UIT CHILDE HAROLD.

(Canto IV. I79, 80, 81, 88.)

DE ZEE.

Rol, Oceaan, uw donkre golven uit,
Vergeefs geploegd door honderdduizend kielen!
Des menschen macht tot schenden en vernielen
Dekk de aard met puin; bij u is t dat zij stuit.
Of woedt zij voort, zij laat er blik noch sporen!
Uw werk is ieder wrak op t zwalpend sop;
Hijzelf in u, gelijk een regendrop,
Gevallen en gezonken en verloren,
Verdwijnt voorgoed in uw onmeetlijk graf.
Niets merkt de plaats, waar hij den adem gaf.

Zijn schreden zijn niet op uw pan: uw velden
Geen roof voor hem. Gij schudt hem af. Gij lacht
Met alle plunder- en verdelgingsmacht,
Waar de aard voor beeft in haar vergoden helden.
Gij slingert hem naar t hooge hemelruim,
Of zendt hem, klappertandende in uw schuim,
En tot zijn goden schreiend, naar de kusten
Van waar hij kwam, terug Daar laat hem rusten!

Het schutgedonder, beukende de wallen
Van vestingen op rotsen ijzervast,
Doet koningen den schrik op t harte vallen
En rijken siddren, maar gij lijdt geen last,
De houten leviathans, door hun zwaarte
De hoogmoed van hun maker, wien zij de eer
En naam zich toe doen kennen van uw heer,
Wat zijn ze u? Speelgoed. En hun breed gevaarte
Versmelt, met al zijn strijdkracht, buit en schat,
Gelijk een sneeuwvlok in uw ziedend nat.

Zee! Reuzenspiegel, waar zich God Almachtig
In spiegelt, onder stormen! t Allertijd.
Bij stilte, koelte, noodweer, rust of strijd,
Waar gij de pool met ijs omschorst, of krachtig
Den vloed verkoelt, waarvan de keerkring splijt,
Alom verheven, groot en grootsch; t veelslachtig
Geslacht der felste monsters in uw diep
Verbergende; van t uur dat God u schiep,
Dezelfde en onveranderd; beeld des Eenen
En Eeuwgen en Onpeilbren bruis daarhenen!


Ingezonden op: 19 July 2001