AAN DEN DICHTER JAN VAN WALR

MET MIJN JOSE.

Den Bard, wiens fiksche zang den geest der Oudheid aamt,
Wiens schittrende avondgloed mijn ochtendgloor beschaamt,
Den Grijsaard, wien de helft eenn eeuwkrings immer meerder
Bevestigde in den rang van Dichter, en die fier
Zich mag verheffen op zoo menig eerlaurier,
Waar Pozie zijn kruin mee tooide, t zij hij teerder
Of stouter tonen lokte uit altijd zuivre lier:
Wat breng ik dien voor t oog, in d opgang van mijn dagen? Slechts twintigmaal verscheen een nieuwe herfst voor mij;
k Werd Jongling, maar, wat gloed mij t jonglingshart doe jagen,
Wat ben ik dan een Kind in t vak der Pozij,
Waarin hij grijs werd? O Gij Dichter, zoo bevoorrecht!
De zang is zwak en flauw, dien u mijn stoutheid voorlegt;
Maar zeg mij blinkt er niet een vonk van d echten gloed
In dees mijn scheemring, die verdient uw oog te trekken?
En kan dat lichtend punt de donkre nevelvlekken
Verschoonen? Zeg mij dat en geef mijn boezem moed.


Ingezonden op: 19 July 2001