OOK GIJ BEZWEEKT.

(Februari 1812.)

Heu! quanto minus est cum reliquis
versari quam tui meminisse.

Ook gij bezweekt gij jong en schoon
Als wat ooit bloeide op aard!
Zoo lief een leest, zoo frisch een koon
Ni!:t door den dood gespaard!
Maar bood u de aarde een plek van rust,
Waar dartelheid en levenslust
Gedachteloos op staart:
En lieve doode! leeft er, wien
De moed ontbreekt die plek te zien.

Ik vraag niet waar ge uw rustplaats vondt;
Geen stervling wijz haar aan!
Gebloemte of onkruid dekk dien grond;
k Zal daar geen blik op slaan.
t Is hard genoeg te denken: Dat,
Wat ik zoo teer heb liefgehad,
Moet als al t aardsch vergaan.
Ik wil niet dat een steen mij zegt:
t Is niets, waar gij uw hart aan hecht.

Ik minde u tot uw jongsten snik;
Uw min was trouwen groot;
Gij wankeldet geen oogenblik,
In leven noch in dood.
Dood! Niets dat meer een liefde schendt,
Waarop dit zegel is geprent,
Trouwloosheid, tijd, noch nood;
En zoo ik leef, misdoe, en dwaal,
t Blijft u verborgen altemaal.

Wij smaakten samen s levens wet,
Maar de alsem rest slechts mij;
De zon verkwikk, de stormwind woed,
Het gaat uw graf voorbij;
Geen droom zelfs die uw nachtrust steurt;
Gij moet benijd zijn, niet betreurd;
Ook klaag Ik niet dat gij
Mijn afzijn tot uw kwijning koort;
U krank te zien had mij vermoord.

De volle roos, die t oog verrukt,
Verwacht het eerst haar beurt;
Ofschoon geen hand ze ontijdig plukt,
Verwelkt zij en verkleurt.
Ik zie haar liever afgesnen,
Dan al haar blaadren een voor een
Verlept en weggescheurd;
Niets schokt den boezem meer misschien
Dan schoonheid in verval te zien.

t Verwelken uwer schoonheid, ach!
Wat denkbeeld voor mijn hart!
De nacht, in strijd met zulk een dag,
Was zeker dubbel zwart;
Ik zag hem nog in middagpraal,
Toen Ik hem zag de laatste maal
Eer hij verduisterd werd!
Mij waart ge een star, die helder blinkt,
En dan op eens in nacht verzinkt.

Maar dit, dit diende luid beschreid,
Indien ik tranen vond,
Dat ik geen uur met teederheid
Mocht waken bij uw spond,
U niet mocht aanzien, stom van smart,
Niet drukken aan mijn kloppend hart,
En op uw bleeken mond
Een min bezeeglen, een verbond,
Dat ons op zooveel tranen stond.

Veel zijn er schoon, en in dit hart
Bruist nog het vuur der jeugd:
Maar neen, melieve! de oude smart
Is meer dan nieuwe vreugd;
t Staat uit de dooden op, het lacht
Mij toe, door duisternis en macht,
Wat mij voor eeuwig heugt!
Slechts iets kon zaalger zijn dan dit,
Het was uw levendig bezit.


Ingezonden op: 19 July 2001