HERROEP HEM NIET.

(1809.)

Herroep hem.niet voor mijn gedachten,
Dien zaalgen, dien vervlogen tijd,
Toen u mijn ziel was toegewijd,
Die tot op ít sloopen onzer krachten,
Tot op ít verstijven van ons bloed
Ons onvergeetlijk blijven moet!

Kan ik, kunt gij, de zuivre weelde
Vergetenídie wij smaakten als
Ik dí arm sloeg om dien blanken hals,
En met die donkre lokken speelde;
Terwijl uw oogen kwijnend, zacht,
Van liefde, niets dan liefde, spraken,
Maar uwe lippen niet verbraken
De zoete stilte van dien nacht.

Wanneer gij ít hoofd op eens kwaamt bergen
Aan dees mijn boezem, als van schrik,
En tot mij opzan.gt met een blik,
Die mij bestraffen moest en tergen;
Hoe drukten wij elkaar aan ít hart,
Hoe scheen in iedren kus der lippen
Ons de adem en de ziel te ontglippen,
Bezwijkende van liefdesmart!

Dan schooft gij voor die ernstige oogen
Soms ít zacht gordijn dier zijden leÍn;
Als met een blanken sluier scheen
Hun lieflijk blauw dan overtogen;
Terwijl uw pinkers, lang en dicht,
Afstekend bij een wang zoo teeder,
Zich toonden als een ravenveder,
Die op een mollig sneeuwbed ligt.

Ik droomde laatstmaal dat hij keerde,
Die tijd van liefde en van geneugt;
Die droom schonk mij een zoeter vreugd,
Als zijn verbijstring me overheerde,
Dan of ík met nieuwe drift in ít bloed
Een ander ware in díarm gevlogen,
Mijn heil verwachtende van oogen,
Waarbij ík uw teÍheid nooit ontmoet.

o, Zwijg mij van die oogenblikken,
Van tijden, die, voor goed voorbij,
Nog met een zoete mijmerij
Mijn uitgeputte ziel verkwikken,
En ít zullen ó tot men u en mij
Vergat, terwijl ons kil gebeente
Gevoelloos werd als ít kil gesteente,
Dat de aarde meldt: HIER RUSTEN ZIJ.


Ingezonden op: 19 July 2001