GWY DE VLAMING.

EEN VERHAAL.

MACHTELD.

Zilt gij het, jonge burchtvrouw, gij?
Die, in dees vensternis verscholen,
U toegeeft in uw mijmerij,
Uw droeve blikken om laat dolen?
Hebt ge, in ’t weemoedig avonduur,
Den zwaren zetel hier geschoven,
Waar ’t maanlicht schemert op den muur,
En slaat dien matten blik naar boven?
Neen, dit ’s de blonde Machteld niet,
Die, met de bruidskrans op de lokken,
Het zedig Vlaamsch gehucht verliet,
En Poelgeest’s Huizing heeft betrokken;
Die (nog zoo weinig maanden pas!)
Aan vromen Gwy door d’echt verbonden,
De huwlijksvreugd heeft ondervonden,
Of kwijnt het echtlijk heil zoo ras?…
Wat zijt ge bleek! Die blauwende oogen,
Verloren zij die tintelvonk,
Waar levensluit en liefde in blonk? 
Een nevel heeft hen overtogen,
Een tranenvloed ontstroomt hen nu
O Zeg, wat smart vermagerde u?
Gij (immers beter noodlot waardig),
Wat bui viel, lelie! zoo wreedaardig?
En, lam! wat stormwind was zoo ruw?

De maan was uit een nevel opgegaan.
Haar breede schijf, min zilver nu dan goud,
Dreef statig boven ’t donker beukenhout
En drong haar licht door ’t duister van de blaân.
Elk heeft gewis, in menig stillen nacht
Zijns levens, tot haar lichtgloed opgezien.
En bij dien glans aan velerlei gedacht,
Aan eigen, aan haar schijnbaar lot misschien!
Daar zijn er, die bij d’ aanblik van haar gloed
De liefdevlam versterken in ’t gemoed;
Daar zijn er, wie haar vriendelijke schijn
Gelukkig, kalm, en vroom gestemd doet zijn;
Wel menig, starende op dat plechtig zweven,
Heeft aan een zieklijk dwepen toegegeven,
En roekeloos zich aan een toovergloed
Gewaagd, waar aarde en zee voor zwichten moet;
Maar, waar ze ook ’t hart van andren mee vervult,
Mij wekt ze altijd het denkbeeld van geduld.
De zedige beschroomde, die bescheien,
Met bleeke wang, aan de oosterkim verschijnt,
Niet blinkend, voor een machtiger verdwijnt,
Niet — dan gesterkt door aller starren reien,
Als die haar ongenoegzaamheid beseft.
Zoo ziet gij haar den vromen strijd beginnen
Met iedre wolk, die zich tot haar verheft,
Gelaten zwichten, zedig overwinnen,
En lijdlijk zijn bij alles wat haar treft.
Wat immer haar bedroeve, of kwelle, of trachte
Te ontluistren en te dooven aan den trans,
Indien zij slechts een straaltje van haar glans
Kan redden en doen schemeren — de zachte
Weerhoudt het niet van wie het smachtend oog
Van de aarde tilt en opslaat naar omhoog;
En iedre speling van haar gloed
Brengt balsem voor ’t bedrukt gemoed.

Zie, wel mocht zij vertroost zijn door die stralen,
Die in den boog van ’t hooge burchtraam zit,
Nu eens het oog ten hemel heft en bidt,
En dan de blikken neer doet dalen
Op ’t zilvren kruisbeeld in haar hand,
Of op het snoer gewijde kralen
Uit cederhout van ’t Heilig Land,
Met vrome teekenen besneden.
Een kring van kinderlijke beden,
In zusterlijk verband!

Wie was zij? — Een gevonden kind.
Haar moeder had haar nooit bemind;
De deernis had der oudren plicht
Vervuld voor ’t wreed verlaten wicht.
Maar was zij van onzeker bloed,
Haar schoonheid had die ramp vergoed.
Waar zich de mensch onmenschlijk toont,
Daar wreekt natuur zich, dus gehoond;
Zij, algemeene moeder, neemt
De kindren op, aan moeders vreemd,
En adelt met haar rijkste gaven
Dezulken vaak naar lijf en ziel,
Wie zelfs geen moederborst mocht laven,
Geen vaderkus te beurte viel.
Een brave weduw had het kind,
Uit liefde en godsvrucht, opgenomen
En met een moederhart bemind.
Gods liefde helpt en sterkt de vromen;
’t Was of zijn zegen op haar kluis
Verdubbeld rustte, sinds den morgen,
Dat zij voor ’t wicht begon te zorgen,
Dat sinds de lust werd van haar huis.
En o! wie kan haar vreugd waardeeren,
Wie, die haar hoogmoed schetsen kan,
Die toen haar hart mocht overheeren,
Toen Gwy, de Vlamingsche edelman,
Dat kind tot gade kwam begeeren,
In spijt zijns adellijken bloeds,
In spijt van zijn vergramde magen,
Die hem zijn wapen schenden zagen,
Haar beuren wilde op de echte koets,
Haar waardig dacht zijn naam te dragen!
Omdat zij schoon was? Zeker niet.
De schoonheid waar het oog op ziet
Was te allen tijd’, bij alle standen,
Niet zeldzaam in de Vlaamsche landen;
En hij die zijn gelijke ontmoet
In wie een gravenhoed doet pralen,
Zal ’t oog zoo licht niet af doen dalen
Op een van dubbelzinnig bloed,
Als hij in de edelste jonkvrouwen
De schoonste tevens mag aanschouwen.
Neen! Machtelds vroomheid, dit-alleen
Was ’t wat den edelman bekoorde,
Waardoor zij hem een heilige scheen,
Die beter wereld toebehoorde
De vroomheid, sinds het menschdom viel
En de eerste reinheid heeft verloren,
Een tweede .reinheid van de ziel,
Niet minder vreugd der englenkoren!
O Vroomheid! Vroomheid! Weet gij iet,
Dat hemelscher kan zijn op aarde,
Dan vroomheid, die den hemel ziet,
En zich in deemoed openbaarde?
Zij is iets vrouwlijks; nu, wat zou
Daar schooners, heilgers, meer verhevens,
En zediger en stiller tevens
Op aard zijn dan een vrome vrouw?

En Gwy was van zijn eerste jeugd
Tot godsvrucht opgevoed en deugd;
Hij was geloovig; niet als hij,
Die koel van hart en leeg van hoofd
Slechts zegt: „Mijn vader heeft geloofd,
„Mijn moeder bad: gelooven wij!”
Neen, zijn geloof had leven; ’t bloeide
Door goede werken; zijn gemoed
Bleef nimmer koud of lauw, maar gloeide
Van christelijken liefdegloed;
Ja, die gestrengheid was de zijne,
Die licht tot dweepzucht overslaat,
Maar die, boe hard ze somtijds schijne,
Altijd een vroom gemoed verraadt.
En daarom hield hij alle dagen,
Ter vroegmisse ijvrig opgegaan,
’t Oog op de blonde maagd geslagen,
En zag haar als een zuster aan.
Geen, Wie zoo’n heilge schroom bezielde,
Wanneer zij ’t outer nadertrad;
Niet een, die zoo eerbiedig knielde,
Als zij haar rozenkralen bad;
Geen, die zoo needrig, zoo boetvaardig
Ter aarde neerzonk voor ’t Hoogwaardig,
Wie zulk een huivring overviel,
Wanneer de miskelk ingeschonken,
En ’t heilig bloed werd uitgedronken,
Tot pand der redding van haar ziel!
Gwy was verrukt; hij had bij velen
Dien vromen zin vergeefs gezocht,
En wenschte dat hij vinden mocht,
Aan wie zijn harte mee te deelen,
Met wie te bidden naar zijn wensch,
En die verukkingen te smaken,
Die ’t hart verheemlen van den mensch,
En reeds in hope zalig maken!
Daar waren, die van stap tot stap
Den snellen gang der liefde schetsten,
En hoe zij stijgt ten hoogsten trap,
Tot dat zij hartstocht wordt ten letsten;
Wij schildren niet wat ieder man
Gevoeld heeft, of gevoelen kan:
Ook was er in de min van dezen
Een reiner zin, een hooger geest.
Zoodat zij een beschrijving vreest,
Die licht… beleedigend zou wezen.
Zijn liefde scheen van hartstocht vrij;
Zij kende scherts noch koozerij;
Haar scheen niets zinlijks aan te kleven;
Aan velen scheen zij veel te koel.
En slechts een broederlijk gevoel,
Door weerzijdsch’ eerbied opgeheven;
Een kalme teerheid, die den gloed
Der opgebruiste drift niet kende,
Zich enkel tot de zielen wendde,
En geen gebied had op het bloed.
Hoe ’t zij, die Gwy, die alle dagen
De Schriften ijvrig onderzocht,
Des pelgrims voetzool had gedragen,
En ’t Heilig Graf aanbidden mocht;
Hij, van wien allen lang voorzagen
Dat hij als menschenschuwe klerk
Zich toe zou wijden aan de Kerk,
Het monnikskleed eens aan zou gorden,
De wereld in een cel ontgaan,
Een dweper. of een heilig! worden,
Nam ’t sacrament des huwlijks aan.
Hij trouwde Machteld, maar ontvluchtte
Zijn goedren en zijn land, omdat
Hij ’t toornen van een maagschap duchtte,
Wier trots hij dus beleedigd had.
Haar wreveligen haat ontweken,
Trok hij naar noordelijker streken,
En vond in ’t ledig slotgebouw
Van Poelgeest ’t lachend huwlijks-Eden,
Smaakte al der liefde zaligheden,
En d’ aardschen hemel van de trouw.

Maar nu? Ach, sedert zeven weken
Heeft hem zijn Machteld niet gezien.
„Hij was van ’t Huis verreisd misschien?
Zijn afzijn deed haar ’t harte breken?”
O neen! Dit zelfde slotgebouw
 Besloot den Vlaming en zijn vrouw,
Maar hij onttrok zich aan haar oogen
In d’ onbewoondsten hoek van ’t slot,
Waar niemand, naar zijn streng verbod.
Hem voor ’t gezicht zou komen mogen,
Dan hij, die hem, na elken nacht,
Een bete broods en water bracht.
Wat was van dit gedrag de reden?
Geen stervling die het wist; en zij
Die hem beminde althans niet. Hij
Leefde in zijn huis met elk tevreden;
Hij was gelukkig; dikwijls had
Hij ’t haar betuigd; zijn oogen zeiden
’t Aan ieder, die hem nadertrad…
En kan een helder oog misleiden?
Neen, vroomheid, vriendschap, ernst, verdriet,
Dat alles kan vermomming wezen,
Alleen ’t genoegen huichelt niet
Maar laat zich op het voorhoofd lezen;
Daar is een straal van vriendlijk licht,
Die schijnt om ’s blijden aangezicht,
En lieflijk blonk hij over dezen,
Terwijl uit al zijn trekken sprak
Dat hem niets kwelde, niets ontbrak.
Maar nu! Helaas, voor zeven weken,
Was hij des avonds onverzeld
De lage zijpoorte uitgesneld,
En zonder tot zijn ga te spreken.
Hij kwam, bij ’t vallen van den nacht.
Op ’t huis terug, waar hij met beven
En angst door Machteld werd gewacht.
„Wat had zoo laat hem uit-gedreven?”…
Daar was hij! Wonder klonk zijn taal!
„Men breng mij licht in de oosterzaal;
„Mijn tabbaard; dronk noch avondmaal!
„Bid de eedle vrouw, voor ik ’t begeere,
„Mn niet te naadren. Ik verzoek
„Mijn bijbel en getijdeboek;
„Breng die. ’k Beveel haar aan den Heere!”

Zoo sleet de Vlaming dag aan dag,
In vaste en eenzaamheid.
De dienaar. die hem ’s morgens zag,
Bracht altijd kort bescheid,
Als Machteld. met gesmoorde stem,
Hem schreiend vroeg: „Hoe vondt gij hem?”
Het antwoord was verscheiden. Meest
Was ’t in den eersten tijd: „Hij leest.”
Maar later kwam hij vaak verschrikt
Terug, dan had zijn Heer
Hem norsch of grimmig aangeblikt;
En eindlijk wist hij nauwlijks meer
Wat antwoord hij der teedre vrouw
In haar bezorgdheid geven zou.
— „Uw Heer spreekt in zichzelf” — „Hij trad
„De kamer haastig door.” — „Hij zat
Daar roerloos neder.” — „Hij gebood
Mij uit zijn oog te gaan.” — „Zijn mond
Sprak woorden, die ik niet verstond.” —
— „Bleek is hij als de dood.”…
Maar als des avonds om den haard
De kring der dienstbren was geschaard,
Dan werd aan dergelijk bericht
Geheel een fabel toegedicht.
Dan werd er fluisterend gegist
Naar de oorzaak, die geen hunner wist.
Dan werd op lagen toon gemeld.
Hetgeen in d’ omtrek werd verteld.
De een zei: „hem was voor vast verhaald,
Hun heer had ’s avonds omgedwaald,
En op zijn weg een heks gezien,
Die hem betooverd had misschien!”
Een ander zei: „dat in den nacht
Een vreemde brief was aangebracht;
En dat hij, slaaploos, aan de poort
Verdacht gerammel had gehoord,
En luide stemmen in een taal.
Die hij niet kende, in de oosterzaal.”
Alom werd dit voor waar geacht:
De Vlaming was in ’s Boozen macht,
En, ’t zij hij schuldig ware of niet,
De duivel voerde op hem gebied.
Ja. schoon ’t door velen werd weersproken,
Dees had een zwaren stap gehoord,
Hem had een blauwe vlam gegloord,
Zij had een zwavellucht geroken,
Die in de gang haar tegenstoof....
Ach, onverstand en bijgeloof!

Maar zoo gij, in dees kouden tijd,
Bij ’t ongeloof van onze dagen,
Geen twijfelaar aan alles zot,
Wat pols en hart met voller slagen
Doet kloppen en de ziel verblijdt!
Of zoo u ooit de ervaring streelde,
Hoe teer, hoe innig, hoe getrouw,
De liefde zijn kan in een vrouw,
Dan zal de erinring zulker weelde
U doen beseffen hoe de smart
Thans knagen moest aan Machtelds hart.
Ach! de onrust, die dat hart verteerde,
Was als haar teedre liefde groot!
Zij stierf een duizendvouden dood,
Den dood slechts niet, dien zij begeerde.
Maar, zóó geloovig was haar min,
Ofschoon een maalstroom van gedachten
Haar duizlen deed bij dag en nachten,
Vaar sloop geen argwaan tot haar in!
Geen achterdocht, geen kwaad verdenken
Van hem, die haar toch wreed verliet;
Neen, zij begreep zijn opzet niet,
Maar ’t kon haar trouw geen haarbreed krenken!
„Eens!” dacht zij „eens! — het ga hoe ’t ga,
„Eens zal de dierbre zich verklaren,
„Eens moet zich ’t raadselopenbaren,
„Maar, hemel’ zij het niet te spa!
„Mijn kracht begeeft me, zal me ontzinken;
„’k Wil sterven, ’k zal ’t, en ras misschien!
„Maar laat mij ééns hem wederzien.
„Dan wil ’k, o dood! uw beker drinken…
„Doch Heere! laat uw wil geschięn!”
Vaak sloop zij naar den kleinen toren,
Den toren boven de oosterzaal,
Om daar den voetstap maar te hooren
Van haar onzichtbaren gemaal;
En dikwijls lag zij gansche nachten
Geknield en bad met luider stem,
Soms voor zich-zelf, maar meest voor hem,
Het middelpunt van haar gedachten.
Dus bad ze ook heden, ’t weenend oog
Op ’t zilvren crucifix geslagen:
„Heer! geef mij kracht mijn kruis te dragen,
„Hoe zwaar ’t mij arme vallen moog!”...

Daar treedt de dienaar voor haar oogen.
„Wat brengt gij, Wolfert! kwaad of goed?
Gij schijnt ontsteld- spreek uit — schep moed!
Wat zou mij meer verschrikken mogen?
Uw Heer....”                                     
          „ „Verlangt....” ”     
                                            „Zijn gade?”
                                                              „ „Ja.
Hij wacht u ongeduldig.” ”          
                                             „’k Ga.”
Neen! In haar zetel zonk zij neder,
Bedekte ’t aanzicht, weende luid:
„Helaas!... ik durf niet!” snikte ze uit;
Maar ras verhief de vrouw zich weder.
Gesterkt rees ze en met waardigheid
Van d’ eiken zetel, wischte de oogen,
En sprak bedaard en onbewogen:
„Wčl; licht mij voor; ik ben bereid.”


Ingezonden op: 19 July 2001