Regels voor het schrijven, begeleiden en beoordelen van MA-scripties
1. De scriptie is
het schriftelijke verslag van een onderzoek dat een student heeft verricht in
een grote mate van zelfstandigheid, maar met een begeleider. Uit de scriptie
moet onder meer blijken dat de student in staat is:
a. vakwetenschappelijke literatuur te bestuderen en te evalueren;
b. een onderzoeksopzet te ontwerpen;
c.
onderzoek op een wetenschappelijk verantwoorde manier uit te voeren en daarvan
verslag te doen;
d.
kritisch en creatief denkvermogen te tonen;
e.
correct te formuleren.
2.
Een scriptie dient in ieder geval de volgende elementen te bevatten:
a.
een probleemstelling en/of een (doel)stelling;
b.
een verantwoording van het theoretische en/of het historische kader waarbinnen
het onderzoek heeft plaatsgevonden, en een uiteenzetting over de gevolgde
werkwijze;
c.
een kritische weergave en evaluatie van de voor de vraagstelling, relevante
literatuur en documentatie;
d.
een eigen bijdrage van de student, bijvoorbeeld een toepassing van de literatuur
op nieuw materiaal, het leveren van een eigen interpretatie, het evalueren van
een stand van zaken in de secundaire literatuur, het publiceren van nieuwe
historische gegevens, of het ontwikkelen van een nieuw theoretisch inzicht;
e.
onderbouwde conclusies met betrekking tot de vraagstelling; een samenvatting in
ten hoogste vijfhonderd woorden.
f.
referenties en bibliografische gegevens volgens de richtlijnen voor Bibliografische
conventies.
3.
Een 20- puntsscriptie omvat in de
regel niet minder dan 15.000 woorden en niet meer dan 20.000 woorden, niet
meegerekend de noten, literatuurlijst en bijlagen.
4.
De scriptie moet voldoen aan de richtlijnen voor de Technische
verzorging van werkstukken.
5.
De student heeft recht op voldoende begeleiding tot aan het moment van
beoordeling van het werkstuk. Een beperkende omstandigheid kan het aantal uren
zijn dat voor de begeleiding beschikbaar is. De leerstoelgroep kan hieraan een
maximum stellen. Het ontvangen van begeleiding bij de scriptie geldt als het
genieten van onderwijs. Dit impliceert dat men als gerechtigde op het volgen van
onderwijs ingeschreven (dus niet als extraneus) moet zijn.
6. Wat betreft het aanvragen van scriptiebegeleiding
geldt dat de student een lid van het wetenschappelijk personeel van de
leerstoelgroep als begeleider vraagt (desgewenst na overleg met een hoogleraar
van de leerstoelgroep). De begeleider dient voldoende affiniteit te hebben met
het onderwerp en de wetenschappelijke bestudering hiervan, en moet in staat zijn
de mogelijkheden en onmogelijkheden hiervan te overzien. Indien de als
begeleider aangezochte persoon de begeleiding om gewichtige redenen niet op zich
kan nemen, wijst de betrokken hoogleraar, in overleg met de student, een
begeleider aan.
Voor
studenten Filmstudies, Nieuwe media en Televisie, cultuur en mediastudies geldt
dat zij bij de examencommissie (via het secretariaat van de leerstoelgroep) een
verzoek tot scriptiebegeleiding indienen, door middel van het daarvoor bestemde
formulier, waarop hij/zij een voorkeur voor een docent(e) kan aangeven. Het
scriptiebegeleidingsaanvraagformulier wordt uitgedeeld tijdens het maandelijks
scriptiecollege. Pas wanneer dit formulier volledig (inclusief cijferlijst) is
ondertekend en ingeleverd kan de begeleiding starten.
7.
In bijzondere gevallen kan de examencommissie op verzoek van de student een
persoon buiten de leerstoelgroep als begeleider aanwijzen.
8.
De student ontwerpt in overleg met de begeleider een onderzoeksopzet in de vorm
van een werkplan. Het werkplan dient te worden opgesteld overeenkomstig het
model van het werkplan in bijlage 1. Het werkplan behoeft de goedkeuring van de
begeleider.
Voor
Film- en televisiewetenschap geldt dat middels het goedgekeurde
aanvraagformulier scriptiebegeleiding al aan deze procedure is voldaan.
9.
De examencommissie wijst binnen een redelijke termijn (maximaal twee weken,
vakanties uitgezonderd) een tweede lezer aan
die namens haar zal optreden als tweede beoordelaar van de scriptie. De student
ontvangt hiervan schriftelijk bericht. Het is ook mogelijk dat de student een
tweede lezer benadert. De tweede lezer moet
zijn goedkeuring hechten aan het werkplan en vooral aan het uiteindelijke
werkstuk. De lezer is geen verantwoording schuldig aan de student, wel aan de
begeleider en de examencommissie. Het is niet de bedoeling dat de lezer een deel
van de taken van de begeleider overneemt.
10.
De student en begeleider spreken in een vroeg stadium af, binnen welke termijn
na het goedkeuring van het werkplan de scriptie zal worden ingeleverd. Vanaf het
moment
van
aanvraag geldt dat de scriptie binnen een jaar moet worden afgerond. Indien de
student zonder geldige reden en/of zonder voorafgaand bericht en overleg met de
begeleider
de scriptie niet heeft ingeleverd binnen de gestelde termijn, kan de
examencommissie, op voorstel van de begeleider, bepalen dat de student voor een
door de commissie te bepalen termijn van ten hoogste drie maanden van het
inleveren van de scriptie worden uitgesloten, en moet in principe een nieuwe
aanvraag voor begeleiding worden gedaan.
11.
Tussen student en begeleider (eerste
lezer) zullen de volgende contacten in ieder geval moeten plaatsvinden:
a.
een inleidende bespreking over de keuze en de begrenzing van het onderwerp, de
literatuur, de aanpak, raadpleging van terzake kundigen, enz.;
b.
een bespreking van het werkplan van het te schrijven werkstuk;
c.
een bespreking van een (of meerdere) proeve(n) van de scriptie, in de vorm van
enkele bladzijden of een hoofdstuk/de verschillende hoofdstukken;
d.
indien gewenst kunnen er tussentijdse extra besprekingen tussen student en
begeleider plaatsvinden. Indien noodzakelijk kan de student verplicht worden na
elke bespreking van de scriptie met de begeleider een kort verslag te maken. Dit
verslag kan eventueel ook ter kennisneming aan de tweede beoordelaar worden
toegezonden. Dit dient om misverstanden over de afspraken te voorkomen en de
vorderingen van de student te beoordelen;
d.
een bespreking van de eindversie van de scriptie, waarin de beoordeling van de
scriptie wordt bekendgemaakt en toegelicht.
Beoordeling
12. De scriptie dient ter beoordeling in drievoud te worden ingeleverd. Een exemplaar is voor de begeleider, een voor de tweede lezer. Een derde een exemplaar moet worden afgestaan aan de bibliotheek. De student Filmstudies wordt verzocht een vierde exemplaar in te leveren ten behoeve van de bibliotheek van het Nederlands Filmmuseum (dit is niet verplicht).
13.
De begeleider is gerechtigd, na verstrijken van het maximum aantal
begeleidingsuren, over te gaan tot het vaststellen van een eindoordeel dan wel
zich terug te trekken als begeleider.
14.
Een tijdig ingeleverd werkstuk wordt binnen vier weken nagekeken en beoordeeld.
Deze termijn kan door de examencommissie op verzoek van de begeleider of tweede
beoordelaar in bijzondere gevallen worden verlengd. In dat geval wordt daarvan vóór
het verstrijken van de termijn een schriftelijke, met redenen omklede mededeling
aan de
betrokken
student gedaan. Daarvan krijgt de student vóór het verstrijken van de normale
termijn een met redenen omklede mededeling van de examencommissie.
15.
Studenten dienen de door de begeleider goedgekeurde eindversie van hun scriptie
en de samenvatting tenminste vijf weken voor de datum waarop zij het
masterexamen afleggen bij de begeleider in te leveren. In de zomerperiode geldt
een inlevertermijn van tenminste zes weken. In overleg met de begeleider
kan hiervoor ontheffing worden verleend.
16.
De volgende criteria bepalen de hoogte van het cijfer (hoe dichter bij de
laatste criteria hoe hoger het cijfer): beschrijvend en (minimaal) aan de
wetenschappelijke eisen voldoend; boven het beschrijvende niveau uitstijgend,
heldere en kritische weergave, originele eigen inzichten, analyses en
interpretaties; daadwerkelijk iets toevoegend aan het vakgebied; publicabel
niveau.
In
de beoordeling wordt ook het gehele ontwikkelings- en schrijftraject van de
scriptie meegewogen. De eerste lezer bepaalt het eindcijfer in goed overleg met
de tweede lezer.
17.
Het cijfer wordt op het examen bekend gemaakt.
De
tweede lezer is geen verantwoording schuldig aan de student, alleen aan de
eerste begeleider en zo nodig aan de examencommissie. Indien de begeleider en de
tweede beoordelaar geen overeenstemming over het eindcijfer bereiken, stelt de
examencommissie het eindcijfer vast.
18.
Het masterexamen moet minimaal zes weken voor de geplande afstudeerdatum worden
aangevraagd bij de onderwijsbalie. Hiertoe dient de student zijn/haar paspoort
mee te nemen. Het masterexamen mag pas worden aangevraagd, nadat de scriptie is
beoordeeld of kan worden vastgesteld of de scriptie binnen de gestelde termijn
aan de eisen van afronding zal voldoen. In dit laatste geval dient de begeleider
een toestemmingsformulier te tekenen.
Herkansing
19. Indien de aan de student meegedeelde beoordeling
inhoudt dat het werkstuk niet aan de gestelde eisen voldoet, krijgt de student
de gelegenheid verbeteringen aan te brengen, danwel een aanvullende
opdracht uit te voeren. Deze gelegenheid wordt éénmaal gegeven: ingeval de
verbeterde of aangevulde scriptie niet binnen de gestelde termijn is ingeleverd,
wordt de scriptie geacht ten tweede male niet aan de gestelde eisen te voldoen
20.
Een werkstuk dat, na verbetering, niet aan de gestelde eisen voldoet, dient
door een geheel nieuw werkstuk te worden vervangen. De examencommissie kan op
voorstel van de begeleider bepalen dat de nieuwe scriptie naar aanleiding van
een opdracht wordt gemaakt.
Bezwaren
21.
De student kan tegen de beoordeling van zijn scriptie in beroep gaan bij de
examencommissie van de leerstoelgroep. Een beroep tegen de scriptiebeoordeling
kan bovendien worden aangetekend bij het College van Beroep voor de Examens.
Inlichtingen hierover verschaft de studieadviseur.
Openbaarheid
22.
Van iedere ingeleverde scriptie wordt een exemplaar bewaard in de bibliotheek
van de leerstoelgroep. Dit exemplaar is toegankelijk voor derden. Bij wijze van
uitzondering kan de auteur om geheimhouding vragen gedurende een bepaalde
periode. De auteur blijft steeds zijn rechten behouden. Indien de leerstoelgroep
het werkstuk zou willen (laten) publiceren, zal dit niet plaatsvinden dan met
goedkeuring van en in overleg met de auteur.
Wijziging Reglement
23.
Dit reglement kan worden gewijzigd bij besluit van de examencommissie van Kunst-
en cultuurwetenschappen.
2004