plaats in dan zonder knoppen. Het is niet ondenkbaar dat het verwijderen van de knoppen in Alkmaar gebeurd is toen aan het begin van de zeventiende eeuw de librije enorm is uitgebreid door de aankoop van boeken op Leidse veilingen. Er is toen ook een sleutelcontract opgesteld waardoor slechts enkele mensen toegang hadden tot de librije. Mogelijk dat bij deze reorganisatie meer ruimte gemaakt moest worden om de boeken te kunnen herbergen, waardoor meer banden verticaal geplaatst moesten worden.

            Verreweg het grootste deel van de boeken van de librije handelt over theologische en religieuze zaken, namelijk zo’n 270 van de ruim 400 werken. Hierbij moet men onder andere denken aan bijbels, psalmboeken, bijbelcommentaren, kerkgeschiedenis en hervormingsliteratuur. Er zijn 30 werken op medisch gebied, 29 geschiedkundige werken, 24 werken met klassieke teksten en 19 werken op het gebied van de rechtsgeleerdheid en staatswetenschap. Verder is er onder andere een aantal naslagwerken, als Latijnse woordenboeken, een boek over alchemie en enkele werken over taalkunde en plantkunde.

            De librije wordt in de literatuur wel eens ‘de oude Latijnse bibliotheek’ genoemd. Het overgrote deel van de werken is dan ook in het Latijn geschreven. Het Latijn was de taal van de wetenschappers en van de humanisten. Er zijn enkele boeken in het Grieks en ook zien we af en toe Hebreeuws; soms is een boek in twee talen gedrukt. Het Nederlands vinden we vooral bij de Placaet-boecken (overheidsverordeningen), de geschiedenisboeken van Pieter Bor en er zijn enkele bijbels in de volkstaal. Een opvallend boek is het Nederlandstalige werk Eerste deel van het groot recht-ghevoelende Christen martelaers-boeck, geschreven door de Zeeuwse predikant Abraham Mellinus en gedrukt in 1619.[9] Het boek bevat de geschiedenis van christenmartelaren; er staan veel afbeeldingen in van allerlei gruwelijke martelwerktuigen en van bijvoorbeeld verschillende manieren van ophanging.

            Bij zo’n 60 werken zijn gebruikssporen te zien in de boeken. Daarbij moeten we vooral denken aan onderstrepingen in de tekst en aantekeningen (Latijn) in de marge. Deze laatste zijn soms gedeeltelijk weggesneden toen de banden gerestaureerd werden. In een enkel boek is de naam van de schenker genoteerd, soms met een opdracht, zoals bij de boekbanden die Pieter van Foreest in 1591 aan de librije heeft geschonken.

Veel gebruikerssporen, die de nodige vragen oproepen, vinden we in de vijf delen met het werk van de kerkvader Hieronymus. Hier heeft iemand soms een stuk tekst doorgestreept en het lijkt of sommige stukken tekst afgeplakt zijn geweest.[10] In het eerste deel missen we een paar folia. De mogelijke ‘dader’ verantwoordt zich op de titelpagina: ‘Ad indicem Expurgatorium contulit ac repurganit Ant.a Kuyck’. Dit moet Anthonis van Cuyck (ook wel Kuyck, Cautius, Cauchius of Caucius)zijn: een geleerde die in 1535 in Utrecht geboren werd. Hij studeerde aan buitenlandse universiteiten, het meest in Italië. Van 1568 – 1575 was hij schepen van Utrecht en hij werd raadsheer en advocaat van de staten van Utrecht in 1592. Tot 1601 bekleedde hij dit ambt, mogelijk is hij toen overleden. Hij was een goede bekende van Justus Lipsius. Hij was ook taalkundige want hij schreef enkele grammatica’s: Grammatica Gallica en Grammatica Latina.[11] Waarom Van Kuyck de diverse passages doorstreepte en waarschijnlijk beplakte is mij niet duidelijk. Was hij het niet eens met wat er stond? Mochten anderen het niet lezen? Mogelijk dat iemand die goed Latijn kan lezen (en theologie gestudeerd heeft) er een verklaring voor kan vinden.

Op de titelpagina van deel een en drie is ook nog een met inkt geschreven Latijnse aantekening en een naam te lezen: Theodoricus Wit. Mogelijk is dit Wittius, een Utrechtenaar die overleed op 17 oktober 1630. Hij studeerde theologie in Leuven. Vanaf 1603 was hij pastoor te Dordrecht, daarna in Utrecht en later was hij provicarius van het bisdom Middelburg. Van zijn hand is het werk Officium Sanctorum provinciae Ultrajectinae. Ook publiceerde hij nog enkele werken onder de naam Christophorus Fabri Lovaniensis.[12]

Advocaat Kuyck stierf in Utrecht, mogelijk in 1601. Wit werd pastoor in Utrecht enkele jaren daarna. Waren de vier delen eerst in het bezit van Kuyck en daarna van Wit? Of stonden ze misschien in een bibliotheek in Utrecht?

In het eerste deel vinden we het jaartal 1516, de volgende 3 delen vermelden geen jaar en het vijfde deel vermeldt 1538. Dit laatste deel is de index van de vier voorgaande delen en op de titelpagina ervan staat bovenaan met inkt geschreven: ‘Sym Wybrandi Reynum Stellingwerffij de Idzardia Pastoris in blessum’ en met hoofdletters onderaan: ‘Hoc Opusculum à reverendo dno.d.Renero Elborch commendatore procuratum peertinet ad dnos teutonicos in nes. Anno M.D.XLIII’. Reinerus Elborch was een Friese pastoor in Katrijp, Terband en in Rottum.[13] Blessum is een plaats in Friesland, maar wie Wybrand Idzardia was is tot dusver niet bekend. Het vijfde deel is kleiner dan de eerste vier delen. Het is misschien afkomstig uit een Fries klooster en is waarschijnlijk later aan de serie toegevoegd.

Maayke Stobbe heeft dit werk van Hieronymus aangetroffen op de veilinglijst van 1601[14], mogelijk is het toen aangekocht voor de Alkmaarse librije. Maar volgens de gegevens uit het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek was Wit pas pastoor in Utrecht na 1603. Hoe en wanneer de delen in Alkmaar terechtgekomen zijn is dus niet duidelijk.

De oudste catalogus van 1712 vermeldt overigens maar 3 delen bij de categorie O, maar er is een index te vinden bij de categorie C. Ouwens en De Gelder vermelden beide 4 delen en de index apart.[15]

 

Alkmaar, een historisch overzicht[16]

Rond 1500 was Alkmaar een stad met ongeveer 4000 inwoners. De stad was gebouwd op een zandrug en gelegen tussen diverse meren als de Egmonder- en Bergermeren, Schermeer en Voormeer. De stad was redelijk welvarend aan het einde van de vijftiende eeuw. Boeren en tuinders uit de  omliggende dorpen en landerijen brachten hun producten als kaas en melk naar de markt in Alkmaar. Er waren veemarkten en diverse bierbrouwerijen. Veel Alkmaarders bezaten een boot waarmee ze producten konden vervoeren naar steden als Amsterdam en Haarlem en er was een bloeiende lakenhandel. Aan deze betrekkelijke welvaart kwam een einde toen Alkmaar in 1492 door de Bourgondische landsheer Jan van Egmont zwaar werd gestraft voor de deelname aan de opstand van het Kaas- en Broodvolk. Dit was een opstand van de boeren van Kennemerland en West-Friesland, die protesteerden tegen de belastingverhoging, die zij niet op konden brengen. Economisch ging het slecht met de boerenbevolking en het voedsel was schaars. Het was een opstand van de armen tegen de grootgrondbezitters. De burgers van onder andere Alkmaar sloten zich aan bij de boeren en samen veroverden zij Haarlem, waar de gehate rentmeester Claes van Ruyven werd doodgeslagen en waar documenten uit zijn archief vernietigd werden. Als straf moest de omwalling van Alkmaar afgebroken worden en de poorten ontmanteld, privileges werden opgeheven en de belastingen verhoogd. De stad had geen verdedigingswerken meer en was zo een gemakkelijke prooi geworden voor rondtrekkende bendes en legers.

            In 1470 was men in Alkmaar begonnen met de bouw van een nieuwe kerk, de Grote of St. Laurenskerk, een enorm bouwwerk dat ver boven de stad uitstak en vanuit de verre omgeving als een baken te zien was. In 1520 was de bouw gereed ondanks tegenslagen, zoals een brand in 1508 waarbij ‘de schuit’ verloren ging. In 1538 kreeg Maarten van Heemskerck de opdracht voor het maken van een drieluik voor het hoofdaltaar. Het monumentale altaarstuk, met daarop onder andere taferelen van het lijden van Christus, is bewaard gebleven tijdens de Beeldenstorm in 1566. Na de Reformatie is het kunstwerk verkocht en het bevindt zich nu nog steeds in de Domkerk van de Zweedse stad Linköping. Ongeveer in dezelfde tijd was de bouw van het nieuwe Stadhuis aan de Langestraat klaar en in de eerste helft van de zestiende eeuw de nieuwe Kapelkerk, die overigens in 1760 door brand verwoest werd, maar twee jaar later alweer hersteld was.

            Toen Alkmaar de crisis na de opstand van het Kaas- en Broodvolk weer een beetje te boven was gekomen, werd de stad in 1517 aangevallen door de Gelderse Friezen. Karel van Gelre en Grote Pier ondernamen met een leger rooftochten om de zelfstandigheid van Friesland terug te winnen. Ze plunderden de stad, vernietigden de stadsadministratie, staken veel huizen in brand en lieten Alkmaar berooid achter. De gevolgen waren desastreus; veel burgers vluchtten de stad uit en het zou lang duren voor de stad weer een beetje overeind gekrabbeld was.

            Hoewel men rond 1525 begonnen was met de nieuwe omwalling van de stad met singels en stadsmuren, ter bescherming tegen aanvallen en plundering van buitenaf, trok in 1532 het leger van de verdreven Deense koning Christiaan II met ongeveer 3000 soldaten door Alkmaar. Weer kreeg de stad het zwaar te verduren en beleefde opnieuw een economisch dieptepunt.

            Rond 1530 begon men met het droogleggen van de vele meren rondom Alkmaar. Het eerst was het Achtermeer aan de beurt, dat in 1533 droog was. Gedurende de decennia daarna volgden het Egmonder- en Bergermeer, Zijpe en Geestmerambacht. In 1612 was de Beemster drooggelegd, weer wat later de Purmer, de Wijdewormer en de Schermeer. Alkmaar was van een haven- en handelsstad een landstad geworden. Vanaf het midden van de zestiende eeuw ging het weer wat beter met de stad. Zoals ook in de andere steden van Holland, was er een groeiende bevolking. Veel bewoners van het platteland trokken naar de steden om daar werk te zoeken en zich er te vestigen.

            Zoals overal in Holland was tot de Reformatie in de zestiende eeuw het rooms-katholieke geloof het enige. In Alkmaar resulteerde de Reformatie in 1572 in een protestants bestuur dat beslag legde op alle katholieke bezittingen, in de eerste plaats de kerken en de kloosters met hun kapellen. Altaren werden opgeruimd en daarvoor in de plaats kwamen er kansels waarop de predikanten hun calvinistische preken hielden. Ook de zes kloosters die in Alkmaar aanwezig waren, kregen een andere bestemming. De katholieken lieten zich echter niet helemaal uit het veld slaan. In het geheim werden missen opgedragen in particuliere huizen en priesters bleven de sacramenten toedienen. In de eerste decennia van de zeventiende eeuw waren er enkele schuilkerken in Alkmaar.

            21 Augustus 1573 vond de belegering van Alkmaar door de Spaanse troepen plaats. De Spanjaarden hadden kort daarvoor zware verliezen geleden bij de inname van Haarlem. Met kokend teer en brandende takkenbossen vochten zo’n 100 soldaten en 1300 Alkmaarse burgers vanaf de nieuwe walmuren. De geuzen, onder leiding van Diederik van Sonoy, zetten vervolgens het land rondom Alkmaar onder water. Binnen enkele weken, op 8 oktober, moest het Spaanse leger, onder leiding van Don Frederik, de zoon van Alva, zich verslagen terugtrekken. Dit betekende een keerpunt in de strijd tegen de overheersing van de Spanjaarden van de Nederlanden.

            Vanaf 1582 was Adriaan Anthonisz. (ca. 1543-1620) enige tijd burgemeester van Alkmaar. Hij was wiskundige, landmeter, cartograaf en vestingbouwkundige. Onder zijn leiding werd de nieuwe omwalling van Alkmaar voltooid. Cornelis Drebbel (1572-1633), Alkmaarder van geboorte, heeft in 1597 een vogelvluchtkaart gegraveerd waarop de stad als een afgerond geheel binnen de nieuwe wallen afgebeeld is. Er komen nieuwe stadspoorten: de Nieuwlanderpoort, meteen na het beleg in 1573, de Boompoort in 1581, de Geestpoort en Friese binnenpoort in 1589, de Waterpoort in 1595, de Friese buitenpoort in 1616, de Kennemerpoort omstreeks 1630 en later de Schermerpoort in 1661. Aan het eind van de zestiende eeuw had Alkmaar circa 5000 inwoners.

            Na de tumultueuze zestiende eeuw, waarin ook de hervorming zijn beloop vond, groeide de stad in de zeventiende en achttiende eeuw langzaam uit tot een markt- en verzorgingscentrum voor de wijde omgeving. Alkmaarse regenten namen zitting in besturen van Waterschappen en polderbesturen, om zo invloed uit te kunnen oefenen op het aanleggen van land- en waterwegen, zodat Alkmaar vanuit alle richtingen goed bereikbaar was en waardoor veel omwonenden van de stad Alkmaar moesten bezoeken om zaken te regelen bij de diverse instanties. Alkmaar werd een landbouwcentrum met volgens H.E. van Gelder een kleinburgerlijk karakter. Hij bedoelt hiermee dat Alkmaar geen stad is geworden waar slechts de regenten en grootgrondbezitters welvarend waren, maar dat vooral ook de middenklasse het goed had. Kuipers, lijnslagers en zadelmakers konden niet bestaan zonder de boeren en de laatsten konden hun producten verkopen in Alkmaar en er allerlei andere zaken regelen.

            In 1824 kwam het Noordhollands Kanaal gereed, van Amsterdam via Purmerend en Alkmaar naar Den Helder. Om de handel in de stad te bevorderen is het kanaal door Alkmaar heen gegraven. Vele huizen en een deel van de stadswallen moesten opgeofferd worden. Uiteindelijk bracht het kanaal niet de voorspoed die men verwachtte. Reizigers en beurtschippers hoefden niet meer halverwege in Alkmaar te overnachten maar gingen regelrecht naar hun bestemming. Herbergiers zagen hun inkomsten teruglopen.

            In 1865 werd de spoorlijn naar Den Helder aangelegd. Nu kon de handel niet alleen via de weg en het water vervoerd worden maar ook via het snelle spoor. Door de aanwezigheid van een spoorverbinding werd de gemeente Alkmaar aantrekkelijk voor nieuwe bewoners. Daarom moest de stad uitbreiden buiten de wallen. De oude stadspoorten werden afgebroken en er ontstonden nieuwe wijken.

            In de twintigste eeuw ging de uitbreiding van de stad gestaag voort. In het oorlogsjaar 1942 kwam aan de zuidkant van Alkmaar het Bergerhof tot stand. Later volgden het Hoefplan en Overdie. In 1972 werden Oudorp, Koedijk-zuid en Sint Pancras aan het grondgebied van Alkmaar toegevoegd. De stad breidde ook uit naar het Noorden: Huiswaard, De Mare en de Daalmeer. In 2005 was het inwonertal van Alkmaar gegroeid tot 94.000.

Tot op de dag van vandaag is de Kaasmarkt op vrijdag internationaal bekend en elk jaar is er een Landbouwdag met de lapjesmarkt en veetentoonstellingen, die door duizenden inwoners uit de wijde omgeving bezocht worden.

            Jaarlijks wordt in Alkmaar op 8 oktober de overwinning op de Spanjaarden herdacht en gevierd en in 2004 vierde de stad zijn 750-jarig bestaan. De binnenstad is aangewezen tot beschermd stadsgezicht en aan de voet van de Grote Kerk is enkele jaren terug een Cultuurplein (Canadaplein) geopend met onder andere een prachtige openbare bibliotheek, een nieuw onderkomen voor het Stedelijk Museum en een vernieuwde schouwburg, de Vest. De binnenstad van Alkmaar ademt met zijn prachtige gevels, grachten, Accijnstoren, zijn oude Stadhuis en Waagplein met het mooie Waaggebouw, een gezellige en gemoedelijke oud-Hollandse sfeer waar het goed toeven is.

 

Het ontstaan en de geschiedenis van de librije.

De librije tot 1600.

 

De eerste keer dat het woord ‘librije’ in de geschiedenis van de stad Alkmaar genoemd wordt is, voor zover bekend, en zoals hierboven al vermeld, in het Memoriaelbouck voir die Kerckmeesters der parochiekercke van Alcmair.[17] Dit wil echter niet zeggen dat de bibliotheek al niet eerder heeft bestaan.

In haar Zoektocht naar de oorsprong van de librije van Alkmaar veronderstelt Elsbeth Littink dat de librije vóór 1508 niet in de Grote Kerk aanwezig zal zijn geweest. [18] De kerk was toen nog niet af, hij werd pas in 1520 voltooid. Het is aannemelijk dat de kerk toch al – gedeeltelijk – in gebruik genomen was in 1508. Er breekt in dat jaar een brand uit in de in aanbouw zijnde kerk en daarbij worden twee orgels en ‘de schuit’ verwoest terwijl de nieuwbouw wonder boven wonder gespaard blijft. Aangezien het Memoriaalboek duidelijk maakt, dat de librije zich naast het orgel bevindt, dan zou deze toch ook verbrand moeten zijn. Hier wordt echter geen melding van gemaakt, terwijl een boekenverzameling toch een zeer kostbaar bezit was in die tijd.

Elsbeth Littink probeert in haar nota ook een relatie te leggen tussen het bestaan van zes kloosters in Alkmaar en het ontstaan van de librije. Vier van deze kloosters hoorden bij de Moderne Devotie en van deze beweging is bekend dat boeken er een belangrijke rol speelden, vooral het afschrijven ervan in de periode vóór de uitvinding van de boekdrukkunst (ca.1450). Er zullen zowel in deze vier kloosters als in de andere twee boeken aanwezig zijn geweest. Het zou dus mogelijk kunnen zijn, dat tijdens de Reformatie (na de beeldenstorm in 1566) er beslag is gelegd op de boeken van de kloosters en dat deze in de librije terecht gekomen zijn. Bewijzen hiervoor zijn echter niet gevonden. Veel stadsbibliotheken zijn ontstaan door confiscatie van bestaande kloosterbibliotheken tijdens de Reformatie. Aangezien het Memoriaalboek al in 1545 melding maakt van het bestaan van een librije, naast het orgel, moet het in Alkmaar een uitbreiding van de reeds bestaande bibliotheek betekend hebben. Van de archieven van de kloosters in Alkmaar is maar heel weinig bewaard gebleven zodat we hierover niets met zekerheid kunnen zeggen. Ook in de boeken van de librije zelf zijn geen eigendomskenmerken gevonden die erop wijzen dat bepaalde werken in het bezit zijn geweest van de kloosters. Deze kenmerken kunnen echter verdwenen zijn bij de restauratie van een groot deel van de boekbanden van de librije.

Een mogelijk verband tussen het ontstaan van de librije en de aanwezigheid van een Latijnse School in Alkmaar is al vaker gelegd.[19] En hier zijn ook wel redenen voor aan te voeren. Er bestond namelijk al een Latijnse School in Alkmaar rond het jaar 1400. Deze is in de volgende eeuw gestaag gegroeid in aantal leerlingen en docenten die aan de school verbonden waren en beleefde een bloeiperiode aan het begin van de zestiende eeuw. Het hoogtepunt werd bereikt toen de Alkmaarse vroedschap erin slaagde de beroemde humanist Johannes Murmellius als rector aan te trekken in 1513[20]. Murmellius, geboren in 1480 in Roermond, studeerde vier jaar lang in Deventer, bij de beroemde rector Alexander Hegius, die door zijn vriend, de Groninger geleerde Rudolf Agricola, met het humanisme in aanraking was gekomen. Ook Erasmus studeerde bij dezelfde Hegius. Na Deventer vervolgde Murmellius zijn studie aan de Universiteit van Keulen en toen hij amper twintig jaar was, werd hij conrector aan de domschool in Münster. Hij ontpopte zich als een gedreven onderwijzer, onderwijsvernieuwer en pedagoog. Naast het lesgeven schreef Murmellius nieuwe leerboeken voor de leerlingen en werd beroemd als dichter van poëzie over het schoolleven en ethische en religieuze onderwerpen. In 1513 verscheen zijn Pappa puerorum (Kinderpap), een leerboek Latijn voor beginners, dat een regelrechte bestseller werd. Tot in de achttiende eeuw zijn er tientallen herdrukken van verschenen, zelfs Poolse en Hongaarse edities. Na dertien jaar verliet hij de domschool om in Alkmaar te gaan werken als rector van de Latijnse school. De humanistische onderwijshervorming was hier al in gang gezet door voorgangers: Antonius Liber en Bartholomaeus van Keulen. Murmellius vervolgde deze ingeslagen weg samen met docenten die dezelfde pedagogische opvattingen hadden als hij. Tijdens zijn rectoraat groeide het aantal leerlingen tot zo’n 900, wat een enorm aantal was voor een stad als Alkmaar, dat toen ongeveer 4000 inwoners telde. Het was een bloeiende tijd voor de Latijnse school en voor de stad Alkmaar maar daar kwam helaas een einde aan toen Alkmaar binnengevallen en geplunderd werd door de Gelderse Friezen in juni 1517. De Gelderse bende richtte grote verwoestingen aan en stak vele huizen in brand. Docenten en leerlingen ontvluchtten de stad. Zo ook Murmellius: hij vluchtte berooid naar Zwolle en in datzelfde jaar overleed hij op 37-jarige leeftijd. Onder zijn opvolger, Kempo van Texel, telde de school nog maar zo’n honderd leerlingen[21]. Tijdens het rectoraat van Petrus Nannius van ongeveer 1522 tot 1535 beleefde de school nog wel een opleving. Hoewel ook later vooraanstaande humanisten werkzaam zijn geweest aan de school in Alkmaar, heeft de school echter nooit meer zoveel aanzien - en ook leerlingen - gehad als tijdens de periode dat Murmellius er rector was.

Het spreekt vanzelf dat zowel de leerlingen als ook de docenten van de Latijnse school niet zonder een behoorlijke bibliotheek konden en mogelijk had de school dan ook een eigen bibliotheek. In hoeverre deze schade heeft ondervonden van de plundering en de vernielzucht van de Gelderse Friezen is niet na te gaan. In elk geval zijn er momenteel geen werken van Murmellius aanwezig in de librije. De wetenschappelijke bibliotheek in het regionaal archief beschikt wel over diverse werken van Murmellius, gedrukt in begin zestiende eeuw. Het is heel wel mogelijk dat de boekencollectie, of wat ervan over was, in 1520, toen de Grote Kerk klaar was, een veilige plek kreeg boven het voorportaal aan de zuidzijde van de kerk, maar zeker is dat niet. De collectie zou dan een aanvulling geweest kunnen zijn op het boekenbezit van de kerk zelf. Veel kerken hadden een eigen boekenkamer met werken die de priesters konden gebruiken voor studie of voor het voorbereiden van een preek. Men moet dan denken aan de Heilige Schrift, commentaren en sermoenen.[22] Th.P.H. Wortel, oud-archivaris van Alkmaar schrijft in zijn Oud Alkmaar als hij het over de Grote Kerk heeft:  ‘[…] aangemetselde bovenbouw […], waarin aanvankelijk de kerkelijke en na de Reformatie de stedelijke boekerij was ondergebracht’.[23]

Ook is het zeker niet ondenkbaar dat docenten en rectoren van de Latijnse school zelf een aantal boeken in privé-bezit hadden, voor eigen gebruik of misschien ook voor het gebruik met de leerlingen. Veel later, in de zeventiende eeuw, hebben er in Alkmaar enkele veilingen plaatsgevonden van het boekenbezit van rectoren van de Latijnse school.[24]

Van de gedrukte werken in de librije zijn er slechts zeven die vóór 1500 gedrukt zijn en negentien tussen 1500 en 1520. In theorie zouden deze banden dus in de librije gestaan kunnen hebben toen de Grote Kerk in 1520 klaar was. Van twee werken weten we echter zeker dat dat niet zo kan zijn. Dat is een medische verhandeling van Avicenna uit 1479 en Opuscula van Cyprianus, die beide in 1591 aan de librije geschonken zijn door de Alkmaarse geneesheer Pieter van Foreest. [25] Hoewel diverse van de overige oudste drukken gebruikssporen bevatten, is hieruit niet op te maken sinds wanneer ze deel uitmaken van de librije van Alkmaar en uit wiens bezit ze komen.

Het blijft dus gissen naar de oorsprong van de librije. De eerste vermelding van het bestaan van de librije is dus uit 1545 en er is maar een klein aantal boeken dat al in 1520 in het vertrek van de Grote Kerk kan hebben gestaan, maar die kunnen ook best later gekocht zijn. Het zal zeker zo zijn dat de Latijnse school boeken in haar bezit had in de vijftiende eeuw, maar daar is in de librije niets van terug te vinden. De Latijnse school heeft echter later wel veel bemoeienissen gehad met deze boekenverzameling.

In de nota van Mark Aussems[26] is te lezen over de betrokkenheid van de rectoren van de Latijnse school met de boeken van de librije, vooral in de zeventiende eeuw. Er zijn diverse bronnen waaruit blijkt dat door de eeuwen heen de rectoren toezicht hielden op en/of verantwoordelijk waren voor de collectie. Voor de zestiende eeuw zijn minder bronnen voorhanden, maar waarschijnlijk zal het toen niet anders geweest zijn. Ook al omdat we weten dat bijvoorbeeld in 1546 de zoon van rector Hobingius drie medische werken schenkt aan de librije en rector Popko Elema in 1578 een driedelige Latijnse thesaurus. En rond 1560 is Mr. Pieter (van Meerhout) docent aan de school. In 1578 vertrekt hij naar Amsterdam en wordt daar vermoedelijk de eerste bibliothecaris van de stedelijke boekerij.[27] Diverse aanwijzingen dus in de richting van banden van de rectoren en docenten van de Latijnse school met de librije, ook al in de zestiende eeuw.

Rond 1630 vermeldt Jan Volckersz. in zijn Corte en waerachtige beschrijvinge der stadt Alcmaer:

 

[In] 1594, Werde de Stadts Bibliotheca ofte Librije, die door den troubel geheel vervallen was, op haer oude plaetse aen ’t suyden van de Groote Kercke weder opgericht ende met vele heerlijcke boecken van verscheyden materie versien ende vermeerdert, tot grooten gherief van die burgherije ende studenten.[28]

  

De librije was dus door bepaalde ‘troubel’ vervallen en werd in 1594 weer op haar

oude plaats in de Grote Kerk ‘opgericht’. Zoals ook Plenckers-Keyser en Streefkerk in hun artikel vermoeden, wordt met ‘troubel’ mogelijk de beeldenstorm (1566) bedoeld en het Alkmaars beleg door de Spanjaarden (1573). De vermelding ‘weder opgericht’ impliceert dat de boekencollectie dus voor onbepaalde tijd niet aanwezig is geweest in het vertrek boven het voorportaal in de Grote Kerk en nu, in 1594, weer op ‘haer oude plaetse’ teruggezet wordt. De vraag is waar de boeken in de tussentijd dan gebivakkeerd hebben. Mark Aussems wijst er in zijn nota op dat de Latijnse school in 1595 verhuisd is van locatie, van haar oude plaats achter het stadhuis naar de Doelenstraat, in het kerkje van het voormalige Jonge Begijnhof. Hij toont aan dat het heel goed mogelijk is, dat de boeken tot op dat moment aanwezig zijn geweest in de school en nu, met de verhuizing in het vooruitzicht, teruggeplaatst worden in de Grote Kerk. Ook ruimtegebrek zou de reden kunnen zijn. In haar proefschrift over Murmellius noemt Juliette A. Groenland het een raadsel hoe de kleine ruimte waar de Latijnse school gevestigd was onderdak heeft kunnen bieden aan zo veel studenten: toen Murmellius rector was waren dit er zo’n 900[29]. Alewijn Visser schrijft in zijn Gedenkboek: ‘Waar zij in de oudste tijden in Alkmaar stond, is niet bekend; op het einde van de 15e eeuw was zij gevestigd achter het stadhuis. Veel ruimte kan zij daar niet hebben gehad, daar ook het mannengasthuis zich hier nog bevond’. [30] Het is echter ook mogelijk dat de boeken van de librije tijdelijk opgeslagen waren in bijvoorbeeld een ruimte in het stadhuis.

Bij de verhuizing van de librije naar de Grote Kerk werden de boeken tevens ‘aan de ketting gelegd’ om diefstal te voorkomen. De collectie zou ook vermeerderd zijn met ‘vele heerlijcke boecken van verscheyden materie’. In de periode dat de bibliotheek zich mogelijk bevond in de Latijnse school zouden er dus boeken bijgekomen zijn, wat niet erg verwonderlijk is. Hoe lang de boeken in de Latijnse school zullen hebben gelegen, is niet duidelijk. De vermelding in het Memoriaalboek uit 1545 over het orgel ‘naast de librije’ doet vermoeden dat de boeken toen in de kerk aanwezig waren, maar zeker is dat niet. Men kan een vertrek ‘librije’ noemen, terwijl er op dat moment geen boeken aanwezig zijn. Ook is het mogelijk dat tot dat tijdstip alleen de kerkbibliotheek was opgeslagen in de ruimte naast het orgel, maar dat ten tijde van de beeldenstorm deze bibliotheek in veiligheid gebracht is naar een andere (geheime) ruimte. Dit laatste zou ook de opmerking ‘vermeerdert met vele heerlijcke boecken van verscheyden materie’ verklaren: eerst waren er alleen religieuze boeken aanwezig in de kerk, nodig voor de eredienst, maar nu kwamen er boeken bij van de Latijnse school met andere onderwerpen. Door samenvoeging van deze twee collecties zou de nieuwe stadsbibliotheek ontstaan kunnen zijn.

            In elk geval werd de bibliotheek in 1594 dus ‘weder opgericht’ en toen werden de boeken aan een ketting gelegd, zoals ook te lezen staat in de Kronyk van Alckmaer met zyn dorpen uit 1645 van de hand van C. van der Woude: ‘Excellente fraye gebonden boeken: meest in ’t Latyn, al te samen aen kettingen vast gesloten’.[31] Boeken waren een kostbaar bezit. Bovendien werden de banden van de librije (terug)geplaatst in de kerk, een openbare ruimte en dus toegankelijk voor iedereen; ‘tot grooten gherief van die burgherije ende studenten’ doet inderdaad vermoeden dat iedereen vrije toegang had tot de librije. Alle reden dus om iets aan diefstalpreventie te doen! Bovendien was het in die tijd ook in andere stadsbibliotheken de gewoonte om de boeken te ketenen. Later kwam men hier weer van terug omdat het ook een risico inhield in geval van brand. Het was dan veel moeilijker om de boeken te redden. Zo werden de boeken van de Enkhuizener librije ontketend direct nadat in 1838 de librije van Hoorn totaal verwoest was door brand.[32] De vrije toegang tot de bibliotheek van Alkmaar heeft echter maar een jaar of tien geduurd, zoals we in het volgende hoofdstuk kunnen lezen.

            Pieter van Foreest, die twaalf jaar stadsarts was geweest in Alkmaar en die in 1591 enkele werken schenkt aan de stadslibrije van Alkmaar[33], schrijft in 1596 een voorwoord in zijn Observationes et curationes medicinales,[34] dat hij opdraagt aan zijn geboorteplaats Alkmaar:

 

Aan de heren die geacht worden om en zich onderscheiden door hun geleerdheid, hun beschaving, hun geloof en deugdzaamheid, de burgemeesters, vroedschap en bevolking van Alkmaar, [….]

 

In dit voorwoord prijst Van Foreest onder andere het gemeentebestuur voor het verstandige beleid aangaande de Latijnse school en hij noemt ook de bibliotheek:

 

Daarom hebt u die school op grond van uw buitengewone welwillendheid en vrijgevigheid met betrekking tot de studie van de humaniora en de letteren, nadat die van het stadhuis naar een geschiktere en bijzonder aangename plek was overgebracht, met de grootste kosten en opofferingen laten uitbreiden. [….] Voor het vergroten van het gemak van docenten zowel als studenten hebt u het zuidelijk deel van de grote kerk voorzien van een openbare bibliotheek, uitgerust met allerlei soorten boeken, die als het ware de hele stad uitnodigt en aanspoort tot het beoefenen van theologie en filosofie.

 

Er volgt nog een verheerlijking van onder andere de mooie bouwwerken en van de markten van Alkmaar en dan eindigt hij met:

 

In Alkmaar, in onze bibliotheek in het jaar 1596 op de achtste oktober, precies op die feestdag, waarop de burgers God danken en eer betuigen ter eeuwige herinnering aan de bevrijding van de vijandelijke belegering.

Een burger en arts die uw stad zeer is toegewijd,

Petrus Forestus.

 

Op de één of andere manier ben ik aangenaam verrast dat Pieter van Foreest dit voorwoord schreef terwijl hij zich kennelijk in de Alkmaarse librije bevond, twee jaar na de ‘wederoprichting’.

 

De librije na 1600

 

‘Weder opgericht’ en aan de ketting gelegd in 1594 was de librije van Alkmaar echter niet voor lange tijd toegankelijk voor publiek. Dit blijkt uit het sleutelcontract dat bewaard is gebleven in het Alkmaars archief, in het interdictieboek van de Burgemeesters.[35] Het waren de burgemeesters die vanaf 1605 bepaalden wie er een sleutel kreeg van de librije. Voor het ontvangen van een sleutel moest men een contract ondertekenen waarin de belofte gedaan werd goed voor de librije te zorgen, de deur altijd weer op slot te doen, de sleutel niet uit te lenen enzovoorts.[36] Het sleutelrecht (ius clavium) werd in de zestiende en zeventiende eeuw toegepast in heel veel bibliotheken; zelfs tot in de negentiende eeuw kwam het voor. Het zorgde vaak voor een hoop ‘heibel’: afspraken werden niet nagekomen en sleutels werden uitgeleend aan studenten die ze lieten namaken. Dan moest er weer een nieuw slot op de deur van de boekerij komen met nieuwe sleutels en de regels werden verscherpt en aangepast.[37]

De eerste datum die te vinden is op het Alkmaarse contract is 1605. Mea van Caspel heeft de namen van diegenen die het contract ondertekenden geprobeerd te ontcijferen en ze heeft uitgezocht wat voor mensen dit waren. Ze komt tot de conclusie dat alleen notabelen uit de stad toegang hadden tot de librije, dat wil zeggen leden van de vroedschap, kerkmeesters en rectoren van de Latijnse school. Er waren slechts enkele sleutels en vergeleken met andere stadsbibliotheken uit die tijd zou de librije van Alkmaar het minst toegankelijk zijn geweest voor publiek. De laatste handtekening op het sleutelcontract (gedateerd 1631) is van Nicolas de Bije, van wie niet meer bekend is dan dat hij is overleden in 1641.

            Deze slechte toegankelijkheid van de librije is echter wel in tegenspraak met de opmerking van Jan Volckersz op een historieprent uit omstreeks 1630 (toen het sleutelrecht in Alkmaar nog gold).[38] Hij zegt dat de librije ‘weder opgericht’ wordt op haar oude plaats, ‘versien met vele heerlijcke boecken van verscheyden materie ende vermeerdert, tot grooten gherief van die burgherije ende studenten’. Vooral dit laatste doet toch vermoeden dat velen terecht konden in de stadsbibliotheek. Hoe we over deze tegenstrijdigheid moeten denken, is niet duidelijk.

De namen van enkele ondertekenaars van het sleutelcontract komen we ook tegen in de nota van Maayke Stobbe.[39] Ds. Cornelius Hill(enius) en raadslid mr. Adriaen Rabbi kopen in 1601 op een veiling in Leiden voor ruim 400 gulden aan boeken voor de librije. Dit was een grote som geld[40] en het moet een fikse uitbreiding van het boekenbestand van de librije betekend hebben. Zou dit een reden kunnen zijn waarom er enkele jaren later een sleutelcontract werd opgesteld? Ook al omdat men van plan was de librije nog verder uit te breiden: in 1607 gingen dezelfde Rabbi en Hillenius weer naar een veiling in Leiden en kochten toen weer voor meer dan 400 gulden aan boeken voor de librije. Er waren dus zeer veel kostbare boeken aanwezig in de librije, die blijkbaar niet zonder toezicht bekeken konden worden.

            Opvallend is dat er juist in het begin van de zeventiende eeuw zoveel te doen is rondom de librije. Hiermee bedoel ik het sleutelcontract en de aankoop van vele boeken.[41] Zonder twijfel  had het geestelijke klimaat in Alkmaar ermee te maken. Zoals ook in de nota van Annemieke Arendsen [42] is te lezen, waren er op dat moment twee predikanten in Alkmaar die verwikkeld waren in een godsdiensttwist, nl. Adolphus Venator en Cornelius Hillenius. De laatste is dezelfde predikant die samen met Rabbi de boeken kocht op de veilingen in Leiden[43]. Hillenius was een strenge gomarist, aanhanger van de contraremonstranten. Venator was een volgeling van de remonstrant Arminius. In 1608 eiste het Alkmaarse kerkbestuur van zijn predikanten dat zij de catechismus en de geloofsbelijdenis ondertekenden. Dit was een voorwaarde van de Staten Generaal voor het geven van toestemming voor een nationale synode. Venator was één van de predikanten die weigerden te ondertekenen. Zij werden geschorst uit hun functie, maar Venator bleef zijn ambt gewoon uitvoeren ondanks protesten van het kerkbestuur onder leiding van Hillenius. De Staten van Holland steunden Venator en de schorsing werd opgeheven. Hillenius weigerde samen te werken met Venator en werd uiteindelijk ontslagen door het stadsbestuur van Alkmaar. Hij vertrok uit Alkmaar en preekte daarna een keer in de twee weken in de kerk in Koedijk voor zijn volgelingen. Uiteindelijk legden de Staten Generaal hem een preekverbod op. Hillenius vertrok naar Groningen waar hij van 1612 tot zijn dood in 1632 predikant was. In 1618-1619 was hij als afgevaardigde van de Groninger synode aanwezig op de landelijke Synode van Dordrecht.[44]

            Dat Hillenius en Adolphus Venator elkaar niet lagen, blijkt ook uit eerdere ‘akkefietjes’ die ze samen uitgevochten hebben. Toen er in 1599 in Holland een pestepidemie uitbrak, weigerde dominee Venator om de patiënten te bezoeken, uit angst voor besmetting.[45] Een jaar ervoor waren er in Nijmegen namelijk drie predikanten die pestzieken hadden bezocht zelf aan de ziekte bezweken. Eén van de drie was zijn broer Johannes. Hillenius, sinds 1596 hulppredikant, schold vanaf de kansel op de bange predikanten die hun taak niet naar behoren vervulden. Adolphus gaf zijn zwakte toe en vroeg om ontslag, maar dit werd niet toegestaan door de ouderlingen en diakens. De vroedschap stelde uiteindelijk voor om een speciale ziekenbroeder aan te stellen ook al was Hillenius het hier zeer mee oneens.

            Hillenius viel Venator ook openlijk aan vanaf de preekstoel omdat hij vond dat Venator er veel te liberale gedachten op nahield. Venator had namelijk beweerd dat men zelf mag bepalen hoeveel tijd men aan het gebed besteedt, en dat men niet afgerekend zal worden op het aantal woorden. Hillenius zorgde er ook voor dat Venator voor de provinciale kerkenraad moest verschijnen omdat hij studenten bij hem thuis een toneelstuk op had laten voeren. De conflicten liepen later nog hoger op toen Venator een toneelstuk had geschreven dat in 1603 in druk verscheen: Reden-vreucht der wysen in haer wel-lust ende belachen der dwasen quel-lust, in ‘t lachen Democriti door persoon-tooningh. Dit toneelstuk zou aanstootgevende godsdienstige denkbeelden bevatten en bovendien herkenden Hillenius en ook andere Alkmaarders zichzelf in de personages. In 1607 stelde Hillenius schriftelijke vragen aan Venator om aan te kunnen tonen hoezeer zijn denkbeelden afweken van de gereformeerde kerk. Venator beantwoordde al de vragen met bijbelteksten waardoor hij hierom niet aangevallen kon worden.[46]        

Hillenius was een fanatieke contraremonstrant en hij was degene die grote invloed kon uitoefenen bij de aankoop van de boeken voor de librije in 1601 en 1607. De werken van Calvijn en andere reformatoren, bijbelcommentaren en exegesen moesten bestudeerd worden. Men wilde elkaar overtuigen van zijn gelijk en waar haalde je de wijsheid vandaan? Uit de boeken dus. Geen wonder dat de librije voor het grootste deel theologische werken bevat. Alleen al van Calvijn zijn veertien titels aanwezig, en van zijn opvolger Th. Beza vijf titels. Ongetwijfeld heeft Hillenius, als Calvinistisch predikant, een zware stempel gedrukt op de keuze van de boekwerken voor de librije. Volgens Schneiders wilden predikanten bibliotheken makten tot ‘een bastion van het Calvinisme, tot wapen in het calvineringsproces’.[47]

            Van de catalogus van de veiling van de bibliotheek van Daniel van der Meulen in 1601 in Leiden is een aantal exemplaren bewaard gebleven. Maayke Stobbe maakt in haar nota op de projectwebsite een vergelijking van deze catalogus met de boeken zoals die vermeld staan in de catalogus van de librije die rond 1730 gemaakt is door Rutger Ouwens.[48] Ze vindt zeventien titels die in beide catalogi vermeld staan. Uit haar onderzoek blijkt ook dat de heren Rabbi en Hillenius in het jaar 1607 niet één, maar twee veilingen bezocht hebben: eerst de veiling van de boeken van Johannes Halsbergius op 5 oktober en drie dagen later die van Hieronymus Commelinus. De vergelijking van deze veilingcatalogi met de titels in Ouwens’ catalogus levert 34 dezelfde titels op. Mogelijk dat deze werken dus op deze veilingen gekocht zijn. Zeker kun je er niet van zijn, omdat er geen expliciete tekenen te vinden zijn in de boeken zelf. Maar het kunnen er ook meer geweest zijn. Er zijn namelijk op een gegeven moment ook weer boeken verkocht uit de librije. Er is een vermelding van verkoop van boeken in de vroedschapsresoluties van 1633:

 

Is mede goetgevonden de heeren scholarchen te authoriseren om met advijs van de heeren burgerm. eenige onnoodige ofte superflue boeken te vercopen ende de penningen daer van procederende wederom te emploijeren tot copinge van andere boecken.[49]

 

Deze transcriptie is overgenomen van de nota van Annemieke Arendsen. Er zijn echter twee series van de vroedschapsresoluties, waarbij de één beter leesbaar is dan de ander. Voor de volledigheid volgt hier de transcriptie van een iets andere versie:

           

In d. 7 febr: 1633 is geresolteert de Heeren Scholarchen te auctoriseeren om met advijs van Burgemeesteren eenige onnodige en superflue boecken van de Bibliotheecq deser Stad te verkopen; mits voor de penningen daar van provenieerende andere kopende

 

Of er toen boeken verkocht zijn en hoeveel dit eventueel heeft opgebracht, is tot nu toe niet boven water gekomen. Er is tot dusver in de thesaurusrekening van 1633 geen post gevonden van gekochte of verkochte boeken. Is het misschien bij deze toestemming gebleven en hebben de heren scholarchen (schoolopzieners) er van afgezien boeken te verkopen? Of zijn de bedragen niet vermeld in de stadsrekening omdat de gemeente er geen geld voor hoefde uit te geven; de aankoop zou immers bekostigd worden door de verkoop van overbodige boeken. Bruinvis hoopt ‘dat men toen een goede ruil gedaan heeft’.[50] Of houdt de verkoop verband met de aankoop van een jaar ervoor van de Biblia Regia op 22 mei 1632? Deze kostbare bijbel bestaat uit acht delen en is door Plantijn in Antwerpen gedrukt in vijf talen. Volgens de thesaurusrekening zou er vierhonderd gulden voor betaald zijn[51]. Een heel bedrag dus en het is voor te stellen dat men het jaar erop eerst ‘overtollige’ boeken verkoopt om zodoende weer nieuwe aan te kunnen schaffen. Of werd van de opbrengst, zij het achterstallig, de Biblia Regia betaald?[52]

            In 1634 wordt Wilhelmus Tiberius Puteanus rector van de Latijnse school. Het contract met daarop de voorwaarden van de burgemeesters is bewaard gebleven. Een van de voorwaarden was dat hij toezicht moest houden op de stadsbibliotheek.[53] Putaneus werd in 1638 opgevolgd door Reinerus Neuhusius, die 41 jaar lang rector bleef.

Hoewel er diverse boekenveilingen in Alkmaar zijn geweest van het boekenbezit van rectoren van de Latijnse school is er tot nu toe niets gevonden dat erop wijst dat hiervan boeken terechtgekomen zijn in de librije, noch in de boeken zelf, noch in de stadsrekeningen van de jaren waarin deze veilingen plaatsgevonden hebben. Sporen in de boeken zelf kunnen echter uitgewist zijn bij de restauratie van een groot deel van de collectie aan het einde van de negentiende eeuw. Het gaat hier om de veilingen van de collecties van Ludolf Potter (1612), Reinerus Neuhusius (1680) en Jacques van Vaassen (1777)[54].

            In 1645 vermeldt C. van der Woude in zijn kroniek over Alkmaar[55] over de librije:

 

[…] hoe sy ghesint moghen wesen. Al daer men sien, ende bequamelyck lesen, ende uyt Copieren mach meer als 360. Excellente fraye gebonden boecken: meest in ’t Latyn, al te samen aen kettingen vast gesloten.

 

Over het aantal ‘meer als 360’ mag echter getwijfeld worden. Ik kom hier later nog op terug.

            Na 1645 zijn er enkele decennia waarin tot nu toe weinig vermeldingen gevonden zijn over het bestaan van de librije. Waarschijnlijk was er weinig belangstelling voor de boekerij; de ondertekening van het sleutelcontract eindigt rond 1630. Er zijn alleen enkele aanwijzingen uit die tijd die aannemelijk maken dat er een relatie bestaan moet hebben tussen de (rectoren van) Latijnse School en de bibliotheek, zoals te lezen is in de nota van Mark Aussems.

In 1704 begeleidt ds. Henricus van Olphen, scholarch van de Latijnse School, de graaf van Antoing (Henegouwen) bij zijn bezoek aan de librije. Bruinvis schrijft hierover: ‘zij [de librije A.S.] was zoo vuil, dat hij zijne kleederen moest doen reinigen.’[56] In deze periode was ook de Latijnse School tot een dieptepunt vervallen; onder het rectoraat van Everardus van Someren was het aantal leerlingen gezakt tot minder dan dertig.

 In 1712 is er echter door een anoniem iemand een catalogus gemaakt (overgeschreven) van het boekenbezit. Deze catalogus maakt onderdeel uit van een handschrift dat zich bevindt in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.[57] In Alkmaar is men in het bezit van een (foto)kopie, maar ook van vier met de hand geschreven kopieën van deze catalogus[58].

 In Alkmaar en zijne geschiedenissen: kroniek van 1600-1813, vermeldt W.A. Fasel bij 1714: ‘Is de Liberij vermaakt’. Wat precies onder ‘vermaakt’ verstaan moet worden is niet geheel duidelijk. Mogelijk wordt bedoeld: herstellen, repareren, opnieuw bruikbaar maken.[59] Fasel heeft deze gebeurtenis uit 1714 ‘gevonden’ bij de aantekeningen van Simon Eikelenberg, verzameld in de jaren 1700-1738[60]. Eikelenberg vermeldt ook niets meer dan ‘1714. Is de Liberij vermaakt’. De aantekening maakt deel uit van ‘Memorie van de voornaamste werken die bij Jan Spit als metselbaas sijn gemaakt ten dienste van de Stad Alkmaar als volgt, beginnende met den jaar 1685, tot 1714 incluys’. Helaas heb ik tot nu toe in de stadsrekeningen niets gevonden over een ‘vermaak’ van de librije in het jaar 1714. Verrassend was het om later te ‘ontdekken’ dat het jaartal 1714 boven de ramen van de librije vermeld staat: boven het linkerraam ‘Anno’ en boven het rechterraam ‘1714’. Noch bij Van Drunen[61] noch bij Bruinvis[62] heb ik echter kunnen vinden wat er in dat jaar gebeurd is. Ook in Glans en Glorie[63] staat het niet vermeld of in De Sint Laurens in de steigers.[64]

 Terug naar deze catalogus van 1712. Eén van de vier afschriften ervan is in 1750 gemaakt door pastoor Wilhelmus Kleeff.[65] Hij heeft in 1745 een bezoek gebracht aan de librije en geeft daar een soort ooggetuigenverslag van:

 

De Wel Eerberoemde Bibliotheek

Dezelve is geplaatst boven het groot zuyder Portaal van de Kerk, men vond hier in vorige tijden een groote menigte deftige boeken ende geschriften: welke veel zijn gesmolten met de Gelderse oorlogen en andere inlandse beroertens in het jaar 1594 telde men hier nog drie honderd en zestig welgeconditioneerde boeken, onder welke veel uytmuntende en deftige werken wierden gevonden: dezelve waren alle aan kettingen vastgesloten, dog na dien tijd heeft men daar wijnig opgepast, zoo dat dees schone boekerije deerlijk is in t verval geraakt en geschonden, niemand heeft tegenwoordig toegang tot dezelve, dan de Heere Burgemeesteren en de Predikanten der gereformeerden, bij welke ook de sleutelen van de Bibliotheek in bewaring zijn. Ik hebbe in het jaar 1745 met verlof van haar Edele Groot Agtbaarheden deeze Boekzaal wezen bezien en vond het een welgeschikte plaats te zijn, dog voorzien met wijnig en voor het merendeel geschonden, ja door het ongedierte afgeknaagde boeken, door ouderdom en verwaarloozing zeer mismaakt: de Papieren en oude handschriften die mij daar naar toe hadden gelokt zijn er niet meer te vinden mogelijk verloren, vervreemd, ofwel elders anders in bewaring gebracht, voor den Nakomeling dient de navolgende catalogus dewelke wij uit een oud manuscript hebben getrokken, tot bewijs van wat boeken er geweest zijn.

 

Het is duidelijk dat het in het midden van de achttiende eeuw niet best gesteld is met de librije: vervallen, verstoft en aangevreten door ongedierte. Ook vindt pastoor Kleeff niet de boeken die hij verwacht. Was hij misschien in het bezit van het afschrift van de catalogus die Bontius de Waal gemaakt had in 1739[66] en had hij zich daarom een voorstelling gemaakt van welke boeken er in de librije moesten staan? Voor het nageslacht schrijft hij vervolgens deze catalogus over, zodat men later zal weten welke boeken er ooit geweest zijn. Wilde de katholieke Kleeff misschien ook een beetje afgeven op de ‘Predikanten der gereformeerden’, dat zij het zover hebben laten komen met de boekencollectie?

            Pastoor Kleeff trof dus in 1745 een totaal verwaarloosde bibliotheek aan. Toch was er rond 1730 nog aandacht besteed aan de librije. In die jaren namelijk  inventariseerde de toenmalige rector van de Latijnse school, Rutger Ouwens, de librije en schreef een nieuwe catalogus van de boeken van de librije[67]. Deze catalogus is een stuk uitgebreider dan de al bestaande uit omstreeks 1712. Ouwens vermeldt meestal wel het jaar en de plaats van het gedrukte werk, maar ook hij noteert meestal niet de overige titels uit een convoluut[68]. Toen Ouwens de catalogus samenstelde was de librije al verre van eigentijds. Op een enkele uitzondering na waren de meeste boeken die hij beschreef al meer dan een eeuw oud. Na 1630 zijn er maar 17 banden bijgekomen, waaronder de 10 placaetboeken en een Latijns woordenboek bestaande uit 3 banden.

            Toen pastoor Kleeff in 1745 de bibliotheek bezocht waren er overigens nog maar tussen de 20 en 30 leerlingen op de Latijnse school. Onder Ouwens waren er in 1732 nog 33, maar in 1749 begon rector Ernst Willem Hight zijn taak met in totaal 20 leerlingen in 4 klassen.[69] De achteruitgang van de school verliep samen op met de verwaarlozing van de librije.

            In de handgeschreven catalogus van Ouwens staan voorin enkele opmerkingen geschreven. De eerste is anoniem en ongedateerd: ‘twee sleutels van de stads librije leggen inde lade van de heren burgemeesteren’. Daaronder staat een tweede anonieme aantekening: 

 

De stadsboekerij te Alkmaar in de beroerten der zestiende eeuwe t’ eenemaal vervallen zijnde, werdt in den jare 1594 weder opgericht en merkelijk vermeerdert. Zij werdt toen in ’t Zuiden der groote kerke, boven ’t Portaal geplaatst en bestondt, na deez vermeerdering volgens sommige aantekening [vid. C. v. der Woude, Kron. Van Alkm. p. 81] uit meer dan drie honderd en zestig excellente fraye gebonden Boecken, meest in t Latijn; onder welken er verscheiden zijn met de hand geschreven. […..]

 

Direct daaronder, ondertekend door A. Kluit:

 

Hiermede stemt de tegenwoordige tijd overeen gelijk mij ondergeschreven bij ’t in orde schikken en nieulings nommeren derzelve gebleken is: zijnde den Rector in der tijd belast met de zorg om ten minsten 4 maal des jaars de Bibliotheek te gaan zien, volgens Resolutie van Curatoren en Wethouderschap, gedrukt in t jaar 1764 en geinsereerd in het Resolutieboek van Scholarchen. Verklare ik insgelijks alles bij mijn vertrek van hier in goede orde gelaten te hebben. A. Kluit. Den 23 Maart 1769.

 

Vanaf 1764 dus werden de rectoren van de Latijnse school geacht de librije vier maal per jaar te inspecteren. A. Kluit was rector in Alkmaar van 1764 tot 1769. In de nota van Mark Aussems is te lezen dat Isaac de Leeuw, rector van 1777 tot 1814, tevens de functie van bibliothecaris vervulde en daar ook een salaris voor ontving. Tot 1814 werd de bibliotheek dus beheerd door de rectoren van de Latijnse school.

            Dat men in die tijd niet veel ophad met de librije en dat het een statische en min of meer vergeten collectie was geworden blijkt uit het volgende: Alkmaar had in 1636 aan de Hofsingel in Den Haag een eigen logement aangekocht ten behoeve van de heren gedeputeerden die de vergaderingen van de Raad van Staten van Holland bijwoonden. Vanwege de hoge kosten werd het de stadsbestuurders van Enkhuizen in 1665 toegestaan om ook van het gebouw gebruik te maken. Daarom kreeg het logement de naam ‘De Twee Steden’ en zowel het stadswapen van Alkmaar als dat van Enkhuizen werden aan de gevel gehangen. Toen er in 1795 een einde kwam aan de Republiek der Verenigde Nederlanden was het huis niet meer nodig; in 1800 werd ‘De Twee Steden’ voor 9000 gulden verkocht.[70]  In het logement waren echter ook de nodige boeken aanwezig. In 1775 was er nog een krediet voor verleend van hoogstens 200 gulden.[71] C.W. Bruinvis zegt hierover: ‘[…] er werd zelfs niet aan gedacht om de daarin aanwezige boekverzameling […] te doen strekken tot verrijking der stads-boekerij, maar zij werd, gelijk het meubilair, huisraad en tafelzilver, publiek verkocht.’ Bruinvis weet ook nog te melden dat Isaac de Leeuw, rector, op 4 mei 1799 door het Comité van Algemeen Welzijn gevraagd werd een catalogus te maken van de collectie. Om dit uit te kunnen voeren zou hem een van de twee paar sleutels, die in het stadhuis bewaard werden, verstrekt worden. De Leeuw was al sinds 1777 rector en zou dus ook al meer dan twintig jaar toezicht hebben moeten houden op de librije, terwijl hij niet eens een sleutel had![72]

In 1819 verhuisde men de librije van de Grote Kerk naar de charterkamer in het stadhuis. Dit gebeurde op initiatief van Mr. Jan Andries Kluppel, griffier bij het vredegerecht. Hij inventariseerde het boekenbezit[73] en de gemeente beloofde hem hulp bij de verhuizing en bij het maken van boekenkasten in het nieuwe onderkomen. De boekencollectie werd in kasten opgeborgen in een moeilijk toegankelijke ruimte in een bovenlokaal van het stadhuis, een bedenkelijke plek als je daarbij bedenkt aan wat er zou gebeuren in geval van brand. Bij deze gelegenheid werden ook de kettingen van de boekbanden verwijderd en mogelijk ook vele knoppen. Zo goed als vergeten bleven de boeken de komende 50 jaar op deze locatie in het stadhuis.

In 1868 was dr. J.J. de Gelder rector in Alkmaar. Hij schreef een geheel nieuwe en gedegen catalogus van de librije.[74] Hij bestudeerde de boeken en maakte een indeling op onderwerp. Als ik Bruinvis goed begrijp is De Gelder degene geweest die de ‘jongste’ 22 banden bij de oude bibliotheek gevoegd heeft, o.a. de 10 placaet-boeken, 2 bijbels, de Nederlandsche Oorlogen van Bor en De grooten Figuer-Bibel van Schabalje.[75] De catalogus van De Gelder verscheen in druk in 1869. De bibliotheek werd toen nog als één geheel beschouwd, maar na de opening van het Stedelijk Museum in 1875 worden de banden van de librije samengevoegd met de verzameling boeken die bijeen was gebracht door de Vereeniging tot viering van den gedenkdag van Alkmaars Ontzet in 1573. Samen vormden zij de bibliotheek van het museum in de Breedstraat. In deze periode zijn ook ruim honderd banden van de librije gerestaureerd. In de jaren twintig van de twintigste eeuw werd de oude Latijnse boekencollectie echter zo goed mogelijk gereconstrueerd, met behulp van de catalogi van De Gelder en Ouwens.[76]  Toen in 1966 het Stedelijk Museum en het Gemeentearchief twee aparte diensten werden, kwam de librije onder beheer van het Gemeentearchief en verhuisde toen van het museum naar de Oudegracht. In 1992 ging het Gemeentearchief over in Regionaal Archief en betrok toen de huidige locatie aan de Hertog Aalbrechtweg. De librije werd bij die gelegenheid gecontroleerd en opnieuw beschreven.

 

De catalogi van de librije

Van de librije zijn in de loop van de eeuwen enkele catalogi bekend. In het vorige hoofdstuk is er al een aantal ter sprake gekomen. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op deze catalogi en op de makers ervan.[77]

 

De oudste catalogus

 

De oudst bekende catalogus van de Latijnse bibliotheek is waarschijnlijk van 1712: Catalogus Bibliotheca Publicae Almeriana.[78] Het is een anoniem handschrift dat bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek.[79] De catalogus maakt deel uit van een verzameling andere teksten met o.a. een lijst van belastingen van steden en dorpen uit Zuid-Holland en Latijnse gedichten van Bartholomeus Coloniensis, Johannes Murmellius en Kempo Texaliensis, rectoren van de Latijnse school te Alkmaar. Het manuscript heeft een klein formaat (157x99 mm), bestaat uit 143 folia en is gebonden in een contemporaine bruine leren band met blindstempeling. De onderdelen zijn door dezelfde hand geschreven. Aangezien het alle overgeschreven teksten zijn, is het niet aannemelijk dat de anonieme schrijver deze boekenlijst zelf heeft samengesteld. Hij heeft hem slechts gekopieerd; het ‘origineel’ kan dus van een (veel) oudere datum zijn, maar deze is tot nu toe niet gevonden en mogelijk is hij verloren gegaan. Het Regionaal Archief van Alkmaar beschikt over een fotokopie van slechts de catalogus, niet van de overige teksten.

Deze catalogus is onderverdeeld in de letters A t/m S. Onder elke letter wordt eerst het aantal banden genoemd (libros continet, volumina continet of librorum est): A 17, B 17, C 25[24], D 12, E 20[22], F 33[31], G 13, H 21, I 14[11], K 11, L 20[19], M 23, N 16, O 16, P 16, Q 17[19], R 16, S 8. Bij elkaar zouden dit 315 banden zijn. Ik tel er evenwel 3 of 4 minder (zie de getallen tussen rechte haken), bij de E is het niet helemaal duidelijk of bijvoorbeeld het daar genoteerde Opera meegeteld moet worden. Het lijkt mij waarschijnlijk dat de letters A t/m S de 18 planken (3 kasten met 6 planken?) aanduiden waarop de boeken toentertijd geplaatst waren in de ruimte boven het voorportaal van de hoofdingang van de Grote of  Sint Laurenskerk van Alkmaar. De titels zijn erg summier weergegeven: de uitgever wordt niet genoemd, noch het jaar en plaats waarin de boeken gedrukt zijn en vaak ontbreekt ook de auteur.

 

Vier afschriften

 

In het Regionaal Archief in Alkmaar bevinden zich vier afschriften van de catalogus uit 1712.

Het eerste is in 1739 geschreven door Joachim Bontius de Waal (1702-?): Catalogus Bibliothecae Almerianae.[80] De catalogus is opgenomen achterin een handschrift, dat onder andere een uittreksel bevat van een kroniek van Alkmaar uit oudere codices die in de Librije aanwezig waren[81] en is getiteld: Memorieboek inhoudende veel aenmerckenswaerdigen saecken seedert den jaere 120 v. Chr. tot deese teegenwoordige jaeren van 't gepasseerde soo binne als buyten de stadt Alckmaer. Enkele ‘hoofdstukken’ in dit handschrift zijn:

- Historie van H. Bloed te Bergen (1426);

- Historie van H. Bloed te Alkmaar (1429) met diverse verklaringen,verhalen en gedichten;
- Carmina van de rectoren van de Latijnse School;
- Merkwaardige voorvallen in Europa;
- Notitie van het aantal huizen in de voornaamste steden van Europa.

Op de laatste pagina van het handschrift staat geschreven:

 

 Descripta

 haec ex vetustissimo codice manuscripto

 conservato

 in

 Bibliotheca Ecclesiae Alcmariensis

 Publica

 Per

 Joachim Bontius

 De Waal aetatis suae XIV

 Anno Reparationis Salutis

 MDCCXVII

 Pridie Nonas Januarii

 rescripta

 Anno a Nativitate Domini

 MDCCXXXIX

 Tertio Calendas Aprilis

 eadem manu.

 

Blijkbaar heeft Joachim Bontius de Waal deze teksten op 14-jarige leeftijd in 1717[82] voor de eerste keer gekopieerd en ze herschreven in 1739[83].

Ten opzichte van het handschrift uit 1712 verschilt de catalogus van Bontius de Waal bij de letter H. Hier zijn namelijk twee titels niet genoteerd: Calvinus in Jeremiam en Martyr in libros Judicum.

 

Het tweede afschrift is een manuscript van pastoor Wilhelmus Kleeff uit 1750: Oudheden ende Geestelijke Gestigten der stad Alkmaar, mitsgaders de Martel-dood van die persoonen, dewelke omtrend den jare 1572 door de waarheid en om de belijdenisse van het roomsche Geloove gestorven zijn, naar 't welk volgt een korte Beschrijvinge van de opkomst ende voortgang deezer Pastore, uyt veele oude handschriften en aantekeningen bij een versameld, door Wilhelmus Kleeff, tiende pastor [84]. In deze verzameling geschriften bevindt zich o.a. een afschrift van de catalogus uit 1712[85] en een beschrijving van de slechte staat waarin de Bibliotheca Publica Almeriana zich bevindt.[86] Verder bevat het manuscript naast geschiedschrijving vele gegevens uit kerkelijke registers. In zijn artikel in het Alkmaars jaarboekje 1969 zegt W.A. Fasel dat het geschrift van Kleeff opvalt door: ‘[…] een gebrek aan belangstelling voor Alkmaars wereldlijke historie en door een absolute catacombenmentaliteit. Kleef is de pastor van een verdrukte kudde en werkt in de stilte van zijn studeervertrek aan de verfraaiing zijner geliefde martelaren, wier lof hij niet moe wordt te zingen’[87]. Pastoor Kleeff schreef de catalogus dus over om aan ‘den Nakomeling’ door te geven welke boeken er ooit geweest waren in de Librije. Ook in deze catalogus zijn bij de H dezelfde twee titels niet genoteerd: Calvinus in Jeremiam en Martyr in libros Judicum. Bij de K en de Q is er een kleine verandering in de volgorde van de titels.

 

Het derde afschrift betreft een anonieme kopie van het handschrift van Joachim Bontius de Waal uit ca. 1800.[88] Hier zijn enkele afwijkingen in de volgorde van de titels ten opzichte van Bontius: bij de G, de I en de O. Ook in dit exemplaar ontbreken dezelfde twee titels bij de H. Bij de C ontbreken echter nog twee titels: Theophijlactus in Paili epistolas en Liber de gestis virorum illustrum.

 

Het vierde afschrift is ook anoniem en betreft eveneens een kopie van het werk van Bontius de Waal en dateert ook uit ca. 1800.[89] Ook hier zijn bij de H de twee titels Calvinus in Jeremiam en Martyr in libros Judicum niet aanwezig. De catalogus komt overeen met die van Bontius de Waal: geen veranderingen in de volgorde.

 

Samenvattend: De vier catalogi in de verschillende manuscripten zijn kopieën van de anonieme catalogus van 1712. De vraag is waarom alle vier de handschriften bij de H twee dezelfde titels missen. Heeft Bontius de Waal ze ‘vergeten’ bij het kopiëren en hebben de andere drie zijn versie gebruikt bij het overschrijven?

De kleine volgordeverschillen bij Kleeff  en bij het derde afschrift (Ca 39) zouden bewust gemaakt kunnen zijn, maar dit kan ook berusten op een vergissing bij het overschrijven. Bij het derde afschrift (Ca 39) ontbreken er twee titels bij de C.

De verschillen in de volgorde en het ontbreken van de twee titels bij Ca 39 lijken mij eerder te berusten op vergissingen bij het overschrijven dan dat er op dat moment daadwerkelijk twee titels niet aanwezig waren in de bibliotheek en dat de boeken in een iets andere volgorde in de kasten stonden. Het lijkt erop dat de (over)schrijvers de catalogus van Bontius gekopieerd hebben zonder zelf echt naar de boeken te kijken. Opvallend is nog dat deze vier kopieën van de in 1712 geschreven catalogus alle gemaakt zijn toen Ouwens zijn nieuwe catalogus rond 1730 al gemaakt had. Het is ook niet met zekerheid te zeggen of de schrijvers het afschrift uit 1712 als voorbeeld hebben gehad.

 

De catalogus van Ouwens

 

Tussen 1725 en 1734 was Rutger Ouwens (1692-1780) rector van de Latijnse School te Alkmaar. Hij stelde in die tijd een nieuwe catalogus samen van de oude stadsboekerij: Catalogus bibliothecae publicae Alcmarianae.[90] Hij deelde de catalogus in naar formaat: eerst 221 foliobanden, dan 41 banden in kwartoformaat, 50 banden in octavo en 1 band in duodecimoformaat. Binnen de formaten is geen alfabetische of chronologische volgorde te ontdekken. Wel is er een ordening naar auteur; de werken van een en dezelfde auteur staan bij elkaar: Folio 26-36 zijn bijvoorbeeld allemaal werken van Calvijn; Folio 24 en 25 zijn beide werken van Erasmus; Fol. 37-42 zijn werken van Gualtherus, enz.

De gegevens over de banden wat betreft titel, auteur, plaats en jaar van uitgave zijn uitgebreider beschreven dan in de eerst bekende catalogus van 1712.

Het is lastig om de catalogus van Ouwens te vergelijken met die uit 1712, omdat het vaak niet zeker is of het om hetzelfde boek gaat, door de summiere omschrijvingen in de vroegste catalogus. Toch zijn er enkele werken die in 1712 vermeld worden die niet meer voorkomen op de lijst van Ouwens. Zoals bijvoorbeeld Cornelii Celsi Medicina. Cornelius Aurelius Celsus was een Romeinse arts, filosoof en schrijver die leefde aan het begin van onze jaartelling. Hij schreef o.a. Corpus Medicorum, mogelijk het werk dat bedoeld wordt; er verschenen door de hele 16e eeuw bewerkingen en vertalingen van de werken van Celsus. Nog een ‘titel’ uit de catalogus van 1712: Philonium sive Medicina Valesii. Ook deze is bij Ouwens niet te vinden. Waarschijnlijk wordt een uitgave bedoeld van Philonium pharmaceuticum et chirurgicum, de medendis omnibus, cum internis, tum externis humani corporis affectibus, geschreven door de Portugese arts Valeseus de Taranta in 1418.

            Ook staat er op de vroegste lijst een ‘titel’ over astronomie: Julius Firmicus Astronomus, die ik niet terug heb kunnen vinden. Julius Firmicus Maternus was een christelijke wetenschapper (o.a.jurist en astroloog). Omstreeks 330 na Chr. schreef hij Matheseos Libri Octo (‘Acht boeken over astrologie’). De Universiteitsbibliotheek van Amsterdam beschikt bijvoorbeeld over enkele uitgaven van dit werk, één uit 1499 en één uit 1551. Welke uitgave echter ooit aanwezig is geweest in de librije van Alkmaar is niet te achterhalen. Dan is er de ‘titel’: Aelianus.  Hierbij is niet duidelijk wie er bedoeld wordt: Claudius Aelianus, Romeins schrijver, of Aelianus Tacticus, een Griekse militaire schrijver.      Er zijn dus enkele werken ‘verdwenen’ sinds 1712, ervan uitgaande dat de catalogus van 1712 de boeken vermeldt die op dat moment ook daadwerkelijk aanwezig waren in de librije. Er zijn echter ook werken bijgekomen. Zoals Vera Immanuelis (…) van Christiaan Meyer (134 D 1). Dit boek is in 1729 gedrukt, dus kon in 1712 niet aanwezig zijn. Vera Immanuelis wordt al wel vermeld in de catalogus van Ouwens. Ook de geschiedwerken van Pieter Bor (113 D 2) zijn later aangeschaft evenals de tien delen van het Groot placaet-boeck (137 A 1) en Den grooten figuer-bibel van Schabaelje (137 D 6). Deze laatste werken zijn overigens ook bij Ouwens nog niet opgenomen.

In 1769 schreef één van zijn opvolgers, A. Kluit, bij zijn vertrek uit Alkmaar een aantekening voorin de catalogus van Ouwens[91]: ‘(...) Verklare ik insgelijks alles bij mijn vertrek van hier in goede orde gelaten te hebben’. ‘Insgelijks’ zal slaan op de opmerking ervóór, namelijk: ‘(…) dat volgens Resolutie van Curatoren en Wethouderschap, gedrukt in het jaar 1764, en geinsereerd in het Resolutieboek van Scholarchen’, de rector van de Latijnse School belast was met de zorg voor de Librije en deze minstens viermaal per jaar moest gaan zien.

Pas sinds 1764 was het dus de taak van de rectoren om zorg te dragen voor de Librije. Had Rutger Ouwens dertig jaar daarvoor dan een reden (of opdracht) om een catalogus te maken of deed hij dit puur uit liefhebberij of interesse? Mogelijk vond hij het in zijn functie als rector van de Latijnse school nuttig of noodzakelijk om een beter overzicht te hebben van de bibliotheek. Busken Huet (1826-1886) beschrijft Rutger Ouwens als filoloog[92]. Ook was hij, naast rector, auteur en in de (digitale)catalogus van de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam staat bij Naamsvariant: ‘Een Ervaren tael- en outheitkundige’. In 1720 maakte hij een vertaling uit het Latijn van F. Junius: Verklaring van gelijkluidende teksten des O. en N. Testaments, dat in Delft verscheen.[93] Volgens C.W. Bruinvis (1829-1922), eerste gemeentearchivaris van Alkmaar en tevens directeur van het Stedelijk Museum, werd in 1725, toen Ouwens zijn intrede deed in Alkmaar, zijn ‘vertoog over de oudheid en voortgang der scholen’ tezamen met de inhuldigingsoratie van de oud-burgemeester Nicolaas Vrijburg gedrukt bij de stadsdrukker Van Beijeren.[94] Bruinvis: ‘Hij bragt onze school tot meerder bloei, dan zijn voorganger, Gerhardus Kempher, waartoe bijdroeg dat vele jongelingen van Amsterdam en elders bij hem inwoonden; zijne en hunne redevoeringen, bij het overgaan tot de Akademie, werden op stads kosten in het licht gegeven’.[95]

In 1727 schreef de dichter H.K. Poot (1689-1733) het volgende gedicht over Ouwens:[96]

Op den heer Rutgerus Ouwens, rektor der Latynsche schoole te Alkmaer.

Indien ge, o Schilderkunst, oit Ouwens recht wilt malen,

Zoo moet uw fix penseel, voor 't aengezigt des nyts,

Aen hem doen tekens zien der kundigheit van talen

En vaste heugenis van menige eeuwen tyts.

Gy moet dien Letterhelt met schoollaurier bekroonen

En stralen des verstants, waervoor de waen verstomm'.

De werelt, als hy wil, moet hem haer jeugt vertoonen

En middellevensstaet en hoogen ouderdom.

Aldus bevat dit hooft meer zaeken, dan veel boeken.

Verliest men die; ik zal ze in zulke hoofden zoeken.

 

Een verdwenen catalogus

 

In 1817 bood de heer Mr. J.A. Kluppel, griffier bij het vredegerecht, aan om de archieven van de stad, zowel die in het stadhuis als die in de bibliotheek boven het voorportaal van de grote Kerk ‘behoorlijk te verzamelen en daarvan te formeeren eene zo naauwkeurig mogelijke inventaris’. Zijn aanbod werd geaccepteerd door de ‘Heeren Burgemeesteren’ en er werd hem hulp toegezegd bij het verhuizen van de boeken naar de charterkamer in het stadhuis en  bij het maken van kasten waarin de boeken opgeborgen konden worden.[97] In 1819 is de Librije inderdaad verhuisd naar het Stadhuis. Kluppel heeft toen een catalogus gemaakt, waarbij hij enkele wijzigingen ten opzichte van de catalogus van Ouwens uit ca. 1730 heeft doorgevoerd[98]. Deze catalogus is echter helaas spoorloos verdwenen in het archief van Alkmaar. Toen de heer dr. J. J. de Gelder in 1868 zijn wetenschappelijke catalogus samenstelde (zie de volgende paragraaf), heeft hij hem echter wel kunnen raadplegen, zoals in zijn voorwoord te lezen is. Enige tijd verkeerde hij echter ten onrechte in de veronderstelling dat Kluit de maker was van de catalogus en niet Kluppel.

Mr. Jan Andries Kluppel werd op 14 januari 1786 geboren in Enkhuizen. In 1799 ging hij daar naar de Latijnse School waar E. Epkema destijds de rector was. In 1803 begon hij zijn studie aan de Akademie in Leiden waar hij in 1807 promoveerde tot doctor in de rechten en in hetzelfde jaar werd hij beëdigd als advocaat. Na enkele jaren werkzaam te zijn geweest als o.a. secretaris van de stad Enkhuizen werd hij in het voorjaar van 1811 benoemd tot Griffier bij het Vredegerecht in Alkmaar. Naast zijn werkzaamheden bij de rechtbank werd hij in 1818 ook gemeenteraadslid en in 1840 werd hij gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Noord Holland. In 1820 werd hem door het stadsbestuur van Alkmaar gevraagd ‘zijne zorgen te besteden aan de toenmalige Latijnsche School’.[99] Dit hield hij vol tot 1855. Vanaf 1822 vervulde hij ook nog diverse bestuursfuncties bij de Waterschappen en Heemraden.

Over de wetenschappelijke werkzaamheden van Kluppel schrijft Mr. G. van Leeuwen in zijn  Levensberigt van Mr. Jan Andries Kluppel o.a.:

 

Ik doelde daarmede vooral op het vlijtig en nauwkeurig onderzoek van oorkonden, voor zoo ver die den overledene belangrijk voorkwamen voor eene grondige beoordeeling en doelmatige behandeling van administratieve en waterschaps-zaken. Zo werd hem reeds in 1817 vanwege Burgemeesteren dezer stad opgedragen, om het hier, gelijk veelal elders, wel wat verwaarloosde stedelijke Archief te verzamelen, te inventariseren en in orde te schikken, een arbeid, dien zijne later toenemende bemoeijingen evenwel verhinderden geheel ten einde te brengen.

 

In de vergadering van 21 november 1846 wordt Mr. J.A. Kluppel benoemd tot werkend lid van het Historisch Gezelschap van Utrecht.[100] Over de ‘verdwenen catalogus’ is in de Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht [101] te lezen:

 

Bibliotheek van Alkmaar. Voorts draagt de genoemde heer rapporteur aan de leden voor, den inhoud van den catalogus eener boekverzameling, aanwezig in de stad Alkmaar. De heer mr. J.A. Kluppel, die met behulp van ds. J.Prins, thans predikant te Amsterdam, dezen catalogus, met de noodige aanteekeningen verrijkt, heeft zamengesteld, meldt daarbij, dat deze verzameling vroeger was berustende in de groote of St. Laurenskerk en dat alle de boeken, welke met koperen of ijzeren ketenen waren voorzien, door hem in 1819, op verzoek der stedelijke regering, zijn overgebragt geworden naar de charterkamer van het stadhuis.

Op voorstel van den voorzitter wordt door de leden besloten dezen catalogus, waarin vele merkwaardige drukwerken schijnen vermeld te zijn, te stellen in handen van dr. Kemink, met verzoek, om omtrent de belangrijkheid dier verzameling op eene der eerstvolgende vergaderingen verslag uit te brengen aan het gezelschap.

 

Op 2 december 1848 heeft Kluppel de catalogus naar Utrecht gestuurd blijkens een brief aan het Historisch Genootschap te Utrecht van die datum[102]:

 

[…] Ik voeg hier nog bij een catalogus Bibliothecae Alcmariensis […..] berust hebbende op de liberij der Grooten of St. Laurenskerk alhier die aldaar alle voorzien waren van koperen of ijzeren kettingen, doch door mij in de jaren 1819 of 1820, op verzoek van Burgemeesteren overgebragt ter charterkamer op het Stadhuis, waer ik toen alle de kettingen er heb afgedaan en eene catalogus van gemaakt heb, met bijgevoegd aantekeningen, waarin mij mede behulpzaam is geweest Ds J. Prins, thans Pred. Te Amsterdam. – Of die alle nog aanwezig zijn weet ik niet, want mijne vele andere bezigheden, die toen reeds meer en meer toenamen, hebben mij geenen gelegenheid overgelaten, om mijne zorg daartoe uitsluitend te bepalen. – Na gemaakt gebruik zal mij de terugzending aangenaam zijn.

Met de meeste hoogachting heb ik de eer mij te noemen

UHWelGeb DWD & Neef

J.A. Kluppel.

 

Kluppel heeft dus niet alleen een catalogus gemaakt, hij heeft ook de kettingen van de boeken  verwijderd bij de verhuizing van de librije naar het stadhuis in 1819.

Op 18 december 1848 is er weer een brief van Kluppel aan het Historisch Genootschap waarin hij zich ongerust maakt of het pakket wel is aangekomen:

 

Den 3. dezer is door mij franko Amsterdam om op een der eersten treinen van den Rijnspoorweg naar Utrecht te worden bezorgd op maandag den 4. dezer maand, aan het adres van UhoogWelGeb verzonden een paket, inhoudende Catalogus Bibliothecae Alcmariensis benevens twee catalogussen der handschriften behoorende aan den Hr. Mr. G. Van Leeuwen alhier, doch tot heden heb ik geen berigt van de goede ontvangst bekomen, en daar het beide de eenige exemplaren zijn, zou het mij bijzonder aangenaam zijn, geïnformeerd te mogen worden of gemeld paket in goede orde bij UHWelGeb ontvangen was, waarmede UHWelGeb bijzonder verpligten zult.

UHWelGeb DWD & Neef

J.A.Kluppel.

 

Omdat er van de catalogus van Kluppel blijkbaar dus maar één exemplaar bestond, moet deze dus ooit geretourneerd zijn naar Alkmaar, daar De Gelder in 1868 zegt er gebruik van te hebben gemaakt. Tot nu toe is hij helaas niet teruggevonden.

 

Een bibliografische en wetenschappelijke catalogus

 

In 1868 heeft dr. J. J. de Gelder, wederom een rector van de Latijnse school, een wetenschappelijke en bibliografische catalogus samengesteld, die in 1869 in druk verscheen. [103] Na een voorwoord begint hij met het vermelden van drie handschriften en verwijst voor de beschrijving hiervan naar de inventaris van het archief[104]. Dan volgt een uitgebreide beschrijving in het Latijn van de incunabelen  en van de oudste boeken tot 1520, genummerd van 1 tot 24. Deze 24 nummers zijn 32 banden, die ook in het systematische gedeelte van de catalogus opgenomen zijn met daar een verwijzing naar de eerdere beschrijving. Op pagina 17 begint de indeling naar onderwerp:

 

I Godgeleerdheid

1. Bijbels (bijbelvertalingen, concordantiën, harmoniën), 25 banden, pag.17-19.

2. Exegese (verklaring van het Oude en Nieuwe Testament), 34 banden, pag. 19-24.

3. Theologia Theoretica (dogmata, controversiën, apologiën, scholastiek en theologia    naturalis), 54 banden, pag. 24-30.

4. Theologia Practica (liturgiën en pastoraal), 8 banden, pag. 30-31.

5. Homiliën, 15 banden, pag. 32-33.

6. Kerkvaders
  a. Grieksche, 22 banden, pag. 34-36.

  b. Latijnsche, 23 banden, pag. 36-38.

Kerkelijke historie, 21 banden, pag. 38-40.

II Rechtsgeleerdheid en staatswetenschap, 19 banden, pag. 41.

III Geneeskunde, Natuurlijke Historie en Wijsbegeerte, 33 banden, pag. 41-45.

IV Geschiedenis, 20 banden, pag. 46-48.

V Oude Grieksche en Latijnsche schrijvers, 24 banden, pag. 49-52.

VI Taalkunde en Woordenboeken, 11 banden, pag. 53.

 

Jan Jacob de Gelder werd in 1802 in Den Haag geboren[105]. In Delft bezocht hij de Latijnse school en in 1819 ging hij naar de universiteit in Leiden. Naast Grieks en Latijn studeerde hij Arabisch, Hebreeuws en wiskunde. Na het afronden van zijn studie in 1827 begon hij zijn loopbaan als docent bij het instituut Noorthey, een jongenskostschool te Voorschoten, in die tijd een vermaard instituut waar veel jongens uit aristocratische kringen hun opleiding kregen.

In 1832 richtte De Gelder in Leiden zijn eigen ‘Privaat Collegie voor het Onderwijs der Oude Talen’ op dat later werd omgedoopt tot ‘Paedagogium’ en dat bleef bestaan tot 1856. In dit jaar werd hij door de gemeenteraad van Alkmaar benoemd tot rector van het stadsgymnasium. Heel het leven van De Gelder stond in het teken van onderwijs en hij is een actief lid geweest in talrijke commissies.[106] Hij is ook de auteur van veel boeken, vooral schoolboeken. In Alkmaar was hij een van de initiatiefnemers om op 8 oktober Alkmaars Ontzet weer feestelijk te gaan herdenken. De Gelder maakte het feestlied Van Alkmaar de Victorie (muziek van C. Coster) en in 1873 werd de Vereniging tot het vieren van Alkmaars Ontzet opgericht. Deze 8-oktobervereniging bestaat nog steeds. In die tijd werd ook het Alkmaars Stedelijk Museum opgericht, met De Gelder tot aan zijn dood in 1889, als secretaris.

De Gelder heeft veel tijd en aandacht besteed aan de boeken van de Librije. Dit blijkt onder meer uit een uitgebreide memorie die hij schreef aan de Gemeenteraad van Alkmaar op 7 januari 1868.[107] In deze brief is het hem niet duidelijk wat zijn voorganger, rector A. Kluit, bedoelt met zijn in 1769 geschreven aantekening voorin de catalogus van Ouwens: ‘Hiermede stemt de tegenwoordige tijd overeen gelijk mij ondergeschreven bij ’t in orde schikken en nieulings nommeren derzelve gebleken is […]’. Bedoelt Kluit dat er op dat moment ook ‘meer dan drie honderd en zestig excellente fraye gebonden Boecken’ aanwezig waren? Dan zouden er meer dan vijftig boeken verdwenen moeten zijn want De Gelder telt er in 1868 drie honderd en tien. De vermelding  ‘meer dan drie honderd en zestig excellente fraye gebonden Boecken’ zou komen uit de Tegenwoordige staat van Holland en West Fr., blz. 397, een ‘thans vergeten boek’.[108] Ook in de kroniek uit 1645 van C. van der Woude[109] wordt gesproken over meer dan driehonderd en zestig boeken. Had Van der Woude het ‘thans vergeten boek’ als bron of was dat andersom? Het blijft gissen naar de afkomst van het aantal driehonderd zestig.

In dezelfde brief noemt De Gelder enkele vermiste werken: ‘Thans worden vermist Folio 54 en Folio 161, het eerste deel van Folio 179 en misschien ook van Folio 158, als tenminste later blijken zal, wat ik nu nog niet weet, dat van dit werk meer dan één deel is uitgegeven.’ Fol 54, Homilarium van Gualtherus uit 1601 (135 B 6) is nu gewoon aanwezig en Fol. 161, Cosmographia van Munster uit 1550 ontbreekt inderdaad ook nu. Met fol. 179 en fol. 158 lijkt niets aan de hand te zijn. In haar artikel over de librije noemt Plenckers echter naast de Cosmographia nog enkele titels die De Gelder als vermist zou hebben vermeld[110]: een Instructio van de Zweedse koning Gustaaf II Adolf aan Jacob Roussel uit 1632 [fol. 221], de ware geboorte van Immanuel van Christiaan Meyer uit 1729 [kwarto 41] en de ongedateerde Catena patrum in Genesin [fol.89]. Fol. 221 en fol. 89 zijn inderdaad ook nu niet meer aanwezig. Vera Immanuelis van Christiaan Meyer is echter wel aanwezig in de librije (134 D 1). Maar volgens Bruinvis zou de librije in het bezit zijn geweest van twee exemplaren van dit werk, een octavo in het ‘nederduitsch’ en een kwarto in het Latijn. Volgens hem is de Hollandse uitgave niet meer aanwezig.[111]

De Gelder somt op welke kostbare incunabelen er zijn en welke boeken in een slechte staat verkeren: ‘Kleine defecten door ouderdom, slordige behandeling of vocht ontsieren Folio 1, 25, 48, 73, 111, 149, 206, quarto 22, Octavo 36. Grootere defecten vertoonen Folio 33 en vooral Folio 70, waarin van blz. 1080-2005 witte vellen papier in plaats van de ontbrekende gedrukte bladzijden in den band zijn ingebonden. De overige boeken zijn in tamelijk goeden staat’. Opvallend is dat niet al deze boeken - geheel -  zijn gerestaureerd. Zo is de perkamenten band van 135 D 11 (fol. 48) ernstig beschadigd door vraat en vocht en het lijkt er niet op dat er iets aan opgeknapt is. 135 D 2 (fol. 73) is een boek met een bestempelde leren band over houten platten, met twee sloten, waarvan één intact. De rug lijkt geplakt te zijn en bruin geverfd. Er zijn vochtvlekken in het boekblok. Aan de binnenkant van het voorplat is een blad uit een perkamenten manuscript geplakt met aantekeningen in de marges. Het boek is dus gedeeltelijk gerestaureerd en verkeert mijns inziens in redelijke staat. Van 133 A 8 (fol. 206) is ook alleen de rug gerestaureerd, geplakt en bruin geverfd. Dit is ook een band met bestempeld leer over houten platten en het heeft twee sloten, waarvan de onderste intact is. Het achterplat vertoont kettinggaten en er zijn heel veel wurmgaatjes, zelfs in het hout. 136 C 6 (fol.70), dat volgens De Gelder een groter defect vertoont, is niet gerestaureerd. Het is een dik boek met een perkamenten band en het is in tamelijk goede staat. Inderdaad gaat de paginering van 1080 naar 2005 met 6 blanco bladeren ertussen. Vanaf pagina 2057 komen er fouten in de paginering: het gaat over naar 1165 tot 1625. Het ernstige defect blijkt dus de paginering te betreffen en niet de uiterlijke conditie van het boek. De overige signaturen die De Gelder noemt zijn inderdaad geheel gerestaureerd.

In de brief vraagt De Gelder aan de gemeente toestemming om het archief en de bibliotheek enkele uren per week open te stellen voor het publiek en stelt zichzelf beschikbaar om op die uren toezicht te houden. Verder verzoekt hij om de mogelijkheid om boeken uit te lenen en vraagt hij om bibliografische naslagwerken.

De meeste punten van De Gelder werden niet ingewilligd. In Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1870 [112] staat te lezen dat de gemeente niet akkoord gaat met het uitlenen van boekwerken. Er waren in het verleden al boeken weggeraakt en het zou ook zeer slecht zijn voor de boeken ‘daar zij, in aanmerking nemende den slordigen en beschadigden toestand, waarin zij somtijds terug ontvangen werden, veel van hunne waarde verloren’. Ook de openstelling van het archief op bepaalde tijden werd niet nodig geacht. Als iemand werkelijk iets in wilde zien, kreeg hij wel toestemming en het kwam zo sporadisch voor, dat er geen behoefte aan was.

            Toch zou bij wijze van proef vanaf 21 juli elke maandag tussen 12 en 2 uur ’s middags gelegenheid gegeven worden om in het stadhuis de oude boekerij te bezoeken. Later draaide men dit weer terug want ‘Gedurende den tijd, dat die gelegenheid bestond, werd daarvan gebruik gemaakt door 3 vreemdelingen uit Zwolle, ’s Hage en Leiden, toevallig hier zijnde en 5 ingezetenen, zonder eenig wetenschappelijk doel of bibliographische kennis, terwijl  geen enkel exemplaar der catalogus, die tegen betaling van veertig centen verkrijgbaar was gesteld, verkocht werd’.

Aan het eind van het verslag: ‘Bij raadsbesluit van 16 maart werd den heer De Gelder onder dankbetuiging voor de getoonde belangstelling in de oude boekerij dezer gemeente, door zijnen beschikbare tijd te besteden aan eene rangschikking en beschrijving der daartoe behoorende boeken en handschriften, als blijk van erkenning dier diensten en van het op het drukken der inventaris van het archief gehouden toezigt, eene gratificatie van f.100,- toegekend’.

Op 26 januari 1868 verscheen er een artikel van De Gelder in de Alkmaarsche Courant: De oude Bibliotheek van Alkmaar. Hij vertelt hierin aan de lezers over de librije en waar hij mee bezig is. Onderaan het artikel:

 

Wel is de meer naauwkeurige beschrijving dezer boeken bij lange na nog niet voltooid. Zulks heeft in eene gemeente als deze eigenaardige moeilijkheden en belemmeringen. Toch hoop ik het eerste gedeelte van dit jaar daarmede gereed te zijn en dit nut uit dien arbeid te trekken, dat deze oude uitgaven voor de beoefenaars der wetenschappen niet langer ontoegankelijk blijven en door de geleerden in deze streken ten gevolge van het openbaar maken van den catalogus gekend, gevonden en gebruikt kunnen worden. Deze voorlopige mededeeling wilde ik aan belangstellenden niet onthouden. Dr. J .J. de Gelder.

 

Naar aanleiding van dit krantenartikel ontvangt De Gelder een brief van de heer M.F.A.G. Campbell, geschreven op 28 januari 1868.[113] De Gelder schrijft de brief over en stuurt hem door naar de Gemeenteraad van Alkmaar: ‘De ondergeteekende zal den uitslag van den Gemeenteraad afwachten, eer hij den Heer Campbell op zijn belangrijk schrijven antwoordt’. [114]

De heer Campbell, werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek, biedt De Gelder aan hem te helpen met het beschrijven van de oudste boeken en de incunabelen, wat hij ook al gedaan heeft bij de Deventer incunabelen. Hij bekent dit ook deels uit eigenbelang aan te bieden:

 

Er is nog iets. Laat u, bid ik u, niet afhouden door de gedachte, dat gij verplichting maakt, enz. Want mijn aanbod is ook eigenbaatzuchtig in dien zin dat ik, die de oude boeken van alle onze boekerijen heb gezien en ook Belgie en Duitschland (gedeeltelijk) met dat doel bezocht, dat ik voor zulk eene schikking ook de Alkmaarsche schatten onder de oogen zal krijgen en er mijne kennis mede verrijken, welke laatste tevens te goede moet komen aan de verwezenlijking van een plan reeds gedurende twintig jaar door den heer Holtrop en mij voorbereid om namelijk een Nederlandsche Hain uittegeven. Daartoe ligt reeds veel bouwstof gereed. Wellicht dat de Alkmaarder wiegedrukken, daartoe nog rijke stof bevatten.

 

Of  De Gelder uiteindelijk gebruik heeft gemaakt van dit aanbod is mij tot dusver niet bekend. Wel verscheen in 1874 ‘de Nederlandsche Hain’ van Campbell: Annales de la typographie néerlandaise au XVe siècle, een overzicht van Nederlandse wiegedrukken. De Alkmaarse incunabelen zijn hier echter niet in vermeld omdat deze niet in Nederland gedrukt zijn.

In het eerste jaarverslag van het Stedelijk Museum[115], waarvan De Gelder de secretaris was, staat op pag. 4 vermeld dat: ‘De boeken, vormende de oude bibliotheek, benevens eenige handschriften, beschreven door dr. De Gelder, achter den inventaris van het archief door dr. Scheltema van de charterkamer naar het museum overgebracht zijn’. In het jaarverslag van 1884: ‘Van de oude boekerij werden weder een aantal lederen banden vernieuwd (…)’,  en in 1885: ‘Met het vernieuwen van de verwaarloosde banden der oude boekerij werd weder voortgegaan: in 1886 zal daaraan de laatste hand worden gelegd’.

Uit de lange brief van J. J. de Gelder aan de gemeenteraad blijkt dat hij de wetenschappelijke catalogus van de stadsboekerij op eigen verzoek heeft gemaakt. Hiervoor zijn twee mogelijke redenen te geven.

De eerste reden heeft te maken met het feit dat De Gelder rector was van het stedelijk gymnasium dat door hemzelf in 1856 opgericht was. Dit gymnasium was opgericht ‘voorloopig als eene proeve voor den tijd van twee jaren’. Zonder definitief besluit werd die termijn nog twee maal verlengd. Met het oog op de hoge kosten ten opzichte van het geringe aantal leerlingen én met het oog op de komst van de H.B.S. besloot de gemeenteraad het gymnasium op te heffen per 1 oktober 1867, en op 30 september werd besloten tot het oprichten van een Latijnse School (zonder moderne talen) met J. J. De Gelder als rector[116]. Mogelijk was dit een reden voor De Gelder om de oude boeken van de librije beter ‘in kaart te brengen’.

De tweede reden zou kunnen zijn dat omstreeks die tijd de plannen ontstonden voor een oudheid- en geschiedkundig museum van Alkmaar, waarvan de oude boekerij ook deel uit zou maken. Bestuurders van de Vereniging tot viering van Alkmaars Ontzet 1573 hadden de gemeente om een geschikte ruimte hiervoor gevraagd[117]. Een goede reden voor De Gelder om een gedegen overzicht te maken van de oude boeken. Zoals aan het begin van deze paragraaf vermeld is, was De Gelder een van de initiatoren van de feestdag voor de viering van Alkmaar Ontzet én was hij later jarenlang secretaris van het Stedelijk Museum.

De oprichting van het Stedelijk Museum was ook een reden voor de restauratie van ruim honderd boekbanden. In 1886 was deze restauratie voltooid: ‘Het van nieuwe banden voorzien der eertijds veel geleden hebbende boekdeelen van de oude bibliotheek werd voortgezet en ten einde gebracht. Het voornemen bestaat bij een herdruk van den catalogus der boekerij het onderscheid tusschen de oude en nieuwe op te heffen’.[118]

Toen De Gelder zijn catalogus schreef in 1868 werd de oude bibliotheek nog als één geheel beschouwd. Vanaf 1861 had de vereniging tot viering van Alkmaar Ontzet echter boeken verzameld en vanaf 1875 vormde deze verzameling de Bibliotheek van het Stedelijk Museum. In de catalogus die in 1904 van deze bibliotheek gemaakt is, zijn de nieuwe boeken opgenomen tussen de oude boeken van de librije[119]. De librije stond niet meer op zichzelf. In 1922 werd met behulp van de catalogi van Ouwens en De Gelder de oude bibliotheek gereconstrueerd[120] en werd er een alfabetische kaartcatalogus gemaakt. Aan de hand van een andere kaartcatalogus werd de librije gecontroleerd toen de boeken in 1992 naar het depot zijn verhuisd aan de Hertog Aalbrechtweg. De concordans van mevrouw Plenckers vermeldt de signaturen zoals die toen in die kaartcatalogus vermeld stonden. De signaturen van de boeken zijn toen - gedeeltelijk - veranderd. Alle titels van de oude stadslibrije zijn ingevoerd in de digitale catalogus van de bibliotheek van het Regionaal Archief en momenteel is men ook bezig de boeken, die verschenen zijn in Nederland tussen 1540 en 1800 in te voeren in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN).

 

Wie lazen de boeken van de librije?

Na de summiere vermelding in het Memoriaelboek in 1545, het orgel ‘grenzend aan de librije’, lezen we in 1630 pas voor het eerst iets over de librije. De bibliotheek werd in 1594 heropgericht ‘tot grooten gherief van die burgerije ende studenten’. In 1645 voegt C. van der Woude in zijn Kronyk van Alckmaer met zyn dorpen daaraan toe dat de bibliotheek toegankelijk is voor eenieder ‘hoe sy ghesint moghen wesen. Al daer men sien, ende bequamelyck lesen, ende uyt Copieren mach meer als 360. excellente fraye gebonden boecken: meest in ’t Latyn, al te samen aen kettingen vast gesloten’.

De librije zou dus bedoeld zijn voor de burgers en de studenten, ongeacht hun standpunten of (geloofs)overtuiging. Beide auteurs maken geen melding van het feit dat sinds 1605 de librije alleen toegankelijk was voor mensen die een sleutel hadden en die daarvoor een contract moesten tekenen.[121] Er waren slechts enkele sleutels, waardoor het uitgesloten lijkt dat burgers en studenten de bibliotheek vrij konden bezoeken. Maar misschien was dit in 1594 nog wel het geval.

            In Het publiek van de Librije acht Co van der Zwet[122] het uiterst onaannemelijk dat veel burgers de collectie zullen hebben geraadpleegd. Er zijn in de zestiende en zeventiende eeuw nog niet heel veel mensen die de leeskunst machtig zijn. Aan het begin van de zeventiende eeuw zou bijna de helft van de mannen en ongeveer eenderde van de vrouwen enigermate kunnen lezen en schrijven. Deze gegevens zijn gebaseerd op ondertekeningen van (trouw)akten. Maar het blijft niet meer dan een veronderstelling, omdat het kunnen schrijven van een handtekening nog niet wil zeggen dat iemand echt schrijfvaardig is. In die tijd leerde men pas schrijven als men het lezen min of meer onder de knie had. Velen kwamen niet toe aan schrijven omdat ze eerder de school verlieten. Het niet of nauwelijks kunnen lezen betekende echter niet dat men helemaal geen toegang tot gedrukte teksten had. Veel van de vroege volkstalige drukken waren bedoeld om voor te lezen, zoals regelmatig blijkt uit de aanprijzingen en leesinstructies van de uitgever op het titelblad van een boek, of in een voorwoord.[123] Bovendien waren volksboeken vaak voorzien van ‘plaatjes’, eenvoudige houtsneden, zodat men het verhaal als een soort stripverhaal toch kon begrijpen. Kon men echter wel lezen, dan was dat vooral in de volkstaal; de kans dat men het Latijn kon begrijpen is erg klein. Dat was slechts weggelegd voor hoogopgeleide predikanten en geleerden. Latijn kon je leren op de Latijnse school, maar deze werd slechts bezocht door een elitaire minderheid, en dan nog alleen jongens. Het Latijn was de universele taal van alle geletterden in heel Europa. Voordeel daarvan was dat wetenschappers met elkaar konden communiceren, elkaars werk konden lezen en becommentariëren. Grieks was ook belangrijk, vooral voor het maken van nieuwe bijbelvertalingen. De boeken in de librije zijn voor het overgrote deel geschreven in het Latijn, er zijn enkele Griekse werken en sommige banden bevatten de tekst in het Latijn én Grieks.

Inhoudelijk zullen de boeken van de librije ook niet de keus zijn geweest van de burgers. Van der Zwet schetst vooral de leesgewoonten van de burgerij in de zeventiende eeuw terwijl de boeken uit de librije voor het grootste deel uit de zestiende eeuw stammen. Maar we weten dat een aanzienlijk deel van de boeken aan het begin van de zeventiende eeuw is aangeschaft, gezien de veilingen die bezocht zijn en waar voor bijna duizend gulden aan boeken is gekocht. De belangstelling van de gewone burger ging niet uit naar geleerde theologische verhandelingen en naar bijvoorbeeld de werken van de kerkvaders. Populair waren – voor zover je hier van populariteit kunt spreken – onder andere stadgeschiedenissen, schildersbiografieën, raadsel- en goochelboeken en populaire wiskunde. Ook allerlei sensatieverhalen over bijvoorbeeld veldtochten, rampen, hekserij en wonderbaarlijke genezingen waren in trek. Verder lazen mensen veel drukwerk als almanakken en pamfletten. Dit soort lectuur en literatuur kon men echter zeker niet vinden in de stadsbibliotheek van Alkmaar. We kunnen dus aannemen dat de ‘gewone man’ niets te zoeken had in de librije. Dat dit ook gold voor andere bibliotheken blijkt ook duidelijk uit Schneiders’ woorden: ‘Nee, op een witte raaf na zal er vanuit het brede publiek geen enkele belangstelling voor de bestaande bibliotheken geweest zijn. Dat waren geleerde instellingen die tot een andere planeet behoorden, stoffige oorden voor boekenwurmen die ‘Latijns’ kenden. De burger die van lezen hield, kocht zijn boeken of leende ze van familie of vrienden, voor hem was er trouwens in de zo op het verleden gerichte museale bibliotheek nauwelijks of geen interessant materiaal.’[124]

En dan de studenten. In hoeverre zullen zij gebruik gemaakt hebben van de Latijnse bibliotheek? Met studenten zullen zeker de leerlingen van de plaatselijke Latijnse school bedoeld worden. Na ongeveer zes jaar basisonderwijs in de volkstaal (het Nederduits) werd aan het vervolgonderwijs les gegeven in het Latijn. De opleiding was een voorbereiding op verdere studie aan de universiteit. Het is heel goed voorstelbaar dat de Alkmaarse studenten de diverse naslagwerken, die zich in de librije bevinden, gebruikt hebben voor hun studie. En misschien ook wel andere werken om bijvoorbeeld te oefenen in het Latijn. Dit is echter moeilijk na te gaan, ook omdat niet precies duidelijk is welke titels op welk moment aanwezig waren in de bibliotheek. In 1625 is er een ‘schoolordre’ ingesteld in het gewest Holland, om eenheid van structuur, van leerplan en van onderwijs te bewerkstelligen. Dat betekent onder andere dat op alle Latijnse scholen, vanaf ongeveer het midden van de zeventiende eeuw,  dezelfde studieboeken werden gebruikt, dus ook in Alkmaar. Over dit ‘vaste boekenpakket’ van de Latijnse scholen is wel het een ander bekend. Van der Zwet noemt diverse titels in zijn nota die gebruikt werden als leerboeken voor de verschillende vakken. Bijna geen van deze titels is aanwezig in de Alkmaarse librije en hij komt dan ook tot de conclusie dat de boekencollectie vooral bestemd zal zijn geweest voor de docenten van de Latijnse school en zeker niet in de eerste plaats voor de studenten. Hierbij kun je weer de aantekening maken dat de librije toen er heel anders uitgezien kan hebben dan zoals zij nu is. We weten niet welke boeken ooit behoord hebben tot de librije. Er zijn immers (waarschijnlijk) in 1633 ook boeken verkocht om er nieuwe voor terug te kopen. Helaas zijn er geen titels bekend van verkochte en/of gekochte boeken.

In zijn studie naar de Enkhuizer librije noemt A. van Voorst 50 boektitels die volgens hem zijn gebruikt als studiemateriaal voor de leerlingen van de Latijnse school te Enkhuizen.[125] Mark Aussems heeft deze titels vergeleken met de librije van Alkmaar, daarbij gebruik makend van de inventarislijst die opgesteld is door het Regionaal Archief Alkmaar.[126] Hij vindt 13 werken die overeenkomen met de titels op de lijst van Van Voorst. Soms is het eenzelfde druk, soms een andere druk van dezelfde tekst of het is een werk met dezelfde inhoud en hetzelfde doel. Dertien werken in een bibliotheek van ruim 300 boekbanden is maar een klein percentage. Zeker als je bedenkt dat er zich tussen de ruim 300 boekbanden ook nog veel convoluten bevinden, zodat het aantal titels ver boven de 300 uitkomt. De conclusie kan zijn dat de Enkhuizer librije meer als schoolbibliotheek heeft gefunctioneerd dan de librije van Alkmaar. In zijn nota laat Aussems de grote betrokkenheid zien van de rectoren van de Latijnse school met de librije door de eeuwen heen. In Bibliopolis vermeldt G.C. Huisman: ‘Latijnse scholen hadden meestal een kleine boekencollectie; de docenten gebruikten waar mogelijk de stadsbibliotheek’.[127]

Ook maakt Aussems het aannemelijk dat de librije tot 1594 bij de ‘wederoprichting’ gevestigd is geweest in de Latijnse school. Het kan dus best zijn, dat de librije wel als schoolbibliotheek gediend heeft, maar waarschijnlijker is het dat de boeken vooral gebruikt zijn door de docenten. Ook hier speelt weer een rol dat we niet weten welke boeken er toen aanwezig waren. Zijn er misschien in 1633 overbodige studieboeken verkocht? Overbodig omdat men ze niet meer nodig had in verband met de ‘schoolordre’ die in 1625 in Holland was ingesteld? Toen moesten immers in alle Latijnse scholen dezelfde studieboeken gebruikt worden. Als dit het geval is dan hebben ze de opbrengst misschien gebruikt om de nieuw voorgeschreven studieboeken aan te schaffen. In elk geval schrijft Pieter van Foreest in 1596 nog in één van zijn voorwoorden van zijn medische boeken: ‘[…]Voor het vergroten van het gemak van docenten zowel als studenten hebt u het zuidelijk deel van de grote kerk voorzien van een openbare bibliotheek, uitgerust met allerlei soorten boeken, die als het ware de hele stad uitnodigt en aanspoort tot het beoefenen van theologie en filosofie. […]’.[128] Van Foreest schrijft dit twee jaar na de heroprichting van de bibliotheek.

Het lijkt erop dat ongeveer tien jaar later het roer omgegooid wordt ten aanzien van de librije, vooral wat de toegankelijkheid betreft. Vanaf ongeveer 1605 is er immers een sleutelcontract, waaruit naar voren komt dat hooguit een man of vier een sleutel had van de librije.[129] Deze mannen hadden bijna alle een functie in het bestuur van de gemeente of ze waren rector van de Latijnse school. Waarom de bibliotheek ineens niet meer zomaar bezocht kon worden, is onduidelijk. Mogelijk dat de aanschaf van veel nieuwe boeken op de Leidse veilingen ermee te maken had.

De gewone burgers waren dus zeker niet de gebruikers van de librije, maar er waren, naast de rectoren en studenten, wel andere burgers in Alkmaar in de zestiende eeuw, die mogelijk belang hadden bij de boekwerken en dat waren onder andere de predikanten en de stadsdoctoren.

 Om bij de predikanten te beginnen: het grootste deel van de boekbanden van de librije bestaat uit theologische werken. De predikanten konden in de librije terecht om de kerkvaders en de kerkgeschiedenis te bestuderen, bijbelcommentaren te lezen, naslagwerken te raadplegen, enzovoorts. Er waren boeken van de profeten, psalmboeken, bijbels en uitleg van de bijbel.

Het merendeel van de boeken stamt uit het midden van de zestiende eeuw, de tijd waarin de reformatie onder leiding van Luther, Zwingli en Calvijn volop aan de gang was in Europa. Met het Concilie van Trente, dat plaatsvond van 1545 tot 1563, werd de contrareformatie ingezet. In die jaren moeten geloof en religie het gesprek van de dag geweest zijn! In de librije van Alkmaar bevinden zich veel werken die te maken hebben met de reformatie. Calvijn is met 14 titels aanwezig, zijn opvolger Beza met 5 titels, Zwingli met zijn tweedelige hoofdwerk, Bullinger met 4 titels en Melanchton, de rechterhand van Luther, met zijn werk in 8 delen. Erasmus is vertegenwoordigd met 5 titels en diverse keren vinden we een door hem geschreven voorwoord in de uitgaven van de werken van de kerkvaders. Opvallend is dat Luther ontbreekt Veel werken zijn geschreven door meer of minder bekende eigentijdse reformatorische [ook lutherse] theologen als Vermilius, Zanchius, Chr.Corner en Kemnicius terwijl er ook een groot aantal werken aanwezig is van humanisten uit onder andere Frankrijk en Italië.  Maar ook een vierdelig werk van de contrareformator Bellarmini ontbreekt niet. Het spreekt vanzelf dat het voor de gelovige burgers en de predikanten moeilijk was een standpunt omtrent de geloofskwesties in te nemen. Het aantal calvinisten in de Nederlanden was in het midden van de zestiende eeuw nog niet zo groot, maar ze waren vastbesloten en fanatiek. De katholieken twijfelden, ze hadden wel kritiek op hun Roomse Kerk, onder andere op het strenge beleid ten aanzien van de ketters, maar ze waren het toch ook niet eens met het fanatisme van de gereformeerden. De twijfelaars vormden verreweg de grootste groep, moesten ze katholiek blijven of protestant worden? Het was voor de predikanten noodzakelijk om op de hoogte te zijn van de verschillende religieuze meningen en controversen, al was het alleen maar om zelf een standpunt in te kunnen nemen. En de gelovigen waren mijns inziens tamelijk afhankelijk van de predikanten om überhaupt enigszins te kunnen begrijpen wat de hervormers bedoelden. In Alkmaar waren pastoor Laurens Zas en predikant Cornelis Cooltuyn rond het midden van de zestiende eeuw al behoorlijk hervormingsgezind.[130] In hun preken zullen hun denkbeelden zeker doorgeklonken hebben. Over hen straks meer.

De tweede groep burgers die belang had bij de Alkmaarse librije waren de stadsdoctoren. De boekencollectie bevat zo’n 30 werken op medisch gebied. Het werk van Hippocrates is aanwezig, Galenes, enkele werken van Aetius van Amida, maar ook werken van contemporaine medici uit onder andere Frankrijk en Italië.

Om het culturele en intellectuele klimaat in Alkmaar in de zestiende eeuw enigszins te schetsen, is het zinvol om enkele personen wat meer voor het voetlicht te plaatsen. Sommigen zijn in een eerder hoofdstuk ook al ter sprake gekomen.

We zouden hier natuurlijk moeten beginnen met Murmellius, maar omdat deze in het  hoofdstuk ‘Het ontstaan en geschiedenis van de librije, De librije tot 1600’ behandeld is, beginnen we met de bekende humanist Petrus Nannius. Hij werd geboren in Alkmaar in 1496[131]. Op de Latijnse school heeft hij onder andere les gehad van Murmellius. Nadat hij in Leuven gestudeerd had, waarschijnlijk Latijn, Grieks en Hebreeuws, keerde hij in 1520 terug naar zijn geboortestad om aan de Latijnse school les te gaan geven. Even was hij weg naar de Latijnse school in Gouda, maar in 1522 keerde hij terug naar Alkmaar om de leiding van de school over te nemen van Kempo van Texel, die op zijn beurt de opvolger was van Murmellius. In 1535 vertrok hij naar Leuven en werd daar professor in de Latijnse taal aan het Collegium Trilingue, het centrum van het humanisme in de Lage Landen. Tot aan zijn dood in 1557 bleef hij hier werkzaam. Nannius is dus zowel leerling, leraar als rector van de Latijnse school geweest. Hoewel hij veel werken gepubliceerd heeft, vinden we Nannius in de librije van Alkmaar slechts terug met een gedicht in het voorwerk van Pieter van Foreests Observationum et curationum medicinalium, boek 3, 4, 5. (134 B 15 I.2) en in zijn vertaling van het werk van de kerkleraar Athanasius, in een uitgave uit 1601 (137 C 3). Overigens bevinden zich wel diverse werken van Nannius in de wetenschappelijke bibliotheek van het regionaal archief: vier werken gedrukt in de zestiende eeuw en twee uit begin zeventiende eeuw.

Johannes Hobingius van Wesel volgde in 1537 Nannius op als rector van de Latijnse school en hij bleef deze functie vervullen tot zijn dood in 1546. Hij was doctor in de ‘artium medicaeque rei’ (in de vrije kunsten en de medicijnen). Het is mogelijk dat hij ook gefungeerd heeft als stadsarts[132]. Uit zijn nalatenschap schonk zijn zoon Michiel Jansz Hobingius enkele boekwerken aan de librije, onder andere Practica van de Italiaanse professor in de medicijnen Giamatteo Ferrari da Grado (133 A 2). Deze Da Grado leefde in de vijftiende eeuw. Het boek is gedrukt in 1527.

Laurens Jacobsz Zas was rond 1535 leraar aan de Latijnse school[133]. In 1539 liet hij zich inschrijven op de universiteit van Leuven en studeerde talen aan het Collegium Trilingue, waar Nannius, zijn vroegere leraar, juist in dat jaar professor was geworden. Inmiddels tot priester gewijd was Zas in 1545 weer terug in Alkmaar. Toen Hobingius in 1546 overleed volgde Zas hem op als rector. Evenals Petrus Nannius is Zas dus zowel leerling, leraar én rector van de Latijnse school geweest. Hij was van omstreeks 1545 tot aan zijn dood pastoor in Alkmaar en hij fungeerde ook als rector of pater van de Witte Zusters aan de Nieuwe Sloot. In zijn Observationes vermeldt Pieter van Foreest dat Zas in oktober 1557 overleed, tengevolge van de pestilentiale griepepidemie die aan wel 200 Alkmaarders het leven kostte.[134]  Laurens Zas droeg de reformatie een warm hart toe, ook al bleef hij behoren bij de oude katholieke kerk. Hij is de leraar geweest van onder andere de hieronder beschreven Alkmaarders.

De eerste is Cornelis Cooltuijn, geboren in 1526 in Alkmaar aan de Kooltuin, waar hij zijn naam aan te danken heeft.[135] Hij bezocht de Latijnse school en op aanraden van Laurens Zas bestudeerde hij de kerkvaders en de geschriften van de reformatoren. Hij ging rechten studeren in Leuven, werd predikant in Alkmaar en later in Enkhuizen. Toen hij weigerde de mis op te dragen in Enkhuizen moest hij de stad verlaten en keerde in 1557 terug naar Alkmaar. Bij het overlijden van Zas in 1557 werd Cooltuyn benoemd tot rector van de Latijnse school. Zoals we al gezien hebben, hadden rectoren van de Latijnse school vaak een nevenfunctie als predikant. Al twee weken na zijn benoeming kreeg Cooltuyn echter een preekverbod, maar in het geheim zette hij zijn preken voort in particuliere huizen. Hij moest niets meer hebben van bepaalde katholieke gebruiken als de mis, vespers en het lof en hij brak met de gevestigde kerk. In juni 1558 moest hij vluchten voor de inquisitie. Hij ging naar Oost-Friesland waar hij al spoedig predikant werd in de stad Emden. In verband met de librije vermoed ik dat Cooltuyn  daar vele uurtjes heeft doorgebracht, eerst als leerling van de Latijnse school, later als priester en rector in Alkmaar. Zijn oudere broer, Allard, zal hem misschien gezelschap hebben gehouden, want ook hij kreeg een opleiding aan de Latijnse school en studeerde later medicijnen in Leuven en in Italië. Vanaf eind 1559 volgde hij Pieter van Foreest op als stadsarts van Alkmaar, maar niet voor lang want hij stierf al in 1561. Cornelis Cooltuyn trouwde na zijn vlucht naar Emden met Geertruid van Foreest, lid van een familie die hoorde bij het stedelijke patriciaat en zus van de volgende inwoner van Alkmaar.

Pieter van Foreest, geboren in Alkmaar in 1521, was medicus[136]. Op de Latijnse school hebben de lessen van voornoemde meester Zas veel indruk op hem gemaakt. Hij studeerde maar een half jaar medicijnen in Leuven (vond daar waarschijnlijk niet het onderwijs dat hij zocht) en vertrok toen voor enkele jaren studie naar Italië. In Bologna promoveerde hij in 1543 en hij werd vanaf 1546, toen hij dus nog maar 25 jaar was, stadsarts van Alkmaar, overigens zonder hiervoor een salaris te ontvangen. In 1558 vertrok hij naar Delft om daar stadsarts te worden; ditmaal kreeg hij er wel voor betaald. Na 1574 was hij zelfs de lijfarts van Willem van Oranje, wiens lijkschouwing hij in 1584 samen met een andere arts uitvoerde. Van Foreest was onder de indruk van de beroemde arts-alchemist Arnaldus de Villanova (ca. 1240-1311). Deze Arnaldus was een aanhanger van de theorieën van de Arabische arts Avicenna (980-1037), die de nadruk legde op het belang van de waarneming: alle kennis was van de zintuigen afkomstig. Van Foreest kwam in aanraking met het werk van Avicenna door meester Melis Cornelisz., een arts die in Alkmaar woonde aan de zuidzijde van de Langestraat. Van deze Melis is niet veel bekend, maar wel dat hij als arts optrad bij de abt en de monniken van de abdij van Egmond. Het werk van Avicenna, waar onder andere een voorwoord van De Villanova in staat, schenkt Van Foreest, naast nog enkele werken van hemzelf, aan de librije van Alkmaar. Het is een incunabel uit 1479 en het is nog steeds aanwezig in de librije (133 E 1). Vanaf 1595 is Van Foreest weer terug in Alkmaar waar hij tot aan zijn dood weer stadsmedicus is. In 1597 overlijdt hij en wordt begraven in de Grote Kerk. Op zijn grafsteen stond te lezen: ‘Hippocrates Batavus si fiut ille fuit’ (Als er een Hollandse Hippocrates is geweest, dan was hij het). Van Foreest schreef onder andere een polemisch traktaat tegen de kwakzalverij, Van den Empiriken, lantloeperen ende valsche medicijns bedroch waarvan het handschrift bewaard wordt in het Regionaal Archief te Alkmaar. Ook schreef hij De observationum et curationum Medicinalium ac Chirurgicarum Libri XXVIII, 28 boeken met medische en chirurgische observaties en behandelingen. De delen I, II en III schonk hij in 1591 aan de stadsbibliotheek, met voorin elk deel een eigenhandig geschreven opdracht. Naar mijn idee kunnen we er wel van uitgaan dat ook Pieter van Foreest een trouwe bezoeker van de librije is geweest in de periodes dat hij in Alkmaar verbleef. Zo schreef hij het voorwoord van de boeken 26-27 van de Observationes zelfs in de librije![137] Het lijkt erop dat hij in religieus opzicht een gematigd iemand is geweest. Dat was anders bij zijn broer Nanning.

Nanning van Foreest werd geboren in 1529, acht jaar na zijn broer Pieter. Hij was een studievriend van Cornelis Cooltuyn in Leuven en stond eveneens in de voorhoede van de Hollandse reformatie. Ook hij vluchtte naar Emden, in 1567, toen Alva met zijn Bloedraad in de Republiek orde op zaken kwam stellen. Bij zijn terugkomst in 1572  na de omwenteling werd hij raadpensionaris van Alkmaar. Hij schreef een ooggetuigenverslag van het beleg van Alkmaar: Brevis narratio de obsidione Alcmariana, quam post hebdomades septem, anno 1573 : Hispanus cum magno suo damno atque ignominia dimittere coactus est, dat in de bibliotheek van het Regionaal Archief (dus niet in de librije) aanwezig is in een uitgave uit 1574. Nanning van Foreest overleed in 1592.

Een bekende student aan de Alkmaarse Latijnse School was Jan van Scorel. Hij werd in 1495 in Schoorl geboren. Na de Latijnse School kreeg hij in Haarlem een schildersopleiding. In 1518 begon Van Scorel aan een lange reis: Duitsland waar hij Albrecht Dürer ontmoette, Oostenrijk en Italië. Via Venetië ging hij over zee naar het Heilige Land. In 1522 was hij weer in Italië en werd hij door paus Adianus VI benoemd tot opzichter van de pauselijke kunstcollectie als opvolger van Rafaël. Terug in de Lage Landen heeft hij in 1527 Maarten van Heemskerk, die later het grote altaarstuk voor de Grote Kerk van Alkmaar zal maken, als leerling. Er is veel bekend over Jan van Scorel omdat Carel van Mander een levensbeschrijving van hem maakte. Van Scorel speelde een belangrijke rol in de verspreiding van de Italiaanse renaissancekunst. Als student aan de Latijnse school zal hij misschien de librije wel eens bezocht hebben.

Vanaf 1582 was Adriaan Anthonisz. (ca.1543-1620) enige tijd burgemeester in Alkmaar. Hij was een wiskundige, landmeter, cartograaf en vestingbouwkundige.  Hij maakte onder andere een kaart van de Wieringerwaard. Onder zijn leiding kwamen de vestingwerken in Alkmaar gereed. Hij maakte ook vestingplannen voor Amersfoort, Harderwijk, Hasselt en Woudrichem. Zijn zonen Dirk, Adriaan en Jacob waren alledrie bekwame wiskundigen, ze namen de naam Metius aan. Zoon Adriaan (ca. 1571-1635) heeft les gehad aan de Latijnse School van Alkmaar en studeerde daarna filosofie aan de pas opgerichte universiteit van Franeker. Hij kreeg er les van onder andere Snellius. Hij vervolgde zijn studie in Leiden en werd later hoogleraar in Franeker; Descartes volgde zijn colleges. In de wetenschappelijke bibliotheek van het archief in Alkmaar (niet de librije) bevinden zich diverse werken van Adriaan Metius uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Zijn uitgaven werden verzorgd door de in Alkmaar geboren Willem Blaeu (1571-1635), kaartenmaker en uitgever in Amsterdam. Zijn broer Jacob Metius (ca.??-1628) was instrumentmaker en opticien in Alkmaar. In 1608 vroeg hij patent aan voor zijn uitvinding van de telescoop, maar een andere instrumentmaker, Lippershey, was hem enkele maanden voor. Jacob stierf in Alkmaar in 1628. Van Dirk Metius zijn geen gegevens bekend.[138]

Cornelius Jacobszoon Drebbel werd in Alkmaar geboren in 1572. Drebbel heeft mogelijk wel de Laijnse School (in Alkmaar) gevolgd maar hij heeft geen universitaire studie gedaan. Hij was een veelzijdig mens, natuurkundige, filosoof en uitvinder. Men kan Cornelis Drebbel gerust een ‘homo universalis’ noemen: zijn belangstelling ging uit naar kunst, wetenschap, politiek, alchemie, filosofie enz. en op elk gebied had hij vele contacten door heel Europa. Als jongeman kwam hij in de leer bij de beroemde graveur Hendrick Goltzius in Haarlem. In 1595 trouwt hij met een jongere zus van Goltzius. In 1597 graveerde hij een kaart van de stad Alkmaar, in 1604 vertrekt hij met zijn gezin naar Engeland. Hij maakte grote indruk aan het Engelse hof, bij koning James I. Drebbel werd vooral bekend om zijn perpetuum mobile en hij werd beroemd vanwege zijn uitvinding van de eerste onderzeeboot rond 1620. Hij overleed in Londen in 1633.

Een persoon in Alkmaar die zeker veel interesse had in hervormingsliteratuur is pater Maarten Formerius (Gerrit Jansz. van Aken), die gedurende een kleine tien jaar rector en biechtvader is geweest van het (vrouwen)klooster de Jonge Hof. Uit een visitatierapport van 18 september 1568 blijkt overigens dat de zusters niet erg blij met hem waren; hij kocht en verkocht wat hij maar wilde, was handtastelijk en was bijna dagelijks dronken, zodat hij amper in staat was de biecht te horen. Formerius werd hierna afgezet als rector. Er is een lijstje bewaard gebleven van ‘ketterse en suspecte boecken’ die de pater in het huis van zijn vriend de kistenmaker Cornelis Pietersz. verstopt had.[139] Op het lijstje staan werken van Pellicanus, Musculus, Bullinger, Calvijn, Zwingli, Brentz en Bucer, allemaal reformatorische literatuur. Enkele werken op het lijstje lijken ook in de librije aanwezig te zijn. De verborgen en verboden boeken werden aan pastoor Eilard van Waterlant gegeven. Wat er daarna met de boeken is gebeurd is niet bekend.

Allemaal mensen uit Alkmaar, die in de zestiende eeuw leefden en van wie verondersteld mag worden dat ze regelmatig de bibliotheek zullen hebben bezocht om te studeren en/of theologische, medische of andere naslagwerken te raadplegen. En ze zullen zeker niet de enigen zijn geweest, daarbij vooral denkend aan de overige studenten en docenten van de Latijnse school. Maar pas na 1600 weten we dat er veel nieuwe boeken zijn aangeschaft en ook weer verkocht. Het blijft speculeren welke boeken de Cooltuynen en de Foreesten hebben kunnen inzien in de librije. Het is ook moeilijk te zeggen wie de boeken in de zeventiende eeuw en in de eeuwen erna gebruikt hebben. Vermoedelijk vooral ook de predikanten en rectoren van de Latijnse school, mogelijk ook de stadsartsen, juristen, notarissen en andere notabelen van de stad. Je moest immers wel de Latijnse taal machtig zijn, als de bibliotheek toen tenminste dezelfde werken had als nu. Het lijkt er overigens op dat na het midden van de zeventiende eeuw de librije periodes heeft gekend waarin zij niet of nauwelijks meer gebruikt werd. In 1819 werd zij ‘opgeborgen’ in kasten in het stadhuis om aan het einde van de negentiende eeuw als museumstukken weer tevoorschijn worden gehaald.

 

De boeken van de librije

Theologie

 

Bijbels

 

De librije is in het bezit van een aantal bijbels. De oudste daarvan is de Vulgaatbijbel van de kerkvader Hiëronymus. In opdracht van paus Damasus I begon Hiëronymus in 390 aan de Latijnse bijbelvertaling, het Oude Testament uit het Hebreeuws en het Nieuwe Testament uit het Grieks. De Vulgaat dankt haar naam aan de uitdrukking versio vulgata, ‘volks Latijn’ en zij was geschreven in alledaags Latijn, toegankelijker en eenvoudiger te begrijpen dan het klassieke Ciceroniaanse Latijn. Het was de eerste en voor eeuwen de enige christelijke bijbelvertaling van het Oude Testament uit het oorspronkelijke Hebreeuws in plaats vanuit de Griekse Septuaginta. Hiëronymus kende Aramees, Hebreeuws én Grieks waardoor hij de oude manuscripten niet alleen vertalen kon, maar ook met elkaar vergelijken. In 404 kon Hiëronymus zijn levenswerk afsluiten. Het gezag van de Vulgaatvertaling was zo groot dat het tijdens het Concilie van Trente (1546) werd herbevestigd, ondanks de kritiek die er op was. Kritiek op de Vulgaat was een van de drijfveren achter de Reformatie. Erasmus, een vurig bewonderaar van Hiëronymus, was de eerste die felle kritiek leverde. Hij maakte een nieuwe Latijnse vertaling uit het Grieks van het Nieuwe Testament. De drukker en uitgever Froben gaf het werk in 1516 uit. De editie van de Biblia Latina Hieronymi die zich in Alkmaar bevindt, is niet gedateerd, maar is van voor 1480. Het werk bestaat uit vier delen op folioformaat. Het eerste blad is prachtig versierd met ingekleurde randen met bladgoud en de rubricatie is met de hand aangebracht. De banden zijn - helaas - niet origineel.

            De Biblia Regia was een prestigeobject van de beroemde Antwerpse drukker Plantijn. Plantijn kreeg van koning Filips II toestemming om een meertalige bijbel te drukken in het Hebreeuws, Grieks, Latijn, Aramees en Syrisch, op voorwaarde dat het project onder supervisie van de Spaanse theoloog Benito Arias Montano zou staan. Het is misschien wel de bekendste bijbeluitgave uit de zestiende eeuw. Het zijn vijf grote foliodelen met bijbeltekst in de verschillende talen en drie delen ‘Apparatus’: een serie wetenschappelijke verhandelingen, grammatica’s, lexica, tekstuitgaven en commentaren. Plantijn begon al in 1566 met de voorbereiding; er moesten bijvoorbeeld grote hoeveelheden oosterse lettertypes aangeschaft worden. Hij kreeg financiële ondersteuning van Filips II en de koning stuurde theoloog Montano naar Antwerpen om te fungeren als coördinator van de groep geleerden die voor de diverse teksten en commentaren zou zorgen. Plantijn ging met deze onderneming bijna failliet omdat de steun van de koning lager uitviel dan Plantijn verwachtte. Alkmaar kocht de Biblia Regia in 1632 bij boekhandelaar Hendrik Lourisz te Amsterdam voor 400 gulden. Van de vijf delen met bijbelteksten zijn er drie gerestaureerd; deel twee en drie zijn nog origineel met een perkamenten band, maar ze zijn in slechte staat. Waren ze er in 1885 beter aan toe, dat ze toen niet gelijk met de andere gerestaureerd zijn?

            Een van de twee volkstalige bijbels die de librije heeft, is de Biblia, dat is de gantsche heylighe schriftuere / grondelijck ende trouwelijck verduytschet, met seer schoone annotatien nae den Geneefschen exemplaer uyt de Fransoysche tale in de Nederduytsche sprake overgheset (...) door P.H. dienaer des goddelijcken woorts. Deze bijbel is in 1612 uitgegeven in Dordrecht. P.H. is Petrus Hackius, een Leidse predikant die leefde tot 1596. Het Nieuwe Testament is geannoteerd door Augustinus Morlatus (1506-1562), een Franse predikant. Het is een heruitgave van de Deux-aesbijbel, de eerste gereformeerde bijbelvertaling die in 1562 in Emden gedrukt is. Het werk bevat zes kaarten van Petrus Plancius (1552-1622), astronoom, cartograaf en predikant. Van Augustin Marlorat is in de librije een Nieuw Testament aanwezig: Novi Testamenti catholica expositio ecclesiastica uit 1593.

            De tweede bijbel in de volkstaal, die deel uitmaakt van de librije, is de Biblia, dat is, de gantsche heylige schrifture, vervattende alle de canonijcke boecken des Ouden en des Nieuwen Testaments / (...) uyt de oorspronckelijcke talen in onse Nederlandtsche tale getrouwelijck over-geset (...) . Het is een enorm groot, zwaar en dik boekwerk met een gerestaureerde band. Deze bijbel is gedrukt in Leiden in 1663 en er zitten zes prachtige kaarten in, onder andere een kaart waar de ligging van het paradijs tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris te zien is; als je goed kijkt zie je Adam en Eva onder een van de bomen. Ook de Ark van Noach is te zien op de berg Ararat. De kaarten zijn vervaardigd door Nicolaes Visscher (1618-1679), die in Amsterdam kaarten en atlassen publiceerde. Het is de eerste druk van een Statenbijbel in een romeinse letter, voordien werd het gotische lettertype gebruikt. De Statenvertaling verscheen in 1637 voor het eerst, in opdracht van de Staten-Generaal. De bibliotheek van het Regionaal Archief te Alkmaar (dus niet de librije) is overigens in het bezit van eenzelfde bijbel, ook uit 1663: dit is de grote kanselbijbel uit de Grote Kerk, die in 1995 door het bestuur van de Hervormde Gemeente in bewaring is gegeven. Dit exemplaar is niet gerestaureerd en heeft nog de originele leren band; de omvang is 53 bij 36 centimeter, dikte 17 centimeter. Bij het restaureren van de bijbel van de librije zijn waarschijnlijk de marges afgesneden want hij is duidelijk kleiner. De kanselbijbel weegt achttien kilo en was bedoeld om plat te liggen op de lessenaar, hij was immers te zwaar om in de handen te houden. Zulke grote bijbels zijn bedoeld als pronkstuk om op de kansel te liggen, in het zicht van de gemeente. Hij zal wel gebruikt zijn voor de schriftlezing maar in latere tijd lag de bijbel opengeslagen en legde de dominee zijn eigen, handzamere bijbel en aantekeningen voor de preek op de geopende pagina’s. Deze middelste pagina’s van de bijbel zijn dan ook beschadigd en aan de randen afgesleten. In deze kanselbijbel bevinden zich dezelfde kaarten van Nicolaes Visscher, alleen hier zijn ze prachtig met de hand ingekleurd.[140]

            Nog een bijzonder boek met bijbelverhalen en prenten is Den grooten figuer-bibel, dat is een afbeeldingh en levendighe vertooningh van alle de voornaemste historien, leeringen en ghelijckenissen der gantscher heyliger schrift, in schoone copere figueren by malkander vergadert en in order ghestelt / J.P.S. Het boek is in 1646 gedrukt door de Alkmaarse drukker Symon Cornelisz. Brekengeest. J.P.S. zijn de initialen van Jan Philipsz. Schabaelje. Voorheen molenaar te Amsterdam, kwam Schabaelje in 1624 met zijn vrouw Maritje Willems in Alkmaar wonen. Hier werd hij leraar in de Waterlandse doopsgezinde gemeente. Na een ‘affaire’ met de dichteres Judith Lubberts werd hij uit het ambt gezet. Hij begon veel te schrijven en werd later weer in zijn ambt hersteld. In 1635 was één van zijn bekendste werken De Lusthof des Gemoeds, waarvan alleen al in Holland later tachtig drukken zouden verschijnen. Het werd zelfs vertaald in het Engels en Duits en tot op vandaag wordt het werk gebruikt door orthodoxe doopsgezinden in Noord- en Zuid-Amerika. Den Grooten Figuer-Bibel bestaat uit een verzameling prenten, door Schabaelje bijeengebracht, waarbij hij zelf de bijbehorende bijbelse verhalen schreef. Het werk is uitgegeven in octavo-oblongformaat en het heeft een perkamenten band. Dit exemplaar in de librije blijkt helaas niet compleet te zijn. Er bevindt zich echter in het Alkmaars Archief nog een exemplaar van deze Figuer-bibel, dat wel compleet en zeer zeldzaam is. Het is in 1881 aan het gemeentearchief geschonken door de heer A.B. Geels. Waarschijnlijk is deze bijbel in 1966, bij de verhuizing van het archief naar de Oudegracht op zolder terechtgekomen. Een toenmalige bezoeker, Piet Visser, informeerde naar deze bijbel in verband met zijn onderzoek naar het werk van de gebroeders Schabaelje.[141] Na lang zoeken is de bijbel op de zolder teruggevonden.  In Nederland bevinden zich maar twee - minder complete - exemplaren: in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam en in het Catharijneconvent te Utrecht.[142]

            Verder bevinden zich in de librije nog een bijbelvertaling van de Franse humanistische en calvinistische theoloog Sébastien Castalion uit 1554 en een vertaling van het Nieuwe Testament van Theodorus Beza uit 1589. Beza (1519-1605) was een Frans-Zwitserse, protestantse theoloog, die een belangrijke rol speelde in de Reformatie, hij was medewerker van Calvijn. Ook vinden we een door Immanuel Tremellius (1510-1580) uit het Hebreeuws vertaalde Latijnse bijbel uit 1590, waaraan ook Theodorus Beza en zijn latere schoonzoon Franz Junius (1545-1602) hebben meegewerkt. Tremellius, joods van geboorte, was professor Hebreeuws, onder andere in Cambridge. Hij bekeerde zich ongeveer 1540 tot het katholieke geloof, maar kort daarna tot het protestantisme. Hij is vooral bekend geworden door deze bijbelvertaling. Deze bijbelboeken bestaan uit zes boeken in één band, de band is van leer met een mannenhoofd in de bestempeling.

            In de librije staan ook enkele bijbelse naslagwerken: drie concordanties (1496, 1543 en 1594) en een soort bijbelse encyclopedie uit 1506.  

 

Kerkvaders[143]

 

Patristiek is het onderdeel van de godgeleerdheid dat het leven, de geschriften en leerstellingen van de kerkvaders behandelt. De geschriften van de kerkvaders behoren zowel tot het katholieke als hervormde erfgoed: in het begin van het Christendom was de kerk nog ‘zuiver’ en er waren nog niet de misstanden die er later ingeslopen zijn, zoals de aflaathandel. In de librije zijn zo ongeveer alle kerkvaders vertegenwoordigd; er zijn zo’n 45 boekbanden met werken van en over de kerkvaders, vrijwel allemaal zestiende-eeuwse drukken. De voornaamste werken van bijvoorbeeld Augustinus, Hiëronymus, Ambrosius, Justinus en Chrysostomos zijn aanwezig.

Het werk van Aurelius Augustinus bestaat uit tien boeken in acht banden, alle rond 1540 gedrukt bij uitgeverij Froben in Bazel. Zeven banden zijn gerestaureerd, een is nog in originele staat. Aurelius Augustinus (354-430) was bisschop van Hippo Regius, een stad in het noordoosten van Algerije. Hij was een gerenommeerd predikant en een uitermate productieve schrijver. Als filosoof bekeerde hij zich op 32-jarige leeftijd tot het christendom. Hij geldt als één van de belangrijkste hekkensluiters van de Oudheid, die de antieke en vroegchristelijke erfenis hebben doorgegeven aan volgende generaties. Hij heeft grote invloed gehad op latere theologen zoals Thomas van Aquino en Calvijn en de zestiende-eeuwse Reformatie is gevormd op grond van Augustinus’ denken. In hun leer over zonde en genade grepen de hervormers weer geheel terug op Augustinus.

            De librije van Alkmaar heeft het negendelige werk van Hiëronymus in drie banden;  Ambrosius (339-397, bisschop van Milaan) is ook vertegenwoordigd in drie banden. De Opera Omnia van Johannes Chrysostomos (ca.345-407) zijn aanwezig in vijf banden, vier delen zijn in Parijs gedrukt in 1556, het derde deel is echter gedrukt in Bazel in 1530. Alleen deel vijf heeft nog zijn oorspronkelijke leren band, de andere zijn gerestaureerd. De Oosterse kerkvader Chrysostomos werd in 1568 door paus Pius V verheven tot kerkleraar, een eretitel in de Rooms-Katholieke Kerk die door het kerkelijk gezag verleend wordt aan schrijvers die uitmunten door hun heilige manier van leven, hun getrouwheid aan de kerkelijke leer en hun grote geleerdheid. Chrysostomos was een beroemd prediker en aartsbisschop van Constantinopel. Dezelfde paus Pius V benoemde ook Basilius de Grote, Gregorius van Nazianze en Athanasius van Alexandrië tot kerkleraar; ook van deze oosterse geleerden bezit de librije diverse werken. Het zijn bijna allemaal drukken uit de zestiende eeuw; meestal staat er een voorwoord of commentaar in van een contemporaine theoloog of humanist, zoals onder andere Erasmus, Petrus Nannius, Friedrich Sielburg (1536-1596), Oecolampadius (1482-1531) en Petrus Canisius (1521-1597).

            In zijn catalogus heeft De Gelder een indeling gemaakt in Latijnse en Griekse kerkvaders. Het valt op dat de 23 banden van de Latijnse kerkvaders, op enkele uitzonderingen (4) na, alle gedrukt zijn in Bazel, terwijl van de 25 banden van de Griekse kerkvaders er maar zes in Bazel zijn gedrukt. De overige komen uit Parijs (8), Keulen (5), Heidelberg (3), Genève (1), Leuven (1) en Venetië (1).

 

Katholieke boeken[144]

 

Terwijl het grootste deel van de theologische boeken in de librije van hervormde aard is, waarover straks meer, zien we ook katholieke boeken in de collectie. Van de Rooms-Katholieke kerkleraar en contra-reformator Robertus Bellarminus (1542-1621) zijn vier foliodelen aanwezig met zijn hoofdwerk Disputationum Roberti Bellarmini de controversiis christianae fidei adversus temporis haereticos uit 1601 en een folioband met zijn Judicium Roberti Bellarmini Politiani uit 1586. In zijn Disputationem verdedigt Bellarminus de Rooms-Katholieke leer tegen de aanvallen van de Reformatie. Hij had een grote aanleg voor polemiek en verdedigde de besluiten van het Concilie van Trente. Hij weerlegde de protestanten vanuit de kerkvaders en de Bijbel. De boeken zijn gedrukt in Ingolstadt (Beieren) bij het uitgevershuis Sartorius. Bellarminus is onder andere hoogleraar theologie geweest in Leuven, in 1599 werd hij kardinaal.

            Nog een contra-reformator was Stanislaus Hosius (1504-1579). Hij was een Poolse bisschop en later werd hij kardinaal in Rome. Hij nam actief deel aan het Concilie van Trente en voerde een felle pennenstrijd tegen de Reformatie in zijn moederland Polen. Het werk van Hosius uit 1562, dat in de librije aanwezig is, vormt een convoluut met De Iustitia et iure van Domingo de Soto uit 1569. De Soto (1494-1560) was een Dominicaanse priester en theoloog. In 1532 werd hij professor in de theologie aan de Universiteit van Salamanca.

Ook het werk van Friedrich Nausea (1480-1552) is sterk contrareformatorisch getint. Nausea was bisschop en geestelijk leidsman aan het Weense hof. In 1551 en 1552 nam hij deel aan het Concilie van Trente. Nausea was een groot prediker en een verzameling van deze preken is te vinden in het in de librije aanwezige Homiliarum uit 1530.

            Dat deze ‘katholieke’ boeken zich in de overwegend gereformeerde collectie van de librije bevinden, is misschien te verklaren uit het feit dat de librije een plaats van studie was, waar de doorsnee burger niet kwam. Theologen en predikanten moesten op de hoogte zijn van wat de ‘tegenstander’ schreef; bovendien gebruikten schrijvers uitvoerige citaten om de eigen argumenten kracht bij te zetten of de argumenten van de andersdenkende te ontkrachten.

 

Kerkgeschiedenis[145]

 

Ook de kerkgeschiedenis is goed vertegenwoordigd in de Alkmaarse librije. Om te beginnen is er de Ecclesiastica Historia, 10 delen in vijf banden en gedrukt van 1561 tot 1574. Het werk is samengesteld door verschillende auteurs als Mathias Flacius Illyricus (1520-1575), Johannes Wigandus (1523-1587), Mattheus Judex [Richter] (1528-1564) en Basilius Faber. Deze geschiedwerken zijn de zogenaamde Magdeburger Centurien, de eerste poging om een allesomvattende kerkgeschiedenis samen te stellen vanuit reformatorisch oogpunt. Flacius en Wigand, de initiatiefnemers van dit project, waren beiden predikant in Maagdenburg. Elke eeuw na Christus kreeg een eigen band, vandaar de naam Magdeburger Centurien.

            De librije van Alkmaar is ook in het bezit van de eerste druk van het in april 1555 verschenen Commentariorum de statu religionis et republicae, Carolo quinto Caesare van Johan Sleidanus (1506-1556). Sleidanus studeerde oude talen en letterkunde in Leuven en Keulen en rechten in Parijs en Orléans. Hij was ook diplomaat en had vele contacten onder de elite en geleerden in Europa. In 1551 vertegenwoordigde hij onder andere Strassbourg op het Concilie van Trente. De protestantse hervormer Martin Bucer (1491-1551) stelde voor om Sleidanus te benoemen tot geschiedschrijver van de Reformatie. Sleidanus’ Commentariorum beschrijft de ontwikkelingen van de Reformatie in Europa, met het zwaartepunt in Duitsland, van 1517 tot 1555. Omdat Sleidanus zich neutraal opstelde en geen partij koos voor één van beide partijen, kreeg hij zowel van katholieke als van hervormde zijde veel commentaar te verduren. Toch werd het werk, na de dood van Sleidanus in 1556, nog vaak herdrukt, zowel in het Latijn als in diverse Europese talen, in 1584 zelfs in het Nederlands door Walter Deelen. Het is een belangrijke contemporaine geschiedenis van de Reformatie, die een grote collectie belangrijke documenten uit die tijd bevat. Tot op heden wordt het werk van Sleidanus bestudeerd om een beter zicht te krijgen op de ontwikkeling van de hervorming in de eerste helft van de zestiende eeuw.

            Nog enkele kerkhistorische werken in de librije zijn onder andere de Historia ecclesiastica van Adam van Bremen (2e helft 11e eeuw) in een bewerking van Anders S. Vedel (1542-1616) uit 1579, enkele werken van Hospinianus (1547-1626), Albert Krantzius (ca.1450-1517) en Dietrich von Niem (ca.1340-1418).

 

Reformatie[146]

 

Het grootste deel van de theologische boeken van de librije heeft betrekking op de Reformatie en de godsdiensttwisten uit de zestiende eeuw. Het zijn bijbelexegeses, preken (homilieën), controversen en commentaren van reformatorische predikanten, theologen en schrijvers. Een aantal van de belangrijkste namen, of van wie er meer werken in de librije aanwezig zijn, zal ik op een rijtje zetten.

 

Calvijn (1509-1564)

Van alle theologen die uit de Reformatie zijn voortgekomen heeft niemand zoveel invloed gehad als Johannes Calvijn. Tot op de dag van vandaag is het geloof, leven en denken van reformatorische christenen in grote mate bepaald door zijn gedachtegoed. Zijn commentaar op de Bijbel, zijn brieven en preken zijn in vele talen vertaald en zijn verspreid over de hele wereld. Er wordt al eeuwen over hem geschreven en nog steeds is hij het onderwerp van academisch onderzoek. De librije van Alkmaar beschikt over veertien werken van Calvijn, in elf banden. Het zijn allemaal bijbelexegeses en -commentaren in folioformaat en allemaal in het Latijn. De jongste druk is van 1604, drie werken zijn gedrukt voor zijn dood. Een werk is gedrukt in Lyon, de rest in Genève, de stad waar Calvijn zijn eigen strak georganiseerde gemeente opbouwde. In 1559 werd de academie van Genève geopend. Uit heel Europa stroomden studenten toe waardoor het calvinisme zich internationaal verspreidde.

 

Philippus Melanchton (1497-1560)

Melanchton was in Wittenberg de rechterhand van Luther. Voor zijn twintigste gaf hij al colleges retoriek en dialectiek aan de universiteit van Tübingen en in 1518, toen hij dus nog maar 21 jaar was, werd hij benoemd aan de in 1502 gestichte universiteit van Wittenberg. Onder leiding van Maarten Luther bekwaamde hij zich in de theologische wetenschap. Als Luther verbannen is en tijdelijk verblijft op de Wartburg in Eisenach, neemt Melanchton de colleges van Luther over. In de librije bevindt zich een achtdelig werk van Melanchton. Ze zijn alle gedrukt in de jaren negentig van de zestiende eeuw, in Neustadt an der Haardt. Alle acht perkamenten banden hebben een octavoformaat, een striksluiting, twee kettinggaten linksboven en een vergulde snede. Elk deel is voorzien van een voorwoord door Christophorus Pezelius(1539-1604), een gereformeerde theoloog, die onder andere in Wittenberg gestudeerd had bij Melanchton. In zijn eigen publicaties verdedigde hij onder meer de leer van Luther.

 

Huldrich Zwingli (1484-1531)

Zwingli was een belangrijke Zwitserse reformator; hij maakte zich sterk voor het afschaffen van aflaten en van het celibaat (hij was evenals Luther getrouwd, hoewel hij monnik was) en hij stond een versobering van de kerkdienst en het avondmaal voor. Zwingli’s protest tegen de Roomse kerk was strenger dan bij Luther. Hij keerde zich tegen allerlei Roomse gebruiken, en beelden, altaren, kruisen en zelfs orgels moesten uit de kerk verwijderd worden; het ging niet alleen om de hervorming van de innerlijke geloofsbeleving, maar ook om de uiterlijke vorm. In 1529, bij een godsdienstgesprek te Marburg, werden Luther en Zwingli het over de meeste punten eens, alleen over de leer aangaande het Heilig Avondmaal bleef er een verschil van mening. In 1531, tijdens een burgeroorlog die door de roomsen gewonnen werd, sneuvelde Zwingli als veldprediker bij Kappel. Zijn werk werd te Zürich voortgezet door Heinrich Bullinger. Zwingli’s Opera zijn in de librije aanwezig in twee foliodelen uit 1581, gedrukt te Zürich. De banden zijn van leer met goudstempels erop. Het voorwoord is geschreven door Rudolf Gualtherus (Gwalter, 1519-1586). Deze Rudolf Gwalter was theoloog en hervormer; hij volgde Bullinger op als diaken in Zürich. Hij trouwde in 1541 met Zwingli’s dochter Regula. Hij was een geliefd prediker en zijn bijbelse geschriften zijn veel gedrukt en gelezen. Hij maakte veel vertalingen, Latijnse dichtwerken en geestelijke liederen. De Alkmaarse librije beschikt over zeven prekenbundels in folio van Gualtherus uit het einde van de zestiende eeuw.

 

Heinrich Bullinger (1504-1575)

Bullinger, zoon van een pastoor, brak toen hij nog geen achttien was met de kerk van Rome. Van 1523 tot 1529 was hij verbonden aan de kloosterschool te Kappel en gaf op humanistische wijze en in het Duits zijn colleges. Heel lang is Bullinger predikant geweest in de buurt van Kappel, hij preekte zes tot acht maal per week en er zijn heel veel preken van hem bewaard gebleven. Ook werd hij predikant in zijn geboorteplaats, als opvolger van zijn vader die ook overgegaan was tot de Reformatie. Evenals Luther trouwde hij met een uitgetreden non; een gelukkig huwelijk waar elf kinderen uit voortkwamen. Zoals we gezien hebben, zette hij later Zwingli’s werk voort als hoofd van de kerk van de stad Zürich. Hij wist de band tussen kerk en staat wat losser te maken en kwam in 1549 met Calvijn tot volkomen overeenstemming in de leer. Vanaf dat moment gingen de Zwingliaanse en de Calvinistische reformatie samen. In de librije bevinden zich twee convoluten met daarin vier werken van Bullinger.

 

Theodorus Beza (1519-1605)

Beza, Frans-Zwitserse theoloog, werd in 1558 de medewerker van Calvijn in Genève en na diens dood volgde hij hem op als hoofd van de predikanten. Als jonge man had Beza al faam gemaakt als maker van gedichten in het Latijn. Hij schreef onder meer een geschiedenis van het gereformeerd Protestantisme in Frankrijk en een biografie van Johannes Calvijn. Beza wordt beschouwd als de geestelijk leider van de hugenoten, de Franse aanhangers van Calvijn. In 1561 leidt hij in de katholieke kerk van Poissy een gesprek van de hugenoten met de koning van Frankrijk over geloofszaken. De besprekingen mislukken en de vervolging van de hugenoten loopt uit op de bloedige Bartholomeusnacht in 1572, toen duizenden hugenoten zijn vermoord. In de Alkmaarse librije vinden we zes titels van Beza, waaronder zijn vertaling van het Nieuwe Testament. Deze werken zijn alle in het Latijn.

 

Hieronymus Zanchius (1516-1590)

Girolamo Zanchi was een gereformeerde Italiaanse theoloog. Vanaf zijn veertiende trad hij in de kloosterorde van de Augustijnen in een klooster te Bergamo. In 1541 verhuisde hij naar een klooster in Lucca, waar hij onder de invloed van de nieuw aangestelde prior Peter Martyr Vermigli kwam, later een van de bekendste reformatoren van Italië. In 1551 werd de druk van de inquisitie te groot en vertrok Zanchius naar Bazel, waar hij Wolfgang Musculus ontmoette en later naar Genève waar hij persoonlijk kennismaakte met Calvijn en Beza. In Straatsburg werd Zanchius professor in het Oude testament aan het St. Thomascollege. Daar kwam hij in aanvaring met de Lutheraanse stadspredikant Johann Marbach. In 1568 werd hij professor in de theologie aan de universiteit van Heidelberg, als opvolger voor Zacharias Ursinus, auteur van de Heidelbergse katechismus. Later, rond 1576 werd hij nog professor in Neustadt an der Haard. In de librije van Alkmaar zijn zes werken aanwezig van Zanchius: onder andere een kwarto-uitgave uit 1598 met een van zijn bekendste werken De Natura Dei en De Tribus Elohin uit 1597, ook in kwartoformaat.

 

Peter Martyr Vermigli (1499-1562)

Van Zanchius’ leermeester Vermigli zijn vier theologische werken aanwezig in de librije. Vermigli was Augustijner monnik. In 1530 werd hij abt in het Augustijner klooster van Spoleto en in 1533 prior in Napels. Rond deze tijd las hij geschriften van onder andere Martin Bucer en Zwingli. Hij kreeg een preekverbod van Rome en vluchtte rond 1543 via Zürich en Bazel naar Straatsburg. Met de steun van Bucer werd hij daar aangesteld als professor in de theologie en hij huwde zijn eerste vrouw. Vervolgens werd hij professor in de godgeleerdheid in Oxford, maar keerde na enkele jaren terug naar Straatsburg en Zürich. Vermigli publiceerde veel theologische werken, vooral bijbelcommentaren en traktaten over de Eucharistie. Hij heeft veel invloed gehad op de Italiaanse en Engelse reformatie. De librije heeft een uitgave van In librum iudicum uit 1565, gedrukt in Zürich. Nog een werk dat deel uitmaakt van de librije is Vermigli’s Defensio doctrinae veteris & apostolicae de sacrosancto eucharistiae sacramento […], een uitgave uit 1562; zijn In duos libros Samuelis prophetae qui vulgo priores libri regum […] is aanwezig in een uitgave uit 1567, ook in folioformaat met een bestempelde perkamenten band. In dit werk staat een ‘Epistola’ van Josias Simlerus. Simlerus (1530-1576) was een Zwitserse theoloog en classicus. Toen hij veertien was ging hij naar Zürich om zijn studie te vervolgen onder leiding van Heinrich Bullinger. In 1552 werd hij benoemd tot professor in de exegese van het Nieuwe Testament in Zürich. Hij publiceerde diverse werken en de librije is in het bezit van zijn Helvetiorum Republica, dat vlak voor zijn dood verscheen. Dit werk wordt tot aan het einde van de achttiende eeuw als het belangrijkste beschouwd op het gebied van Zwitserse constitutionele zaken. Helvetiorum Republica vormt een convoluut met een werk van de Portugese humanistische bisschop Hieronymus Osorius Lusitanes (1506-1580).

 

Wolfgang Musculus (1497-1563)

Musculus is vertegenwoordigd in de librije met vier foliodelen, alle vier gedrukt bij uitgevershuis Herwagen te Bazel. Musculus was een Duitse reformatorische theoloog, die ook erg veel belangstelling had voor muziek en orgelspel. Hij speelde een rol in diverse reformatorische aangelegenheden in bijvoorbeeld Wittenberg, Worms en Regensburg. Uiteindelijk werd hij professor in de theologie te Bern. Naast zijn verdiensten ten aanzien van de Reformatie staat hij als dichter van kerkliederen en als bijbelgeleerde bekend. Drie van de in de librije aanwezige werken betreffen bijbelexegese. Het vierde boek is een eerste druk uit 1560 van zijn hoofdwerk Loci communes, een systematische samenvatting van de geloofsleer. Het exemplaar heeft een bestempelde leren band en de beide sloten zijn geheel intact. Het boek is duidelijk goed gebruikt want vooral voorin zijn er veel onderstrepingen en aantekeningen in de marges te vinden. Aan de binnenkant van het achterplat is een pagina uit een handschrift geplakt ter versteviging, bij het voorplat is dit verdwenen.

 

Johannes Brentz (1499-1570)

Van de Duitse reformatorische theoloog Johannes Brentz vinden we tien werken in vier banden in de librije. Vanaf 1514 studeerde Brentz in Heidelberg, waar onder andere Oecolampadies zijn leraar was. Hij was, samen met Martin Bucer, zeer onder de indruk van Luthers optreden tijdens diens disputatie in 1518. Sindsdien zette hij zich in voor de Reformatie. Hij werkte meerdere jaren in Hall als predikant en schreef een eerste catechismus voor de jeugd. Brentz bewerkte de kerkorde van Württenberg en richtte de universiteit van Tübingen in volgens de regels van Melanchton. In Württenberg ordende Brentz kerk en school, het klooster veranderde hij in een theologisch seminarium. Eén band in de librije bevat zeven werken van Brentz, gedrukt tussen 1542 en 1561; alle zeven betreft het bijbelexegese. Het boek bevat veel gebruikerssporen evenals de andere drie banden. Het werk Evangelion quod inscribitur secundum Joannem (1559) bevat preken (homilieën) van Johannes Brentz en de overige twee banden uit 1556 en 1557 hebben als titel In apologiam confessionis.

 

Franciscus Junius (1545-1602)

Van de theoloog en hugenoot Franciscus Junius heeft de librije ook enkele werken in haar bezit. Junius studeerde in Genève. Na diverse omzwervingen was hij van 1573 tot 1578 in Heidelberg waar hij Emmanuel Tremellius (1510-1580) assisteerde bij diens Latijnse vertaling van het Oude Testament en met wiens dochter hij trouwde. Na diverse functies in Heidelberg en Frankrijk werd Junius in 1592 benoemd tot professor in de theologie te Leiden. Hij heeft veel geschreven over allerlei theologische onderwerpen en hij stelde veel exegetische werken samen. Hij is het meest bekend geworden door zijn eigen editie van het Latijnse Oude Testament en Nieuwe Testament dat in 1590 in Genève uitgegeven is. De librije bezit één band waarin vijf delen bijbelboeken gebonden zijn, gedrukt in 1590 en geschreven door Junius, Tremellius en Beza. Het Oude Testament, Bibliorum deel twee, Bibliorum deel vier en het Nieuwe Testament zijn gedrukt in Genève, terwijl Bibliorum deel drie en de Libri apocryphi gedrukt zijn in Frankfurt-am-Main. Als ik me niet vergis, moet dit de eerste druk van Junius’ editie zijn. Er bevinden zich nog enkele werken van Junius in de librije: onder andere de Animadversionis [contra Bellarminus], één deel gedrukt in 1600 en het andere in 1602, in Leiden door Plantijn en Raphelengius én twee banden Defensio catholicae doctrinae, gedrukt in Heidelberg in 1591 en 1590. De zoon van Franciscus Junius kreeg dezelfde naam als zijn vader. Hij leefde van 1591 tot 1677. Hij was de neef van de contra-remonstrantenleider Gomarus en zwager van Vossius. Hij schreef de eerste moderne kunsttheorie en wijdde zich later aan de studie van de Germaanse talen. Hij ontsloot het Gotisch voor de geleerde wereld en maakte een etymologisch woordenboek voor het Engels. Van deze Junius zijn geen boeken aanwezig in de librije.

 

Ludwig Lavater (1527-1586)

Lavater was een Zwitserse protestantse predikant. Hij studeerde in de Klosterschule in Kappel, in Zürich, Strasbourg, Parijs en Lausanne. Daarna maakte hij een studiereis naar Italië. In 1550 huwde hij de dochter van Heinrich Bullinger. Hij overleed in 1586 in Zürich. In de librije zien we vier foliobanden van Lavater, met daarin negen werken, gedrukt tussen 1571 en 1599. Het zijn alle negen theologische werken met bijbelexegese en homilieën.

 

Naast de genoemde reformatorische theologen zijn er nog veel meer zestiende-eeuwse theologen van wie er een werk in de librije staat. Om enkele te noemen: Martin Chemnitz [Kemnicius], Luthers orthodox (1522-1586), Daniël Toussaint, Frans theoloog (1541-1602), Philippe Duplessis-Mornay [Baruch Canephius], Frans protestant theoloog (1549-1602), Benedictus Aretius,  Zwitsers gereformeerd theoloog en o.a. botanicus (ca.1522-1574), de Franse predikant/dichter Yves Rouspeau (1540-1601) en de Engelse theoloog Robbert Rollock (ca.1555-1599). Het voert echter te ver om al deze namen te gaan behandelen. Wel valt hier duidelijk uit af te leiden dat de Reformatie een zeer internationale aangelegenheid is geweest, waar theologen en geleerden uit heel Europa aan meegewerkt hebben.

 

Geneeskunde

 

Negentien banden in de librije, met daarin de werken van zo’n zestien schrijvers, hebben betrekking op de geneeskunst. Zoals al eerder ter sprake kwam zijn er drie banden van de Alkmaarse arts Pieter van Foreest (1521-1597) waarin 15 boeken van zijn Observationum et curationum, gedrukt in 1589 en 1591. Voorin elk deel staat een eigenhandig geschreven opdracht van Van Foreest. De Observationes zouden later ‘uitgroeien’ tot 28 boeken; het volledige werk werd in 1624 uitgegeven in Frankfurt. In elk boek wordt één bepaalde ziekte behandeld, zoals keel-, neus-, tong-, oog- en oorziektes, gebroken benen, ziekten aan de gelachtsorganen enzovoorts. De geneeskunst bij Pieter van Foreest staat nog geheel in het teken van de ‘humorenleer’. Bij deze methode gaat men uit van de harmonie der menselijke lichaamssappen: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Ook de geestelijke gesteldheid van een mens wordt in verband gebracht met deze lichaamssappen; ziekten ontstaan bij een verstoring van de balans van deze sappen. Van Foreest observeert niet alleen het ziektebeeld, ook de ‘omgeving’ van de patiënt wordt beschreven. Naam, bijnaam en adres van de patiënt worden genoemd en ook zijn - slechte - gewoonten. De Observationes zijn daarom ook heel interessant voor wat betreft de menselijke eet-, drink- en leefgewoonten, voorstellingen en gebruiken in die tijd. Ook oefent Van Foreest kritiek uit op ‘collega’s’, vooral op de alchemisten (de volgelingen van Paracelsus) en andere kwakzalvers, zoals de franciscanen uit de minderbroederkloosters; zonder de ziekte te kennen en vóór ze de oorzaak hebben vastgesteld, geven ze de patiënt al hun middeltjes. In de drie banden bevindt zich ook zijn werk De incerto, fallaci, urinarum iudicio (Over het onzeker en bedrieglijk oordeel der wateren). In dit werk haalt hij uit naar de zogenaamde piskijkers, die alles uit urineonderzoek menen te kunnen afleiden.[147]

            Ook al eerder genoemd is het geschenk van de zoon van rector Hobingius aan de librije, het werk van de Italiaanse arts Giammatteo Ferrari da Grado. Hij was een invloedrijke professor en leraar in de medicijnen aan de Universiteit van Padua in het midden van de vijftiende eeuw en hij behandelde zijn patiënten ook volgens de toen belangrijkste theorie van de lichaamssappen. Het boek is in 1527 in Lyon gedrukt.

            Aetius van Amida (ca. 502-575) werd geboren in Amida in Mesopotamië en studeerde medicijnen in Alexandrië, waarna hij arts werd aan het Byzantijnse hof. In zijn werken noemt hij oor-, neus-, keel-, tand- en oogziekten zoals deze beschreven zijn door voorgangers uit de Klassieke Oudheid. Mogelijk is hij de eerste medicus die in zijn geschriften de ziekte difterie noemt.[148] In de librije bevinden zich drie werken van hem in een bewerking/vertaling van Janus Cornarius (1500-1558). Cornarius was de eerste ‘Dekan’ van de medische faculteit van de universiteit van Jena. Hij was een belangrijke vertegenwoordiger van de filologische heelkunde; hij vertaalde talrijke handschriften van het Oudgrieks naar het Latijn.[149] De boeken in de librije bevatten verschillende gebruikerssporen als aantekeningen in de marges.

            Vier banden in de librije bevatten de werken van Claudius Galenus (131-201). Hij was een Romeins geneesheer, schrijver en filosoof. Na zijn studie filosofie en geneeskunde maakte hij enkele studiereizen en vestigde zich in 157 te Pergamon en werd daar arts van de gladiatoren. Later werd hij lijfarts van keizer Marcus Aurelius en vluchtte met hem naar Rome, uit angst voor de pest. Hij heeft veel geschreven: commentaren op Hippocrates, over anatomie en psychologie. Hij legde onder andere de basis voor de bereiding van geneesmiddelen uit bestanddelen van zowel planten en dieren als mineralen, die hij samenvatte in één systeem en hij werkte de leer van de lichaamssappen van Hippocrates verder uit. Pas in de zestiende eeuw werd zijn anatomie en in de zeventiende eeuw zijn fysiologie met succes bestreden.[150] De vier banden in de librije zijn gedrukt in 1562; deel drie is gerestaureerd, de andere delen hebben nog hun originele perkamenten band. In het laatste gedeelte van deel drie zijn afbeeldingen te zien van onder andere bedden en spalken. De Zwitserse geleerde Conrad Gesner (1516-1565) schreef het voorwoord in deze werken van Galenus. Gesner was een veelzijdige wetenschapper: hij was onder andere taalkundige, theoloog, medicus en natuurwetenschapper. De librije van Alkmaar bezit ook een werk van Gesner zelf: een eerste editie (1551) van het eerste deel van zijn Historia animalium. Het is een boek met meer dan duizend pagina’s over zoogdieren, met heel veel (voor die tijd) prachtige afbeeldingen van zoogdieren als verschillende soorten herten en geiten. Veel van deze houtsnedes zijn speciaal voor dit werk gemaakt. Later kwamen er nog delen uit over amfibieën en reptielen, over vogels en over waterdieren.[151] Het werk heeft een folioformaat en de band is gerestaureerd.

            Zoals eerder al vermeld is, schonk Pieter van Foreest ook een werk van de Perzisch/Iraanse medicus/filosoof Avicenna (980-1037) aan de librije van Alkmaar: Canon medicinae; De viribus cordis. Het is een incunabel uit 1479; de rubricatie is met rood aangebracht, de kopteksten zijn met de hand geschreven. Het boek heeft een folioformaat en de band is gerestaureerd. De Canon medicinae (de canon van de geneeskunde) is het bekendste werk van Avicenna en voor medici in de Middeleeuwen was dit hét standaardwerk. De librije beschikt ook nog over een werk van hem uit 1556.[152]

            Verder is de librije nog in het bezit van een werk uit 1533 van de Griekse medicus Alexander Trallianus (ca. 525-ca. 605) in een vertaling van Albanus Thorinus [Alban Thorer] (1489-1550), Zwitsers humanist en professor in de medicijnen, het Epistolarum Medicinalium van de Italiaanse arts Giovanni Manardi (1462-1635) uit 1535, het tweedelige Medicinalium epistolarum miscellanea uit 1554 en 1560 van de rector van de Universiteit van Leipzig Johannes Lange (1485-1565), het Paradoxorum medicinae uit 1535 van de Duitse arts Leonhart Fuchs en de Opera van Hippocrates (ca.460-377 v.Chr.) zijn aanwezig in de librije in een uitgave van 1526.

 

Klassieke teksten

 

De librije heeft ruim twintig banden met klassieke teksten in haar bezit, gedrukt tussen 1530 en 1605, voor het grootste deel in folioformaat. Enkele namen van schrijvers van deze Griekse en Latijnse teksten zijn in willekeurige volgorde: Cicero, Strabo, Tacitus, Livius, Pausanias, Plato, Plinius, Plutarchis, Seneca en Thucidides. Deze werken zijn allemaal bezorgd, bewerkt, vertaald en/of van commentaar voorzien door zestiende-eeuwse humanisten, classici, filologen of andere wetenschappers zoals onder andere Justus Lipsius, Casaubon, Sylburg, Heresbach, Cruserius en Gelenius. Het voert te ver in het kader van deze scriptie om al deze personen en/of werken afzonderlijk te behandelen.[153]

Het bestuderen van klassieke teksten is iets wat de humanisten in de zestiende eeuw voorstonden; dit vond zijn oorsprong in de Renaissance. Deze in de veertiende eeuw in Italië begonnen beweging verspreidde zich langzaam over de westerse wereld. Het betekende een verandering in de kunst, wetenschap, politiek en het denken over de wereld, met de klassieke Griekse en Romeinse cultuur als bron van inspiratie. In de Middeleeuwen was het bestaan van de mensen gericht op het leven na de dood; ‘memento mori’ (gedenk te sterven) was de leus. De kerk en de paus bepaalden het wereldbeeld en dit had zijn uitwerking op alle aspecten van het gewone leven. In de Renaissance kwam de mens centraal te staan en men streefde niet alleen meer naar zaligheid in het hiernamaals, maar ook naar een bevredigend aards bestaan; de leus werd ‘carpe diem’ (pluk de dag).

Renaissancegeleerden en -kunstenaars probeerden de principes van hun voorgangers te doorgronden door bestudering van hun oude teksten en kunstwerken. In hun eigen werken wilden ze zo mogelijk hun antieke voorbeelden overtreffen: imitatio en aemulatio, nabootsing en verbetering. Geleerden en kunstenaars reisden naar Italië om daar de antieke overblijfselen met eigen ogen te zien en om met geestverwanten van gedachten te wisselen. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw, toen de boekdrukkunst uitgevonden was, konden de werken van en over antieke auteurs in grote oplages verspreid worden en raakte heel West-Europa in de ban van de Klassieke Oudheid. Dit had vooral op het gebied van architectuur, beeldende kunst, schilderkunst, taal, literatuur en onderwijs grote invloed.

            Renaissancegeleerden (humanisten) bestudeerden uitvoerig de antieke literatuur om het klassieke Latijn onder de knie te krijgen. Vooral Cicero, Romeins redenaar en filosoof, was hun voorbeeld. Literaire genres als heldendicht, tragedie en komedie uit de Oudheid werd nieuw leven ingeblazen en in het onderwijs kwam het leren lezen, schrijven en spreken van klassiek Latijn voorop te staan; later kwam daar het klassieke Grieks bij. Naast deze talenkennis werd de kennis van de studia humanitas (menswetenschappen) belangrijk gevonden. Deze antieke Romeinse term duidt een pakket van vijf vakken aan, die men nodig vond voor een goede algemene vorming: grammatica, retorica, ethiek, poëzie en geschiedenis. Ingrediënten voor de ‘humanitas’ zijn een liefde voor de letteren, geleerdheid, hoffelijkheid, vriendelijkheid, goede vormen, de kunst van het gesprek en tolerantie.

            In de Middeleeuwen zijn klassieke werken al wel bekend, maar ze werden niet kritisch gelezen; er werd vaak gebruik gemaakt van (Latijnse) vertalingen, recensies, overzichten en commentaren. De humanisten wilden een zuivering van de teksten en daarvoor moest men terug naar de bronnen, ofwel ‘ad fontes’. Door het kritisch bestuderen van de oude teksten en het analyseren van het taalgebruik kon het Latijn uit de Oudheid hersteld worden. Daarom is het humanisme ook van grote invloed geweest op (het begin van) de Reformatie; door betere kennis van het Latijn en het teruggaan naar de bron kon men ook nieuwe vertalingen maken van de oude bijbelse grondteksten.

            De eerste grote humanist uit de Lage  Landen is de Groninger Rudolf Agricola (1444-1485), maar de bekendste is wel Erasmus van Rotterdam (1469-1536). Een van de belangrijkste werken van Erasmus is zijn vertaling van het Nieuwe Testament, het Novum Instrumentum. Om de bijbel in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen, moest hij Grieks leren. Het Novum Instrumentum is een boek dat een Griekse tekst van het Nieuwe Testament en een gezuiverde vertaling in het Latijn met een reeks aantekeningen bevat. In zijn Lof der Zotheid (1509) geeft Erasmus op een sarcastisch-ironische manier kritiek op de misstanden in het religieuze leven en in de kerk. Ondanks zijn verontwaardiging over de geestelijkheid heeft Erasmus nooit gebroken met de kerk van Rome.

 

Geschiedenis

 

De geschiedboeken van Pieter Bor zijn in de volkstaal geschreven en ze behandelen de geschiedschrijving van de opstand tegen Spanje: Oorsprongh, begin en vervolgh der Nederlandsche oorlogen. De librije heeft vijf banden van het werk, waarin de boeken 10 tot 37; het eerste deel (boek1-9) is niet aanwezig. Er is één deel gedateerd op 1621 en één deel op 1626; de overige drie delen zijn niet gedateerd. De banden zijn van perkament met een linnen omslag eroverheen. Apothekerszoon Pieter Christiaensz. Bor (1559-1635) was notaris te Leiden toen hij de eerste editie schreef van zijn geschiedenis. Door zijn zwager Kriep, griffier van het Hof van Holland, had hij toegang tot de archieven. In 1616 kreeg hij een officiële erkenning van de Staten van Holland en een financiële tegemoetkoming. Benoemd tot rentmeester-generaal van Noord-Holland, was hij in staat om zich volledig te wijden aan de geschiedschrijving. P.C. Hooft (1581-1647) heeft onder andere de geschiedwerken van Pieter Bor bestudeerd en gebruikt om zijn Historiën, dat in 1642 uitkwam, te schrijven.[154] De librije beschikt niet over Hoofts’ Historiën, de bibliotheek van het Regionaal Archief te Alkmaar heeft echter een uitgave uit 1677 én een uit 1703.

Een geschiedkundig werk over de geschiedenis van de Lage Landen tot 1600, is het werk La Grande Chronique Ancienne Et Moderne […], geschreven door Jean Francois le Petit (1546-ca. 1615). Tussen 1595 en 1598 was Le Petit notaris te Middelburg, waar hij zich begon toe te leggen op geschiedschrijving.[155] Het boek is in het Frans geschreven en te Dordrecht gedrukt in 1601.

In de librije is een exemplaar te vinden van de eerste uitgave (1588) van Batavia, het na zijn dood uitgegeven historische werk van de Noord-Nederlandse humanist Hadrianus Junius (1511-1575). Het werk was bedoeld als eerste deel van een groter werk over de geschiedenis van Holland. Er staan beschrijvingen in van diverse steden als Amsterdam, Gouda, Hoorn, Schagen en ook van Alkmaar. Van dit werk is in 1909 een gedeeltelijke vertaling gemaakt door G. Boot: Een seer cort doch clare beschrijvinge vande voornaemste ghemuyrde ende ongemuyrde steden ende vlecken van Holland ende West-Vriesland. Hadrianus Junius (Adriaen de Jonghe) studeerde onder andere medicijnen en filosofie in Leuven en aan verschillende Duitse en Italiaanse universiteiten. In 1563 werd hij rector van de Latijnse school van Haarlem en tevens stadsarts. Na de inneming van de stad, waarbij ook zijn bibliotheek geplunderd werd, vertrok hij 1574 naar Middelburg, waar hij stadsgeneesheer werd. Junius is ook nog de schrijver van onder andere een veeltalig systematisch ingericht woordenboek Nomenclator (1567), waarin ook Nederlandse dialectvormen zijn opgenomen. Ook schreef hij diverse dichtwerken.[156]

De librije bezit ook werk van enkele Byzantijnse kroniek/geschiedschrijvers. Het is een convoluut met daarin een werk van Zonaras, kroniekschrijver, die leefde van het einde van de elfde tot het midden van de twaalfde eeuw. Het tweede deel is een werk van de geschiedschrijver Nicetas Choniates (ca.1155-ca.1215), het derde van de geschiedkundige Gregoras (ca. 1295-1360) en het vierde deel is van Zosimus, een geschiedkundige die ongeveer 500 na Chr. leefde. Drie delen zijn bezorgd door Hieronymus Wolf (1516-1580), een Duitse historicus en humanist, die zich speciaal toelegde op Byzantijnse bronnen.

Historia B. Platinae de vitis pontificum Romanorum is een werk van de humanist en pauselijke bibliothecaris Platina (1421-1481). Het werk is gedrukt in Keulen in 1600 en het is bezorgd en van annotaties en voorwoord voorzien door de Augustijner broeder, archeoloog en geschiedkundige Onuphrius Panvinius (1530-1568). Het zijn levensbeschrijvingen van de eerste paus Petrus tot paus Clemens VIII (1423-1429). Elk hoofdstuk begint met een afbeelding (houtsnede) van de desbetreffende paus. Platina (Bartolomeo Sacchi) is overigens ook de publicist van het eerste Italiaanse kookboek: De honesta voluptate (Over het eetbare genot en gezondheid), dat in 1475 in Venetië is uitgegeven. Naast recepten bevat dit boek ook een hoofdstuk over de ethische kant van eten en tafelen. Het eerste Nederlandse kookboek is rond 1514 gedrukt door Thomas van der Noot: Een notabel boecxken van cokeryen.[157]

Het voert te ver om alle geschiedkundige werken apart te bespreken. Daarom volgt nu een opsomming van nog enkele titels die de librije rijk is. Van de augustijner monnik Bergomense [Giacomo Filippo Foresti van Bergamo (1434-1520)] is er een werk uit 1506. Van Pontus Heuterus, een van de kanunniken die in de zomer van 1572 in Gorcum gevangen werd genomen maar het drama overleefde,  heeft de librije een werk uit 1584. Verder is er een werk over de Romeinse Oudheid van de Duitse schrijver Johannes Rosinus (ca. 1550-1626) in een Bazelse uitgave uit 1583. Van de Schotse leraar en dichter Buchanan (Scotus) (1506-1582) is een uitgave aanwezig uit 1583.

 

Rechtsgeleerdheid en staatswetenschap

 

In de librije bevinden zich vijftien banden die betrekking hebben op rechtsgeleerdheid en staatswetenschap. De naam die het vaakst voorkomt, is Jacobus Cuiacius (1522-1590); tien werken van deze calvinistische Franse humanist, jurist en historicus, zijn aanwezig. Jacques Cujas is de belangrijkste vertegenwoordiger van wat werd genoemd de mos gallicus, de Franse wijze van interpreteren van de Romeinse wetboeken. De boeken van Cuiacius zijn alle te Keulen gedrukt tussen 1570 en 1590 door uitgever Johann Gymnich. In één van de banden van Cuiacius is ook een werk van de Franse jurist en Hugenoot Francois Hotman ingebonden. Het werk dateert van 1579 en is gedrukt in Lyon. Hotman (1524-1590) hoorde bij de stroming van de monarchomachen. Dit waren geleerde Hugenoten die vonden dat men als onderdaan het recht had zich tegen de vorst (tiran) te verzetten. Letterlijk betekent het woord ‘koningsbestrijders’. Een onrechtmatig heerser, die zich met geweld of bedrog van de troon had meester gemaakt, kon met alle middelen en door iedereen uitgeschakeld worden.

            Er bevinden zich vier oude drukken tussen deze categorie boeken, drie uit 1509 en één uit 1510. De Gelder geeft een uitgebreide beschrijving van deze boeken, weliswaar in het Latijn.[158] Verder is er nog een werk uit 1577 van de Franse jurist Charles du Moulin (1500-1566), een werk van de calvinistische Duitse politicus en jurist Althusius (1557-1638), een werk uit 1555 van de Franse geleerde Nicolas de Grouchy en een werk van de Italiaanse Giovanni Paolo Lancelloti (1511-1591).

 

Overige onderwerpen

 

De librije beschikt naast het al genoemde Latijnse woordenboek, dat Popco Elema aan de librije heeft geschonken, enkele taalkundige naslagwerken voor het Grieks en Hebreeuws. Voor het Hebreeuws is het een werk van de taalkundige Elias Hutter (1553-ca.1607), gedrukt in 1586 in Hamburg. Voor Grieks is er een ongedateerde, vierdelige thesaurus, samengesteld door de Parijse drukker Henri Estienne (ca.1460-1520). Deze vier delen zijn in erg slechte staat. De originele perkamenten banden zijn erg beschadigd; de ruggen liggen los en er zijn perkamenten stroken handschrift zichtbaar, die bij het binden gebruikt zijn ter versteviging.

            Ook vinden we een oude encyclopedie in de librije: het vierdelige naslagwerk van de Zwitserse geleerde Theodor Zwinger (1533-1588). Dit Theatrum Vitae Humanae verscheen voor het eerst in 1565, de banden van de librije zijn echter van 1586. De eerste twee delen zijn gerestaureerd; deel drie en vier hebben nog hun oorspronkelijke, met bestempeld leer beklede banden, bij deel drie zijn beide sloten nog intact, bij deel vier is nog één slot intact.

            De twee delen Lectionum memorabilium […] uit 1600 van Johannes Wolf (1537-1600) zijn misschien ook  te beschouwen als een soort naslagwerk. Het is een werk vol met gedenkwaardigheden door de eeuwen heen op allerlei gebied zoals politiek, historie, filosofie, wonderen, visioenen enzovoorts; het eerste deel gaat tot 1500 en het tweede deel behandelt de zestiende eeuw. Chronologisch kan informatie gezocht worden over allerlei zaken, ook over personen als bijvoorbeeld theologen. De delen bevatten heel veel gravures.

            De Vlaamse arts en botanicus Carolus Clusius (1526-1609) is in de librije vertegenwoordigd in één folioband, met daarin twee werken, gedrukt door Christoffel Plantijn in Leiden. Het eerste deel van het convoluut is een druk uit 1605 van zijn Exoticorum libri decem, waarin de exotische flora behandeld wordt. Door het hele boek heen zijn er gravures van allerlei exotische planten (waaronder bijvoorbeeld de hyacint). Het tweede deel is het eveneens in 1605 gedrukte Observationum. Ook hier diverse afbeeldingen. Van de Vlaamse arts en plantkundige Rembert Dodoens (1518-1585) is het kruidenboek Stirpium historiae in een eerste druk uit 1583 door Plantijn aanwezig.

            Tenslotte wil ik nog het oudste boek noemen uit de collectie van de librije: Ptolemeus Cosmographia, een incunabel uit 1475. Het boek heeft een oorspronkelijke perkamenten band, met kettinggaten en gaatjes voor een striksluiting. Het is een soort handleiding voor het maken van een wereldkaart; er staan veel tabellen en schema’s in. Claudius Ptolemaeus (ca. 100-ca.170) was een Griekse wiskundige, astronoom en geograaf. Zijn Cosmographia heeft grote invloed gehad, niet alleen op ontdekkingsreizen, maar ook op de cartografie. Het werk bevat de aardrijkskundige kennis van de destijds bekende wereld. Ptolemaeus introduceert bovendien een nieuwe manier van kaarttekenen. In de Middeleeuwen raakte zijn werk in de vergetelheid. Met de hernieuwde belangstelling in de Renaissance voor de kennis van de Grieken werd de Cosmographia herontdekt. Na de uitvinding van de boekdrukkunst komt het werk onder de aandacht van een groter publiek.

 

De hervorming in Alkmaar[159]

 

Voordat Luther aan het begin van de zestiende eeuw in beeld kwam, waren er in de Middeleeuwen al diverse personen en groeperingen geweest die opriepen tot zuivering en inkeer van het geloof en die kritiek uitten op de handel en wandel van de geestelijken. De waldenzen en later de Franciscanen pleitten bijvoorbeeld al voor eenvoud en armoede, in navolging van Christus en voor het lezen van de Bijbel door de leken zelf. Het religieuze leven stond in het teken van verslapping en in het kerkelijk gezag heerste onderlinge verdeeldheid; aan het begin van de veertiende eeuw hadden de pausen Rome verlaten en zich gevestigd in Avignon. Vele jaren waren er zelfs twee pausen, ondanks diverse concilies die bedoeld waren om de kerk weer op het rechte spoor te zetten. De paus, kardinalen en bisschoppen leefden in weelde en de priesters waren slecht opgeleid.

            Zoals elders in Holland bestond er, ook in Alkmaar, sympathie voor de kritiek die Luther op de kerk uitte; men was wel geïnteresseerd en zijn boeken en geschriften werden wel gelezen, maar dit bracht eerst nog geen grote veranderingen met zich mee. Rond 1530 was er wel een actieve wederdoperbeweging in Alkmaar. Toen Jan Matthijsz. in 1534 in Münster een duizendjarig rijk stichtte (een nieuw Jeruzalem), trokken veel Hollanders, waaronder ook Alkmaarders daarheen. Tussen 1535-1545 werden de wederdopers hevig vervolgd; mannen werden onthoofd, vrouwen verdronken. Er zijn diverse terechtstellingen bekend, die in Alkmaar plaatsgevonden hebben; bij de Kaksloot zijn wederdopers onthoofd en op de vuilstortplaats op de Ropjeskuil werden mensen verbrand; vrouwen werden verdronken in een vat in de Mient. Toen rond 1540 Menno Simons de ‘voorman’ werd van de wederdopers (mennonieten) en zich pacifistisch opstelde vanuit zijn gemeente in Emden, kreeg de beweging meer succes; er bestond in Alkmaar na 1550 al een doopsgezinde gemeente. In 1572, toen Alkmaar helemaal over was gegaan naar de gereformeerde kerk, moesten alle weerbare mannen gerekruteerd worden in verband met de dreiging van een inval van de Spaanse troepen. De nieuwe omwalling moest verstevigd worden en omdat de pacifistische mennonieten weigerden onder de wapenen te gaan, werden zij aan het steenbikken gezet bij het voormalige clarissenklooster.

            Na 1550 vond de hervormingstheorie van Calvijn steeds meer ingang in de Lage Landen, met name in Holland. Waren het bij de wederdopers vooral arme en eenvoudige mensen die in de beweging hun heil zochten, in de gereformeerde beweging waren vooral vooraanstaande burgers en mensen met een goede opleiding van de partij. Het was voor de katholieke overheid een enorme bedreiging; Calvijn erkende onder andere dat men in verzet mocht komen tegen een tirannieke overheid.

            Drie Alkmaarse mannen waren van belang voor de ontwikkeling van de gereformeerde kerk in Holland (en dus ook in Alkmaar): Laurens Jacobsz. Zas, Cornelis Cooltuyn en Jan Arentsz. De eerste twee zijn ook al ter sprake gekomen in het hoofdstuk ‘Wie lazen de boeken van de librije?’. Laurens Zas, rector van de Latijnse school, was al vroeg geïnteresseerd in de ideeën van de hervormers. Hij kende als geen ander de geschriften van de kerkvaders en hij was het die Cornelis Cooltuyn de ogen opende voor de misstanden in de katholieke kerk als de aflatenhandel en de slechte opleiding en geringe bijbelkennis van de priesters. Cooltuyn ontvluchtte Alkmaar in 1558 omdat de inquisitie hem op de hielen zat. Vanuit Emden verzocht hij in 1559 zijn Alkmaarse vriend en mandenmaker Jan Arentsz. om de bediening van de ‘gemenen van Hollant’ op zich te nemen, welk verzoek Arentsz. inwilligde. Cornelis Cooltuyn wordt later beschouwd als een van de belangrijkste figuren in de ontwikkeling van het Noord-Hollandse protestantisme.

Vanwege de strenge vervolging van ‘ketters’ was Jan Arentsz. genoodzaakt in het geheim te werken (‘onder het kruis’). Rond 1565 werd hem de grond in Alkmaar te heet onder de voeten en vestigde hij zich in Kampen. Niet opgeleid tot predikant en mandenmaker van beroep, was Jan Arentsz. een charismatisch, welbespraakt iemand die goed was onderlegd in de Heilige Schrift. Toen in 1566 de overheid het strenge beleid tegen de gereformeerden tijdelijk versoepelde, hield hij, op zondag 14 juli in het openbaar op een weiland in de buurt van Hoorn, zijn eerste hagepreek. Op 21 juli preekte hij op een akker bij Alkmaar en in de daaropvolgende maanden in de meeste dorpen en steden langs de Zuiderzee, van Enkhuizen tot Kampen, bij Haarlem en Amsterdam. Duizenden toehoorders stroomden toe om te horen wat de mandenmaker te vertellen had; niet alleen volgelingen van het nieuwe geloof maar ook andere min of meer (rooms-katholieke) geïnteresseerden.

            Begin september 1566 drongen beeldenstormers de Sint Laurenskerk van Alkmaar binnen; gildeleden waren nog bezig hun altaren in veiligheid te brengen. De vernielingen in de Grote Kerk lijken echter te zijn meegevallen; het orgel, de tombe van graaf Floris en het grote altaarstuk van Maarten van Heemskerk bleven in elk geval gespaard. Wel werd in de kapel van het Heilige Geesthuis het zevenluik ‘De zeven werken van barmhartigheid’ van de Meester van Alkmaar met een mes zwaar toegetakeld. De Laurenskerk ging vlak voor Kerstmis weer open en ongeveer tegelijkertijd hielden de gereformeerden het eerste protestantse avondmaal in een schuur op de Geest. Deze situatie duurde echter maar enkele maanden: door de naderende komst van de Hertog van Alva zagen eind april 1567 tientallen Alkmaarse hervormingsgezinden zich genoodzaakt te vertrekken naar veiliger oorden, de meesten waarschijnlijk naar Emden. Jan Arentsz., ondertussen voorganger van de Amsterdamse gereformeerde gemeente, vluchtte ook naar Emden en verbleef daar tot 1573; daarna keerde hij terug naar zijn geboorteplaats Alkmaar als predikant. Hij was de medeorganisator van de synode van Alkmaar, begin april 1573, maar niet lang daarna in datzelfde jaar, toen de stad belegerd was door Spaanse troepen, overleed hij.

            Toen Alkmaar zich in 1572 voor de prins had verklaard, keerden de gereformeerde ballingen terug. De katholieke bestuurders van de stad werden aan de kant geschoven en de Laurenskerk werd nieuw ingericht en geschikt gemaakt voor de gereformeerde diensten. Nu waren het de katholieken die niet meer in het openbaar hun geloof konden belijden. Vijf monniken uit het franciscaner klooster werden gevangen genomen en de volgende dag in Enkhuizen opgehangen; het waren de eerste rooms-katholieke martelaren in de Nederlanden. Katholieke priesters liepen over naar het nieuwe geloof of vluchtten naar Amsterdam, dat nog tot 1578 katholiek zou blijven. De ondergedoken pastoor van de Laurenskerk, Eilard van Waterland, werd in 1573 verraden en gevangengenomen. Hij werd ter dood veroordeeld en samen met zijn kapelaan op de Stenenbrug opgehangen.

            Het is opvallend dat in januari 1587 de Hervormde gemeente maar 159 mannelijke en 281 vrouwelijke leden had. Het totale bevolkingscijfer van Alkmaar moet toen ongeveer 5000 zijn geweest.[160] Mogelijk is de onderlinge verdeeldheid tussen de gereformeerden hier de oorzaak van; de twisten bereikten hun hoogtepunt rond 1610: de al eerder vermelde strijd tussen de contraremonstrantse dominee Hille en zijn remonstrantse collega Venator.[161]

            Het aantal lutheranen in de Noordelijke Nederlanden nam pas toe met de val van Antwerpen in 1585, toen vele hervormingsgezinden vluchtten voor het oorlogsgeweld en naar het noorden uitweken. De katholieken beleden nu hun geloof ‘onder het kruis’ en lange tijd moesten ze zich ‘behelpen’ met schuilkerken.

 

Conclusies

De vraag naar het ontstaan van de librije van Alkmaar is niet met zekerheid te beantwoorden. Toen aan het einde van de vijftiende eeuw de Latijnse school onder leiding van vooraanstaande humanisten uitgroeide tot een school voor zo’n 900 studenten aan het begin van de zestiende eeuw, zal er vermoedelijk wel een bibliotheek aanwezig geweest zijn. Maar of er na de plunderingen van de West- Friezen in 1517 boeken overgebleven zijn, is niet te achterhalen. In de librije zijn 19 banden aanwezig die ouder zijn dan 1517, maar dat wil niet zeggen dat deze werken toen al in de bibliotheek aanwezig waren.

            De oorsprong van de collectie kan ook gelegen zijn in het mogelijke boekenbezit van de Grote Kerk. Daar was immers een ruimte gecreëerd boven het voorportaal, dat als librije aangeduid werd. Veel kerken hadden wel een aantal religieuze werken in hun bezit, zoals bijbels en evangelies, boeken die de geestelijken konden gebruiken voor studie of om de preek voor te bereiden. Later kan deze verzameling uitgebreid zijn met werken die door confiscatie uit de kloosters van Alkmaar verkregen waren, maar ook hier zijn geen duidelijke sporen van te vinden. Gedurende de godsdiensttwisten, die zich ook in Alkmaar hebben voorgedaan, kunnen mogelijk religieuze (hervormde of roomse) boeken verloren zijn gegaan, hoewel er van een boekverbranding in Alkmaar niets bekend is. Het is ook mogelijk dat de boeken van de librije tijdelijk op een veilige plek opgeborgen zijn, in het stadhuis of in de Latijnse school, voordat ze in 1594 weer op hun oude plek in de kerk teruggezet zijn. De collectie zou toen uitgebreid zijn met boeken over allerlei onderwerpen. Dit zou verband kunnen houden met de verhuizing van de Latijnse school naar een andere locatie in 1595. Het boekenbezit van de school kan toen samengevoegd zijn met de kerkelijke collectie.

            Zoals gebruikelijk bij de meeste bibliotheken was de librije beslist niet bedoeld voor ‘de gewone man’; hij kende geen Latijn en de inhoud zal zijn belangstelling niet gehad hebben. Waarschijnlijk waren het vooral de leraren van de Latijnse school (en in mindere mate de leerlingen) en de predikanten die gebruik maakten van de boeken. Voor de stadsartsen was er een aantal medische boeken aanwezig en de stadsbestuurders konden in de librije terecht voor werken over rechts- en wetgeleerdheid. Gebruikerssporen in de boeken treffen we maar bij een relatief klein aantal aan, zodat weinig met zekerheid gezegd kan worden. Vanaf ongeveer 1605 was er een sleutelcontract opgesteld, waardoor er toen nog maar zeer weinigen toegang hadden tot de stadsbibliotheek.

            Er zijn slechts enkele schenkingen aan de librije bekend en uit de stadsrekeningen komt niet naar voren dat de librije de beschikking had over een vast (jaarlijks) budget om de collectie uit te breiden; wel kregen de rectoren een vergoeding voor het toezicht dat ze op de bibliotheek hielden. Begin zeventiende eeuw is er twee maal voor meer dan vierhonderd gulden uitgegeven om boeken te kopen op Leidse veilingen en in 1632 is er vierhonderd gulden uitgegeven voor de Biblia Sacra. Daarna is de collectie amper meer gegroeid. Of er in 1633, toen de scholarchen toestemming kregen om boeken te ‘ruilen’, een verandering in het boekenbestand is geweest, is tot nu toe niet duidelijk.

            De librije van Alkmaar is vooral een humanistische bibliotheek met de nadruk op hervormingsliteratuur: klassieke teksten en geschriften van de kerkvaders worden vrijwel alle bezorgd, becommentarieerd of van een voorwoord voorzien door (calvinistische of lutherse) contemporaine humanisten en het grootste deel van de collectie bestaat uit eigentijdse werken en commentaren van reformatoren. De christelijke (hervormingsgezinde) humanisten die als leraar of rector verbonden waren aan de Latijnse school zullen het culturele klimaat in Alkmaar voor een groot deel bepaald hebben. Later, aan het begin van de zeventiende eeuw, waren het de gereformeerde predikanten die samen met het hervormde gemeentebestuur bepaalden welke werken aangekocht zouden worden voor de librije.

            Vanaf het midden van de zeventiende eeuw tot aan het einde van de negentiende eeuw is er weinig belangstelling voor de bibliotheek en decennialang is zij dan ook ernstig verwaarloosd; pas bij de oprichting van het Stedelijk Museum van Alkmaar wordt er een (Latijnse) beschrijving gemaakt van de werken en krijgen meer dan 100 boeken een nieuwe band.

            Deze studie van de librije van Alkmaar heeft hopelijk een tipje van de sluier opgelicht omtrent de ‘geheimen’ van deze eeuwenoude stadsbibliotheek. Het zou mooi zijn als door verder onderzoek van bijvoorbeeld de banden (kettinggaten, bestempeling enz.) en gebruikerssporen nog meer aan het licht komt over hoe en wanneer de werken in de collectie zijn terechtgekomen. Het uitgebreid beschrijven van de werken is een tijdrovend karwei; binnenkort gaat een nieuwe studentenwerkgroep Boekwetenschap hiermee verder. Mogelijk dat de resultaten hiervan weer nieuwe gezichtspunten opleveren over het ontstaan, groei en herkomst van de boekencollectie.

 

Bibliografie

Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon (BBKL), Internet juli 2007 <http://www.bautz.de/bbkl>

Bitter, P. en L. Noordegraaf, De Sint Laurens in de steigers: bouwen, beheren en restaureren van de Alkmaarse Grote Kerk, Hilversum, Verloren, 2002, (Alkmaarse historische reeks; 11).

Branden, F.J. van den, en J.G. Frederiks, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891), Internet november 2006, http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=camp004

Bruinvis, C.W., ‘Rutgerus Ouwens’,in: Navorscher, nr.6 (1856), pag. 156.

Bruinvis, C.W., ‘De bouw en versiering der St. Laurens- of Groote Kerk te Alkmaar’, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem, 1904, p. 192-236.

Bruinvis, C.W., Catalogus der nieuwe bibliotheek van het Stedelijk Museum te Alkmaar, Alkmaar, Coster, 1880-1904, derde gedeelte 1904.

Busken Huet, Cd., Litterarische fantasien en kritieken. Deel 1, in zijn verhandeling over Hubert Kornelisz Poot, pag. 84. Internet juli 2007 <http://www.dbnl.org/tekst/busk001litt01_01/busk001litt01_01_0005.htm>

Cox, J.C.M., e.a., “Onse heerlijcke Stadt-huys binnen Alcmaer”: de geschiedenis van het stadhuis van Alkmaar, Alkmaar, gemeente Alkmaar, 2004.

Drunen, H. van, Geschiedenis van de Grote of Sint Laurenskerk te Alkmaar, Alkmaar, Kerkvoogdij, 1977.

Elberts, W.A., ‘Levensbericht’ in: Jaarboek van de Nederlandse Maatschappij der Letterkunde, 1890, Internet november 2006   <http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189001_01/index.htm>

Fasel, W.A., ‘Alkmaar en zijn geschiedschrijvers tot aan het jaar 1800’ , in: Alkmaars jaarboekje, jrg. 5 (1969), p. 22-38.

Fasel, W.A., Alkmaar en zijne geschiedenissen: kroniek van 1600-1813, Alkmaar, Vereniging Oud Alkmaar, 1973.

Gelder, H.E. van, ‘Alkmaarse historie in vogelvlucht’, in: Alkmaarse opstellen, Alkmaar, 1960.

Gelder, J.J. de, Bibliographische en Wetenschappelijke Catalogus der Oude Bibliotheek van Alkmaar, Alkmaar, Coster, 1868.

Groenland, J.A., Een humanist maakt school: de onderwijsvernieuwer Joannes Murmellius (ca. 1480-1517), 2 dln., s.l., J.A. Groenland, 2005. (Proefschrift Universiteit van Amsterdam 2006).

Heijningen  de Zoete, J.C. van, Dr. J.J. de Gelder en zijn Paedagogium te Leiden. Leiden, januari 1986. (scriptie R.U.L.)

Joustra, M., ‘De kanselbijbel uit de Grote of Sint Laurenskerk te Alkmaar’, in: Oud Alkmaar, jrg. 26, nr. 1, 2002, p. 1-14.

Knuttel W.P.C., ‘Levensbericht’in: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlansche Letterkunde, te Leiden, over het jaar 1889-1890, in het gebouw van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, E.J. Brill, Leiden 1890. Internet november 2006  <http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189001_01/_jaa002189001_01_0018.htm>

Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, (1846), Utrecht, Kemink en Zoon, 1846, pag. 294.

Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, (1848), Utrecht, Kemink en Zoon, 1848, pag. 254 -255.

Leeuwen,G. van, ‘Levensberigt van Mr. Jan Andries Kluppel, Alkmaar, maart 1863’. In: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 18 junij 1863, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen te Leiden, pag. 75 e.v., Internet november 2006 <http://www.dbnl.nl/tekst/_jaa002186301_01/_jaa002186301_01_0015.htm>

Molhuysen, P.C. e.a., Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Sijthoff, Leiden 1930.

Noordegraaf, L. (eindred.), Glans en Glorie van de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens, Hilversum, Verloren, 1996, (Alkmaarse historische reeks; 10).

Pleij H., ‘Lezende leken, of: lezen leken wel? Tekst, drukpers en lezersgedrag tussen middeleeuwen en moderne tijd’, In: Bladeren in andermans hoofd, Nijmegen, Sun, 1996, p. 50-66.

Plenckers-Keyser, G.I., ‘Jan Philipsz. Schabaelje en Den Grooten Figuer-Bibel’, in: Archivaria, 1989, nr.1, p. 8-11.

Plenckers-Keyser, G.I., ‘Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992’, in: Archivaria, 1992, nr. 1/2, p.19-25.

Plenckers-Keyser, G.I., Concordans met aantekeningen op de Latijnse Bibliotheek van Alkmaar, Alkmaar, Regionaal Archief, 1992.

Plenckers-Keyser, G.I. en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’. In: Glans en Glorie van de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens. Eindred. L. Noordegraaf. Hilversum, Verloren, 1996, p. 263-274. (Alkmaarse historische reeks; 10)

Poot, H.K., Gedichten. Deel 2., 1728, Bijschriften, pag. 435. Internet juli 2007 <http://www.dbnl.org/tekst/poot001gedi02/>

Roskes, M., Inventaris van de archieven van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht 1845-1969 en het Nederlands Comité voor Geschiedkundige Wetenschappen 1928-1969, Archief Utrecht, toegang 62,  inv.nr. 105.

Scheltema, P., Inventaris van het archief der gemeente Alkmaar, Alkmaar, Coster, 1869.

Schneiders, P., Nederlandse bibliotheekgeschiedenis, van librije tot virtuele bibliotheek, Den Haag, NBLC Uitgeverij, 1997.

Stedelijk Muzeüm, te Alkmaar. Verslag over het jaar 1875, Alkmaar, Hermans. Coster & Zoon, 1876.

Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1867, Alkmaar, Herms. Coster & Zoon 1868, pag. 31-32.

Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1870,  Alkmaar, Herm. Coster en Zoon, 1871, pag. 36-37.

Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1886, Alkmaar, Herms. Coster & Zoon 1868, pag. 32.

Vis, G.N.M., ‘Cornelis Cooltuyn en Jan Arentsz. De Reformatie in Enkhuizen en omstreken in de jaren 1555-1566’, in : Steevast, 1966, p. 45-57.

Vis, G.N.M. 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 1341 – 1991: hoofdstukken uit de geschiedenis en voorgeschiedenis van de Alkmaarse zieken- en gezondheidszorg, Alkmaar [etc], Medisch Centrum Alkmaar [etc.], 1991.

Vis, G.N.M., Jan Arentsz, de mandenmaker van Alkmaar, voorman van de Hollandse reformatie, Alkmaar [etc.], Christelijke Scholengemeenschap Jan Arentsz [etc.], 1992.

Vis, G.N.M., Cornelis Cooltuyn (1526-1567), Hilversum, Verloren, 1995.

Vis, G.N.M, ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’, in: Gewina, jrg. 21 (1998), p. 65-80.

Vis, G.N.M. en J.J. Woltjer, ‘De predikanten in Holland in 1566’, in: Nederlands Archief voor kerkgeschiedenis, jrg. 80 (2000), nr.1, p. 20-45.

Visser, A. Gedenkboek ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Murmellius-gymnasium 1381-1904-1954, Alkmaar, Het Curatorium, 1954.

Visser, P., Broeders in de geest: de doopsgezinde bijdragen van Dierick en Jan Philipsz. Schabaelje tot de Nederlandse stichtelijke literatuur in de zeventiende eeuw, Deventer 1988.

Voorst, A. van. De Bibliotheca Enchusana. De librije van Enkhuizen en haar plaats in de stedelijke samenleving (1590-1690), Tilburg, 2004. (doctoraalscriptie Universiteit van Utrecht).

Winkel, J. te, De ontwikkelingsgang der Nederlansche letterkunde III, Haarlem, 1923, p.271 en volgende, internet augustus 2007, <http://www.dbnl.nl/tekst/wink002ontw03_01/wink002ontw03_01_0019.htm>

Wortel, T.P.H., ‘Alkmaar in de glans van “de gouden eeuw”’, in: De Speelwagen, 1954, p. 117.

Wortel, Th.P.H., Oud Alkmaar, Nieuwendijk, De Forel, 1970.

Woude, C. van der, Kronyk van Alcmaer met zijn dorpen, Alkmaar, 1645.

 

 

websites

 

http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/librije [projectwebsite]

 

http://www.dbnl.nl/

 

http://nl.wikipwdia.org/wiki/Geschiedenis_van_Alkmaar

 

http://www.murmellius.com.

 

http://www.murmellius.com/murmellius/lezingAlkmaar.jsp

 

http://home.wanadoo.nl/aijbema/geref.htm 

 

http://www.bautz.de (BBKL)

 

http://www.bkvu.nl/Bestanden%20BKvU/BKvU182.pdf

 

http://kerkgeschiedenis.web-log.nl/

 

http://www.meetingpoint.org/jc/jcursin.htm

 

http://wikipedia.org/wiki/Christendom_van_A_tot_Z

 

http://pages.slu.edu/student/obanionp/

 

https://www.kcl.ac.uk/depsta/iss/library/speccoll/exhibitions/gsci/med2.html

 

http://www.med.uni-jena.de/klinikmagazin/historie/historie.htm

 

http://www.planet.nl/planet/show/id=884675/contentid=618743/sc=2738e5

 

http://www.polybiblio.com/blroot/5062.html

 

http://www.degrotecavia.nl/gessner.html

 

http://www.iranchamber.com/personalities/asina/abu_ali_sina.php

 

http://www.dbnl.nl/tekst/bork001nede01/bor_001.htm

 

http://www.dbnl.nl/tekst/bran038biog01_01/bran038biog01_01_3179.htm

 

http://www.dbnl.nl/tekst/bork001nede01/juni002.htm

 

http://www.engelfriet.net/Alie/Aad/erasmus.htm

 

http://www.bibliopolis.nl/

 

http://cf.hum.nl/bookmaster/

 

http://www.uba.uva.nl/gw/vakgebied_nederlands.cfm

 

http://www.erasmus.org/

 

http://www.ubka.uni-karlsruhe.de/kvk.html

 

http://www.ichthustref.nl/

 

http://drukkers.library.uu.nl/

 

http://www.uni-mannheim.de/mateo/desbillons/aport.html

 

http://www.metius.nl/Newweb/Vereniging/Frames/frame_Metius_.html

 

 

Bijlage I

 

Chronologie van de librije

 

 

1468                De toren van de Laurenskerk stort in op 29 oktober.

 

1470                Begin van de bouw van een nieuwe kerk, de Grote of Sint Laurenskerk.

 

1508                           Op 28 maart breekt brand uit in de in aanbouw zijnde kerk; twee orgels en ‘de schuit’ worden verwoest, maar de nieuwbouw blijft gespaard.

 

va 1513           De Latijnse School, onder het rectoraat van Murmellius, beleeft haar bloeiperiode.

 

1517                           Karel van Gelder en zijn Gelderse Friezen plunderen Alkmaar.

 

1520                Voltooiing van de bouw van de Grote of Sint Laurenskerk. Ook het stadhuis komt gereed.

 

1545                Eerste vermelding van de librije. Het Memoriaalboek van het Regionaal Archief Alkmaar vermeldt het orgel ‘grenzend aan de librije’.

 

1578                Rector Popko Elema schenkt een driedelige Latijnse thesaurus aan de stadsbibliotheek.

 

1591                Pieter van Foreest schenkt de librije een geneeskundig werk van Avicenna, een incunabel uit 1479 en zijn eigen Observationem et curationum medicinalium.

 

1594                De librije wordt ‘op haer oude plaetse aen ’t suyden van de Groote kercke weder opgericht ende met vele heerlijcke boecken van verscheyden materie versien ende vermeerdert, tot grooten gherief van die burgherije ende studenten’ (zoals vermeld op een historieprent uit 1630).

 

1596                Pieter van Foreest schrijft een voorwoord voor één van zijn werken terwijl hij zich in de librije bevindt.

                        Hark Janszoon van Houten koopt ‘eenige boeken’ op de veiling van de bibliotheek van Jeremias Bastingius.

 

1598                Rechtsgeleerde Pancras van Castricum schenkt De tota graecia van Pausanus aan de stadsbibliotheek.

 

1601                Op een veiling in Leiden wordt voor ruim 400 gulden boeken aangekocht.

 

1605                Eerste ondertekening van het sleutelcontract door Doeze Medenblick.

 

1607                Er wordt opnieuw voor meer dan 400 gulden boeken gekocht in Leiden.

 

1621                De sleutels zijn ‘verandert’.

 

1625                Holland vaardigt een gewestelijke ‘schoolordre’ uit.

 

1630                Historieprent met daarop de mededeling dat de librije in 1594 ‘wederopgericht’ is. (zie 1594)

 

1631                Laatst vermelde datum op het sleutelcontract bij de ondertekening door Nicolas van Bije.

 

1632                Aankoop van de ‘Biblia Regia’ voor 400 gulden.

 

1633                Vermelding in de vroedschapsresoluties dat de ‘heeren scholarchen’ toestemming krijgen om ‘superflue’ boeken te verkopen en voor de opbrengst nieuwe te kopen.

 

1634                Op een contract voor Tiberius Puteanus, rector van de Latijnse school, staat vermeld dat hij toezicht moet houden op de stadsbibliotheek.

 

1638                Uit een instructie van de toenmalige rector van de Latijnse school Reinerus Neuhusius blijkt dat hij zich ook bezighield met de librije.

 

1645                In de kroniek van Van der Woude: ‘Al daer men sien, ende bequamelyck lesen, ende uyt Copieren mach meer als 360. Excellente fraye gebonden boecken: meest in ’t Latijn al te samen aen kettingen vast gesloten”.

 

1704                De graaf van Antoing bezoekt de librije. De librije was zo vuil ‘dat hij zijne kleederen moest doen reinigen’.

 

1712                Een handschrift, dat zich bevindt in de Koninklijke Bibliotheek, uit vermoedelijk 1712, bevat een (kopie) van een catalogus van de librije van Alkmaar.

 

1714                Is de librije ‘vermaakt’ schrijft Eikelenboom in zijn aantekeningen.

 

1730                Rond dit jaar maakt rector Ouwens een handgeschreven catalogus.

 

1739                Bontius de Waal schrijft de catalogus uit 1712 over.

 

1745                Pastoor Wilhelmus Kleeff bezoekt de boekerij en vindt haar zeer in verval geraakt en aangevreten door ongedierte, blijkt uit een geschrift uit 1750, waarin hij ook de catalogus van Bontius de Waal kopieert.

 

1764                Volgens resolutie van Curatoren en Wethouderschap is de rector van de Latijnse school ‘belast met de zorg om ten minsten 4 maal des jaars de Bibliotheek te gaan zien’.

 

ca.1800           Twee van Bontius de Waal gekopieerde catalogi.

 

1819                De librije wordt geïnventariseerd en verhuist van de Grote Kerk naar de charterkamer in het stadhuis. De kettingen (en knoppen) worden er afgehaald.

 

1868                Rector De Gelder publiceert een gedrukte wetenschappelijke catalogus.

 

1875                De boeken worden verhuisd naar het pas opgerichte Stedelijk Museum in de Breedstraat. Ruim honderd banden worden gerestaureerd. De boeken van de librije worden ‘gemixt’ met de boekverzameling van het museum.

 

ca.1920           Rond dit jaar wordt de librije gereconstrueerd met behulp van de catalogi van Ouwens  en De Gelder.

 

1966                De boekencollectie komt onder beheer van het Gemeentearchief en verhuist naar de Oudegracht.

 

1992                Verhuizing van de boeken naar de Hertog Aalbrechtweg. De collectie wordt gecontroleerd en opnieuw beschreven.

 

                       

 

 

 

 

Bijlage 2

 

Boekenlijst

Verantwoording

 

Deze lijst van boeken vermeldt alleen gedrukte werken. Enkele handschriften, die mogelijk bij de librije horen, zijn buiten beschouwing gelaten.

In de lijst zijn de titels vaak flink ‘ingekort’ om de tekst te laten passen in een niet te groot kader van het schema. Ik heb me hierbij laten leiden door de catalogus van De Gelder en de titellijst van het Regionaal Archief van juli 2006; deze lijst is zeker niet overbodig geworden. De volgorde van de titels is dezelfde als die in de lijst uit 2006; dit is de volgorde zoals de banden in de kasten in het Regionaal Archief opgesteld zijn.

            De Latijnse namen van uitgevers en drukkersplaatsen zijn ‘vertaald’ om zo een uniform geheel te krijgen; bij de namen van de auteurs is dit ook zoveel mogelijk gedaan. Voor de trefwoorden heb ik gebruik gemaakt van de indeling bij De Gelder; waar mogelijk heb ik het trefwoord specifieker gemaakt.

            De rubriek ‘namen’ is verre van volledig. Soms waren er zo veel voorwoorden, opdrachten of gedichten in het voorwerk dat het niet doenlijk was ze allemaal te noteren; in de rubriek ‘opmerkingen’ staan onder andere de ‘vertaalde’ personennamen; zoveel mogelijk zijn de leefjaren en de functie van de betreffende persoon erbij vermeld. Hopelijk kan deze lijst van pas komen bij verder onderzoek naar en beschrijving van de boekbanden van de librije; mogelijk kan de lijst uitgebreid of verbeterd worden met verdere ‘uitkomsten’ van het onderzoek.


 

[1] RAA, DTB 38, fol. 1 v.

[2] Corte en waerachtige beschrijvinge der stadt Alcmaer, mitsgaders de belegeringe geschiet in ’t jaer 1573: ende oock vande destructie der oude stadt Vroon. Hoofd-letters tal-dicht, op de belegerde stadt Alcmaer gemaeckt. Alcmaer: Jan Volckertsz., [1630]. RAA, Bibliotheek THA.

[3]C. van der Woude, Kronyk van Alcmaer met zijn dorpen, Alkmaar, 1645, p. 81.

[4] http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/librije

[5] Zie de bijdrage van Piet Verkruijsse over de boekbanden op de projectwebsite.

[6] C.W. Bruinvis, 1904, p. IX.

[7] Zie : www.bibliopolis.nl/handboek/HBB_index_1460_1585.html

[8] Zie voor o.a. afbeeldingen van een kettingbibliotheek de nota van Elsbeth Littink op de projectwebsite.

[9] RAA, 135 A 10.

[10] RAA, 136 E 3, bijv. op 1e blad verso van voorwerk (epistola), een passage in de ‘vita’ van Hieronymus door Erasmus, fol.2v, fol3r, fol.5r, fol.6r., fol.48r, fol.48v, 61v, 62r in het eerste deel (136 E 3 I).

[11] P.C. Molhuysen e.a., Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Sijthoff, Leiden 1930.

[12] idem

[13] Zie de nota ‘Aankopen en schenkingen’ van Annemieke Arendsen op de projectwebsite.

[14] Maayke Stobbe, ‘Veilingen en de Librije’, nota op de projectwebsite.

[15] De genoemde catalogi zijn te raadplegen op de projectwebsite.

[16] Gegevens voor dit hoofdstuk komen vooral uit:  H.E. van Gelder, ‘Alkmaarse historie in vogelvlucht’, in: Alkmaarse opstellen, Alkmaar, 1960, p. 9-12 en G.N.M. Vis, Cornelis Cooltuyn (1526-1567), Hilversum, Verloren, 1995, p. 10-14 en http://nl.wikipwdia.org/wiki/Geschiedenis_van_Alkmaar

[17] RAA, DTB 38, fol. 1 v.

[18] Elsbeth Littink, ‘Zoektocht naar de oorsprong van de librije van Alkmaar’, nota projectwebsite.

[19] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 267.

[20] Over Murmellius zie www.murmellius.com. Dit is de website van Juliette A. Groenland die in 2005 een academisch poefschrift schreef over Murmellius: Een humanist maakt school.

[21] Juliette A. Groenland, www.murmellius.com/murmellius/lezingAlkmaar.jsp, juli 2007.

[22] Mea van Caspel, ‘De sleutel tot de Librije in Alkmaar’, nota projectwebsite. (noot 1, Schneiders, 1997, p. 54)

[23] Th. P. H. Wortel, Oud Alkmaar, 1970, uitg. De Forel N.V., Nieuwendijk (N.Br.), p. 27.

[24] Annemieke Arendsen, ‘De Alkmaarse Librije: Aankopen en schenkingen.’, nota projectwebsite.

[25] Signatuur: 133 D 1 en 134 C 18.

[26] Mark Aussems, ‘De librije en de Latijnse school te Alkmaar’, nota projectwebsite.

[27] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk,  p. 268.

[28] Historieprent, RAA, THA.

[29] Groenland, p.277.

[30] Visser, p. 11.

[31] Van der Woude, p. 81.

[32] A. van Voorst, De bibliotheca Enchusana, p. 40.

[33]G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, p. 269.

[34] Voorwoord voor de Boeken 26-27 van de Observationes. De voorwoorden zijn vertaald uit het Latijn door Ineke Loots en, voor zover mij bekend, - nog - niet uitgegeven. Dank aan Harry de Raad van het Archief te Alkmaar voor deze informatie.

[35] Interdictieboek, p. 45, archiefnr. 00288. (Mea van Caspel, ‘De sleutel tot de Librije in Alkmaar’, nota projectwebsite).

[36] Zie voor transcriptie en foto’s van het contract: Mea van Caspel, ‘De sleutel tot de Librije in Alkmaar’, nota projectwebsite.

[37] Schneiders, p. 71-72.

[38] Bibliotheek RAA, plaatskenmerk: THA

[39] Maayke Stobbe, ‘De veilingen van 1596, 1601 en 1607: Harck, Adriaen, Cornelis en de Librije van Alkmaar’, nota projectwebsite.

[40] Volgens Plenckers-Keyser en Streefkerk is f.400,- toen te vergelijken met nu enkele tienduizenden guldens.

[41] Het lijkt mij ook voor de hand liggend dat er toen een catalogus gemaakt moet zijn, maar daar is niets van bekend.

[42] Annemieke Arendsen, ‘De Alkmaarse Librije: Aankopen en schenkingen.’, nota projectwebsite.

[43] In de brief die De Gelder op 8 jan. 1868 naar de gemeenteraad stuurt, spreekt hij overigens over predikant ‘Cornelis van Gille’. Dit zal op een vergissing berusten daar Maayke Stobbe de naam ‘Van Hille’ heeft gevonden in de bijlage bij de thesauriersrekening van 1607. Voor de brief van De Gelder zie het hoofdstuk over de catalogi.

[44] J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlansche letterkunde III, Haarlem 1923, p.271 en volgende. Via www.dbnl.org. Zie ook:  http://home.wanadoo.nl/aijbema/geref.htm  (juni 2007)

[45] G.N.M. Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar, 1341 – 1991, Alkmaar, 1991, p. 63-64.

[46] Zie de nota ‘Aankopen en schenkingen’ van Annemieke Arendsen op de projectwebsite.

[47] Schneiders, p.59.

[48] In haar nota ‘mist’ Maaijke Stobbe een titel: Wolfii Historia Judicum et Ruth (fol.64 bij Ouwens). Dit werk is later teruggevonden in de collectie van de bibliotheek van het RAA. Ooit heeft het boek één geheel gevormd met een werk van Strigelius, maar het is om wat voor reden dan ook bij de restauratie gescheiden., het zijn twee aparte banden geworden.

[49] Annemieke Arendsen, ‘De Alkmaarse Librije: Aankopen en schenkingen.’, nota projectwebsite. Overigens spreekt men in G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, ‘De Librije van Alkmaar’, p. 270 over de verkoop van boeken op 7 februari 1663.

[50] C.W. Bruinvis, Catalogus der Bibliotheek van het Stedelijk Museum te Alkmaar,1904, p. V.

[51] G.I. Plenckers-Keyser en C. Streefkerk, p. 270 

[52] In het hoofdstuk ‘Wie lazen de boeken van de librije?’ wordt over een mogelijke ver- en aankoop van boeken in 1633 nog een andere mogelijkheid genoemd, namelijk de verkoop van niet meer dienstdoende studieboeken voor de Latijnse school en de aankoop van nieuwe i.v.m. de nieuwe ‘schoolordre’ van 1625.

[53] Visser, Gedenkboek, p. 49.

[54] Annemieke Arendsen, ‘De Alkmaarse Librije: Aankopen en schenkingen.’, nota projectwebsite

[55] C. van der Woude, Kronijcke van Alcmaer met sijn dorpen, Alkmaar 1645.

[56] C.W. Bruinvis, Catalogus der Bibliotheek van het Stedelijk Museum te Alkmaar1904, p. VI.

[57] KB hs 75 H 29

[58] Zie hierover het hoofdstuk over de catalogi van de librije.

[59] Volgens het WNT is dit de betekenis in de meest algemene zin.

[60] RAA collectie aanwinsten 15, 3071.

[61] Drunen, H. van, Geschiedenis van de Grote of Sint Laurenskerk te Alkmaar, Alkmaar, Kerkvoogdij, 1977.

[62] Bruinvis, C.W., ‘De bouw en versiering der St. Laurens- of Groote Kerk te Alkmaar’, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem, 1904, p. 192-236.

[63] Noordegraaf, L. (eindred.), Glans en Glorie van de Grote Kerk. Het interieur van de Alkmaarse Sint Laurens, Hilversum, Verloren, 1996, (Alkmaarse historische reeks; 10).

[64] Bitter, P. en L. Noordegraaf, De Sint Laurens in de steigers: bouwen, beheren en restaureren van de Alkmaarse Grote Kerk, Hilversum, Verloren, 2002, (Alkmaarse historische reeks; 11).

[65] RAA, collectie aanwinsten 277.

[66] Zie het hoofdstuk over de catalogi.

[67] RAA, 7 C 36. Zie hoofdstuk over de catalogi.

[68] Een convoluut is een boekband waarin meer werken zijn samengebonden.

[69] Visser, Gedenkboek, p. 54 – 55.

[70] J.C.M. Cox e.a., “Onse heerlijcke Stadt-huys binnen Alcmaer”, Alkmaar, gemeente Alkmaar, 2004, p. 24-25.

[71] C.W. Bruinvis, 1904, p. VII.

[72] Idem.

[73] Deze inventarisatie is tot nu toe zoek. Zie het hoofdstuk over de catalogi.

[74] Zie het hoofdstuk over de catalogi.

[75] C.W. Bruinvis, 1904, p. VIII.

[76] G.I. Plenckers-Keyser, ‘Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992’, in Archivaria, jrg.5 (1992), nr. 1/2, p.19-25.

[77] Dit hoofdstuk is een bewerking van mijn nota over de catalogi op de projectwebsite.

[78] Deze, en ook de volgende catalogi zijn te zien op de projectwebsite.

[79] Den Haag, KB, hs. 75 H 29, fol. 137r-143r.

[80] RAA Collectie aanwinsten 38, fol. 127r-133r.

[81] Chronicon Hollandiae en Gesta Virorum. Zie het artikel van W.A. Fasel: Alkmaar en zijn geschiedschrijvers tot aan het jaar 1800 , in Alkmaars jaarboekje 1969, nr. 5, p. 32.

[82] Alkmaars jaarboekje 1969, nr. 5:  Fasel spreekt in zijn artikel over 1707 (p.32). Vergissing?

[83] In 1760 schreef Bontius de Waal: Oorspronck en opkomst der Stede Alkmaar, beginnende Anno DL uyt een seer oud manuscript berustende ter Librije deser Stadt gecopieert ende vervolgt tot MDCCLX door Joachim Bontius de Waal. ( Collectie Aanwinsten 41). Deze kroniek, bevat tot aan 1667 ongeveer hetzelfde als zijn vorige geschrift maar is voortgezet tot 1760. De catalogus van de librije heeft hij in dit handschrift echter niet opgenomen.

[84] RAA, Collectie aanwinsten 277, p. 99-110.

[85] Volgens Fasel overgeschreven van Bontius de Waal: Fasel, 1969, p.33.

[86] Zie de transcriptie van deze beschrijving in het vorige hoofdstuk.

[87] Fasel, 1969, p. 33.

[88]RAA,  Collectie aanwinsten 39, p. 217-228.

[89]RAA, Collectie aanwinsten 40, p. 149-161.

[90] RAA, handschrift 7 C 36.

[91] Zie voor de transcriptie van deze aantekeningen het vorige hoofdstuk.

[92] In: Cd. Busken Huet, Litterarische fantasien en kritieken. Deel 1, in zijn verhandeling over Hubert Kornelisz Poot, pag. 84. (via http://www.dbnl.org/tekst/busk001litt01_01/busk001litt01_01_0005.htm)

[93] C.W. Bruinvis in: Navorscher, nr.6 (1856), pag. 156.

[94] Idem

[95] A. Visser vermeldt op pagina 52-53 in zijn Gedenkboek dat Gerard Kemper conrector en leraar was en Bernardus Zijtsema rector ‘die de school heeft verwaarloosd’. Ouwens volgde dus Zijtsema op.

[96] H.K. Poot, Gedichten. Deel 2., 1728, Bijschriften, pag. 435. Via: http://www.dbnl.org/tekst/poot001gedi02/

[97] Zie hiervoor de inleiding van de Bibliographische en Wetenschappelijke Catalogus der Oude Bibliotheek van Alkmaar door J.J. de Gelder, 1868.

[98] Idem. Zie ook: Concordans met aantekeningen op de Latijnse Bibliotheek van Alkmaar, samengesteld door G.I. Plenckers-Keyser, Alkmaar: Regionaal Archief, 1992, voetnoot 1.

[99] Zie hiervoor en voor deze korte levensbeschrijving: G. van Leeuwen, Levensberigt van Mr. Jan Andries Kluppel, Alkmaar, maart 1863. In: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 18 junij 1863, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen te Leiden, pag. 75 e.v. Via: http://www.dbnl.nl/tekst/_jaa002186301_01/_jaa002186301_01_0015.htm

[100] Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, (1846), Utrecht, Kemink en Zoon, 1846, pag. 294.

[101] Kronijk van het Historisch Gezelschap te Utrecht, (1848), Utrecht, Kemink en Zoon, 1848, pag. 254 -255. (vergadering van 9 december 1848).

[102] Archief Utrecht, M. Roskes, Inventaris van de archieven van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht 1845-1969 en het Nederlands Comité voor Geschiedkundige Wetenschappen 1928-1969, toegang 62,  inv.nr. 105.

[103]J.J. de Gelder, Bibliographische en Wetenschappelijke catalogus der oude bibliotheek van Alkmaar, Alkmaar, Hermans.Coster en Zoon, 1869.

[104] De catalogus van De Gelder kwam tegelijk uit met: P. Scheltema, Inventaris van het archief der gemeente Alkmaar, Alkmaar, Coster, 1869.

[105] Voor de volgende korte levensbeschrijving heb ik gebruik gemaakt van Jaarboek van de Nederlandse Maatschappij der Letterkunde, 1890, Levensbericht door W.A. Elberts. Via: http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189001_01/index.htm

[106] In 1986 maakte J.C.van Heijningen  de Zoete een studie over het leven van J.J. de Gelder en zijn pedagogische opvattingen: Dr. J.J. de Gelder en zijn Paedagogium te Leiden. Leiden, januari 1986, 160 blz. + bijlagen (scriptie R.U.L.)

[107] Inventaris stadsarchief 1816-1919, nr. 108. Zie voor de transcriptie van deze brief mijn nota over de catalogi op de project-website.

[108] Helaas heb ik niet kunnen achterhalen welk boek dit geweest moet zijn.

[109] C. van der Woude, Kronijcke van Alcmaer met sijn dorpen, Alkmaar, 1645.

[110]Plenckers/Streefkerk, p. 271. Deze titels staan overigens niet in de bewuste memorie van De Gelder van 8 januari 1868. Waar mevrouw Plenckers deze gegevens aan ontleend heeft is mij tot dusver niet bekend.

[111] C.W. Bruinvis, Catalogus der bibliotheek van het Stedelijk Museum te Alkmaar, 1904,  p. V.

[112] Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1870,  Alkmaar, Herm. Coster en Zoon, 1871, pag. 36-37.

[113] M.F.A.G. Campbell (1819-1890), directeur van de Koninklijke Bibliotheek sinds 1868. Voor meer informatie over Campbell: F. Jos. van den Branden en J.G. Frederiks, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891) via http://www.dbnl.org/tekst/bran038biog01_01/bran038biog01_01_0788.htm en ‘Levensbericht’van W.P.C. Knuttel in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1890 via http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189001_01/_jaa002189001_01_0018.htm

[114] Inventaris stadsarchief 1816-1919, nr. 108.

[115] Stedelijk Muzeüm, te Alkmaar. Verslag over het jaar 1875, Alkmaar, Hermans. Coster & Zoon 1876.

[116] Zie hiervoor: Verslag van den toestand der Gemeente Alkmaar over 1867, Alkmaar, Herms. Coster & Zoon 1868, pag. 31-32.

[117] Idem p. 46.

[118] Idem 1886, pag. 32.

[119] Zie: C.W. Bruinvis, Catalogus der Bibliotheek van het stedelijk Museum te Alkmaar, 1904, p. IX.

[120] Zie: G.I. Plenckers-Keyser, Hoe het de Latijnse bibliotheek verging tussen 1594 en 1992. In Archivaria, jrg. 5  (1992) pag. 24.

[121] Zie de nota van Mea van Caspel op de projectwebsite.

[122] Zie de nota op de projectwebsite.

[123] Herman Pleij, ‘Lezende leken, of: lezen leken wel? Tekst, drukpers en lezersgedrag tussen middeleeuwen en moderne tijd’, In: Bladeren in andermans hoofd, Nijmegen, Sun, 1996.

[124] Schneiders, p. 71.

[125] A. van Voorst, De Bibliotheca Enchusana, bijlage 5, p.278-279.

[126] Zie zijn nota op de projectwebsite.

[127] http://www.bibliopolis.nl/ , handboek, 1460-1585, consumptie, institutionele bibliotheken.

[128] Zie ook het hoofdstuk over het ontstaan en de geschiedenis van de librije.

[129] Zie de nota van Mea van Caspel op de projectwebsite.

[130]G.N.M. Vis en J.J. Woltjer, ‘De predikanten in Holland in 1566’, Ned. Archief voor kerkgeschiedenis, jrg. 80 (2000), nr.1, p. 20-45.

[131] Over Nannius komt het meeste uit: Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon, via: www.bautz.de/bbkl

Overigens noemt men hier 1496 als geboortejaar, terwijl ik op andere plaatsen 1500 vind. Zie ook: Alewijn Visser, Gedenkboek ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Murmellius-gymnasium 1381 – 1904 – 1954, Alkmaar, 1954, p. 38.

[132] G.N.M. Vis, ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’, in: Gewina, jrg. 21 (1998), p. 65-80, p.68.

[133] De gegevens over Zas komen voornamelijk uit: G.N.M. Vis, Cornelis Cooltuyn (1526-1567), Hilversum, Verloren, 1995, p. 15 – 17.

[134] Vis, Cornelis Cooltuyn, p. 29.

[135] De informatie over Cooltuyn komt voornamelijk uit: G.N.M. Vis, ‘Cornelis Cooltuyn en Jan Arentsz. De Reformatie in Enkhuizen en omstreken in de jaren 1555-1566’, in : Steevast, 1966, p. 45-57 en uit: G.N.M.Vis en J.J. Woltjer, ‘De predikanten in Holland in 1566’, Ned. Archief voor kerkgeschiedenis, jrg. 80 (2000), nr.1, p. 20-45. Zie ook: G.N.M. Vis, Cornelis Cooltuyn (1526-1567), Hilversum, Verloren, 1995.

[136] De informatie over Pieter van Foreest komt voornamelijk uit: G.N.M. Vis, ‘Alkmaarse stadsdoctoren in de zestiende eeuw’, in: Gewina, jrg. 21 (1998), p. 65-80.

[137] Zie het hoofdstuk over het ontstaan en geschiedenis van de librije.

[138] Deze gegevens van de familie Metius komen vooral uit:

http://www.metius.nl/Newweb/Vereniging/Frames/frame_Metius_.html ,juli 2007.

[139] Vis, Jan Arentsz., p.29-30, 130-131. De transcriptie van het visitatierapport is te vinden op: http://www.bkvu.nl/Bestanden%20BKvU/BKvU182.pdf .

[140] Zie over deze kanselbijbel en voor een beschrijving van deze kaarten: Marijke Joustra, ‘De kanselbijbel uit de Grote of Sint Laurenskerk te Alkmaar’, in: Oud Alkmaar, jrg. 26, nr. 1, 2002, p. 1-14.

[141] Dit onderzoek resulteerde in het proefschrift: Visser, P., Broeders in de geest: de doopsgezinde bijdragen van Dierick en Jan Philipsz. Schabaelje tot de Nederlandse stichtelijke literatuur in de zeventiende eeuw, Deventer, 1988.

[142] G.I. Plenckers-Keyser, ‘Jan Philipsz. Schabaelje en Den Grooten Figuer-Bibel’, in: Archivaria, 1989, nr.1, p. 8-11.

[143] De in formatie over de kerkvaders komt voornamelijk van internetsites. Enkele waar ik veel aan heb gehad: http://kerkgeschiedenis.web-log.nl/ ;  De Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon via www.bautz.de/bbkl , en www.wikipedia.org. De sites zijn allemaal bekeken in juli en augustus 2007.

[144] Idem

[145] Idem

[146] Idem + www.meetingpoint.org + http://pages.slu.edu/student/obanionp/ .

[147] G.N.M. Vis, 650 jaar ziekenzorg in Alkmaar: 1341-1991, Hilversum, Verloren 1991, p. 51-60.

[148] https://www.kcl.ac.uk/depsta/iss/library/speccoll/exhibitions/gsci/med2.html, augustus 2007.

[149] http://www.med.uni-jena.de/klinikmagazin/historie/historie.htm, augustus 2007.

[150] http://www.planet.nl/planet/show/id=884675/contentid=618743/sc=2738e5, augustus 2007

[151] http://www.polybiblio.com/blroot/5062.html en http://www.degrotecavia.nl/gessner.html, augustus 2007

[152] Voor meer informatie over Avicenna: http://www.iranchamber.com/personalities/asina/abu_ali_sina.php

[153] In de bijlage 2 met de lijst van titels enz. zijn wel zo veel mogelijk de namen en jaartallen en functies van de personen vermeld in de kolom ‘opmerkingen’.

[154] http://www.dbnl.nl/tekst/bork001nede01/bor_001.htm

[155] http://www.dbnl.nl/tekst/bran038biog01_01/bran038biog01_01_3179.htm

[156] http://www.dbnl.nl/tekst/bork001nede01/juni002.htm

[157] http://www.engelfriet.net/Alie/Aad/erasmus.htm, aug. 2007

[158] De Gelder, p. 11.

[159] Dit hoofdstuk is vooral gebaseerd op: G.N.M. Vis, Jan Arentsz, de mandenmaker van Alkmaar, voorman van de Hollandse reformatie, Hilversum,Verloren, 1992.

[160] Wortel, T.P.H., ‘Alkmaar in de glans van “de gouden eeuw”’, in: De Speelwagen, 1954, p. 117.

[161] Zie over deze twist het hoofdstuk ‘De librije na 1600’.