AAN MARIA.

(1808.) (*)

Gelukkig zijt gij, en ík gevoel
Dat ik het ook moet wezen;
Want uw geluk is nog mijn doel,
Zoo hartlijk als voordezen.

Uw eegaas lust, ík ontroer er van,
Als ík hem zoo zalig vinde!
Maar ít zij zoo; haten zou ít dien man,
Indien hij u niet minde.

Ik zag laatstmaal uw liefste wicht;
Mijn hartstocht sprak verwoeder;
Maar ít schaapje toonde een blij gezicht;
Ik kuste ít; om zijn moeder.

Ik kuste ít; ík zag zijns vaders beeld;
Dat kostte een zucht van smarte!
Maar ít was met moeders oog bedeeld,
Nog alles voor mijn harte!

Vaarwel! ik ga. Geen laf geklag!
Uw echtheil smoort mijn zuchten;
Maar ít hart, dat u niet minnen mag,
Moet voor uw bijzijn duchten.

ík Dacht dat door tijd, door trots misschien!
Mijn jonglingsgloed verdoofd was;
Ik zag u weder, om te zien,
Dat slechts mijn hoop me ontroofd was.

Toch bleef ik kalm. ík Weet hoe weleer
Uw enkle blik me ontrustteÖ
Thans ware ít niet onschuldig meer,
Zoo iets mijn hart onthutste.

Gij zaagt me in ít oog; sloeg ik het neer?
Kondt gij verwarring lezen?
Neen, strakke wanhoop, en niets meer
Lag op mijn pijnlijk wezen.

Vaarwel, vaarwel, mijn jonglingsdroom!
Geheugen, wil niet spreken!
Besproei mijn hart, Vergetelstroom!
Daar ít zwijgen moet of breken.


Ingezonden op: 19 July 2001