GWY DE VLAMING.

EEN VERHAAL.

GWY.

Met huivring trad zij in die zaal.
Het was er donker. Niet een straal
Van licht, die door ’t behangsel drong.
Dat voor de nauwe vensters hong;
En Machteld zag, in dit gebiEjd
Van duisterheid, haar gade niet.
Onzeker tastte zij in ’t rond,
Tot dat haar hand een zetel vond;
Zij sloot het oog, en siddrend zat
De jonge burchtvrouw neer en bad.
De Vlaming (zoo hij waarlijk daar
Aanwezig was!) sprak niet tot haar;
Zij werd geen ademtocht gewaar;
Ook zij dorst nauwlijks aadmen, dorst
Niet zuchten, schoon haar enge borst
Door siddring werd benauwd en vrees…
Ai mij! die stilte was iets wreeds!
Maar eindlijk noemde een kranke stem
Haar naam — ja! zij erkende hem!
Wel was het droevige des toons,
Waarop hij klonk, iets ongewoons,
Maar toch, die naam werd teeder, zacht
En zonder stroefheid uitgebracht.
’t Was Gwy! haar Gwy! De vrees verdween,
Hij moest bij ’t venster zijn, naar ’t scheen,
En ijlings vloog zij derwaarts heen.
Zij vond hem, leenende aan den wand,
Het hoofd verborgen in de hand.
Zij sloeg haar armen om zijn leest,
En hield hem aan haar hart gedrukt,
En was zoo zalig, zoo verrukt,
Als waar die gade dood geweest,
En nu, na hopelooze smart.
Teruggegeven aan heur hart.
En ook die gade-zelf, hij scheen
Veeleer een lijk, een beeld van steen,
Door zucht noch kus verwarmd;
Zoo onbeweeglijk stond hij daar,
Als werd hij kus noch vrouw gewaar,
En in zijn slaap omarmd.
Maar toen de lieve, teedre vrouw
Zijn aangezicht ontblooten wou,
Was ’t of hem, plotseling ontwaakt,
Een gif te slang had aangeraakt,
En hij verschrikte; snel en stug
Stiet hij haar teederheid terug;
Hij wendde ’t hoofd; voorkwam den kus,
Die op zijn lippen dalen moest,
En sprak op harden toon en woest:
„Neen, Machteld! niet aldus.”

Een pauze volgde. Machteld schreide.
Haar raadselachtige echtgenoot
Trad naar de deur der zaal en sloot
Die op haar grenJel; hij verbeidde
Een oogenblik op afstand; kwam
Tot haar terug met groote schreden,
En plaatste zich bij ’t venster; nam
’t Gordijn en rukte ’t naar beneden.

Nu stroomde ’t licht der volle maan
De duisternis dier zale binnen,
En Machteld zag hare eegade aan.
Hoe schokte de aanblik haar de zinnen!
Dat trillend, scheemrend, zieklijk licht
Viel helder op zijn aangezicht,
En spreidde om ’t hoofd een bleeken glans,
Geliik eens Heil’gen stralenkrans.
Niet heilig scheen dit aangezicht,
En aaklig blonk het, dus verlicht.
Het was vermagerd sinds den dag
Dat hem voor ’t laatst zijn gade zag:
De bleeke wang was weggeslonken,
Het helder oog scheen ingezonken,
En wild en schriklijk zag hij rond;
Ja, daar was wanhoop in zijn blik,
Op ’t fronsend voorhoofd angst en schrik,
En hardheid om zijn mond.
Wild vielen baard en lokken neer;
Hun koolzwart, glinstrende in dat licht,
Gaf aan dat uitgevast gezicht
Verschrikkingen te meer.
Dus zag hem Machteld voor zich staan,
En dus verlichtte hem de maan.

Zij bleef in ’t donker; want de straal,
Die schuins naarbinnen drong,
Verlichtte alleen maar haar gemaal,
En stuitte waar, aan ’t eind der zaal,
De beeltenis eens ridders hong.
Het was zijn vaders beeltnis; hij
Was jong nog op die schilderij;
Blootshoofds, in ’t harnas, stond hij daar,
Een rustig man van dertig jaar,
En vriendlijk werd zijn kalm gezicht
Beschenen door dien straal van licht.
O, Hoe gansch anders dit gelaat
Dan dat van die bij ’t venster staat!
Dit oog was klaar, die schedel blond,
Een stille lach speelde om dien mond,
Daar was een glans van vredigheid
Op al die trekken uitgespreid…
Verschriklijk was dat onderscheid
Van zoon en vader!                
                              ’t Was alsof
Dit denkbeeld ook den Vlaming trof.
Want dikwijls hield hij ’t zwervend oog
Naar dat tevreden aangezicht,
Als met verborgen angst, gericht.
Maar eensklaps ziet hij Machteld aan,
En zó, dat hij den schedel boog,
Als om haar vorschend gâ te slaan.
O! Daar was angst, ontzetting, schrik,
Verwijt en vonnis in dien blik;
Hij was voor haar niet uit te staan!
’t Was of dat vreeslijk oogelicht
Verterend brandde op haar gezicht.
Hij had geen deernis: streng en straf
Bleef op haar oog zijn oog gericht;
Maar eensklaps grijpt hij ’t siddrend wicht,
En — stoot haar van zich af.

Een denkbeeld ging haar door de ziel!
Het was een vrouwlijk denkbeeld, dat
Tot nog haar met getroffen had,
Maar nu, een lichtstraal, op haar viel.
Zij sloeg een smeekend oog op hem,
Die haar dus norsch verstiet,
En sprak met diepbewogen stem:
„Ik heb mijn vroegre schoonheid niet!”

„ „Uw schoonheid!” ” — riep hij — „ „vraagde ik ooit
Hoe u de hemel had getooid?
Uw jeugd heeft nooit mij aangetrokken!
Voorwaar, geen vlechtinge der lokken.
Geen blinkend kleed, geen gouden pracht
Behaagden me ooit in uw geslacht! 
’t Verborgen hart, de stille geest,
Bekoorden mij in Machteld meest.
Zij waren ’t, die mijn ziel verleidden…
En nu, indien gij weten moet,
Wat hier mijn hart verkrimpen doet…
Rampzalige! het geldt ons beiden!” ” —

Hij trok haar tot zich, blikte in ’t rond,
En neep haar arm met kracht,
Bracht aan haar oor zijn bleeken mond
En zei toen fluisterende en zacht:
„ „’k Geloof, dat wij… verdoemd zijn!” ”

                                                                 Wat?
Zei vrome Gwy de Vlaming dat?
Verdoemd? Verdoemd? Tot Machteld? Neen,
Dat zeggen was niet wat het scheen.
En toch, haar gade sprak het uit,
Dat hartdoorsnijdende geluid.
Dat woord, zijn blik, zijn woest gezicht…
O! Alles werd haar schriklijk licht!
Op eens bevroedde zij de kwaal
Van dien rampzaligen gemaal;
En Machteld hief zich op met kracht,
En zag haar ga met moed en strak
In ’t rustloos warend oog, en sprak:
„Wat heeft u in dien staat gebracht?
Gij ijlt — gij zijt onzinnig.”…                       

                              „ „Neen,” ” —
Was ’t fluistrend antwoord — „ „nu nog niet!
De Booze heeft een kort gebied;
Hij laat bij wijlen mij alleen
Straks zal hij keeren. O! ik ken
Hem reeds en weet zijn tijd.
Ik weet in welk gevaar gij zijt
Zoo ras ik weer… bezeten ben!
Maar nu — maar nu — Wees niet vervaard!
Ik ben… bedaard.” ”

Hij poosde „ „Dáár zijn oogenbljkken,” ”
Dus ging hij voort op kalmer toon,
„ „Die ik niet afwacht zonder schrikken…
En toch, ik ben ze reeds gewoon!
Neen, Machteld, denk niet dat ik ijle
Gij ziet mij in de goede wijle;
’t Is vreeslijk, Machteld! maar ’t is waar.
Ik wilde ’t u verzwijgen, maar
Vermocht het niet. Het is gesproken;
’t Woord is zijn kerker uitgebroken!…
En, beter is het dat gij ’t weet,
Eer gij Gods vonnis tegentreedt!
Wij zyn…” ”                              

                       Hij zweeg. Niet andermaal
Kon hij die schrikbre klanken uiten,
De vreeslijkste in der menschen taal,
Sinds ’t Eden achter hen moest sluiten,
Waarin dat heilvernielend woord
Eerst door de Slang was aangehoord.
En zeker, ’t sloot ons allen buiten,
Indien niet Godes heilgena
Gebleken ware op Golgotha.

Hij zweeg en trad de kamer door,
En zag haar lang en peinzend aan,
En lei der vrouw de Heiige Blaân,
In ’t afschrift der Vulgata, voor:

„ „Hier staat het, Machteld! hier geschreven!
Wisch mij die lettren, zoo gij kunt!
Ik beb een gruweldaad bedreven,
Die ons geen uur van rust vergunt.
De Heer zalons verdoen voor de oogen
Der kindren onzes volks; zijn vloek
Is op ons. Maak mij dit tot logen!
Wisch mij die lettren uit dit boek!
Ha.! ’k heb sinds de eerste kinderdagen
Zijn woorden in mijn hart gedragen,
En voor zijn outer neergeknield;
’k Heb, en van vromen geest bezield,
Gebiecht, gevast, geboet, gebeden,
Den duivel en mijn vleesch bestreden;
Ik heb van wat de Kerk beval
Geen enkle letter overtreden!
De ketters haatte ik bovenal!
Ik heb, in negen Vlaamsche steden,
Een zuivergouden kandelaar
Doen zetten op het hoogaltaar.
’k Heb, met ruw linnen om de leden,
Geknield bij ’s Heilands dierbaar graf,
En op Calvariëgebeden;
En ’k lei den pelgrimsstaf slechts af,
Om ’t slagzwaard aan de heup te gorden,
Om schrik der Islamiets te worden,
Der Moren geesel, vloek en straf!
En nu! Dit alles zal niet baten.
Ik heb het heilig pad verlaten.
Ik ben gevallen, diep — ja, diep!
Ik keerde me af, waar God mij riep,
Ik heb gezondigd, boven maten!
’k Had me op den steilen Libanon
Een naakte grot te moeten kiezen,
En niet een enkel uur verliezen,
Dat mij den Heere heilgen kon.
Ik had, de stinkende aard ontvloden,
In boete, vaste, en lichaamspijn
Den ouden Adam moeten dooden,
Den Heilgen Geest deelachtig zijn!
Ik had der wereld moeten sterven,
En Christus leven; al mijn tijd
Besteden tot den goeden strijd,
Om eens de groote krone te erven,
Den uitverkoornen weggeleid!
Maar ’k heb — wie hoort het — zonder beven?
’k Heb op zoo groote zaligheid
(Verworpeling) geen acht gegeven.
’k Was als de Rijke Jongeling,
Die weenend van den Meester ging!
Mijn heiligheid van vroeger dagen
Is uitgewischt en weggedaan,
’k Ben op mijn pad niet voortgegaan.
’k Heb Christus ’t kruis niet nagedragen;
Ik ben bij die van verre staan.
Ik was het, die met ’t zwaard zou slaan.
En zoo lafhartig rugwaarts deinsde,
Voor mij ook kraaide de uchtendhaan,
Maar vond berouw noch boetetraan…
O Farizeër! o geveinsde!
O Valsche, huichlende apostaat!
Gij werd gedoemd tot erger kwaad!
’k Moest daarom, daarom, wederkeeren,
U, u aanschouwen, u begeeren;
Omdat ik afweek van mijn pad,
Moest mij mijn vleesch geheel verderven,
Mijn ziel bevlekt zijn met een klad,
Die nooit vergifnis zou verwerven.
Ik, die den Geest kon, dorst weerstaan.
Moest, en zijns ondanks, tot de horden
Des Satans opgeschreven worden!
Uw oogen… Zie mij zoo niet aan,
Noch ween! Gij zondigt met dien traan;
Gij schreit slechts om uw lot en ’t mijne;
Gij weent niet om uw zonden; nu,
Alleen die tranen voegen u,
Maar dat alle andre rouw verdwijne!
Uwe oogen, zegge ik, hebben mij
Doen vallen, doen verzinken; gij
Hebt mij verstrikt door tooverij…
Ik minde u om uw vroomheid — ’t zij!
Ook zulke liefde was misdadig!
Want alle liefde was ons dood
En hel!… Vrouw! onze schuld is groot…
O God! wees harer ziel genadig!” ”…

„Helaas! dat ik u vallen deed,
Dat ge om mijn liefde gaat verloren,
Dat is wel schriklijk om te hooren,
Dat is wel schriklijk, Gwy! en wreed!
Maar ’t zij zoo; schoon ik nog niet weet
Wat zonde of misdaad daar kon steken
In reine min voor u te kweeken,
Zoo één, ik was het die misdeed.
Doch met wat naam ze uw godsvrucht heet,
Die zonde kan mij niet berouwen,
Noch doet mij vreezen; de Almacht weet
Wat liefde is voor het hart der vrouwen!
Welnu, ik draag de schuld alléén;
Ik kan, ik wil, ik moet ze dragen;
Werp ze op mij en verlaat mij!
Neen, ’k Ontroof geen uwer levensdagen
Den Heere. ’k Sta aan Hem u af;
’k Wil mij van ’t offer niet beklagen;
Ik bid slechts een vroegtijdig graf,
Gij — immers is ’t nog tijd van boeten?
Gij, vraag den Heilgen Vader, wat
Uw misdaad zal verzoenen moeten,
En keer terug op ’t heilig pad.
De Heer, van wien ge u af moest wenden,
Om mij rampzalige aan te zien,
Zal u nog eens den Trooster zenden.
En onbekrompener misschien!
Zoo gij een gruwel hebt bedreven
Door Machteld lief te hebben, haat.
Veracht, vervloek haar heel uw leven…
Neen… Neen, vergeet haar —”            

                                               „ „’t is te laat.” ”

Toen volgde er een langdurig zwijgen.
Als op zoo’n uitspraak volgen moet.
De wanhoop kan niet hooger stijgen
Dan waar men deze hooren doet.
Te laat — Noodlottig woord in ’t leven,
Waar niets zoo duur is als de tijd,
En ge immer in verzoeking zijt
Hem ongebruikt terug te geven.
Te laat — Verschriklijk! Zoo gij immer
Die woorden tot u-zelven spraakt,
O, Ik bezweer u, doe het nimmer
Waar ’t boeten of bekeering raakt! —

Maar Gwy… Hij had het uitgesproken!
De gruwel, dien hij zich verweet,
Moest door een eeuwigheid van leed
Vergolden worden en gewroken!
En Machteld? Machteld? Ach, zij wist
Niet wat; het werd haar bang en banger;
Hetgeen zij vroeger had gegist
Geloofde zij nu nauwlijks langer.
Neen! Neen! onzinnig scheen hij niet;
Maar kon hij schuldig zijn aan iet,
Dat geen genade kon verwerven?
En kon hij zonder hope sterven?…
Het werd haar licht in ’t hoofd; de kracht
Ontzonk haar; schoon zij mijmrend zat
En peinzende naar ’t scheen, zij dacht
Aan niets; zij weende zelfs noch bad.
Zij hield den doffen blik ter aarde,
Of zag haar onverstaanbren ga
Met ziellooze oogen rustloos na,
Zooals hij door de kamer waarde,
Of plotsling stilstond om haar aan
Te staren en weer voort te gaan.
Soms; schoon het, in die ernstige uren
En in zijn toestand, wonder scheen;
Stond hij op dwaze nietigheên
Aandachtig de oogen uit te turen;
Betrachtte een luchter, of bezag
Een veder, die op tafel lag;
Of volgde met de vingerspits
Den omtrek van een vensternis;
Of zag bij ’t maanlicht doelloos uit;
Of maakte trekken op de ruit;
Of, naar het scheen, bedacht zich weder,
En trad weer rustloos op en neder.

Maar, plotsling voor haar stilgestaan,
Zag hij zijn gade toornig aan,
En sprak op schorren toon, die van
Lang zwugen blijk droeg: „ „Antwoord dan!” ”
Ze ontwaakte: „Wat?”                   

                                       „ „Wat? Vroeg ik niet,
Wat op uw bruidsdag zij geschied?” ”
„Mijn bruidsdag?”                        

                             „ „Gij vergat misschien!
Gij hebt een vreemde vrouw gezien?” ”

„Des vroegen morgens — een Heidin;
Zij drong zich onze woning in…”

„ „En wat heeft ze u gezegd?” ”                   

                                          „Zij sprak:
(Maar ’k sloeg een kruis; ’k geloofde niet;
Geen Heiden, die ’t verborgen ziet!)
Dit Huwlijk is vervloekt. Zij brak
Twee rozen van een zelfden tak;
Zij bracht de bloemen tot elkander,
En zij ontblaarde de een met de ander;
Toen blies zij in de losse blaân:
„ „Zoo zal het u en hem vergaan!
Gedenk aan Mara ’s woorden…” ”          

                                           „ „Zij?” ”…

„Verdween.”                                            

                      „ „En dit verzweegt ge mij?” ”

„O, Ik wist beter! Wist ik niet
Dat de Almacht op ons nederziet;
Dat reine liefde ons hart verbond;
Dat God de Heer zijn zegen zond;
En wat gemaal mij had gekozen?”…

„ „Neen! dat, rampzaalge, wist gij niet!
O Duidlijk teeken van de rozen!
Wil Machteld zien wat dat bediedt?” ”

Hij wees met uitgestrekte hand
Haar naar den wand:
„ „Zie, Machteld! Zie, bij ’t licht der maan,
Die beeltnis aan!” ”

„Het is uw vader.”                  

                                      „ „Ja, en de uwe!
Verschrik niet, gil niet, sidder niet!
Wat baat of men teruggegruwe,
Als men zijn vonnis voor zich ziet?” ”

Zij zag hem aan met strak gezicht:
„En van waar kwam u dit bericht?”
„ „Van haar, die van een zelfden tak
De twee vervloekte rozen brak.
Rampzalige! voor zeven weken,
Kwam zij voor ’t eerst in deze streken,
En vergde mij in ’t beukenwoud
Een onderhoud.
Uw moeder, sprak zij, is gestorven;
’k Ben half ontslagen van een eed,
Die mij tot nog toe zwijgen deed,
Wat u en Machteld heeft verdorven,
Uw eegade is uws vaders kind:
Hij heeft een Vlaamsche maagd bemind;
Zij stierf in ’t kraambed voor mijn oogen;
Ik legde ’t wicht te vondling; ’k zag
Het wel verzorgd den andren dag,
En ben uit Vlaandren weggetogen.
Na achttien jaren kom ’k weerom,
En vind u Machtelds bruidegom.
Maar ’k had uw vader d’ eed gezworen
(En ’k was uw vader dier verplicht;
Hij redde mij van ’t veemgericht;)
Dat nooit uw moeder dit zou hooren,
Noch iemand hier op aarde; ’k acht
Een eed, hoe dier, van weinig kracht,
Omdat ik niets voor heilig reken,
Maar ’k wilde eens dezen eed niet breken!
Toch heb ’k uw bruid gewaarschuwd; zij
Sloeg (vrome!) geen geloof aan mij;
En als de zuster, zoo de broeder
Maar zie uws vaders ring tot pand
Der waarheid; ’k trok hem van de hand
Van Machtelds vroeg gestorven moeder;
Ik droeg hem over zee en land!
Thans wil ’k en moet dit huwlijk breken,
Ik keer terug na zeven weken,
En zoo ge uw zuster nog verzweegt,
Wat schuld op uw geweten weegt.
Zoo zal ik zelve tot haar spreken!

Welnu! straks komt zij! Vijftig dagen
Heb ik in wanhoop doorgebracht,
Doch ’k heb uit deernis nog gewacht
U eerder voor mijn oog te dagen…
Maar zij zal hier zijn — heden nacht!
Hoe zullen wij haar blik verdragen?
Thans kent gij alles — uw geslacht,
Uw schuld, uw gruwel, onze schande!
Ha! hoe zal ’t klinken door den lande,
Tenzij we — als onze vader deed —
Dit vrouwmensch beedlen om een eed!
Het is verschriklijk. Machteld! waren
Ooit zondaars zondiger dan wij?
Sta mij zoo dom niet aan te staren;
Maar antwoord, antwoord, vonnis mij!
O laat mij, in dees helsche stonde,
Niet met mijn wanhoop dus alleen!
Spreek! gij hebt aandeel in de zonde;
Gevoelt gij al haar schriklijkheên!
Spreek! gil als ik: wij zijn verloren!
Roep al uw siddrend’ afkeer uit!
’k Omarmde een zuster in een bruid
Moet ik dan alles u doen hooren?
Gij slaapt! op, zondares! ontwaak!
Niet mijne alleen, ’t is uwe zaak!
Ik wil alleen niet langer spreken
Ik dorst naar woorden uit uw mond…
O Zwijg niet! antwoord! geef een teeken
Van afschuw voor dit echtverbond!” ”

Maar Machteld zat als zonder leven;
Een schoone doode; pijnlijk schoon!
Toen, als door hooger geest gedreven,
Riep ze eensklaps uit op kalmen toon:
„Wij hebben onbewust misdreven;
De Heere, Gwy! kan ons vergeven.”

„ „U? mooglijk, Machteld! maar verstond
Gij geen der woorden uit mijn mond?
Ik, ziet gij, moet verdoemd zijn, ik
Moest vallen in dien helschen strik.
Ik heb den Geest weerstaan; toen is
Den boozen vorst der duisternis
Deze almacht over mij gegeven,
En hem, hem kan ik niet weerstreven.
Ik hinkte op twee gedachten. ’k Dorst
De stem der roeping in mijn borst
Tenhalve eerst volgen, eindlijk smoren!
Mij was de Kerk als bruid beschoren;
Ik heb die bruid veracht: welnu!
Ik kreeg een andre bruid, in U;
Ik had mijn wensch — ik ga verloren.
Zoo vangt de duivel d’uitverkoren.
Voor u (waardeer dien zegen wel!)
U blijven boeten en gebeden,
U pelgrimstocht en kloostercel;
Maar ik heb allen troost vertreden,
Voor mij niets anders dan de hel! 
Wel heugt mij die gevloekte dag,
Toen ik gestraft werd voor mijn zonden;
Toen ik met u voor ’t outer lag,
En we ons te zaam in d’echt verbonden.
De zon verspreidde een waatrig licht;
De sneeuwvlok stoof ons in ’t gezicht;
De wind, als wij ’t portaal inkwamen,
Zoog achter ons de kerkdeur dicht…
Wat rammelden die vensterramen!
Hoe zalig. hoe verrukt ik scheen,
Het was mij, bij ons binuentreden,
Toch eensklaps of wij zwaar misdeden;
Het hart kromp mij van schrik ineen.
Ook waren we in die kerk alleen.
Een ander voert met vlugge schreden
Een magen- en gespelen-stoet
Den knecht des Heeren te gemoet:
Geen mensch mocht onze zij bekleeden;
Ons huwlijk had mijn naam bevlekt,
Mijn moeders gramschap opgewekt,
En nu, wij weten ’t nu, met reden,
Schoon voor haarzelf dan ook bedekt.
’t Was of het waslicht niet wou branden;
De koorknaap (weet gij ’t?) kwam te laat
Scheef zat des priesters plechtgewaad;
De trouwring viel hem uit de handen;
’k Zag al die wenken. mij voor ’t laatst
Nog door mijn goeden geest gegeven;
Maar ’k werd tot voortgaan aangedreven:
De duivel had mijn hart verdwaasd.
Nog, toen ik u mijn rechter gaf,
Ging mij een huivring door de leden,
Als waar die plechtigheid me een straf;
Ik hoorde niet naar ’s priesters reden.
Ik dacht.… aan dingen van ’t voorleden,
Die niet behoorden bij dat feest;
Op ’t laatst — ik zag mijns vaders geest
Mij fronsend, dreigend tegentreden;
Juist sprak de priester ’t AMEN uit;
En ik toog henen met mijn bruid;
Mijn vonnis was volbracht, en ik
Rampzalig sinds dien oogenblik…” ”

’t Was of zich zijn gelaat verzachtte,
Waarop een vriendlijker gedachte
Zich reeds bij voorraad lezen liet,
Als hij dus voortging:                    
                                „.Ween zoo niet!
Ach, ween niet! Doe mij niet gevoelen
Hoe teer ik u heb lief gehad!…
En doe mij niet bekennen — dat
Die liefde nog niet kon verkoelen!…
Ik moet niets weten dan mijn schuld;
Ik mag mijn vonnis niet verzachten;
En als me een week gevoel vervult,
Dan — O! bestrijdt het, al mijn krachten!
Ook dit is uit den duivel — Neen!
Mijn Zuster! Machteld! Ga nu heen!
Ontvlucht mij — zij ons afscheid snel!
Een kort — een koud — slechts éné vaarwel!
Geen kus — ik kuste u zooveel malen
In schuld en zonde en als uw man,
Dat ik ’t als broeder nu niet kan…
Vaarwel! Laat mij ’t niet weer herhalen!
Ik heb u lief dit oogenblik
Vlucht, eer mijn toorn u weer verschrikk’!
Ik voel den duivel om mij dwalen!
Om Gods wil, Machteld! ga nu heen!
O, Bij die min, die eens ons blaakte,
En ons zoo diep rampzalig maakte,
Bezweer ik u, laat mij alleen.
God… Maar van mij geen zegen! Neen,
Hij daalde op u als vloekspraak neder…
Vaarwel! Gij ziet mij nimmer weder…
Noch hier, noch daar!… Ga heen, ga heen!” ”

„Nooit!” gilt ze, en werpt zich aan zijn voeten,
En slaat haar armen om zijn kniên:
„Niet dus is ’t dat wij scheiden moeten!
Ik wil mijn lieven broeder zien!
Ik zal uw zijde niet begeven;
Ik ben uw zuster: ’k deel uw lot,
Dat kan niet zondig zijn voor God;
Ik mag als zuster voor u leven.
Ik deel uw misdaad en uw straf!
Ik sta u nimmer, nimmer af.
Ik poog’ uw jammer te verzoeten.
Wij zullen saam den gruwel boeten,
Wij zullen boeten tot ons graf!
De Heer zal zich verbidden laten
Maar kan geen penitentie baten,
Moet gij rampzalig zijn: welnu,
Ook dat… God! — ja, ook dat met u.”

De dweper zag haar teeder aan;
’t Was of ’t beklemd gemoed
Zich zou ontlasten in een traan
Misschien een tranenvloed!
Maar eensklaps! God! wat ommekeer!
Zijn gitzwarte oogen schittren weer,
Maar van nog woester gloed!
Een koude siddring doet hem beven;
Hij strekt zijn armen krampig uit,
En houdt ze dreigende opgeheven;
Zijn mond gaapt naar ’t geluid.
Zijn wang vervalt; zijn schedel nijgt
Ter aarde, en op zijn voorhoofd stijgt
De wolk der razernij;
Geheel zijn lichaam schokt en trilt;
Hij grijnslacht, schatert, kermt en gilt;
Zijn duivel is nabij.
Hij schudt zijn zuster vau zich; kruist
De kamer, met gebalde vuist
En woeste stappen door;
Zijn redevloed heeft slot noch zin;
Hij mengt er vloek en scheldwoord in,
En bijbelplaatsen, onvertaald
En buitensporig aangehaald,
Afgrijslijk voor ’t gehoor…
Maar, vrome Machteld bleef geknield,
En merkte niet haar eega’s woede,
Maar bad, van hooger geest bezield,
Om bijstand tot d’ Algoede.
Zoo baden Martlaressen vaak,
Gebonden aan den folterstaak,
En zagen, in ’t gebed verzonken,
Niet hoe de vlammen om haar blonken.

„ „Zij komen” ” — zoo riep hij — „ „wat komen zij vroeg!
Laat af! Uw nabijzijn is foltring genoeg!
Wijk achter mij, satan! gij kunt uw gebied
Wel voeren, wel foltren, al zie ik u niet!
……………………………………………
Ha! tulband en heuzwaard, gekromd als een maan!
Ha! bloedige bassa, wat grijnst gij mij aan!
De held is gevallen en doemling als gij;
Verheug u en schater, de hel is nabij!
„Ook gij werd dan krank, en ook gil ons gelijk;
„Uw trots is geknot in dit duistere rijk;
„’t Geklank uwer luite” — dus spreekt gij — „heeft uit
„En maden en wormen verwachten hun buit.
„Hoe, morgenster! vielt gij dus neer van den trans?
„Hoe, zoon van den uchtend! hoe derft gij uw glans?
„O Gij, die geen heiden uw vloek hebt gespaard —
„Hoe vielt gij dus zelf, en vermorzeld, ter aard?”
……………………………………………
Ha! priester in ’t miskleed, vertoon uw gezicht!
Uw vloek is vervuld en de hel u verplicht!
Zeg, ziet gij dien sleep niet van juffren in ’t geel?
’t Zijn allen mijn zusters in bruiloftsfluweel.
— Geen rozen! geen rozen! neem weg uit mijn oog!
Wat rozen beneden en rozen omhoog!
Geen teeken des kruises! Daar staat een heidin —
Ik kan aan haar zijde die kerkdeur niet in!
— Vervloekte, mijn lot heeft met u niets gemeens;
Al ben ik geen christen, toch was ik het eens!
……………………………………………
Weg, hondsche heid’nen! weg van mij!
Ontziet u! — Gwy de Vlaming heet ik
Waan niet dat ik u dienstbaar zij,
Neen! Christus ken ik, Paulus weet ik,
Maar, toovenaren! wie zijt gij?
……………………………………………
Mijn degen! mijn degen! mijn lans en mijn zwaard!
Men breng mij een harnas, men zadele een paard!
Trek uit dat ruw linnen, die pelgrimsrok knelt!
Ik stik in die plooien, zij doen mij geweld!
Mijn beuklaar! mijn beuklaar! zij vallen mij aan.
Ik kan niet dien palster geen heidnen verslaan!
Ha! lacht niet, vermeetlen! noch juicht in uw trots!
Een oogwenk, en ’k blink in de rustinge Gods!
Op ridders! Heeft niemand een zwaard voor een vrind?
Een zwaard, dat de levens der heid’nen verslindt?
Ha, dolk van den sultan! gij schuilt aan mijn borst;
Nog zijt gij met bloed van barbaren bemorst;
Wees welkom! Nog eens zult gij baden in bloed!
Sterf, heks met uw rozen! Gij duivlengebroed!……” ”

Hij spreekt; en van zijn handen snort
Een scherpe vlijm van blinkend staal
Epn luide gil klinkt door de zaal!
En Machteld ligt ter aard gestort.


Ingezonden op: 19 July 2001