KUSER

ALEIDE.

En wie is zij, die ít woord gesproken had,
Dat Kusers oog van zulk rampzalig nat
Deed schittren, als ít haar nazag op haar pad?
Het is een vrouw, bevallig, jong, en schoon;
Een maagd beminlijk en bemind; de kroon
Van haar geslacht; de schoonste waterbloem
Van Hollands week moeras; het is de roem
Van ít aadlijk huis te Poelgeest; ít is de pronk,
Eens hofs, waar geen als zij in schoonheid blonk;
Eens hofs, waar elk haar vierde, loofde en vleide,
En ít bijzijn zocht der beeldschoone Adelheide.
    O, Zoo haar faam door heel het graafschap klonk,
Indien zij ít hart van Hollands maagdenschaar
Verteren deed van afgunst jegens haar,
Indien ze aan ít hof, waar na heurs vaders dood
De Hertog haar een veilge schuilplaats bood,
Werd aangebeÍn en prinslijke eer genoot;
Zoo zelfs die vorst, wanneer hij naast haar zat,
De schim van zijn gestorven g‚ vergat,
En voelde dat, ofschoon zijn leeftijd klom,
Het jonglingsvuur nog in zijn boezem glom;
Indien hij haar beminde, en eens misschien
Haar naast zich op den zetel wilde zien,
En deelende in den luister van zijn troon
ít Liet alles zich verklaren door haar schoon.

Want zij was een dier lieve schepslen, die
Men liefheeft om haar lieflijkheid, en wie
Gij uren lang met heimelijk genot
In ít schoon gelaat zoudt kunnen staren, tot
Ge in ít eind niet meer gelooven zoudt dat zij
Van de aarde zijn en menschelijk als gij;
Omdat u van haar minlijk aangezicht
Een meer dan aardsche zachtheid tegenlicht;
Omdat haar schoon zoo zuiver is en teer,
Als ge u verbeeldt van eindloos reiner sfeer;
Omdat ge er een volkomenheid in ziet,
AIs heenwijst naar volkomener gebied;
Omdat het u doet zwichten voor zijn macht,
Die gij, uit hoogmoed, bovenmenschlijk acht.
Zoo was Aleide. Wiens bedaarder hart
Door liefde noch begeerte ontstoken werd,
Zag echter haar met al dien wellust aan,
Die de aanblik van iets heerlijks doet ontstaan,
Met al die kunstnaarsliefde, die ít gemoed
Verrukt en ít oog niet moede worden doet;
Want elke trek van ít eirond aanzicht had
Iets edels in zijn zachtheid; ít voorhoofd blonk
Als rein albast, en aan heur wangen schonk
De levensstroom een tenger blosje, dat
In meer dan lelieblankheid overvloeide;
En in de blauwheid van haar oogen gloeide
Een vuur, dat tot in ít hart drong, maar vergoed
Door ít bruin der lange pinkers, dat hun gloed
Zoo minzaam maakte en vriendlijk, dat het scheen
Als waar die gloed een vonk van liefde alleen.
Reeds telde Aleide twintig zomers, maar
Nog scheen ze een kind van nauwlijks zestien jaar ,
Want de uitdruk van haar trekken toonde nog
De eenvoudigheid der vroegste jeugd; en toch
Wie vroeger haar gekend had, toen ze in rust
En eenzaamheid op ít vredig Poelgeest woonde,
Vier schoonheid en dier gaven onbewust,
Die ze enkel aan eens vaders teerheid toonde,
Verklaarde, dat reeds nu haar lief gelaat
De blijken droeg van een gevierder staat,
En dat reeds nu uit al haar trekken bleek,
Hoe kinderzin en eenvoud langzaam week.
O Wees niet hard voor vrouwlijke ijdelheid!
De vrouw mist veel wat onze driften vleit:
Onze eerzucht, en die onweerstaanbre dorst
Naar faam en roem, die ít needrig harte wraakt,
Die dwalen doet en soms misdadig maakt,
Zijn vreemd aan haar zoo zachtgestemde borst!
Laat haar dan ít zoet diens kleinen hoogmoeds, daar
Zij zich meÍprikkelt, bezighoudt; en waar
Haar die tot zonde of trouwloosheid verleidt,
Heb deernis met haar onbedachtzaamheid!
Bedenk, zij is afhanklijk en verdrukt;
Is ít wonder zoo het denkbeeld haar verrukt,
Dat ze op haar beurt op ít hart gebieden kan,
Van dien ze als meerder eeren moet en man?
Kunt gij, indien een ruim tooneel u wacht,
Indien ge uzelf bewust zijt van uw kracht,
De rol altijd uit plichtbesef verzaken,
Die gij gevoelt dat u vermaard zal maken?
En vergt gij dat een rasbedwelmde vrouw
In kracht van ziel u overtreffen zou,
Of dat een kind, in ís levens rozentijd,
Voorzichtiger zou wezen dan gij zijt?

    Aleide ontging den strik dier eerzucht niet,
Sinds ze onbezorgd haars vaders huis verliet.
Haar bood het hof een al te groot verschil
Met wat zij ooit gedroomd had. Zij had stil,
Onopgemerkt en zedig voortgeleefd:
Thans vloog een tal van dienaars op haar wil;
Thans wist zij dat haar dwaaste meisjesgril
Niet aarzlend werd ontvangen of weerstreefd.
Zij wist dat elk als aan haar wenken hong;
Zij wist dat zij den Graaf met de oogen dwong;
Zij voelde, zag, en ít streelde haar, dat zij
Ras meer vermocht dan heel der Grooten rij,
Die hem omringde; want Graaf Albrecht was
Een zwak, een weiflend man, en die zich ras
En liefst door andren zag besturen, maar
Het liefst van al van een schoon oogenpaar
De wet wachtte; en het was haar hart een lust
De zoomen van haar kleed te zien gekust
Door wie haar voorspraak smeekten bij den vorst;
En ít wekte een trotsch genoegen in haar borst,
Indien door haar bemiddling mocht geschiÍn,
Wat hooploos scheen. Een heir van edelliÍn
Was aan haar gunst zijn rang en staat verplicht.
Zij had zich ít lot dier staatspartij gewijd,
Waartoe haar ít bloed verplicht had; en ten spijt
Van ít hof, en voor der Hoekschen aangezicht,
Verhief ze op hoogen zetel menig, wien
Verdrukking niet vergund had op te zien.

Ach, weinig dacht haar argloos harte, dat
Zij dus op zich den haat geladen had
Van menigeen, die aanspraak maakte op wat
Aan andren werd geschonken; nimmer viel
ít Haar in dat wien haar invloed had verheven
Door andren werd benijd; haar zachte ziel
Bedacht niet dat mí, in dit rampzalig leven,
Een vijand maakt met elk en nieuwen vrind;
Dus, als haar zorg ít stadhouderlijk bewind
Voor Arkel had verworven, zag ze alleen
De dankbaarheid die hem te ontgloeien scheen,
Maar giste niet hoe ís Graven eigen zoon
Zijn hoogmoed zag vernederd door dien hoon,
Noch raadde hoe zijn boos en heftig hart
Door gramschap en door wraak ontstoken werd.
Zij droomde ó maar had zij verdiend zoo wreed,
Zoo schrikkelijk te ontwaken als zij deed?
Zij droomde alleen van feesten, zang, en dans,
Van zalen, schittrende van licht en glans,
Van staatsiekleedren, sluiers, goud en zijde,
Van ít halssnoer, dat ze een edelvrouw benijdde,
En van ít juweelen sieraad voor haar hoofd,
Dat haar de Graaf liefkoozend had beloofd;
En ít zoet tooneel, waar zij haar eerste jeugd
Gesleten had in onvergalde vreugd,
ít Bemoste dak van Poelgeest, en die hof,
Waar ze aan de hand eens vaders had gespeeld,
Met al wat daar heur kinderaandacht trof,
De knaap, die in haar spelen had gedeeld,
Dien ze als een broeder had bemind, en wien
Het scheen dat ze eens nog teerder aan zou zien,
Het bloemperk, dat haar zorgen bezighielÖ .
Dat alles week uit haar bedwelmde ziel.
De beek van haar herinníring gaf niet meer
Dat landschap in zoo klaar een spiegel weer;
En was zij wel zoo zuiver als weleer?

Geheel nochtans vergat haar hart het niet;
Want van wat dŠŠr haar jonkheid had omgeven
Was haar getrouw ťťn voorwerp bijgebleven
Een meisje, dat haar zijde nooit verliet
Het was een maagd uit onaanzienlijk bloed,
Wie met Aleide een zelfde borst gevoed,
Een zelfde schoot gekoesterd had; dat kind
Werd meer dan teeder door haar hart bemind.
Zij had gedeeld in heel haar blijde jeugd;
En wat verbindt ons meer dan de eerste vreugd
Van ít leven? meer, dan ít deelen van dien dronk,
Die milde teug, die ons onze onschuld schonk;
Die de eenigste is, wier onvergiftig zoet
Men niet door wrangen nasmaak boeten moet?
En zuiver als die onschuld van de jeugd,
En zalig als die eerste levensvreugd,
Was ít zacht gevoel, dat Bertha en Aleide
Verbond; daar was een klove tusschen beide.
Want de een gebood en de andre diende, maar
Der liefde rijkdom vulde ze aan voor haar.


Ingezonden op: 19 July 2001