MANNEKENS IN DE MAAN.

EEN EENDJE.

Mundis vult decipi.
Of de uitdrukking toen reeds gangbaar was, weet ik niet; ik althans herinner mij niet ze destijds gehoord te hebben; maar de aanleiding tot het volgende dichtstuk, in den trant van De Maskerade, was niet anders dan een kolossale, met alle vertoon van wetenschappelijken ernst uitgewerkte canard, waarmede broeder Jonathan het oude Europa, in mijn academietijd (welk jaar herinner ik mij niet met juistheid), allerbijzonderst beetnam, en waarvan de uitwerking op het algemeen gesprek volstrekt niet geringer was dan in het gedicht geschetst wordt.

Ik had dien nacht geen ooglid toegedâan…
Ontrust u niet, mijnheeren en mevrouwen!
Ik had mijn maag volstrekt niet overlaân;
Was zeer gezond en zelfs niet eens verkouen —
Ja, was met vaak en laat naar bed gegaan,
En had mijn geest geheel niet opgehouen
Met eenig soort van droomen, welker zoet
Of zuur den slaap uw sponde ontwijken doet.

Maar slaaploosheid hoort tot de fraaie kwalen,
Waarop ik vroeger fier was; nu niet meer.
Doch als men eens zoo’n dwaasheid aan ging halen,
Verlaat zij ons, helaas, zoo licht niet weer.
’k Lig uren lang te draaien en te malen
Tot ’k inslaap — maar gansch vruchtloos deze keer!
Geen sluimring kwam. en hoe ’k mij moest vervelen
Weet ’k zelf zeer goed, maar u kan ’t weinig schelen.

Mijn slaapvertrek, dit zij u eerst bekend,
Is niet zeer groot; maar dit doet niets ter zaken:
Ik heb er, uit mijn groene sluimer-tent,
Een alleraardigst uitzicht op de daken;
Maar ook een weinig op het firmament
Dit. préféreer ik, als ik lig te waken.
Ik sloeg er ook dien nacht mijn oogen heen. —
Een nachtpit brand ik somtijds, maar toen geen.

De maan scheen mij door ’t venster aan te staren
De maan — O ’k heb haar lief, en lief als gij,
Lief, dweepziek kind van even zestien jaren,
Wanneer gij haar, in zoete mijmerij, 
Door ’t helder blauw der effen lucht ziet varen!
Daar haalt voor mij geen zon ter wereld bij.
Maar toch, ik zie haar ’t minst graag als zij vol is,
Omdat mij dan haar wezen wat te bol is.

Nu was zij zoo vol mooglijk; ja! ik dacht,
Voller dan vol; om ongerust te worden;
Om „bang te zijn voor barsten! Nu! gij lacht,
Maar inderdaad, de zaak was niet in orden.
Roos, kiespijn, bof, of zoo iets was vannacht
Bepaald haar deel; de gouden tafelborden
Der Groningers en Friezen waren thans
Haar beeld niet, maar veeleer de dikke Frans.

Françoise Gras, des morgens bij ’t ontwaken,
Met oogjes, half begraven onder ’t vet
Der hooggebloosde en opgespannen kaken,
Niet kunnen de overwinnen om van ’t bed
De zoetheid nog een oogenblik te smaken,
Voor zij zich zal begeven aan ’t toilet;
Françoise Gras, eer zij haar bolle wangen
Ter weerzij met haar krullen heeft behangen.

„Maan!” zeide ik, „mooie maan! verbeeld u niet
Dat gij vannacht uw jour hebt met die koonen!
Hoe languissant een blik gij op mij schiet,
Geen zuchtje zult gij uit mijn boezem troonen.
En als u „mijn geliefde Phyllis” ziet,
Zij hoeft zich heden niet jaloersch te toonen,
Maar kan gerust gaan slapen, en haar leed
Vergeten, als ik wenschte dat ik deed.”

Maar altijd hield zij vol mij aan te kijken:
Ik: „Houd uw bakkes voor u, manziek wijf!”
Zij: „’k Zal van nacht niet uit uw oogen wijken;
Doch zie in mij geen „bakkes,” maar een schijf.
Wat hebt gij mij bij dingen te gelijken,
Waarmee ik niets gemeens wil hebben? Blijf
Mij van mijn lijf met uw figuren, maatje!
En leer mij kennen! Dat ’s een ander praatje.

„Ik ben geen juffrouw, geen godes, ik hiet
Geen Hekaté, Diana, noch Astarte.
Ik moei mij met eens anders gekheid niet,
En draag ook geen verliefdheid in mijn harte.
Om Phyllissen en Bellamy-en schiet
Ik nachtlijks in den lach, ondanks hun smarte,
En keer mij aan hun teemen en gelijm
Zoo veel als vroeger aan het tooverrijm.

„Ik ben geen zuster van de Zon, geen nichtje,
Geen achternichtje zelfs; (nog eer van de Aard!)
Zij zou mij aan zien komen, nietig lichtje,
Bij haar en haars gelijk geen oortje waard!
Toch heb ik een ordentelijk gewichtje,
Met uitgebreidheid naar venant gepaard;
Vraag ’t die mij heeft gemeten en gewogen!
Gij ziet mij klein, want zeer klein zijn uw oogen.

„Wrijf ze uit en zet er telescopen voor,
En zend mij wetenschappelijke blikken,
Geen malle minnaarslonken toe, waardoor
Ik lust kreeg mij een sluier om te strikken
Van neevlen, zoo ik neevlen had; maar hoor
Ook deze waarheid, die u zal verschrikken:
Ik ken geen neevlen; neevlen zijn van de aard,
Mijnheer! Zijn uwe en u en harer waard.”

Zoo sprak de maan; zoo scheen zij mij te spreken,
Of iemand uit haar naam, een spook, een geest
Van Huygens, of van Newton, naar ik reken;
’t Kan ook Tycho Brahé wel zijn geweest.
Maar meent gij nu. dat ’k met mijn wollen deken
Mijn aangezicht bedekte, die dit leest
Zoo weet dat gij u deerlijk hebt bedrogen.
Ik keek de maan al even strak in de oogen.

„Hoe!” sprak ik, „Hemellichaam, hemelbol,
Of wie gij zijt, die fluistert in mijn ooren!
Houdt gij mij waarlijk voor zoo dom of dol,
Dat gij mij meent een nieuwtje te doen hooren?
Al speel ik, uit beleefdheid, de oude rol,
Ik weet wel wie ik voorheb! Spaar uw toren
Voor andren; ik weet alles, — en ook dit
Dat gij geen invloed op het weer bezit

Dat gij geen water hebt in al uw rillen
En aadren, groeven, diepten — niet een drop!
Ons kale bergen toont naast leege killen,
En zonder groene of sneeuw-kroon op den top;
Dat niemand in uw land zou wonen willen;
Ook haalt er dier noch plant den adem op;
De lucht ontbreekt, en wie kan haar ontberen?…”
„Dat,” sprak de stem, „zal ik u anders leeren.”

Scherp luisterde ik; maar ’t was het laatste woord
De maan betrok, of, wilt gij, werd betrokken,
’t Licht van mijn geest beneveld en verstoord;
De gang van mijn gedachten raakte aan ’t hokken;
Toch mijmerde ik nog zoo wat reedlijk voort —
Op eens — daar voel ik een paar zenuwschokken —
Spring op — hoe is ’t? Heb ik geslapen? Neen! —
Ja toch! — Neen! — Ja! — Neen! — Maar daar drijf ik heen.

Ik droomde van de maan? van duizend manen?
Van ’t „mannetje in de maan?” Van dikke Frans?
Van staart- en dwaalster en hun kronkelbanen?
Van Uylenbroek en Schroder aan den trans
Des hemels, tusschen stieren, beren, zwanen
En Berenices haarvlecht, schoon van glans,
Gevestigd, als een nieuw stel Dioscuren,
Waar hun benijders zich voorts scheel op turen?

Volstrekt niet. Neen! zoo gaat het al te veel
In verzen en verhalen; maar in ’t leven
Net andersom. Daar vat gij ’t casueel
Des nachts niet op, waar ’t ’s avonds is gebleven,
Maar krijgt gij net precies het tegendeel.
En zelden zijn uw droomen zeer verheven;
Hoe grooter dag, hoe kleiner droom wellicht!
— Maar ik had ditmaal droom noch droomgezicht.

O Zoete stonde, uit diepen slaap te ontwaken,
Zich nog eens om te keeren in het bed;
Nu overend, straks op de been te raken,
En heel gewasschen, maar in half toilet,
Uw opgeknapte kamer te genaken;
’t Ontbijt gereed te vinden, thee gezet;
U frisch te voelen en vernieuwd van krachten —
Vooral wanneer u geen colleges wachten.

Dan haalt gij, met een nameloos gevoel
Van vrijheid, lust, en liefde tot de menschen.
’t Gordijn op; staart het vroolijke gewoel
Der straat glimlachend aan; de beste wenschen
Zijn in uw hart voor iedereen; niet koel,
(Want uw goedhartigheid kent thans geen grenzen)
Niet koel zelfs laat, in dit gelukkig uur,
U ’t mooie dochtertje van d’ overbuur.

Mijnheeren! ’k moet mijn zwakheid u belijden
Dat ik niet doe als gij: mij zelf niet scheer.
De groote vrees mij in den neus te snijden,
Die gij trotseert, weerhoudt mij telkenkeer,
En ook mijn Figaro is te benijden!
Het bluft niet bij: „Een mooie dag, menheer!”
Daar zijn er veel bij die zich zelven scheren,
Van wier barbiers ik niet de helft kan leeren!

Daar is hij, en zijn „mooie dag” vooraan;
Maar straks: „ Wat zegt u van de groote ontdekking?”
„ „ De groote ontdekking? Welke?” ” — „Van de maan.”
— De man wist nog geen woord van mijn vertrekking
Van zinnen — „Ja! ik kom er net van daan.”
„ „Hoe gij? Wat ’s dat, mijnheer Verbazingwekking?”
Zoo noemde ik hem wel meer, maar nu vooral,
Om reednen, die men licht bevroeden zal.

(Hier moet ik tusschenbeide eens iets zeggen:
Men zit de dichters veel te dicht op ’t lijf
Men wil hen aan te vele kluisters leggen.
De schepsels zitten al vanzelf zoo stijf
In ’t wambuis! Laat aân hun geschoren heggen
Van tijd tot tijd een uitwas toe, en kijf
Niet over rijmen, ongerijmd als dezen…
En anders moet gij maar geen dichters lezen! — )

„Niet van de maan;” was ’t antwoord van den man;
„Ofschoon… maar… weet u, van mijnheer Termunde,”
(Alweer een naam, dien ’k best gebruiken kan),
„Die altijd alles weet van sterrekunde.
„Hij had het boekje vóór’em. U moet dan
„Begrijpen dat het vast is…” Maar ’k vergunde
Geen langer introductie — „ „Goed! maar maak
Wat voort, en meld ten eerste mij de zaak! ” ”

Daar kwam ’t verhaal. „In deze laatste weken,
Had men de lucht, hij wist niet waarvandaan.
Maar nog eens goed, door een nieuw ding bekeken,
En ziet: DAAR WOONDEN MENSCHEN OP DE MAAN.
Men had het lang gedacht; nu was ’t gebleken.
Daar was volstrekt geen zweem van twijfel aan.”
„ „Wel!” ” zeide ik, „ „Vriend! zoo ze een barbier begeeren,
Ben ik bereid u te recommandeeren.” ”

Dus schertste ik. Maar in ’t verdre van den dag
Werd alles ernst. Het was van alle zijden:
„Hebt gij ’t gehoord? Wat. zegt ge er van? Dat mag
Een grootsche ontdekking heeten. Welke tijden
Beleeft men! En ’t is zeker. Geen gewag
Van twijflen; maar alleenlijk van verblijden
In dees triomf der wetenschap, die WIJ,
Mijnheeren! WIJ beleven; ik en gij.”

Zoo luidde ’t op „de Kroeg,” uit honderd monden;
Aan tafel; bij professor op de thee,
Waar dertien „ganzeg...ten” zich bevonden,
En én het woord voor alle dertien deê,
Men ging, om ’t groote nieuwtje te verkonden,
Opzetlijk op visites en soirée,
Waar ’t al de jonge dames zeer frappeerde
Dat zelfs Jan Saai nu geen discours ontbeerde.

In ’t kort! Ik heb ’t „Amerikaansche boek,”
Waarin de zaak verhaald werd, zelf gelezen.
Vooraf, een wetenschaplijk onderzoek
Hoe, casu quo, het glas zou moeten wezen
Om levend haft te speuren in dien hoek,
Dit deel was zwart van cijfers, waard geprezen!
Daarna, ’t verslag van ’t slijpen van dat glas,
En wat het in had eer het zóó ver was.

’t Was klaar. Geen oog zag ooit door zijns gelijken.
Nu, ’t stellen van den kijker, aan de Kaap!
Het eerste, tweede, derde, vierde kijken…
„De halve wereld” ligt in diepen slaap;
De volle maan staat aan de lucht te prijken;
Voor ’t ongewapend oog, een gele raap;
Voor Herschels blik, „een wereld rijk aan blijken
Van menschbewoning!” Wat is dit? „A. crowd!”
„It moves; it separates!”
… Zij zijn aanschouwd!

Zij zijn aanschouwd. — Of ’t mooie jongens waren,
Dat, lieve juffrouw! is een andre vraag
Mij staat iets voor van ongekamde haren.
Van baarden, hangende tot op de maag.
Maar, ziet u, het zijn altijd nog barbaren!
Ontwikk’ling en beschaving komen traag.
Ook kon men door den kijker niets bemerken
Van schoolgebouwen, schouwburgen, of kerken.

Hoe ’t zij, voor een begin is ’t mooi en goed;
Maar ’k vraag: wat zal ook hier de aanschouwing baten,
Indien men daar zijn voordeel niet mee doet?
Laat ons geen tijd, die kostlijk is, verpraten!
Elk ziet terstond wat hier gebeuren moet
Een nieuw ontdekte stam met rust te laten,
Daar is, op de aard, nooit voorbeeld van gezien.
En dat moet ook daar ginder niet geschiên.

Het is een punt van ’t Algemeen Gelooven,
Dat al wat is OM ONS geschapen is.
Geen schepsel spreekt dit tegen. Daarenboven
Wat IK ontdek is ’t MIJNE, naar ik gis.
Wij laten ons dit Maanvolk niet ontrooven,
Noch ook ons recht op zijn erkentenis;
Want immers, hadden wij ’t niet opgedoken,
Wie in ’t heelal had ooit er van gesproken?

En daarom moet het weten wie wij zijn
Ons leeren kennen, achten, dienen, eeren;
Op nog iets deeglijkers dan maneschijn,
Van uit zijn hooge woonplaats, ons tracteeren.
Daar zal toch wel iets wezen, grof of fijn.
Waarmee die goede luidjes zich geneeren,
Dat ons kan loonen voor ons interest
En kostbare démarches tot hun best.

’t Is zaak met allen ernst ons aan te gorden
Tot vordring op een ingeslagen baan.
Het luchtreisvak moet meer beoefend worden
Daar hapert nog het een en ander aan.
Wij moeten — in ’t belang ook van „de horden,”
Die haar bewonen — eerlang naar de maan!
Ik wanhoop niet of ’t menschdom zal er komen,
En mooglijk eer dan velen durven droomen.


Ingezonden op: 19 July 2001