AFSCHEID.

(Maart 1811.)

Dees kus, melieve! van uw mond
Blijft op mijn lippen kleven,
Tot dat ik dien. in blijder stond,
U maagdlijk weer zal geven.

Het oog, dat mij zoo teeder groet,
Doet mij verdubbeld blaken;
Het. traantje, dat gij weenen moet,
Moet mij nog trouwer maken.

Ik verg geen pand der min, tot troost,
Bij t eenzaam ommedwalen,
Voor t hart, welks liefde niet verpoost
In ieder ademhalen:

Geen schrift! Tot tolk van mijn gemoed
Zou t alle kracht ontbreken.
Wat baat een ijdle woordenvloed?
Alleen het hart kan spreken.

Bij dag en nacht, in lief en leed,
Blijft dat uw beeltnis dragen,
En klopt, ofschoon het niemand weet,
Voor u in al zijn slagen.


Ingezonden op: 19 July 2001