EUTHANASIA

(1811).

Wanneer, t zij vroeg of laat,
De ontzettende ure slaat,
Waarin mij de adem kust
Dier droomenlooze rust,
Donswiekige vergetelheid!
Zweef gij dan t sterfbed rond,
Waar t hart zijn laatsten klop verbeidt,
Zijn jongsten levensstond.

Geen vriend met sombren blik
Verbei den laatsten snik,
Geen erfgenaam wiens hart
Mij t einde gunt der smart,
Geen maagd met losgerukt gewaad,
Die jammerklagend deinst,
En die een droefheid voelt of veinst,
Die haar bekoorlijk staat.

Stil geve ik dadem weer;
Stil zink mijn doodkist neer;
Niet met gehuurde klacht
Zij t lijk naar t graf gebracht;
Ik wil niet dat mijn stervens-maar
Een uur van vreugd bederv
Noch eisch dat vriendschap, als ik sterf,
Zal siddren bij mijn baar.

Maar liefde, zoo zij dan
Haar zuchten smoren kan,
En niet van t schouwspel wijkt
Eens dierbren, die bezwijkt,
Blink dan voor t laatst in volle kracht,
En make, als alles beeft,
Voor hem, die sterft en haar die leeft,
Het uur des scheidens zacht.

t Ware zoet, melieve! indien
k Uw schoonheid kalm mocht zien,
En zonder blijk van t leed,
Dat u mijn liefde deed,
Uw zielsrust, door geen smart gesloopt,
In zachten hemelschijn,
Die zelfs de laatste en bangste pijn
Nog tot een glimlach noopt.

Maar neen! de schoonheid lijdt
Bij t aanzien van dien strijd;
De tranen, die haar gril
Ons voortbrengt als zij wil,
Misleiden ons ons leven lang;
En is de dood eens daar,
Dan maakt haar nutteloos misbaar
Ons t uur des afscheids bang.

Dies laat mij eenzaam gaan!
Geen stervling trekkt zich aan;
Daar zij noch klacht noch snik
In t uiterst oogenblik.
Zoo velen scheidden uit den tijd,
Van dood noch leed bewust,
Voor velen kwam de lange rust
Na slechts een korten strijd.

Maar sterven, sterveling!
Te gaan Waar alles ging,
Waar alles henengaat
Zooras zijn stonde slaat;
Te keeren tot mijn vorig niet,
Eer ik voor de aardsche smart,
Mijzelf tot last, geboren werd,
Is dat zoo groot verdriet?

Tel de uren, die u t lot Vergunde tot genot:
Tel de uren dat geen smart
U knaagde aan t vroolijk hart;
Des levens vreugd is enkel schijn,
Bedrieglijk al zijn zoet;
Te wezen zij voor enklen goed,
t Is beter: niet te zijn.


Ingezonden op: 19 July 2001