ALS DOODSKOU DOOR DEES LEDEN VAART.

Als doodskou door dees leden vaart.
Waar zal de ziel dan henenzwerven?
Zij kan niet blijven, kan niet sterven,
Zij legt haar hulsel af op aard.
Zal zij, van star tot star verheven,
Nog paden van ontwikkling gaan,
Of breekt terstond dat tijdstip aan
Van haar volkomen heerlijk leven?

Zal ze onverderflijk, onbepaald,
Een ongezien, maar alziend wezen,
Het gansche boek der schepping lezen,
ít Verleden zien met licht bestraald?
Zal zij den nevel zien verdwijnen,
Die dommílend voor de erinring zweeft,
En alles, wat zij heeft doorleefd.
Met scherpen omtrek zien herschijnen?

Ja. tot den baaierd keert zij weer,
En ziet de vormlooze aarde wemelen,
Of stijgt ten zevenden der hemelen,
En baadt zich in de reinste sfeer;
Niet meer ontroerd door vreeze of hope ,
Sterk in haar eeuwig voortbestaan,
Ziet zij de zwangre toekomst aan,
En beeft niet, schoon ze een wereld sloope.

Ja, boven hoop, vrees, liefde en haat,
Gansch rein, en van geen drift bewogen,
Verdwijnen eeuwen voor haar oogen,
Gelijk ons hier een jaar vergaat.
Door alle diepten zal zij streven,
Op vleuglenó neen, van vleuglen vrij!
Vergetende wat sterven zij
Bij ít eeuwige genot van ít leven.


Ingezonden op: 19 July 2001