BIJ DE WATEREN VAN BABYLON ZATEN WIJ EN WEENDEN.

Wij zaten neder bij de stroomen
Van Babel, treurende om den dag,
Die Salems poorten ingenomen
En door het vuur verteren zag;
Want toen was onze smart volkomen……
O Dochtren Sions! welk geklag!

Als we op de blauwe golven zagen,
Zich vrij bewegende in haar kil,
Vroeg m’ ons een lied van vroeger dagen;
Maar harp en lippen zwegen stil;
Met dorheid zij de hand geslagen,
Zich voegend naar des vijands wil!

Ik hing mijn harp in ’t wilgenloover.
Geen slavernij zij haar bereid!
Zij bleef me als eenig kleinood over
Van al mijn vroegre heerlijkheid.
Ik heb geen liedren voor den roover!
Maar gij, mijn oogen! schreit, ja schreit.


Ingezonden op: 19 July 2001