AAN AUGUSTA.

(Dlodatl, 24, Juli 1818) (*)

Is de middag mijns levens geweken,
Is de sterre getaand van mijn lot,
Uw zacht hart had geen oog voor gebreken,
Door zoo velen gezien en bespot
Kende uw zielook al t leed dat mij griefde,
Toch was zij van mijn jammer niet schuw,
En wat k immer mij droomde van liefde,
Zag ik nimmer vervuld dan in u.

Lacht Gods schepping mij toe in mijn smarte
Wie dan zij, die een lachje mij schenkt?
Geen mistrouwen ontstaat in een harte,
Dat daarbij aan uw glimlach gedenkt.
Is daar krijg tusschen stormen en baren.
Als der zielen, die ik lief had, met mij,
Zoo een denkbeeld mijn hart kan vervaren,
Het is dit: k word gescheurd van haar zij!

Ja, vergruisd is de hoop van mijn leven,
Ja, verdronken in t diepst van het meer;
k Ben ten prooi mijner foltring gegeven;
Maar ik buig niet laaghartig mij neer.
Laat de ontzettendste jammren mij drukken,
Niet verachtlijk zal k zijn in mijn leed;
Laat ze foltren; mijn hoofd zal niet bukken,
Daar ik u slechts gedenk hen vergeet.

Schoon een mensch, hebt gij nooit mij bedrogen;
Schoon een vrouw werdt gij niet trouweloos;
Schoon bemind mijn geluk was uw pogen;
Schoon belasterd onwrikbaar altoos.
Ik vertrouwde u en werd niet verraden;
Schoon wij scheidden t was niet voor altijd;
Gij zaagt toe maar tot schimpen noch smaden;
Gij zweegt stil en het was geen verwijt.

Doch de wereld wil k haten noch doemen,
Noch de velen in kampstrijd met een
Waar mijn ziel niet gestemd haar te roemen,
Waarom heeft zij niet eer haar gemen?
Zoo ik duurder dan k immer geloofde
Voor die dwaasheid geboet heb met smart,
k Heb gezien dat wat ze ooit mij ontroofde,
Zij toch u niet vervreemdde aan mijn hart.

Bij t versplinterde wrak van t verleden,
Bleef mij dit tot een troost voor mijn geest:
Die gij t liefst hebt gehad hier beneden,
Die u dierst was, verdiende t ook meest.
Elke bron in de zandzee ontspringend.
Iedre boom in de barre woestijn,
Elke vogel in de eenzaamheid zingend.
Zal me een beeld van uw teederheid zijn.


Ingezonden op: 19 July 2001