UIT LARA.

(Canto II. I.)

MORGENSTOND.

De nacht verdwijnt; de mist, die berg en woud omhult,
Versmelt in ít morgenrood, dat de oosterkim verguldt;
ít Licht wekt de wereld uit haar 8laap. Een ander HEDEN
Gaat op, dat u, o mensch! die ít met erkentnis groet,
Tot weinig meerder dan uw einde brengen moet,
En de omvang groeien doen van ít vaak herdacht verleden.
Maar, steeds dezelfde, spreidt de machtige Natuur
Haar schatten uit van jeugd en schoonheid, als in ít uur,
Dat haar ít heelal tot vreugd en God ter eere baarde.
Nog siert het licht als toen den hemel, ít leven de aarde,
Het gras de beemden. en de bloemen ít lachend groen;
Dezelfde frischheid aamt in ít koeltje nu als toen;
Als toen verrast de zon den heldren stroom in ít wiegelen
Nog heden, om zich ít hoofd er dartel in te spiegelen,
Nu even. schoon als toen, en heerlijk toen als nu.
Onsterflijk mensch! aanschouw die wondren rondom u,
En roep dan in uw waan met opgetrokken slapen
En fiere blikken uit: Ąít Werd alom mij geschapen!Ē
Zie vroolijk om u; o! ít mag heden nog geschiÍn,
De morgenstond genaakt, waarvan gij niets zult zien;
En, wien uw doodsmaar wee en rouw in ít hart moog brenge.
Noch aard noch hemel zal om u een traantje plengen;
Geen wolkje dat om u de lucht betrekken zal;
Geen blad zal dorren, en geen windje, u ten gevallí,
Een zuchtje slaken ó maar de worm uw graf belagen,
En, levende in uw dood, het rottend rif doorknagen,
Dat de aard zal mesten waar ge in neerzonkt, en het dal
Met nieuwe bloemen in de lente tooien zal.
Ingezonden op: 19 July 2001