MAZEPPA. (*)

Hij, die toentertijd dezen post bekleedde, was een PooIscb edelman, MAZEPPA genaamdt geboren in de Palts van Podolie; hij was als page van JAN CASIMIER opgevoed en had aan diens hof eenige bekendheid met de fraaie letteren opgedaan. Een intrige, die hij in zijn jeugd met de vrouw van een Poolsch edelman had, ontdekt zijnde, liet de echtgenoot hem geheel naakt op een wild paard binden, en in dien staat aan zijn lot over. Het paard, dat uit de Ukraine was, keerde derwaarts terug en bracht er MAZEPPA, half dood van vermoeienis en honger. Eenige boeren kwamen hem te hulp; hij vertoefde lang in hun midden, en onderscheidde zich in menigen Strooptocht tegen de Tartaren. Zijn meerder inzicht gaf hem een groot overwicht onder de Kozakken en zijn van dag tot dag hooger klinkende befaamdheid noopte den Czaar hem tot Prins van de Ukraine te verheffen.
VOLTAIRE, Geschiedenis van Karel XII. pag. 196.
Een paard werd onder den vluchtenden en vervolgden koning gedood; de kolonel GITA, gewond, en al zijn bloed verliezende, stond hem het zijne af. Zoo herstelde men op de vlucht tweemalen dien overweldiger in den zadel, die gedurende den slag niet te paard had kunnen stijgen.
VOLTAIRE, Geschiedenis van Karel XII. pag. 216.
De koning trok met eenige ruiters langs een anderen weg af. Het rijtuig, waarin hij zich bevondt brak op den marsch; men hielp hem weder te paard. Tot overmaat van tegenspoed verdwaalde hij des nachts in een woud; dr, wijl zijn moed zijne uitgeputte kracht niet meer te gemoet komen kon, de smarten van zijne wonde door de vermoeienis ondragelijk waren geworden en zijn paard afgemat neergevallen wast legde hij zich voor eenige uren aan den voet van een boom ter ruste, in gevaar van ieder oogenblik door de overwinnaars, die hem van alle kanten naspoorden, overvallen te worden.
VOLTAIRE, Geschiedenis van Karel XII. pag. 218

Het bloedig werk, de heete dag
Van Pultawas vermaarden slag,
Waar t krijgsgeluk het vorstlijk Zweden
Verlaten had. was doorgestreden.
In t rond lag een verslagen heir
Met uitgeputte krachten neer.
De zegen, die de trouw zoo heilig
Als haar ontrouwe aanbidders houdt,
Schonk thans den Czaar haar kronengoud,
En Moscous vest was weder veilig;
Tot dat een ijselijker dag
Een trotscher vijand naadren zagt
Tot dat een onvergeetbrer jaar
Een machtiger veroveraar
Zou stuiten met een feller slag,
En in een dieper nacht doen zinken
Een star, die als een zon mocht blinken.

Zoo had de teerling zich gekeerd.
Aan Karel werd de vlucht geleerd,
Bij dag en nacht, door veld en vloed,
Bespat met eigen bloed en t bloed
Van zijn getrouwe duizendtallen,
In zulk een nederlaag gevallen
Maar niet n mond ontsluit, wiens klacht
Op zijn vernederde Eerzucht smaal,
Ofschoon de waarheid, deze maal,
Niets heeft te duchten van zijn macht.
Zijn paard bezwijkt; Gita geeft
Hem t zijne, wacht den Rus. en sneeft.
Ook dit stort neer, na vele mijlen
Van onverpoosd en nutloos ijlen,
En in het diepst van t donker woud,
Dat afsteekt tegen t vlammig goud
Van wacht- bij wachtvuur, dat van veer
Doet zien hoe hem t vijandlijk heir
Omringt, strekt zich een koning neer.
Is dit, is dit het lauwerbed,
Daar heel een natie t zwaard voor wet?
Men geeft hem, machtloos, uitgeput,
Een ruwen boomtronk tot een stut;
Zijn wonde is strak, heel t lijf verstijfd;
De nacht is kil en zwart,
Terwijl de koorts van t jagend hart
De sluimring uit zijn oogen drijft
Zoo ligt hij daar; en toch
Een koning is hij nog!
Een koning, die in t uiterst leed
Zijn zorgen te beheerschen weet;
Ja, onderworpen zijn ze, en stil
Als eens de volkren voor zijn wil
Zijn legerstaf! Hoe kleen een hoop,
Helaas! sinds t nijdig lot
Die in eens enklen dags verloop
Gedund heeft! Maar dit overschot
Is ridderliik en trouw.
Elk hunner zit daar, t hart vol rouw,
En zwijgend ter aard
Bij koning en paard;
Want mensch en beest zijn, in gevaar
En noodt als broeders met elkaar.
In schaduw van een eiktronk, oud
En grijs gelijk hij zelf reeds, maakte
Mazeppa zich een leger klaar;
De Ukrainsche Hetman, rustig, stout
In t veld, en vreeslijk waar hij naakte.
Maar eerst wreef hij met zorg zijn ros,
Van t rennen afgemat;
Toen spreidde hij t een bed opt mos
Van saamgegaderd blad;
Hij strookte maan en hoefhaar glad,
En maakte bit en singel los,
En zag met blijdschap dat het at;
Want zeer had hij gevreesd
Dat zijn amechtig beest,
In nattigheid en koude,
Te grazen weigren zoude;
Maar t was, gelijk zijn heer,
Gehard in wind en wer,
En, even vurig als gewillig,
Voor bed en tafel onverschillig.
Ruig, forschgespierd, en snel ter been,
Geheel Tartaar van top tot teen,
Zoo droeg t zijn man door t veld,
Was onderdanig aan zijn stem,
Verscheen op t roepen van zijn held,
En kende, uit allen. hem.
Schoon gansche benden het omgaven
Ent zonder maan of ster, de nacht,
Dat paard zou aan zijn zijde draven
Van avondstond tot morgenwacht.

t Beest had zijn eisch. Mazeppa spreidde
Zijn mantel onder d eikentak,
Waarbij zijn lans in de aarde stak;
Maar voor hij zich ter ruste leide,
Werd eerst nauwkeurig onderzocht
Of alle wapentuig den tocht
Met eer had doorgestaan;
Of t kruit was op de pan gebleven,
De steen in staat was vuur te geven
En vaststond in den haan;
Hij trok zijn sabel uit de scheede;
Bezag nauwlettend punt en snede;
Keek riem en draagband na. Eerst toen
Greep hij naar t sober ratioen,
Het luttel vocht, het luttel brood,
Dat legerflesch en knapzak bood,
En deelde daarvan gaarne mede
Aan Karel zelf en aan zijn stoet,
Met vrij wat onbeschroomder moed,
Dan of bij in zijns konings zaal
Had neergezeten tot het maal.
En Karel nam t hem aangeboden,
En plooide een lach op t bleek gezicht,
Als achtte hij zijn pijnen licht,
En waren wonde en leed gevloden.
Hij sprak: Van heel mijn legerstaf,
Schoon weinig traan en ver van laf,
Heeft geen, in schermutseling,of marschen, of plicht,
Zoo weinig gesproken en zveel verricht,
Als gij, Mazeppa; k peis dat de aarde
Nooit beter paard en ruiter baarde,
Van Alexanders tijd tot nu,
Dan uw Bucphalus en u;
Der Scythen ruiterfaam verdwijnt,
Zoodra gij in het zaal verschijnt;
Geen rijder half zoo kloek
En echter, sprak Mazeppa, k vloek
De school daar k rijles heb genomen!
En toch is t u zoowel bekomen?
Was Karels antwoord aan den held,
Mijn Vorst, sprak deze zonder schromen,
t Verhaal daarvan dient uitgesteld.
Wij hebben op dees tocht niet slechts
Nog menig marsch te goed,
Ook volgt de vijand op den voet,
En overvalt ons links en rechts.
Veel dat ons gunstig wezen moet,
Eer we ons een nachtkwartier bereiden
En onze paarden vreedzaam weiden
Aan d overzij van gindschen vloed.
Uw Majesteit heeft rust van nooden,
En k heb voor u en dees uw staf
Mijn dienst als schildwacht aangeboden
Maar Koning Karel liet niet af.
Neen, sprak hij. Hetman! wil verhalen;
Onthou mij uw vertelling niet,
Licht komt de slaap, die nog me ontvliedt,
Weldadig op mijn oogen dalen!

In deze hoop, mijn Vorst! zal k trachten
Een vijftig jaar in mijn gedachten
Terug te treden, k Telde pas
De twintig; Casimier regeerde;
Jan Casimier, wiens page k was,
Dien k zes jaar als gebieder eerde;
Een wijs monarch; ronduit gezeid,
Gansch anders dan Uw Majesteit;
Hij zocht geen oorlog en verwon
Geen land, dat hij niet houden kon;
De rijksdag-questies uitgenomen,
Was in zijn tijd de rust volkomen;
Toch had ook hij zijn ongerief,
En wie heeft dan geen leed te schromen?
De muzen en de vrouwen lief.
Zoo moeilijk konden zij t hem maken,
Dat hij een wijl naar krijg kon haken;
Maar spoedig bluschte zich die vlam,
Daar hij een ander liefje nam,
Een ander boek zich voor liet lezen.
Daar moest geen krimp van feesten wezen,
Waarop heel Warschau samenkwam,
Om al de pracht der edellieden
En schoone vrouwen te bespieden,
Aan hoofd en borst en sleep verguld,
Waarme zijn hof was opgevuld.
Hij was de Salomo van Polen,
Naar de uitspraak van heel t Poolsch Parnas.
Een enkle slechts van t dichtrenras,
Die zonder jaargeld om moest dolen,
Zei dat dit lage vleitaal was,
Zijn vorstenhof was Phebus tempel.
Ik ook, ik offerde op zijn drempel,
En schreef als hooplooze Agathon
Een liedje, dat met Ach! begon.
Daar was een zeker graaf, geboren
Uit oud geslacht, een paladijn,
Rijk als een zout- of zilvermijn,
Trotsch naar vena.ntt dat laat zich hooren,
Als mocht zijn afkomst hemelsch zijn.
Hij was zoo hoogt zoo aadlijk, dat
Hij slechts den vorst tot meerdren had;
En door t beschouwen van zijn schat
En t staren op zijn eedle vaderen,
Wier bloed verbasterde in zijn aderen,
Gebeurde t somtijds ziet men dat
Dat onze man zich ook verbeeldde
Dat hij in hun verdiensten deelde.
Zijn vrouwtje scheen het anders toet
Die dertig jaren met hem scheelde;
Zij werd hem daaglijks meerder mo
En na wat wenschent hopent vreezen,
Een traan of wat, die zij haar deugd
Een billijk offer hield te wezen,
Een dartlen blik op Warschaus jeugd,
Een smachtend lied, een wulpschen dans,
Verbeidde zij alleen de kans
Om de echt, alreede in t hart geschonden,
Te breken op den weg der zonden.

k Was toen een knaap van melk en bloed,
En nu k mijn levensavond groet,
Durft u mijn mond gerust verklaren,
Dat, in mijn schoone jonglingsjaren,
Bij edellin en ridderstoet
Er uiterst zeldzaam mannen waren,
Wien zoo veel hartstocht in het bloed
En dwaasheid was in t hoofd gevaren.
k Was jeugdig, dartel, vol van moed
En krachten; k droeg het hoofd
Ook vrij wat rechter in die dagen;
Nu is t van alle schoon beroofd,
Maar t scheen toen anders voor die t zagen.
Mijn nu gerimpeld aangezicht
Was toen gevuld, en kleurde licht;
Sinds hebben zorg en oorlogsplagen
En tijd me een ander man gemaakt,
En k werd gewis door vriend en magen
Op t wreedst verloochend en verzaakt,
Zoo zij mijn gistren met mijn heden
In vergelijking lieten treden!
Maar dit verval begon reeds, eer de tijd
Mijn tronie zich ten dagboek had gewijd.
Gij weet het, Koning! met de jaren
Bezweek mij heldenmoed noch kracht,
Of k zou u, in dees kouden nacht,
Hier onder t bedgordijn van blaren,
Geen oud verhaal doen hooren; maar k ga voort!
Theresa had mijn ziel bekoord.
Zij staat zoo duidlijk mij voor t oog,
Nog nu, mijn Vorst! als gindsche linde,
Hoe vreemd dan dat k geen woorden vinde,
Waarmee ik u haar schildren moog,
Die ik zoo vurig eens beminde!
Zij had het Aziatisch oog
Van haar, die uit de mengling sproten
Van onze Poolsche landgenooten
Met schoonen van een Turksch geslacht;
Gitzwart gelijk dees donkre nacht,
Maar van een glans doorgloed,
Als waar de maan de donkerheid
Van t duister midnachtuur me scheidt,
Als zij de zwarte wolken kliefde,
Groot, donker, drijvende in een vloed
Van zachte teederheid, gansch liefde,
Half kwijning, en half vuur, een blik
Als die van martelaars in t sneven,
Verrukt ten hemel opgeheven,
Als bracht de dood hun vreugd voor schrik;
Een voorhoofd als een meertje effen.
Wanneer geen windje t komt verheffen,
Waarvan geen enkel golfje wiegelt,
En waar de hemel zich in spiegelt;
Een wang, een lip, wat poge ik toch?
Toen minde ik haar, en k min haar nog,
En als een man, wien goed en kwaad
In uitersten ter harte gaat.
Ach, de ijdle schimmen van t verleden
Vervolgen ons in d ouderdom,
En zelfs op dit noodlottig heden
Ziet nog Mazeppa daarnaar om.

Het lot bracht ons bijeen; wij zagen
Elkaar in t oog; ik zag haar aan,
En zuchtte; ook zij deed zich verstaan,
Schoon zij geen enkel woord dorst wagen.
o, Duizendvuldig zijn de teekenen
En wenken, die men hoort en ziet,
Maar door t verstand niet na te rekenen,
Voel-, merkbaar, maar verklaarbaar niet.
Daar is een uitdruk der gedachten,
Die t overkropt gemoed ontsnapt,
Door andrer aandacht ras betrapt,
Eer eigen hoofd en hart het wachten,
Verstaanbaar toch en duidlijk, die
Een gloeiend snoer van sympathie
Tezamenschakelt, waar zich t hart
Van d onervaarnen in verwart;
Die als elektrisch leidsnoer t vuur
Wie zegt ons hoe? weet me te deelen,
t Van ziel op ziel doet overspelen,
En heerscht op driften en natuur.
Ik zag haar aan en zuchtte. Ik weende,
In eenzaamheid en stilte. k Zocht
Haar hoe mijn hart ook muiten mocht
Te mijden, tot ons t lot vereende,
En ik haar, zonder achterdocht
Te wekken, vrij ontmoeten mocht.
Toen wenschte ik en besloot te spreken:
Maar zwak en bevend bleef mijn stem,
En al mijn woorden misten klem,
Of bleven me in den gorgel steken.
Daar is een zeker spel;t verslijt
Op zoutelooze wijs den tijd;
Het heet maar k heb den naam vergeten;
Doch k weet ofschoon ik ook vergat,
Hoe t lot het zoo bestoken had
Wij waren saam er toe gezeten.
Ik vroeg niet of k verloor dan won,
t Was mij genoeg zoo na te wezen
Dat k ieder woordje hooren kon,
En in het lieflijk oog kon lezen
Van mijner liefde wit en bron,
k Scheen als een schildwacht acht te geven
Op alles wat zij heeft bedreven,
(o, Worde in dezen donkren nacht,
Door de onzen zoo hun plicht betracht!)
Tot dat ik merkte, en t bleek mij wel,
Dat ze ook geen hart had voor haar spel;
En zoo zij t niet ten eerste staakte,
t Was dat de speeldisch, waar ze aan zat,
Iets zeer aantreklijks voor haar had,
Ofschoon haar kans noch winst vermaakte,
Toen plotsling t denkbeeld in me ontwaakte,
En me als een bliksemstraal ontstak,
Dat daar iets zijn moest in haar wezen,
Dat mij mijn vonnis niet doet lezen,
Noch af kon wijzen, en ik sprak.
Onsamenhangend was mijn reden,
En min welsprekend vast maar zij,
Zij keerde een luistrend oor tot mijt
Zij hoorde me aan, en k was tevreden.
Die eenmaal hoort zal t nogmaals doen,
Zoo vleide zich mijn liefde toen
Haar hart is niet voor t mijn gesloten,
En weigren is nog geen verstooten.

Ik minde en werd bemind, Men zegt
Me, o Koning! dat gij nooit de zoetheid,
Waarme die zwakheid t jong gemoed vleit,
Gekend hebt, noch uw hart verhecht.
Zoo t waar is, k zal t verhaal u sparen,
Van t geen mij sedert is weervaren
Op t stuk van teedre minnepijn;
Het moet u ongerijmdheid zijn.
:Maar ieder mensch is niet geboren
Om op zijn driften te gebin,
Of om, als gij, zich vorst te zien
Van natin, hem toegezworen,
En tevens van zichzelf. Ook ik,
Ik ben een vorst, of liever was t,
Hoofd over velen, die, als t past,
Van duizend levens vrij beschik,
En duizenden van oorlogslieden
Doe draven op mijn wenk; maar kracht
Om op mijn driften te gebieden
Ik heb het nooit zoover gebracht.
Doch gaan wij verder. k Minde en werd
Bemind, een zalig lot op aarde,
Voorwaar! maar die het zoetst ervaarde,
Dien staat het op de wrangste smart.
Ik zag haar heimlijk, en het uur
Dat me aan haar voeten bracht,
Was lang en pijnlijk afgewacht,
En met een boezem enkel vuur!
t Was of mijn wezen werd verslonden
In t smaken van dat luttel stonden;
De erinring van geheel mijn leven
Herroept geen andre mij zoo zoet,
En k zou, met een verrukt gemoed,
De Ukraine en al ten beste geven,
Mocht ik ze nog eens over leven;
Maart als die page van weleer,
Die rijke page, die zich heer
Mocht achten van een hart zoo ter,
En van zijn deugdzaam zijdgeweer;
Die page, die geen andren schat
Dan frischheid, jeugd, en kracht bezat.
Het was in t heimlijk dat we ons zagen.
Men zegt wel, t is een dubbel zoet
Wanneer m elkander dus ontmoet;
k Beslis zulks niet; maar k had mijn bloed
Gewillig veil gehad,
Indien ik met een vrij gemoed
Haar als mijn eigendom, mijn schat,
Voor t open oog had mogen leiden
Van belgzieke aarde en hemel beiden!

Ach, hoe zij zich verbergen moog,
Verboden min valt licht in t oog.
De tijd der wrake kwam. Men bracht
Mij voor den Graaf. Ik werd gewacht
Met enkel woede en wreedheid. Neen!
k Was ongewapend, maar al had
Mij t schubbig staal van top tot teen
Ompantserd ach! wat kon k alleen?
t Was bij zijn burcht: de stad
En alle hulp was verre; nauw
Brak de uchtend door het schemergrauw,
Mij docht, het moest mijn laatste wezen,
En k rekende op geen dag na dezen.
In stilte en haastig bad ik tot
Marye, en schikte me in mijn lot,
En liet mij volgzaam henenleiden
Tot voor de groote poort van t slot.
Wat met Theresa zij geschied,
Vernam ik nooit en weet ik niet;
Ons noodlot bleef gescheiden.

Breng hier den hengst! Men bracht hem hier.
Voorwaar! het was een nobel dier!
Tartaar van echt Ukrainisch ras,
In wiens oogen de gloed,
In wiens spieren de spoed
Van een bliksemstraal was.
Ongeleerd, ongetemd,
Nooit door zadel geklemd,
Nooit door breidel bestierd,
Nooit door knien genepen,
Eerst gistren gegrepen,
Sprong het woeste gediert
Eerst vooruit; hief den kop;
Brieschte luid; steigerde op;
Toen terug,
Even vlug,
Met een schichtigen blik,
Schuimend van gramschap, en woedend van schrik!
Vergeefst gij woestling der woestijn!
Mazeppa zal uw ruiter zijn!
Daar strekt men hem uit
Op uw stoppligen huid,
Op uw stuiptrekkend vel;
En men knevelt hem wel
Met den riem en het koord
En op eens is het: Voort!
Geen bergstroom zoo woest of zoo snel.

Voort, voort! mijn am bezweek,
Ik wist noch zag waarheen!
De dag brak nauwlijks aan, maar t scheen
Dat aarde en hemel week
Voort snoof de klepper voort!
En t laatst geluid, door mij gehoord,
Was lach en spotternij
Der wreedaards achter mij,
En voorwaarts ging het, voort!
k Verruk in woede t hoofd en vat
Het koord, waarme men aan den kop
Vant beest mijn nek bevestigd had,
En wring mij los, en hef mij op,
Zooveel mijn banden rekken konden,
En heb mijn vloek hun toegezonden
Maar t woest galop van t brieschend paard,
De donder van zijn suizelvaart
Heeft mooglijk hun die vloek gespaard!
Dat smartte mij; graag had mijn toren
Een antwoord op hun smaad doen hooren.
Wel heb k die schuld, na jaar en dag,
Met woeker afbetaald;
Wel t breed kasteel omvergehaald,
Dat mijn ellende zag;
Geen ophaalbrug, geen torenspits,
Geen poort, geen balk, geen steen,
Die op zijn plaats gebleven is,
Toen k in mijn wraak verscheen;
Geen grasscheut van heel t weidsch terras,
Dan die de richels dekken zal
Der plaats, waar eens de schoorsteen was
Der wijde wapenhal.
Ik zag de torens in den gloed,
Den breeden ringmuur neergestort,
Kanteel en trans dooreengehort
Door t vuur, dat om de wallen woedt.
k Zagt gloeiend lood, als rooden regen
Langs t krakend dak telneergezegen,
Ent blikkren van de gouden vlam,
Die t hecht gebouw vernielen kwam,
Dat menig woesten storm verdroeg
Maar toch der wraak niet hecht genoeg!
O! weinig dacht hun boosheid, toen
Zij mij zoo weerloos rennen zagen,
Als door een bliksemflits gedragen,
Dat k eens hun wreedheid recht zou doen,
Als k met tienduizend oorlogslieden,
Al ruiters, door mijn wenk geleid,
Den Graaf mijn dank zou komen bieden
Voor t rit, mij door zijn hoflijkheid,
Ten dage van mijn jeugd, bereid.
Aij hadden toen hun lust aan mij,
Toen k, aan t ontembaar ros gebonden,
Een wis verderf werd toegezonden;
Maar eindloos harder hebben zij
Van deze vuisten ondervonden,
De tijd vereffent iedre schuld
Voor die wil wachten met geduld;
En, mits de wraak haar uur bereken,
Zoo kan geen menschelijke macht
Het lot ontvlieden, dat haar wacht
Van die geleden hoon wil wreken,
En, wijl hij smaad verkropt en spijt,
In stilte woekert met zijn tijd.

Voort, voort! mijn ros en ik voort, voort!
Op vleuglen van den wind;
Geen weerlichtschittring, zoo gezwind,
Die wegsterft als zij gloort:
De vaart, waarmede een star verschiet,
Als t knettrend noorderlicht den trans
Doet weemlen van zijn flikkerglans,
Is snel, maar sneller niet.
Stad, dorp, noch vlek was meer omtrent;
Een schrikbre vlakte een woud aant end;
Zooverre ik zag n woud
Wijl k nergens spoor van menschen merkte,
Dan soms van verre een enkle sterkte,
Den Tarter ten bedwang gebouwd.
Het Turksche heir, een jaar geleden,
Was ook die vlakte doorgereden,
En waar des spahis bloedig spoor
Zich toonde, brak nog t gras niet door.
De lucht was somber, donkergrauw,
En drukkend;t windje zuchtte flauw;
En ik mijn hart verzuchtte wel
Maar voorwaarts ging het, vliegenssnel;
k Had tijd voor zuchten noch gebeden.
Ik voelde siddrend t koude zweet,
Dat mij van wang en voorhoofd gleed,
Als regen nederdroppelen .
Op s kleppers stugge stoppelen;
Maar hij, door woede en angst gespoord,
Reed verder verder verder voort!
Bij wijlen voedde ik de ijdle hoop
Dat afgematheid eens zijn loop
Zou stuiten; maar mijn slanke stal
Was bij zijn krachten niets met al,
En spoorde nog zijn spoed;
Want geen beweging kon ik maken
Om mijn gezwollen len te slaken,
Of t jagend dier werd meer verwoed,
Ik schreeuwde, nauwlijks hoorbaar, maar
Voort paard geen donderslag zoo zwaar
Doort minst geluid ontzet,
Vloogt wilder nog en woester voort,
Alsof t de klank der krijgstrompet
Had aan zijn zij gehoord:
Intusschen kleefde aan koord bij koord
Het bloed, dat uit mijn wonden vloeide,
Terwijl de dorst mijn keel verschroeide.

Wij naakten t ruige woud. Het strekte
Zich eindloos uit voor mijn gezicht,
Zoodat ik nergens grens ontdekte.
Ik zag er boomen oud en dicht,
Niet buigend voor den felste orkaan,
Dien t woest Siberi uit mag zenden,
Die menig bosch ter aard doet slaan,
Wanneer hij t aangrijpt in de lenden,
Maar deze waren zeldzaam; meer
De lage heesters jong en teer,
En pronkend met een jeugdig blad,
Nog door geen herfstwind aangevat,
Die t loover op den tak verschroeit,
En,t door zijn adem rood gegloeid,
Ter aarde werpt, geronnen bloed
Gelijk, dat, is de strijd volstreden,
Nog kleeft aan der verslaagnen leden,
En dat de vorst verstijven doet,
Wanneer haar kille hand zich strekte
Langs onbegraven man bij man,
En met zoo hard een korst hen dekte,
Dat raaf noch gier hen schenden kan.
Een wildernis van lager hout
Was wat ik naakte; hier en daar
Verhief zich eik en pijnboom, maar
Op verren afstand van elkaar,
Als reuzen in dat dwergenwoud;
En t was me zegen, anders waar
Mij wreeder noodlot overkomen:
De takken weken van de boomen,
En scheurden mijn gebonden len
Niet wreed van een,
En k hield, tot doorstaan van mijn smart.
De krachten overt loover werd
Geschud en ruischte waar wij t naakten,
En mijn rampzaal ge leden t raakten.
Wij lieten kreupelhout en boomen,
En wolven achter; k hoorde s nachts
De schrikbre laatsten onverwachts
Ons huilende op de hielen komen,
In dien ver-schrijdenden galop,
Diet hond en jager op doet geven,
Hen op hun voetspoor na te streven
Ons gaf hun bloeddorst nimmer op.
Zij volgden ons waarheen we ons wendden.
Bij t daglicht zelfs zag ik hun benden,
Op kleenen afstand zwervend door
Het bosch, en in den nacht,
Trof mij hun steelsche tred het oor,
Die hen door struik en heesters bracht
Op ons rampzalig spoor.
Wat wenschte ik vaak naar zwaard of speer,
Om ze aan te vallen in t geweer,
En als een man te staan,
En moest ik t sterflot ondergaan,
Eerst menig vijand neer te slaan!
Zoo ras mijn wedloop was begonnen,
Wenschte ik mij de eindpaal reeds gewonnen;
Maar nu mistrouwde ik spoed en kracht
Van t onvermoeibaar beest,
Te dwaze twijfling! zijn geslacht
Was als een ree gepeesd.
Niet sneller valt de jachtsneeuw neer,
Die, bij snerpenden wind,
Voor de deur van zijn stulp
s Huismans oogen verblindt,
Dat hij sterft zonder hulp,
En een doodsgewaad vindt,
Dat de vlokken in t zweven
En vallen hem weven:
Niet min snel was het streven,
Zoo bedwelmend de vaart
Van het razende paard.
Ja, razend als t bedorven kind,
Dat ge in zijn wil werstreeft,
Of, zoo gij t beeld gepaster vindt,
Als t vrouwtje dat hem heeft.

t Woud was doorkruist. t Scheen middag; maar
k Was koudt ofschoon t in Juni waar.
Licht was t de kilheid van mijn bloed!
Een lange foltring fnuikt den moed;
En ik, ik scheen mijzelf niet meer,
Zoo flauwt zoo lijdlijk lag ik neer,
Reeds uitgeput was iedre kracht,
Eer k alles wel had overdacht;
En zoo mij koude en honger kwelde,
Zoo schrik op schrik mijn brein ontstelde,
En, moedernaakt aan t paard geriemd,
Ellende en schaamte mij verzelde,
Mij, telg uit een aloud geslacht,
Dat, door beleediging gepriemd,
Of vuig vertren door overmacht,
De ratelslang gelijkt, die woedend
Zich opheft is het wonder dat
Dit lichaam, koortsig, lijdend, bloedend,
Op t laatst geen kracht tot weerstand had
En voor een wijl bezweek. Het scheen
Of de aarde voor mijn oog verdween;
t Uitspansel zwierde in kringen rond;
Het was me als zakte ik op den grond;
Maar t was vergissing: k was te stijf
Aan t paard gebonden! en mijn hoofd
Was van zijn denkkracht half beroofd;
t Hart draaide me om in t lijf
Eerst was t mij of een hamer t schokte;
Toen scheen t wer of de bloedstroom stokte;
Het zwerk scheen als een rad te wielen;
De boom en tuimelden en vielen
Als dronkaards; snel voorbijgevlogen
Verscheen een flikkring voor mijn oogen;
Toen zag k niets meer, mij docht, het leven
Moest op die wijs de borst begeven;
Ik voelde nacht en duister naken,
En weder deinzen; k wilde ontwaken,
Maar kon het niet, want niets herriep
De ziel, die in mijn binnenst sliep.
Het was me als dreef ik op de golven;
Nu door het zeenat overdolven,
Dan door de baren opgeheven,
En aan bedwelming prijsgegeven,
Het leven vloeide me af en aan,
Gelijk de lichtjes, die in droomen
Ons voor gesloten oogen komen,
Als koorts het brein heeft aangedaan.
Maar dra was t over t was geen pijn,
Maar zinsverwarring, even pijnlijk;
k Beken dat t leeds genoeg zou zijn,
Indien ik op mijn stervensspond
Een zelfde weeheid ondervond:
En echter moet er oogenschijnlijk
Nog meer gebeuren, eer een man
Zijn laatsten adem geven kan.
Hoe t zij! Ik weiger niet te sterven,
Ik heb in t aanzicht van den dood,
En zonder vreest reeds duizendwerven,
En heden nog, de borst ontbloot.

Weer kwam ik bij. Waar was ik? Koud
En huivrig harteklop voor klop
Haalde ik het aarzlend leven op,
En pols voor polsslag, doodsbenauwd.
Een felle schok ging door mijn leden;
Met een zucht
Kreeg ik lucht;
Met een milderen vloed
Kwam het langzame bloed
Tot mijn borst weer gegleden;
Mijn ooren suisden, en weer werd
De slag geregeld van mijn hart;
t Gezicht kwam weer; maar dof, helaas!
Befloersd als met een nevelwaas;
Mij docht ik hoorde golfgeraas,
En k zag een schijnsel van den hemel,
Met wolkgezweef en stargewemel,
Rondom mij Neen, dat was geen droom!
De woestling klieft den woester stroom!
Des breeden vloeds gezwollen tij
Klotst hoog en wild ter wederzij,
En wij zijn halverweg in t streven
Naar gindschen zwijgende oeverzoom
Dat bad verbrak mijn zwijmeldroom;
Het bracht mij weder uit den nacht;
t Heeft, door zijn frischheid, nieuwe kracht
Aan mijn verstijfde len gegeven.
Mijns kleppers breede schoft klieft fier
Het nat, dat om hem schuimt en woedt,
En breekt de golven der rivier,
En voorwaarts, voort, dwars door den vloed!
Op t laatst bereiken wij den kant,
Een gladde en glippige oeverrand,
Een kust, daar k weinig heil van wacht:
t Is achter duisternis en schrik,
Vr schriklijkheid en nacht!
Hoe lang ikt tot dien oogenblik,
In amlooze angst had doorgebracht,
Was me onbewust, k wist nauwlijks dat
Ik nog wat adems overhad.

De huid doorweekt en blinkend glad,
De manen druipende van t nat,
De leden rillende, en de borst
Met weggesnoven schuim bemorst,
De lenden rookende, en de pooten
Met kracht op d oever uitgestrekt,
Die poogt den zwemmer af te stooten,
Die zijn gespannen muskels rekt,
Heeft eindlijk t ros den kant bestegen,
Die op een open heide bracht,
Befloersd door t duister van den nacht,
En dor en aaklig allerwegen:
Zij scheen, als de afgrond, dien we in droomen
(Maar vruchtloos!) trachten dr te komen.
Zich immer verder uit te strekken;
En als de maan wat helder scheen,
Zag k enkle gele en groene plekken,
Tot alles weer in nacht verdween;
Maar nergens kon ik iets ontdekken,
Dat in dees barre. woeste streek
Naar menschelijk verblijf geleek;
Geen flikkrend kaarslicht blonk van verre,
Gelijk een vriendlijke avondsterre;
Geen dwaallicht, met mijn lot begaan,
Zweefde in den donker af en aan.
Gewis! hoe trouwloos ook van aard,
Met wellust had ik t nagestaard.
En, schoon voor wat het was herkend,
Het had me althans, in mijn ellend,
Door zijn bedrieglijke vertooning
Doen denken aan een menschenwoning.

Wij gingen voort, maar langzaam, traag;
Mijn klepper hield den kop omlaag;
Het uurwerk van zijn forsche kracht
Was afgeloopen; flauw en zwak
Zijn gang; een kind had met gemak
Hem onderworpen aan zijn macht
En naar zijn wil geleid.
Wat baatte mij die volgzaamheid?
Ik was geboeid; doch ware ik vrij
Geweest,t vermogen faalde mij!
Wel spande ik telkens tot het breken
Dier taaie koorden me int maar t was
Vergeefst de kracht ontbrak mij ras,
Zij knelden slechts te meer;
Met nieuwe kracht beproefde ik t weer,
Maar liet weer af, op nieuw bezweken.
Mijn duizelende wedloop scheen
Voleind, - maar de eindpaal dien ik won
Ai mijt daar was er geen!
Een lichtstreep spelde de uchtendzon;
Wat rees zij traag, helaas!
Mij docht, het schemergrauw, dat k zag,
Zou nimmer overgaan tot dag,
Zoo langzaam week dat nevelwaas,
Eer weer de lucht in t beidend oost,
Met gloeiend purper was gebloosd,
Eer weer de schoone zon verscheen,
Waarvoor der starren stoet verdween,
En zij den bondel van haar stralen,
Met stoute kracht deed nederdalen,
De wereld, van haar hoogen trans,
Vervullend met haar eigen glans.

De zon rees op. de mist verdween
Van de aarde, we mij ledig scheen,
Die rechts en links rondom mij lag,
Maar waar k geen levend wezen zag;
Wat baatte t vlakte, bosch of vloed
Nu door te kruisen? Mensch noch beest
Scheen immer in dat oord geweest;
Daar was geen spoor van hoef of voet
In d onbebouwden grond,
Waar nergens t oog een teeken vond
Van menschlijk arbeidt menschlijk lijden
De lucht zelfs was er stom!
Geen vogels, die zich daar verblijdden;
Geen krekel hupte er zangrig om
Door gras of kruid. Een aantal wersten
Werd zoo doort paard nog afgetren
Dat trilde alsof hem t hart zou bersten,
En altijd bleven wij alleen
Op t laatst, terwijl wij voorwaarts schrijdden,
Was t of ik hoefgetrap vernam,
Dat uit het open pijnbosch kwam
Of wast de wind, diet groen bewoog?
Neen neen! voor mijn verwonderd oog
Verschijnt op eens van alle zijden
Een trappelende troep! Hij komt
In dreigende orde; k blijf verstomd;
Schoon k poog in gillen uit te breken,
t Geluid blijft me in den gorgel steken.
De rossen draven rustig voort;
Maar wie bestuurt ze? Duizend paarden!
Geen menschen, die t gezag bewaarden,
En niemand, wien die drom behoort?
De staarten dreigende opgeheven,
De manen golvend langs den nek,
Met nooit door t bit beknelden bek,
En neuzen, nooit door riem omgeven,
Die wijd en snuivende openstaan;
Met nooit door t staal geschoeide voeten,
En lenden, vreemd aan zweep en spoor,
Kwam, als een zwellende oceaan
Een duizend paarden steigrend aan,
En draafde woest de vlakte door,
Als om ons op den tocht te ontmoeten.
Hun aantocht bracht
Een wijl de kracht
In d afgematten klepper weer;
Hij steigerde op als om te groeten,
En hinnikte en viel neer.
Daar lag hij, hijgendt t oog verglaasd
Daar lag hij, geeuwde, sloeg, en strekte
Den hals uit, kromp ineen, en rekte
Zich uit, voor t laatst.
De troep kwam, zag hem uitgestrekt,
Mij aan zijn breeden rug gebonden,
Met menig knellend koord omwonden,
Hem met mijn kleevrig bloed bevlekt.
Zij bukken, schrikken, steigren, snuiven
Met luid gebriesch de lucht, en stuiven
Dooreen, en draven op en neer;
Zij naadren schichtig, wijken weer,
En hupplen rustloos en ontroerd,
En draven om ons heen in kringen,
Maar eensklaps wenden zij, en springen
Terug, door n en aangevoerd,
Die patriarch der kudde scheen,
Die glinsterzwart gelijk een git was,
En aan wiens stoere, ruige len,
Ik niet n haartje zag dat wit was
Zij blazen, schuimen, snuiven, brieschen,
Slaan de achterpooten woest omhoog,
Maar haasten zich het bosch te kiezen,
Uit schuwheid voor een menschenoog.
Zij lieten me over aan mijn lot,
Geboeid aant roerloos overschot
Waarvan de dood mij zelfs niet scheidde!
Daar lagen wij beide,
De stervende op het lijk; voor mij
Was ook de laatste snik nabij
Nog moest me een gansche dag verloopen,
Wiens eindlooze uren langzaam kropen;
En als de zon ter kimme neeg,
Had k juist genoeg besef van leven
Om mij de zekerheid te geven,
Dat zij voor mij wel nooit meer steeg
O! Schriklijk is die overtuiging,
Waarbij toch eindlijk t hart berust,
De mensch met kalme schedelbuiging
Den voet des ergsten vijands kust;
Des ergsten, dien wij t felst weerstonden,
En eindlijk t onweerstaanbaarst vonden.
En tocht zoo duchtbaar is hij niet;
Noch is t een droeviger verdriet
Vroegtijdig in zijn hand te vallen;
Maar daarvoor wachten wij ons allen,
Als waar t een strik, dien gij vermijdt,
Zoo gij maar recht voorzichtig zijt!
Ja, ingeroepen, uitgetart,
Bij eigen zwaard gezocht voor t hart,
Steeds blijft de dood een vreeslijk slot
Zelfs van het onverduurbaarst lot,
Onwelkoom hoe hij naak!
En (vreemd!) de priestren van t vermaak,
Zij, die in schoonheid, wijn, genot
En lusten baadden, sterven vaak
Kalm, somtijds kalmer dan degenen,
Wier deel in zuchten was en weenen;
Want hijt die beurtlings smaken mocht
Al wat de wereld kon verleenen,
Gaat vol en welverzadigd henen;
De wereld gaf hem wat hij zocht.
De onzaalge wacht, in zijn ellende,
Nog altijd op een beter ende;
De doodt die toetreedt als een vrind,
Schijnt in zijn oog, te droef verblind,
Een vijand, die hem al den prijs
Van al zijn onspoed komt ontrooven,
Den vruchtboom van het paradijs,
Dat zich zijn hoop nog dorst beloven.
Die hoop was op den dag van morgen;
Dan zouden jammrent nooden, zorgen
Voorbij zijn, dan zou de eerste dag
Hem opgaan, die hem zalig zag!
Hij droomt reeds van die heldre tijden,
En ziet, dwars door zijn tranenvloed,
Een schoon verschiet rn zonnegloed,
Vergoedende zijn bitterst lijden:
De dag van morgen had hem macht
En eer en glorie aangebracht,
Met rijkdom. aanzien, heerschersstaf
En moet hij opgaan voor zijn graf?

De zon zonk; k lag nog steeds op de aard
Geboeid aan t koud, verstijvend paard.
Wij zouden, docht mij, daar ons stof
Wel mengen, en mijn oog zoo dof,
Zoo duister en bezwaard,
Verlangde naar den dood,
Die t sloot,
Daar toch geen hoop meer overschoot
Op redding k Sloeg dat oog
Omhoog,
En tusschen mij en de avondzon,
Zag k reeds de raaf verbeidend zwerven,
Die nauwlijks zlang wachten kon,
Tot ik, gelijk mijn beest, zou sterven,
Eer zij haar aaklig maal begon.
Zij vloogt zat neder, en vloog weer,
En naderde altijd meer en meer,
lk zag haar vlerk in t schemerlicht
Bewegen, en op t laatst zoo dicht
Nabij met dat ik ze aan kon raken
Maar t waren krachten, die me ontbraken.
Doch t zwak verroeren van mijn hand,
Het licht geschuifel van het zand,
Met een murmlendt een flauw
Gereutel, dat nauw
Den naam van stem vermocht te dragen,
Slaagde eindlijk in haar weg te jagen.
Meer weet ik niet: mijn laatste droom
Was, dunkt mijt van een lieve ster,
Die mij in de oogen scheen van verr,
En af en aan heur zwervend licht
Deed weemlen voor mijn dof gezicht;
En t half bewustzijn van een loom,
Kil, onbestemd. herlevend leven,
Alras voor een poos
In de sluimring des doods
Weer opgeheven;
Dan weer ontwakend, maar pijnlijk altoos;
Nu trillende leden
Dan schroevende borst
Een smachtende dorst
Een schok, die door mijn hersens ging,
Een snik, een stuip, een huivering,
Een kort gevoel van pijn en weer
Een zucht En toen niets meer.

k Ontwaak waar ben ik? Is dat niet
Een menschlijk oogt dat mij bespiedt?
Is dit geen dak dat me overdekt?
Hoe? Lig ik op een bed gestrekt?
Is dit een kamer, die me omvat?
Neen!t oog, dat op mij staarde,
Was zeker niet van de aarde!
Ik sloot het mijne; k had te vreezen
Dat alles droombedrog zou wezen!
Of was, wat ik aanschouwde, waar?
Een schoone maagd, met lokkig haar
En ranke leest, zat bij mij neder.
De tintling van dat oog zoo teeder
Had mij de ziel verrukt, zooras
Mijn kennis weergekomen was.
Zij hield bestendig t lief gezicht
Op mij gericht,
En in den blik, zoo trouwen vrij,
Van t gitzwart oog blonk medelij.
Ik overtuigde in t eind mijn oogen,
Dat thans geen droom mij had bedrogen.
Dat k leefde, en nu, naar allen schijn,
Geen raven meer tot aas zou zijn
En als t Kozakkenmeisje zag,
Dat ik met open oogen lag,
Zoo lachte ze; en ik wilde spreken,
Maar was te zwak. Zij naakte toen
En gaf met lip en vinger teeken ,
Dat ik geen poging had te doen
Om t pijnlijk zwijgen af te breken,
Maar lijdzaam en gerust zou wachten
Op t wederkeeren van mijn krachten.
Zij greep mijn handen ondertusschen,
En verlegde mijn hoofd en verschikte mijn kussen,
En week van mijn bed
Met nauw hoorbaren tred.
Zachtjes ontsloot zij de deur zich, en zoetjes
Sprak zij tot andren; hoe schoon klonk het mij!
k Hoorde muziek in de treetjes dier voetjes;
Haar stem scheen me enkel melody!
Maar wie haar lieve lipjes riepen
Bewonderden haar niet; zij sliepen.
Dies zij t vertrek verliet,
Maar niet
Dan omziende, en door vele teekenen
Mij gevende te kennen dat
Ik mij in veiligheid mocht rekenen
En enkel te bevelen had;
En dat zij-zelve niet zou toeven
Terug te keeren. Toen zij heen
Gegaan was. voelde ik mij alleen.
Ent scheen mij dubbel te bedroeven.

Met bei haar oudren kwam zij weer.
Gij weet de rest wat hoeft er meer?
k Bespaar u t lang verhaal van wat,
Sinds k der Kozakken gast werd, mij
Weervoer; bewustloos hadden zij
Me op weg gevonden, deernis had
Haar stem doen hooren in hun borst;
k Was naar de naaste hut getorst;
Daar riepen zij me in t leven weer;
Mij sinds hun koning en hun heer!
Zoo had de booze dwaas, die woedend
Zijn hartstocht koelende in mijn leed,
Mij naakt, alleen, gebonden, bloedend,
Door wildernissen hollen deed,
Zijns ondanks, mij gebracht op t pad,
Dat, dwars door woestenij en heide,
Mij tot den vorstenzetel leidde,
Waartoe mij t lot verkoren had.
Wat stervling, die zijn deel voorziet?
Wees nimmer moedloos; wanhoop niet.
Op morgen ziet de Borystheen
Ons op zijn Turkschen zoom bijeen;
En nooit was mij een waterstroom
Zoo recht van harte wellekoom,
Als dees mij zijn zal, als wij daar
Ons veilig vinden voor gevaar
Spitsbroedren! goeden nacht.
                                                               Hier strekte
Mazeppa zich op t legert dat
Hij van t geblaart vergaderd had,
En eikenlommer overdekte;
Een koetst noch nieuw voor hem, noch hard,
Die, als hem rust veroorloofd werd,
Nooit angstig vroeg naar t waar of hoe;
En weldra look hu de oogen toe.
En zoo gij t vreemd vindt, dat de Koning
Den Hetman zonder dankbetooning
Den zoeten sluimer vatten liet,
t Bevreemdde den verhaler niet:
De vorst tocht door zijn taal gesust,
Was reeds een vol uur in de rust.


Ingezonden op: 19 July 2001