ADA VAN HOLLAND.

ADELHEIDE.

„Dank, Moeder Gods! ik zegevierde.
De strijd heeft schriklijk veel gekost;
Maar moedig bleef ik op mijn post.
’t Was of mij hooger geest bestierde!
Zoo Adelheid hardvochtig werd,
Men zal haar niet ten laste leggen,
Dat ze, in de droefheid van haar hart,
Het land opofferde aan haar smart.
Zij heeft gewaakt! zal ’t nakroost zeggen
Die de overreding zelfs weerstond
Van een geliefde’, een veegen mond;
Die heerschappij voerde op haar tranen,
En redde, in ’t bitter oogen blik
Van hares heeren jongsten snik,
Het heil en de eer der onderdanen.
Wie droeg zich vorstlijker dan ik?…
Een enklen dag, nog weinige uren
Getoond van welk metaal gij zijt,
Mijn hart! en wat gij knnt verduren,
En dan der droefheid u gewijd!
Op morgen dekt u ’t kleed der rouwe,
Waarnaar gij in mijn boezem smacht…
O, hoe verlangt gij naar den nacht!”

Dus sprak Graaf Diedriks Weduwvrouwe
Toen zij den knoop had vastgelegd,
Van Ada’s overhaasten echt,
En Dordrechts wal den wanklank hoorde,
Waarmee eens vaders uitvaartpsalm
In d’ opgeheven bruiloftsgalm
Der dochter, niet versmolt, maar smoorde.
Dus sprak zij met bestorven mond;
Haar wang was bleek; haar oogen blikten
Met ongewone glinstring rond;
Haar hand beefde, en haar knieën knikten.
’t Was de overspanning van de ziel,
Die alles in een vrouw deed trillen,
Wier kracht alleen bestond in willen,
Als ze in haar lagen zetel viel.
Zij drukte ’t kloppend hoofd er tegen,
Als zocht zij heul en baat bij ’t koel
En zacht bekleedsel van haar stoel,
Gansch rood fluweel met goud doorregen.

„Ach!” riep zij uit met diep gevoel:
„Hoe hard is ’t noodlot voor vorstinnen!
Het vergt haar alles te overwinnen,
En nog miskent het volk ons doel!
Gij, andre vrouwen! moogt beminnen,
Beminnen voor uzelve en dien,
Dien ge eenig hebt naar ’t oog te zien;
En ziet ge uw kindren om u spelen,
Zoo kreunt ge u aan de wereld niet,
Maar die een vorstenzetel deelen,
Haar liefde is cijnsbaar aan ’t gebied,
En wacht van ’t nageslacht bevelen,
Dat ze altijd om en vóór zich ziet.
Haar teeder kroost is vorst geboren;
De gouden kroon, hun hoofd beschoren,
Heeft op die schedels meerder recht
Dan al de teerheid van haar echt.

De landzaat mocht zijn nood bestenen
En schreien met een luid geklag,
Wanneer zijn heer op ’t krankbed lag,
En nu vrijuit zijn dood beweenen.
Maar ’t eerste voorwerp van zijn min
Moest minder Vrouw zijn dan Gravin,
En houden, door haar tranen benen,
De schittring van den Gravenhoed
In ’t ooit, met onbezweken moed!
Ja! als, door pijnen neergebogen
En met den schrik des doods voor oogen,
De Man den Vorst had afgelegd,
Zijns ondanks, waken voor diens recht.
In plaats dat ze, op den droeven morgen,
Waarop zijn ziel haar uitkomst zocht,
Bij ’t dierbaar doodsbed knielen mocht,
Moest ze opstaan! opstaan om te zorgen
Voor graaflijkheid, gezag en faam ,
Voor Hollands eer en Diedriks naam!

Wie kon dit? wie dan Adelheide?
Zij zag den vorstlijke’ echtgenoot,
Daar hij, reeds worstlend met den dood,
Nog altijd op den broeder beidde,
Wiens zoen hij, door zijn angst verblind
En dof van ziel, in ’t laatst der dagen,
Nog koop en wilde, door ’t bewind
Van Holland aan hem op te dragen,
Ten koste van zijn eenig kind…
Nog zie ik hem de banden vouwen,
En bidden, in zijn jongste smart,
Dat hij dien Willem mocht aanschouwen
Dien ik… terughield… Dat was hard!”

Zij borg haar aanzicht in haar banden,
En pijnelijke tranen brandden
Op ’t brein dier vorstlijke vorstin;
Hoe hoog zij met haar moed mocht dwepen,
Daar mengden zich verwijten in
’t Gevoel, dat haar had aangegrepen.
O, welk een rol zij spelen moog,
En door wat geestdrift opgewonden,
De vrouw wordt altijd weergevonden,
Ook daar waar zij zichzelf bedroog.
Geen rijkstroon, door haar voet bestegen,
Geen lauwerkrans, in ’t perk verkregen,
Pantsier nog aangegespte degen
Verandren haar geheel ’t gemoed;
De melk blijft altijd in haar bloed;
En streve ze ook in ’t spoor haars vaders,
Nog leeft haar moeder in haar aders.
En daarom drong een tranenvloed
Door Adelheides vingren henen;
Hoe spotte zulk een vrouwlijk weenen
Met zooveel koninklijken moed!
Ja, dat was hard geweest! Zij voelde
Het in deze oogenblikken diep.
De Graaf, hetzij hij waakte of sliep,
Bedaarder sprak of koortsig woelde,
Had steeds dien enklen wensch geuit;
Zij zag nog eens zijn oogen smeeken,
Verwachten, schreien, flauwen, breken
En: „Willem!” was zijn laatst geluid.
O! kon zij ’t leven wederkoopen,
Al ware ’t voor één oogenblik,
Opdat hij in zijn jongsten snik,
Nu niet meer vruchteloos zou hopen,
Maar, vóór zijn uiterst’ ademtocht,
Zijn broeders handen grijpen mocht…
De prijs — mocht Hollands Graafschap wezen,
Die prijs zou niet te groot zijn; zij
Zich nog getroosten de voogdij
Van hem te dulden…! ’t Was voorbij!
„Neen,” sprak zij, driftig opgerezen:
„Niet zulke tranen voegen mij!”

Daar zag zij op. Een heldre straal
Der ochtendzon vergulde ’t staal,
Dat over ’t rood behangsel hong.
Wiens degen was het, die zoo blonk?
Het was haar eigen zijdgeweer,
Door haar, aan ’t hoofd van ’t Kenmers heir,
Voor Alkmaar, met veel roems gedragen,
Toen Diedrik met den Vlaming streed,
Maar zij de Friezen zwichten deed; (*)
Daar had zij Willem mee verslagen!
Ha! heerlijk blonk het, toen als nu!
De zaak, waarvoor zij ’t had geheven,
Was zij ook nu getrouw gebleven!
„Nog,” sprak zy,” bloos ik niet voor u!
Nog zal ik, nu als toen, beletten
Dat hier de Oostfries een voet zou zetten,
En brengen eigen broeders bloed
Om erfgebied en gravenhoed!
— Heeft Diedrik van zijn oudsten lande
Een deel aan Brabant afgestaan,
En nam hij ’t weer als leenman aan,
Dat was genoeg voor Hollands schande.
Voor ’t minst de es Willem zij tevreęn;
Wij haten bem om duizend reęn;
En, schoon hij Holland durft begeeren,
Wij zullen door den zoon regeeren,
Dien wij ons kozen. ’t Kleefsche bloed
Is niet tot zwichten opgevoed,
Noch zal zijn vorstenplicht vergeten!
Maar, dochtertje! uw lot is schoon;
Gij zult Gravin van Holland heeten…”

„ „En gade wezen van Van Loon.” ”

Dat woord werd achter haar gesproken.
Van plotselingen schrik verbleekt,
Zag ze om: „Wie is het, die dus spreekt?”

’t Hoofd in de plooien weggedoken
Der lange wijle droef en dicht,
De teere leden der jonkvrouwe
Gehuld in ’t zwart fluweel der rouwe,
Stond daar de Bruid voor haar gezicht.

Die bruid had nauwlijks zestien jaar;
Maar nooit had schoon er oogenpaar
Een bleek en kommerlijk gezicht
Met weemoedvollen glans verlicht.
Betrokken was haar droevig schoon;
Het blijdste blosje op haar koon
Sprak leven uit, noch bloei, noch jeugd;
Haar liefste lach was zonder vreugd;
Want blos en lachje evenzeer
Scheen haar niet eigen; maar veelmeer
De heldre traan, rlie ’t lichtblauwoog
Zoo vaak in ’t eenzaam overtoog;
En had men soms dien traan bespied,
En werd de droeve maagd
Naar de’ oorsprong van dat vocht gevraagd,
Zij wist het zelve niet;
Maar over ’t elpen voorhoofd hong
Een wolk, te droef voor een zoo jong,
Vaak aangewezen als het, teeken
Van hen, wier webbe vroeg zal breken.
Een vroege smart, een vroege rust…
Ach, de eerste waarborgt schaars de laatste!
Toch was ’t of, van dit lot bewust,
Zich haar vervroegde ontwikkling haastte;
Schoone Ada was volwassen; geen,
Wien zij een zestienjaarge scheen;
Gevormd en rijzig was haar leest;
Zij had haar moeders kracht van geest,
Maar stiller neiging, zachter zin,
Een hart voor teederheid en min,
Bij een gevoel van grootheid, dat
Haar zachtheid nooit verloochend had,
En sterker in haar leefde dan
Een kinderhart begrijpen kan.
— Neen, wie haar heden had gezien,
Daar ze, in den morgenstond,
Zich aan Van Loon in d’ echt verbond,
Met klein gevolg van edellien,
Hij had veeleerder in de bruid
Haar bleekheid dan haar jeugd misduid;
En beter dan het bruidsgewaad
Geplooid om ’t muitend hart,
Voegt haar het kleed van somber zwart,
Waarin zij voor haar moeder staat.

Vrouw Adelheide zag haar aan.
„Uw dochter heeft haar plicht voldaan,”
Sprak Ada: „heeft er iets ontbroken?
De huwlijkszegen is gesproken;
’t Verweesde Holland werd vervoogd;
Meer heeft mijn moeder niet beoogd.
Gij hadt mij hem tot gâ verkoren,”
(Hier beefde ’t zIlver van haar stem)
„Het zij zoo, ik eerbiedig hem…,
En heb ik hem geen trouw gezworen?
Uit offer heeft uw kind gebracht,
En Ada zal zich niet beklagen;
Halve offers hebben weinig kracht,
En kunnen God noch u behagen.
Maar ’k wil den rouw mijns Vaders dragen,
En als zijn maagdlijk kind, Mevrouw!
Daar voegt geen bruiloft bij dien rouw.
De Graaf eerbiedigst dees mijn smarte,
En ’t geeft hem aanspraak op mijn harte.
Mevrouw! ik wil mijns Vaders dood
Beweenen met… zijn Echtgenoot.”

De Moeder zweeg en was bewogen
Van eerbied voor haar Kind. Een traan
Verduisterde andermaal haar oogen;
Dat woord was haar door ’t hart gegaan!
En ook, de droevige en bedroefde,
Die voor haar stond, en eer dan zij
Den troost van ’t rouwgewaad behoefde…

„Mijn eenig kind! vergeeft gij mij?”
Borst ze eensklaps uit met bange snikken,
Verteederd door de zachte blikken
Der onderworpne, die bedaard,
Niet schreiend, nauwlijks zelfs verzuchtend,
Haar in de rustlooze oogen staart:
„Vergeeft gij ’t mij, indien deze uchtend
U zulk een offer vergen moet?”…

Maar ’t antwoord was: „Ik keur het goed.
Mijn toekomst is in ’s Heeren handen.
Ik deed wat mij betaamde; gij”
Wat oorbaar was voor u en my.

En voor uws Vaders Kroon en Landen!”.
„Riep Adelheide, en drukte een kus
Op ’t hoofd der droeve Bruid.
„Neen!” riep zy opgewekter uit:
„Slechts droefheid stemt ons dus!
Neen; niet rampzalig zult gij worden.
Uw bruidegom is jong en schoon;
En op uw beider wapenborden
Rust wederzijds een gravenkroon.
Onze adel heeft uw echt besloten;
Ik ben met hem te raad gegaan;
En ’t volk van Holland bidt u aan,
Als uit dien Diederik gesproten,
Wiens dood het viert met menig traan.
— ’t Waar droever, ware uw hand gedwongen
Waar zich uw hart reeds had verhecht,
Als door een onvermijdbare’ echt
Een afgebeedne werd verdrongen.
O, ’t gif van onderdrukte min
Vergalde menig gade ’t leven;
Maar gij, mijn jeugdige vorstin!
Uw hart — wat doet uw lippen beven? —
Uw hart was immers vrij?”…                            

                                          „Om ’t even!”

Sprak Ada.                                          
          ’t Was of bleeker tint
De wangen van de Bruid bedekte.
Was dit het dat tot antwoord strekte,
Dat zij reeds vroeger had bemind?…
— Zij sloeg haar lieflijke oogen neder,
Beladen met een klaren drop,
Maar eensklaps hief het Kind ze weder
Met kalmte tot de Moeder op.

„Ik kwam u om uw zegen vragen;
Gij zult dien uw gehoorzaam kind
Niet weigren. ’k Heb u steeds bemind,
En zal u minnen, al mijn dagen!
Ik weet helaas wel, dat mijn jeugd
U weinigt blijdschap gaf of vreugd!
Ik was te treurig, veel te treurig!
Te mijmerziek, te stil, te week!
Mijn jonkheid was niet rozenkleurig,
Maar, als mijn arme wangen, bleek;
Daar zij de zoete kunst, uw oogen
Blij op te luistren, of uw’ mond
Een lach te vergen niet verstond;
Dat heil, schoon zij ’t zich onderwond,
Bleef boven Ada’s zwak vermogen.
Ik was een schreister, was ik niet?
Maar toch, ik deed u geen verdriet;
Ik was gehoorzaam, volgzaam, teeder:
Ik wederstreefde nooit uw wil;
Mijn hart zweeg voor uw uitspraak stil…
Daar komen reeds de tranen weder!
Ik moest dit zeltgen zonder smart;
En zonder dat mijne oogen schreiden,
Maar steeds komt dit aandoenlijk hart
Met al zijn weekheid tusschen belden…
Uw zegen, moeder, voor uw kind!
En zeg maar… dat gij haar bemint!”

Zij greep haar moeder vast om ’t midden,
En bracht ze tot haar zetel weer,
En knielde bij haar schoot terneer,
En hief twee handjes, blank en teer,
Op om haar zegen af te bidden.
O, lieflijk was zij, dus geknield;
Daar, als zij ’t hoofd voorover hield,
Geheel de schat van blonde lokken,
Gelijk een stroom van gouden vlokken,
Terneervloeide in haar moeders schoot,
En liet den hals van marmer bloot —
Want zie, opdat zij neergebogen
De hand te beter voelen mocht,
Wier zegen zij zoo ijvrig zocht,
Had zij den sluier afgetogen.

En Adelheide scheen verward,
Bestormd door velerlei gedachte.
O! de onderworpen taal der zachte
Trof als verwijt baar moederhart!
Schoon zich die dochter niet beklaagde,
Toch had zij ’t dan gevoeld, als kind,
Dat zij te weinig werd bemind,
Ofschoon zij naar geen reden vraagde.
Zij kon niet neerzien op haar spruit;
Werktuiglijk legde zij haar banden
Op ’t lieve hoofd der lieve Bruid;
Schoon woorden op haar lippen brandden,
Zij durfden haar den mond niet uit;
Alweder poogde zij te spreken,
Alweder bleef haar adem steken;
Maar eindlijk sprak ze, op zulk een toon,
Als waar haar hart bij scheen te breken:
„Ach! waarom waart gij niet een Zoon!”


Ingezonden op: 19 July 2001