DE DROOM.

Juli 1816. (*)

Wij leven tweevoud: slapen ook is zijn;
Een toestand tusschen doodzijn en bestaan.
De slaap heeft ook zijn wereld; t is een breed
Gebied van wanorde en bestaanbaarheid.
In droomen ook is leven en gevoel
Smart, kwelling, leed en keetling van genot.
Zij laten ons,ontwaakt, een wicht op t hoofd;
Zij nemen, slapende, ons een wicht van t hart.
Zij splitsen ons bestaan, en worden zoo
Een aandeel van onszelf en onzen tijd.
Zij schijnen boden van onsterflijk zijn.
Zij gaan voorbij als schimmen van t verlen;
Zij spreken als sibyllen van t aanstaand!
Zij heerschen als tirannen over vreugd
En smart, en doen ons bukken voor hun wil.
Gehoorzaam aan een indruk vau t visioen,
Dat voor ons heenging, schokken ze ons met angst
Voor reeds vervlogen schaduws? Zijn zij dat?
Is niet geheel t verleedne een schaduw? Zijn
Ze iets anders of iets minder? Ja, ze zijn
Een schepping van de ziel. Welnu, de ziel
Schept werelden naar wilkeur, en bevolkt
Ze met een teelt van wezens, meer volmaakt
Dan haar omringen; zij blaast dadem in
Aan vormen, die den dood niet zullen zien.
k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag t
In slaap misschien! Wat iemand sluimrend ziet
Kan menig jaar omvatten, en geheel
Een leeftijd samenpersen in n uur.
Ik zag twee wezens in den bloei der jeugd;
Zij stonden op een geestig heuvelvlak,
Zachtgroen en lieflijk hellende; het scheen
Het laatste van een lange heuvelreeks,
Die in de zee zou einden; maar er ruischten
Geen golven aan haar voet dan die van t graan.
Een vroolijk landschap lag rondom, en bosschen,
En woningen van menschen, hier en daar
Verspreid en uit wier needrig boerendak
De rook zich krullend ophief. t Heuveltje
Scheen met een kring van boomen als gekranst,
Niet door natuur, maar door des menschen hand.
Dit tweetal t was een meisje en een knaap
Zag de eene zag naar al wat, schoon als zij,
Te zien was aan haar voeten en rondom.
Maar de ander zag naar haar, alleen naar haar.
Zij waren beiden jong en de ne schoon.
Zij waren beiden jong; niet even jong!
Als t blozend maanlicht op den rand der kim
Was t meisje schier volwassen, bijna vrouw!
De knaap had minder jaren, maar zijn hart
Was reeds zijn leeftijd ver vooruit; voor hem
Was daar op aarde slechts n lief gezicht,
En dat blonk nu hem tegen; en hij had
Zoo lang en veel er op gestaard, dat t hem
Onmisbaar was geworden; neen, hij had
Geen adem, geen bestaan meer dan in haar.
Zij was zijn spreken; hij sprak haar niet toe,
Maar sidderde op haar stem. Zij was zijn zien;
Want altijd volgde zijn oog t hare, en zag
Door haar, en heel de wereld in haar blik.
Hij leefde niet zijn leven, maar het hare!
Zij was de zee, waar zijn gedachtenstroom
Zich steeds in uitstortte en verloor, n woord
Van haar, n handdruk, en zijn bloed
Stoof op, zijn wang werd hooggekleurd, zijn hart?
Hij wist niet wat er omging in zijn hart.
Zij had geen aandeel in dat zacht gevoel;
Haar zuchten golden hem niet, maar hij was
Haar als een broeder, en niets meer. t Was veel.
Zij immers had geen broeders, dan in hem,
Dien zij t in kindervriendschap had genoemd,
Zij was de laatste loot eens eedlen stams;
Zij droeg een naam, die hem behaagde, en niet
Behagen moest; en waarom niet? De tijd
Gaf hem een zinrijk antwoord op die vraag,
Toen zij een ander liefhad. Nu zelfs had
Ze een ander lief, en op dees heuveltop
Stond ze om te zien of haar geliefdes ros
Zoo snel was als haar ongeduld en vloog!

Daar kwam verandring in t gezicht mijns drooms.
Ik zag een oude huizinge, en daarvoor
Een opgezadeld paard. De jongling, dien
Ik u beschreef, stond in een oude zaal.
Hij was alleen, zag bleek, trad op en neer
Zat neder, greep een pen en schreef iets, dat
Me een raadsel bleef, verborg het bukkend hoofd
In bei zijn handen; t was als schokte hem
Een stuip, die hem deed rillen. Hij rees op,
En scheurde met de sidderende hand
In flarden wat hij schreef maar weende niet.
Hij bracht zich tot bedaren, en ontplooide
Zijn voorhoofd tot een schijn van kalmte. Toen
Verscheen de jonkvrouw zijner liefde daar.
Zij glimlachte en zag vroolijk; echter wist
Zij wel dat hij haar liefhad; wist zij wel
Die wetenschap vereischt geen langen tijd!
Dat zij haar schaduw wierp op al zijn licht,
En heel zijn hart verdonkerde; en zij zag
Zijn ongeluk; maar alles zag zij niet.
Toen stond hij op en drukte koel haar hand.
Een oogenblik verscheen op zijn gelaat
Een dichte nevel van gepeinzen, maar
Die dreef weer af; en hij, hij scheen bedaard.
Hij liet haar hand weer langzaam los, en ging
Met tragen tred, maar zeker niet als een
Die afscheid nam; zij scheidden met een lach,
En met een helder voorhoofd hij vertrok.
De breede deur der oude hal sloeg dicht;
Hij steeg te paard, reed weg, en nimmermeer
Betrad zijn voet den drempel van dat slot.

Daar kwam verandring in t gezicht mijns drooms.
De knaap was man. In heete hemelstreek
Had hij aan woester oorden een verblijf
Gevergd, en in hun zongloed zich verkwikt.
Zijn wang was bruin en vreemd zijn kleeding; hij
Was niet dezelfde van voorheen; hij was
Een zwerver over de aarde. k Was omringd
Van bonte groepen, vreemd dooreengeward;
Maar hij was bij die allen; eindlijk lag
Hij sluimrend by een bouwval uitgestrekt,
In schaduw van kolommen, die den naam
Van die haar optrok overleefden. Aan
Zijn zijde graasden keemlen, en niet ver
Zag k bij een bron een koppel paarden staan.
Een man in wijde kleeding hield de wacht;
En menig, hem gelijk, lag neer in t rond,
Het blanke zwerk was hun tententgordijn,
Zoo onbewolkt, zoo klaar, zoo rein en schoon,
Dat niets dan God te zien was aan dien trans.

Daar kwam verandring in t gezicht mijns drooms.
De jonkvrouw van zijn liefde was gehuwd
Met een, die haar niet liever had dan hij.
Zij woonde ver van hem, in eigen huis,
Omringd van hare kindren zoons en dochtren
Der schoonheid, bloeiend, vroolijk, dartel kroost.
Maar ziet! de tint der droefheid kleurt haar wang.
De zielsstrijd wierp zijn schaduw op t gelaat.
Onrustig slaat zij telkens de oogen neer,
Als drukten hen haar ongeschreide tranen.
Wat kon haar leed zijn? Zij had alles wat
Zij ooit beminde, en hij, die haar zoo teer
Had lief gehad, hij was niet daar, om thans
Haar zuiver hart te ontrusten met zijn hoop,
Verboden wensch en nauwgesmoorde smart.
Wat kon haar leed zijn? Nooit had zij hem lief,
Noch deed hem wanen dat zij hem beminde.
Hij, schim van t lang verleden. had geen deel
Aan wat haar ziele perste en lijden deed.

Daar kwam verandring in t gezicht mijns drooms.
De zwerver was terug; ik zag hem voor
Een outer staande met een lieve bruid.
Haar aangezicht was schoon, maar niet als dat,
Wat eens zijn jeugd ten star was. Zie, zelfs nu,
Zelfs aan dit outer, was t als schokte hem
Dezelfde stuip, die eens in de oude zaal
Hem rillen deed; zelfs nu, als in dat uur,
Verscheen op zijn gelaat de dichte wolk
Zijns harten, maar ook nu weer dreef zij af;
En hij stond kalm en rustig; en hij sprak
t Vereischte, maar verstond zich-zelven niet.
En alles wervelde om hem rond; hij zag
Niet wat gebeurde of wat gebeurd moest zijn,
Maar de oude huizinge, en de groote zaal,
De welbekende kamers, en die plek,
Die dag, dat uur, dat licht, die schaduwstreep,
Al wat behoorde tot die plaats en tijd,
En haar, die hij begeerd had, kwam terug,
En drong zich tusschen dit tooneel en hem
Waartoe dit, en waartoe dit in dit uur?

Daar kwam verandring in t gezicht mijns drooms.
De jonkvrouw die hij liefhad: o, zij was
Vervallen door een zielskwaal; en haar geest,
Naar t scheen, had haar verlaten; in haar oog
Was de oude glans gedoofd; haar blik was niet
Van de aarde meer. Zij was de koningin
Van een phantastisch rijk; haar mijmmren was
Een weefsel van verwarring; zij verkeerde
Met wezens door geen ander oog gezien.
De wereld noemt dit waanzin, maar de waanzin
Der wijzen gaat veel dieper, en de blik
Des zieleweemoeds is een schrikbre gaaf.
Wat is zij dan der waarheid ver-ziend glas,
Dat d afstand zijn begoocheling ontrooft,
Het leven in zijn naaktheid naderbrengt,
En koude werklijkheid en werklijk maakt?

Daar kwam verandring in t gezicht mijns drooms.
De zwerver was alleen, gelijk weleer;
Verlaten van de wezens, die hem korts
Omringden, of met hen in twist en strijd.
Hij strekte aan vloek en trouwloosheid ten doel,
Omringd van haat en afschuw. Daar was smart
In al wat men hem aandeed; even als
Van ouds de koning van den Pontus at
Hij slechts vergiften, en zij doodden niet,
Maar waren hem tot spijze; hij doorstond
Wat tot den moord van velen had volstaan.
Hij maakte bergen tot zijn vrienden; hij
Ging met de starren, met donzichtbren geest
Van t groot heelal als met zijn meesters om!
Zij leerden hem verborgen tooverkracht!
Het boek des nachts lag open voor zijn blik;
En stemmen uit den afgrond riepen hem
Geheimnis toe en wonder Wel! zoo zij t.

Mijn droom was uit; nu geen verandring meer!
Het was een vreemde zake, dat het lot
En leed van dees twee schepslen dus, of t waar
Naar t leven, werd geteekend, met dit ende:
Waanzin voor de een, voor beiden diepe ellende:


Ingezonden op: 19 July 2001