BELZAZARS GEZICHTE.

Van zijn satrapenstoet
OmrIngd, zat daar de koning;
De lampen spreidden gloed
Bij stroomen door zijn woning;
t Gewijde vaatwerk blonk
Voor t oog van die er brasten;
Jehova tempelpronk
Moest heidenen vergasten.

Maar in dat dartel uur,
Bij t schittren van de wijnen,
Daar zag men op den muur
De hand eens mans verschijnen
Een enkle hand, niets meer.
Bewoog zich voor elks oogen
Vier woorden schreef zij neer,
En dreigde, en was vervlogen.

De koning, bleek van schrik,
Doet straks den feestgalm stillen;
Staroogend staart zijn blik,
Zijn stem en knien trillen.
Mijn wijzen! treedt hervoort!
Genaakt, mijn wichelaren;
Wat koningsvreugde stoort
Moge uwe mond verklaren!

De wijzen staren t aan
Hun wijsheid moest bezwijken!
Het schrift blijft onverstaan
En onheilspellend prijken.
Dit raadsel is te hoog,
Te machtig veel zijn sommen!
De zieners sluiten t oog,
De wichelaars verstommen.

Een vreemde in zijn paleis,
Een balling, jong van jaren,
Verneemt des konings eisch,
Hij kan Gods schrift verklaren;
Hel blonk der lampen pracht,
Luid heeft hij t schrift gelezen;
Hij las het in dien nacht,
Des morgens was t bewezen.

Blzazars tijd is daar!
Zijn koninkrijk verslonden!
Hij, aan Gods evenaar
Getoetst, te licht bevonden!
Het graf, zijn rijk voortaan!
Een lijk-, voor staatsiekleeden!
Zijn troon, den Perziaan!
Zijn grootsche stad, den Meden!


Ingezonden op: 19 July 2001