GWY DE VLAMING.

EEN VERHAAL.

MARA.

De morgen rees, maar traag en flauw
Geheel de lucht was donkergrauw;
t Was mat en vocht en dompig weer;
Een fijne regen daalde neer;
Daar lag een vale treurigheid
Op heel het landschap uitgespreid;
Een doffe tint, een doodsche schaw,
Een loodzwaar floers van smart en rouw.
t Was een dier dagen, die t gemoed
Naar d avondstond verlangen doet,
Verzekerd dat geen straal van licht
Door wolken boren zal, zoo dicht.
Die slaaprige onmacht der natuur
Verveelt het hart, van uur tot uur ;
t Is of haar, roerloos uitgestrekt,
Een aaklig doodskleed overdekt;
Het is of wind en vloed vereend
Een dof, een sleepend lijklied steent.
t Geboomte staat als neergebukt,
Gebloemte en kruid ter aard gedrukt;
Geen vooglenzang vervult de lucht;
Slechts waar een raaf haar nest ontvlucht
Als haar de lijklucht tegenstinkt,
Die door dien lauwen dampkring dringt,
Verneemt het oor haar wiekgeklep
En t krassen uit haar kromme neb;
Slechts waar de bontgevlekte meeuw,
Die t naadren van den storm voorziet,
De rimpling scheert van kreek en vliet,
Ontzet men van een rauwen schreeuw!
Maar t neergeslagen harte haakt
Naar t noodweer, dat zij kenbaar maakt.

Zoon droeve dag ging Poelgeest op
En schemerde om zijn torentop,
Om t sombr floers van nachtlijk zwart
Te heffen van dit huis van smart,
En spreidde een nevel, dun en voos.
Om deze woninge des doods.

Een vrouw zat neer in de oosterzaal,
Te wachten op den eersten straal,
En doofde, bij de schemering,
Een lamp, die aan den zolder hing.
Een grof en bruin gewaad, naar t scheen
Eer voor een mannenleest gesneden.
Omgaf de ineengedrongen leden,
En hong in plooien naar beneen;
Een kleine kap van vuurrood laken
Sloot om haar lokken. kroes en zwart,
En in wier schauw haar voorhoofd werd
Verborgen en haar bruine kaken.
Haar gitzwart oog scheen, enkel vlam,
Van vreemd, van oostersch vuur te gloren,
En zilvren ringen in haar ooren
Verrieden den Boheemschen stam.
t Was Mara. Peinzend zat zij neder,
Het oog op Machtelds lijk gericht,
De bruine hand op t wit gezicht,
En langzaam sprak ze en bijkans teeder
Kind! uitgeblonken is uw licht!
Geen balsems aller werelddeelen,
Geen kruiden van Egyptes grond,
Geen talisman of toovervond
Vermochten zulk een diepe wond
Ooit dicht te sluiten of te heelen!

Zij trad de kamer door. Daar lag
Een ander lichaam uitgestrekt,
Maar met geen droppel bloeds bevlekt;
Het was des dwepers lijk; zij zag
Zijn oog verdraaid, zijn mond verrukt,
Zijn wenkbrauw pijnlijk saamgedrukt,
En zonder dat een huivering
Haar door de stoere leden ging;
Maar, met onafgewend gezicht,
Sloot zij den Vlaming de oogen dicht.
Rust, moorder! sprak zij: deze nacht
Heeft u den doodssteek toegebracht.
Uw zwak, uw uitgevast gestel
Moest zwichten in dien laatsten schok:
Uw bloedsloop werd verstoord; toen trok
Uw hart zich samen, pijnlijk snel!
En de ijlings opgestoven vloed
Reeft op uw harsens uitgewoed,
Tot dat de vonk was uitgebluscht,
Tot dat gij koude vondt en rust.

Zij poosde: Mara! t moest zoo wezen.
Gij hadt het aan de blauwe lucht,
In heldre starren dus gelezen;
Voorwaar, het noodlot is geducht.
Maar, sprak ze, en trad weer Machteld nader,
O Gij verstootling van uw vader!
Ik wilde u hoeden voor t gevaar,
Dat altijd spookt om onze bende,
(Een zwervende en verworpen schaar!)
Voor al de jammren, die ik kende;
Doch k had u beter dienst gedaan,
U me te voeren op mijn wegen,
U op mijn sterken rug te laan,
En onverschrikt, door storm en regen,
Met u de wereld in te gaan.
O, Toen zij uit uw moeders schoot
U opving en uw eerste kreten
Mocht hooren, hoe kon Mara weten
Dat ze u zou bijstaan in uw dood!
En zij, die u tot moeder strekte,
Indien zij ooit of ooit ontdekte
Dat een heidin u de oogen sloot
Hoe zou haar de afschuw t hart doen rillen.
Hoe zou zij t woord weerspreken willen
En toch ik kus u in den dood!
Zij knielde neer bij t lijk en drukte
Een kus op t voorhoofd van de vrouw,
Waar nooit meer kus op dalen zou;
En als zij over t lichaam bukte.
Trof t zilvren crucifix haar oog,
En hief zij t met een lach omhoog.
Was t waarheid, wat dees twee geloofden.
Dat daar een hel was onder de aard,
Een hemel boven hunne hoofden,
Waar goed of kwaad hun was bewaard;
Werd aan den mensch een tweede leven
Na t doorstaan van dees dood gegeven,
Was daar een rechter en een wet,
Was daar een God, op t kwaad verbolgen.
Hoe wreed zou hen de straf vervolgen,
Wie zulk een gruwel heeft besmet!
Maar dooden! neen, gij wordt ontbonden!
Gij hebt u-zelven slechts gekweld,
En u een nachtspook voorgesteld,
Waar enkel nachtrust wordt gevonden.
Uw stof keert tot het stof der aard;
Het vocht vermengt zich met de stroomen;
En de adem, aan uw borst benomen,
Stijgt op de winden hemelwaart ;
Zoo waait wat blies, en stroomt wat vloeide;
En wat er in uw aadren gloeide,
En wat er in uw oogen blonk,
Zal, opgegaan tot hooger sferen,
Mijn Aldebarans gloed vermeeren,
Of Mixars helle schittervonk.
t Is alles uit; de lijken keeren
Tot de elementen: t is gedaan!
Geen bloedschuld kleeft u langer aan;
U zal geen enkel kwaad meer deren!
Vergaat, vergaat! gij moogt vergaan!

Hier zweeg de heidensche. Beklagen
Wij haar alleen, de dooden niet!
Zij, moest des onspoeds barschte slagen,
Vervolging en ellende dragen,
En zonder helderder verschiet.
Voor hen, zou nu de morgen dagen,
Waarin hun vrijgemaakte ziel
Een beter lot te beurte viel
Waar vreezen, lijden is noch klagen!
Zij beiden hadden vroom geleefd,
Gehoopt, geloofd, bemind, gebeden,
Den Heiland als hun Heer beleden,
En naar godzaligheid gestreefd
Een gruwel hadden zij bedreven,
Maar in onwetendheid, en hij
Al t ovrige in zijn razernij!
Denzulken kan de Heer vergeven!
Of, denkt gij, wischt dit zwart besluit
Geheel een helder leven uit?

Zij dachten t, die hun beider lijken
Het voorrecht van gewijden grond
Ontzegden. Op hun grafkuil stond
Noch heilig kruis noch naam te prijken.
Zij waren vreemden in dat oord;
Geen zielmis werd voor hen gehoord;
Hun dienstbren vluchtten of vergaten;
Des Vlamings maagschap kwam en zag
Niet waar hun doode broeder lag,
Maar wat hij hun had nagelaten.
Een nieuw bewoner trok op t huis;
Hij deed die droevigste aller zalen.
Met zwart behangen, Machtelds kruis
Gwys dolk aan een der wanden pralen;
Die zag men blinken, als het licht
Der maan de vensters in mocht stralen
Hij metselde de zaaldeur dicht;
En als een vreemde op Poelgeest beidde,
En vraagde: Wat is hier geschied?
Was alles wat de slotvoogd zeide:
Verzoek de booze geesten niet!


Ingezonden op: 19 July 2001