PARISINA.(*)

t Is t uur, waarin de nachtegaal
Het oor verrukt door t smeltend lied,
Waarin verliefde fluistertaal
Voor t hart van zoetheid overvliet;
Waarin het koelheidamend suizen
Van t windje, aan balsemgeuren rijk,
Zich met der golfjes murmlend bruisen
Vereenigt tot een zoet muzijk.
Op iedre bloem is dauw gezegen;
De starren blinken aan den trans,
Met zachten glans,
Elkander tegen;
Het water heeft een donkrer blauw,
Het loof een bruiner tint gekregen,
De lucht een wazig schemergrauw,
Het is dat zoet, dat lieflijk donker,
Die effen duisterheid omhoog,
Die t scheemren volgt aan s hemels boog,
En voorgaat aan het maangeflonker.

Maar t is om t lieflijk ruischen niet
Van t beekje over t kiezelbed
Dat Parisina t slaapsalet,
Bij t zwijgen van den nacht, verliet;
t Is niet om de oogen op te slaan
Naar t maanlicht en zijn hemelluister,
Dat de eedle vrouw is uitgegaan
En omzwerft in het avondduister;
En, toeft ze in Estes groen priel,
Ze is om de rozen niet gekomen;
Zij hoort maar t is niet naar t gekweel
Der nachtegalen in de boomen.
Zij luistert
Een stap wordt gehoord in de krakende blan;
En het hartje begint haar onrustig te slaan,
Haar lieflijke naam wordt gefluisterd
En haar blos komt terugt en haar boezem schept am;
Nog een oogenblik slechts en het vindt hen te zaam,
Om een schuldige liefde te boeten
t Is daar Reeds ligt de minnaar aan haar voeten

En nu, wat is voor hun gemoed
Dees wereld met haar ebbe en vloed?
Ach, hemelt aardet menschdom, God,
Vergeten zij voor zingenot.
Als dooden schijnen ze onbewust
Van wat er om hen woelt of rust,
Zij zien elkander slechts in t oog,
Of heel de schepping hun vervloog.
Elk zuchtje prikkelt nog den lust,
En pijnigt met de zoetste smart,
En tergt het brein, en blaakt het hart.
Wie droomt er, in dien wilden droom,
Van schuld of straft gevaar of schroom,
Van lange wroeging, scherp verwijt?
De woeste hartstocht laat geen tijd
Om voor een oogenblik te denken,
Hoe kort een vreugd hij slechts kan schenken.

Met aarzelenden voet verlaat
Het paar de plek van weelde en schuld.
Schoon zoete hoop hun hart vervult,
En plechtige afspraak zeker gaat,
Toch voelen ze een geheime vrees
Als waar dit afscheid t laatste reeds.
Herhaalde omarming, zuchten, trillen,
Een somber staren van den blik,
En lippen die niet scheiden willen
Op eenst een plotselinge schrik
Voor t vredig glinstrend hemellicht
Weerkaatsend van hun aangezicht;
Gevoel van onvergeefbre zonden,
Door iedre stille, reine ster
Met afschuw aangezien van ver
Dat alles houdt hun voet gebonden,
En maakt dit teeder scheiden zwaar
Maar t onverbidlijk uur is daar!
Zij gaan. Een wicht van duizend ponden
Weegt op de ziel van t schuldig paar,
En t voelt de koude huiveringen
Van die een slechte daad begingen.

Naar t eenzaam bed keert Hugo thans,
En smacht er van verboden lust;
Zij legt het schuldig hoofd ter rust
Aan t argloos hart eens trouwen mans
Zij slaapt, maar koortsig;t heete bloed
Ontsteekt haar wang in purpergloed.
Zij droomt, en op haar lippen stijgt
Een naam, dien zij bij dag verzwijgt.
Zij woelt en slaat haar armen uit,
Dat zij haar vriend aan t harte sluit,
En doet haar echtgenoot ontwaken,
En streelt hem met den zoeten waan, 
Die lieve omhelzing ging hem aan,
Die haar gelukkig poogt te maken;
Tot schreiens is hij aangedaan,
En opgetogen ziet hij neder
Op de engelt in haar slaap zoo teeder!

Hij drukt de sluimrende aan zijn borst
En wil elk staamlend woord verstaan.
Hij hoort Wat siddring grijpt hem aan,
Als trof s aartsengels stem den vorst?
Hij siddre vrij! Geen zwaarder straf
Kan hem verschrikken in zijn graf,
Als hem, voor de eeuwigheid ontwaakt,
De Rechter met het vonnis naakt!
Hij siddre vrij! En klankt n woord
Heeft heel zijn aardsch geluk vermoord;
En enkel woord, n naam verraadt
Zijn eegas schuld, zijn eigen smaad.
En welk een naam? Ai mij! Als t botsen
Van t slingernd schip op ijzren rotsen,
Wanneer des afgronds diepste kolk
Zich opent voor t wanhopig volk,
Schokt hem die naam t gemoed.
Wie was de schender? Hugo! Hij
O, dat die gruwel mooglijk zij!
Zijn zoon, zijn eigen bloed!
t Misdadig kroost der misdaad van
d Ontrouwen jongling straft den man,
t Kind van Bianca, de verleide,
Die, al te dwaas, haar trouwdag beidde!

Hij trok zijn dolk, maar stak hem weer
Ter scheede voor de punt ontbloot was;
Schoon Parisina s misdrijf groot was,
Haar schoonheid zette hem terneer.
Zoo lief een schepsel moest hij sparen;
Althans zoo als hij nu haar zag.
Tevreden sluimrend met een lach;
Maar stond haar roerloos aan te staren,
En zoo ontzettend was zijn blik,
Dat, zoo zij t hoofd had opgeheven,
Zij waar van angst versteend gebleven
Of weder neergestort van schrik,
En bij der nachtlamp schemerlicht
Blonk t paarlend zweet hem op t gezicht!
Maar de ongetrouwe sluimert voort
En nu geen zuchtje meer, geen woord,
Waarvan zijn gramschap hooger zwelt;
Maar o! haar dagen zijn geteld.
En nauw verrees de morgenstond,
Of woedende Azo zocht, en vond
In t bang verslag uit veler mond
t Bewijs van wat zijn rust verslond,
Wat hem deed siddren op t vermoeden,
En raadloos zijn doet, nu hij t weet:
Haar schuld en zijn toekomstig leed.
Der maagden lang meuwste schaar,
Opdat zij voor gevaar zich hoeden,
Brengt schuld en smaad en vonnis over haar.
Geen uitvlucht langer, niets verschoond!
Al wat haar schendige echtbreuk toont,
Wordt Azo openbaar:
En zijn gefolterd hart en ooren
Rest niets te lijden, niets te hooren.

Hij was een man van kort beraad,
En in de richtzaal van zijn staat
Zat Azo, Estes wettig heer,
Ten zetel zijner rechtsmacht neer.
Zijn eedlen en zijn wacht zijn daar,
En voor zijn oogen t schuldig paar;
Ach! beide in s levens eerst getij,
En zij hoe naamloos schoon is zij!
Ai mij, ontwapend en geboeid,
Staat daar een zoon voor t streng gericht
Eens vaders, die van gramschap gloeit,
En moet op t doodsbleek aangezicht
Een ongenadig vonnis lezen
Toch schijnt hij niet verplet te wezen,
Maar klemt met kracht de lippen dicht.

En bleek en zwijgende als het graf,
Wacht Parisina t vonnis af.
Wat omkeert sinds haar sprekende oogen
Nog onlangs, voor de laatste maal,
Een kring van blijdschap om haar togen
In Azos feestelijke zaal,
Waar hooge heeren voor haar bogen,
En waar de schoonheid, door t bespin
Van duizende bevalligheden,
In lachje en taal, in leest en treden,
Haar t lief geheim hoopte af te zien,
Waarop zij recht en aanspraak grondd,
Dat zij dus vorstlijk heerschen konde.
Had toen n zuchtje haar gekweld,
t Had duizenden gevoerd in t veld;
t Had duizend degens aan doen gorden,
Om wrekers van haar leed te worden 
En nu wat werd er van haar macht?
Wat van zoo veler dienst der oogen?
Daar staat ment plechtig, onbewogen;
Men tuurt op de aarde, zwijgt en wacht;
De blik verfoeit, het hart veracht
Zijn dit haar riddren? dit haar vrouwen?
En moet zij dus haar hof aanschouwen?
En hij de dierbre, wiens geweer
Ook nu zou schittren voor haar eer,
Die, kon hij slechts den arm verroeren,
Haar uit het midden weg zou voeren,
Of aan haar voeten sterven, hij
Staat daar in boeien aan haar zij,
En ziet haar groot bruin oog niet, rood
Van tranen, die ze om hem vergoot!
Hoe vriendlijk spreidden blanke leden,
Van fijne purpersprank doorgloord
En met een donkren zoom omboord,
Daar zachte schaduw op tot heden;
Nu tempren zij de stralen niet
Der woeste blikken, die het schiet,
Maar drukken t, gloeiende en ontstekenm,
Naar mate dat haar tranen leken.

Zoo had ook hij wel kunnen weenen,
Voor haar maar niet voort hofgezin,
Hier hield zijn felle smart zich in.
Koelbloedig zag hij voor zich henen.
Hoe schriklijk ook zijn lijden waar,
Hij moest niet zwak zijn voor die schaar,
Doch waagt geen enklen blik aan haar.
De wreede erinring van t verleden,
Zijn schuld, zijn liefde, t vreeslijk heden,
Zijns vaders toorn, der braven smaad,
Een aardsche, een eeuwge ,jammerstaat
Haar lot o t hare! Neen hij slaat
Geen oog op dat verbleekt gelaat,
Uit vreeze dat zijn hoogmoed zwichte
Bij t zien des jammers, dien hij stichtte.

En Azo sprak: Nog gistren droeg
Ik roem op zoon en echtgenoot;
Die droom verging dees morgen vroeg;
Vr davond zijn mij beiden dood.
Zoo moge ik eenzaam verder wandelen!
Het ZIj zoo; niemand, wie hij zij,
Die met zou doen als ik zal handelen.
Die banden scheurden, niet door mij!
Ook dit moet wezen Snoode zoon!
De priester wacht u, en uw loon.
Vertrek! Vang uw gebeden aan!
Voor de avondster is opgegaan,
Zult gij voor s hemels vierschaar staan;
Moog die u nog genade gunnen!
Maar de aarde heeft geen plaatst daar ik
En gij, zelfs voor een oogenblik,
Dezelfde lucht genieten kunnen.
Vaarwel! Ik zie uw dood niet aan.
Maar gij, wuft schepsel! zult zijn hals
Genoeg! Ik kan niet verder gaan
Ga, vrouw zoo dartel en zoo valsch!
Trouwloos gemoed!
Niet ik, gijzelf vergiet dit bloed;
En kunt gij daanblik overleven,
Verblijd u, leef ik schenk u t leven.

En Azo wendde t aangezicht
En t kloppend voorhoofd, dat hem gloeit
Van t bloed, dat barnend ebt en vloeit
En op zijn brein drukt met gewicht.
Hij boog zich; bevende bewogen
Zijn vingren zich langs slaap en oogen,
Alsof die hand een sluier waar,
Die hem verheelde voor de schaar.
En Hugo heft zijn boei omhoog,
En bidt hem dat hij spreken moog.
Het wordt hem zwijgend toegestaan,
En dus spreekt hij zijn rechter aan:
Niet dat ik bang ben om te sterven!
Gij zaagt in menig strijd mijn moed.
De degen, dien ik thans moet derven,
Vergoot voor uwe zaak meer bloed
Dan ooit de bijl mijns beuls zal verven.
Gij schonkt mij t leven: neem het weer!
Ik was nooit dankbaar voor die gave.
Mijn hart vergat het nimmermeer:
Gij bracht mijn moeder om haar eer!
Zij rust, en ik ga bij haar ten grave.
De medeminnaar zij niet meer!
t Gebroken hart der liefste vrouwe
Hef, met mijn afgeslagen kop,
Het loflied van uw jonglingstrouwe
En vaderlijke teerheid op,
t Is waar, ik heb u zwaar beleedigd;
Maar kwaad voor kwaad! Of roofdet gij,
Opdat uw hoogmoed wierd bevredigd,
De bruid niet, reeds verloofd aan mij?
Ja, gij begeerdet haar tot gade,
En om u van den zoon te ontslaan,
Kwam u de misdaad nog te stade,
Die ge aan de moeder hadt begaan.
Het ware een schande voor haar magen
Geweest, te huwen met een zoon,
Die nooit zijns vaders naam mocht dragen.
Noch aanspraak maken op zijn troon!
Omt even. heden moet ik sterven,
Maar was mij slechts de tijd vergund,
Ik zou mijzelv een naam verwerven
Veel schooner dan gij voeren kunt.
Ik heb een hart, ik had een degen,
Naar grooter dingen uitgestrekt,
Dan in de parels zijn gelegen
Der kroon, die Estes wapen dekt
Niet altijd draagt de hoogstgeboren
De schitterendste riddersporen;
De mijnen tergden te kleppers zij
Vaak vorsten in t bevel voorbij,
Als k aanrukte op t bezielend woord:
Voor Este en de zege voort!
k Bepleit de zaak niet van mijn schuld,
Ik kom niet smeekend uitstel vragen;
Het leven viel mij zwaar te dragen;
De tijd mijns lijdens zij vervuld!
Mijn afkomst moog bezoedeld wezen,
Uw adel mij verwerpen toch
Staat op mijn aangezicht te lezen
Dat ik uw zoon ben; meerder nog
Is de aard van die mij niet erkent
In dit hoogmoedig hart geprent;
De driften van dat hart zijn de uwen!
Van u wat doet mijn vader gruwen?
De ontembre ziel, de stoute hand,
Het gloeiend vuurt dat in mij brandt.
Gij gaaf, mij t leven niet alleen,
Maar alles waar uw beeld in scheen.
Zie wat uw wulpschheid heeft bedreven,
Tot straf heeft ze u een zoon gegeven
Aan u gelijk van top tot teen.
Ik hen geen bastaard van uw aard;
Ik duld als gij geen wederstreven,
Ik ben zoo fier als ge immer waart;
En dit mijn nietig, vluchtig leven,
Dat gij mij gaaft, en nu zoo vroeg
Terugeischt k had het lang genoeg,
En ik achtte t nimmer meer dan gij
Als gij den helm op t voorhoofd drukte,
En ik vol geestdrift aan uw zij,
Door bloed en dood, ter zege rukte.
En nut t verleden is voorbij!
De sombre toekomst kan nadezen
Niet boozer dan t verleden wezen;
Maar k zou wel wenschen, toen veeleer
Te zijn gesneuveld in t geweer;
Want, deedt gij ook mijn moeder sterven,
In t bloeiendst van haar levenstijd,
En mij een lieve gade derven
Ik voel dat gij mijn vader zijt!
En klinke uw vonnis hard en ruw,
t Is niet onbillijk, zelfs van u.
Geteeld in zonde, en schande sneven
t Begin en t einde van mijn leven
Gelijkt, voorwaart elkander schoon!
En als de vader, zoo de zoon;
Voor wat door beiden is misdreven
Betaalt een zelfde straf het loon
Een heeft in aller menschen oogen
Het zwaarste van de twee misdan;
Maar God heeft beider schuld gewogen.
En zal een billijk vonnis slaan.

Hij zweeg en kruiste de armen weer.
Men hoordet rammlen van zijn keten.
Hoe deed die klank de harten zeer
Van de edellieden, daar gezeten!
Zij sloegen siddrend de oogen neer.
Op eenmaal werd hun blik gekluisterd
Aan haar, die Hugo had bekoord.
Zij had zijn vonnis aangehoord!
Haar liefde had den vriend vermoord!
Hoe was haar heilloos schoon ontluisterd!
Hoe roerloos stond zijt hoe versteend
Hoe doodlijk bleekt hoe uitgeweend!
Geen enkle maal had zij den blik
Van t punt gewend, waarop zij staarde;
Niet nmaal sloeg zij dien ter aarde;
Daar stond ze, een standbeeld van den schrik,
Met gapend oogt den mond ontsloten;
Geen koestrend bloed kwam toegevloten;
Koud was haar voorhoofd, koud als ijs;
Alleen daar welde nog somtijds
Een enkle, groote, heldre drop
In die verstijvende oogen op,
En vloeide niet te haastig neer
Op t witte marmer van die wangen,
Maar bleef een wijle telken keer
Aan t gitzwart van haar pinkers hangen.
O! Zulk een traan drong tot in t hart
Van allen, die hem vloeien zagen;
Hij scheen getuigenis te dragen
Van bovenmenschelijke smart.
Zij zocht te spreken; t onbestemd
Geluid bleef in de borst beklemd;
Maar uit dat bang gekerm verstond
Wie t hoorde heel haars harten grond.
Zij zweeg; zij poogde op nieuw te spreken;
Toen barstte ze in een schril geluid,
Een kort en aaklig gillen uit,
En toen was stem in kracht bezweken.
Het beeld wankte op zijn pedestal,
En stortte met een lood en val;
Het beeld van Azos gemalinne
t Bekoorlijk schepsel zelf niet meer,
Dat enkel leven, enkel minne,
Haar trouw verdartelde en haar eer;
Wie hartstocht tot den val genoopt had,
Maar die de schande niet verdroeg,
Waarmee de ontdekking ze overhoopt had.
Die t hart haar met vertwijfling sloeg.
Toch leeft zij nog, en al te vroeg
Keert ze uit dien schijndood weer;
Want wat ze inwendig heeft geleden
Verkrachttet werktuig van de reden,
En haar bewustheid keert niet meer,
Het denkvermogen bleef beroofd
Van veerkracht in haar duizlend hoofd.
En zondt gelijk de boogsnaar, door
Den regen slap, de schicht
Niet voortwerpt daar uw oog ze richt.
Elk denkbeeld buiten t spoor.
t Was alles wild dooreengeward;
t Verleden leeg en woest,
En al wat nu gebeuren moest
Gehuld in tastbaar zwart,
Met hier en daar, dat lichtgeflonker.
Maar als van bliksemlicht in t donker,
Wanneer een storm de woeste kracht
Zijns gramschaps toont te middernacht.
Zij vreest, zij voelt, iets ijslijks wacht
Haar hart maar wat? t Is haar ontdacht
Een groote schuld, een groote schande
Drukt daar op iemand in den lande;
Bloed zal er vloeien, maar van wien?
Zij weet het niet. Droomt zij misschien?
Staan dees haar voeten wel op de aarde?
Zijn dit gewelven, waar ze op staart?
En die zij om zich heen ontwaart;
Zijn t menschen, of zijn t duivlen, die
Zoo fronsen tegen haar, voor wie
Elk oog tot nog toe heeft geblonken
Van teedre en toegenegen lonken,
In eerbied, liefde en sympathie?
t Bleef al onzeker en verward;
Een woeste baaierd, waar haar hart
En hoofd als op den tast in dwaalde:
Nu hoop, dan vrees, nu vreugd, dan smart;
Geen denkbeeld, dat haar ziel bepaalde
En nu met lachen, dan met weenen,
Maar zinloos, t zij ze lacht of schreit,
Bestreed ze in wilde rustloosheid
De beelden, die haar geest verschenen,
En zocht den bangen droom te ontkomen,
Waarin zij eeuwig voort zou droomen.

Hoor, t gebom der kloosterklokken!
Klagend klinkt heur traag geluid
Ten bemosten toren uit,
Waar de streng in wordt getrokken.
Zuchtend is hun klank en dof,
Als een toon van rouwen smarte,
En hij valt hem zwaar op t harte.
Wien hij de ooren trof.
Hoort het koor wordt aangeheven,
Voor wiens fakkel wordt gebluscht,
Voor den boetling, nog in leven,
Maar die dra deze aard begeven
Moet en bij de dooden rust.
Voor de zielt die t lijf verlaat,
En haar oordeel tegengaat,
Is het dat de zielmis opstijgt, de gewijde klepel slaat.
Reeds is zijn graf gedolven. Zie
Daar knielt hij aan des priesters knie.
Aaklig is het wat maanschouwt,
Droevig wat het oor verstond,
Hier in t midden staat het hout,
En de wachters staan in t rond.
Darm ontbloot en koel t gelaat,
Houdt de beul de moordbijl reede,
Toetst de scherpte van de snede
Die den slag op eens doet treffen en door pees en wervel gaat.
Spraakloos treedt een groote stoet
t Hartontzettend schouwspel nader,
Waar een zoon bezwijken moet
Voor het vonnis van een vader!
Nog was t een lieflijk uur, De zon,
Die met haar schoonsten glans
Het leedt waarmee dees dag begon,
Bespot had van den trans,
Stortte over Hugos aangezicht
Den gloed uit van haar dalend licht.
Hij zegt zijn laatste biecht; hij smeekt
Den troost af, dien een priester spreekt,
Wiens hart van deernis breekt.
Hij wordt gewezen op het bloed,
Dat ons van zonden zuivren moet;
En, als hij nederligt en hoort,
Ziet t zonlicht minzaam neer, en gloort
Met milden glans om s jonglings kruin
En om dier lokken glanzig bruin,
Dat welig om die slapen kronkelt
En langs dien hals, te wreed ontbloot!
Maar heldrer schittert, wreed er vonkelt
Die straal opt werktuig van den dood.
Ai mij, die ure was ontzettend!
Voor t onvermurwbaarst hart verplettend!
Gewis, hier werd slechts recht gedaan
Maar t schouwspel was niet uit te staan.

Het laatst gebed is van de lip gerezen
Diens zoons zoo snood, diens minnaars zoo vol moed,
Zijn bidsnoer afgeteld, zijn zondenlijst gelezen,
Zijn uur verstreken, en zijn misdaad eischt zijn bloed!
Men nam zijn mantel reeds; nu geldt het ook zijn lokken,
Men scheert ze wreed zoo jong een schedel af;
Nu wordt zijn kleed hem uitgetrokken;
De sjerp, die Parisina gaf,
Mag hem niet sieren in zijn graf,
Ook deze wordt hemt lijf onttogen.
Men houdt den blinddoek voor zijn oogen;
Maar neen! die laatste smaad mislukt!
Dat zal zijn hoogmoed niet gedoogen!
Zijn drift, schoon schijnbaar onderdrukt,
Was bijkans weer in gloed gevlogen,
Toen hem de beul, zijn plicht getrouw,
De vurige oogen blinden wou;
Als of zijn altijd koene blik
Den dood niet zien kon zonder schrik!
Neen! neem mij bloed en levenslicht,
Ik weiger niet het al te derven!
Gij bondt dees handen laat mij sterven
Met on-gebonden aangezicht!
Sla toe, ik wacht met open oog
Uw bijl! Ent als hij t zeidet boog 
Hij t jeugdig hoofd opt blokt en zag
Den dood in de oogen; t laatste woord
Was nauwlijks uit zijn mond gehoord,
Of vlijmend viel de slag
En rolde t hoofdt en stortte t lijf
Terug in t zand, en gutste t bloed
Uit ieder ar in breeden vloed;
Zijn lip vertrok zich, en zijn oog
Verdraaide snel, en niets bewoog
Zich meer t was all voor eeuwig stijf
Hij stierf gelijk een schuldig man,
Maar zonder trots of praalvertroon;
Hij had tot s hemels hoogen troon,
In ootmoed neergeknield, gebeden,
Zoo als een veege zondaar t kan;
Den troost der kerke niet vertreden;
Hij was niet zonder hoop gegaan;
En toen hij voor den priester knielde,
Blies hem geen aardsche zucht meer aan,
Wijl hooger ernst hem gansch bezielde.
Zijn vader, toornig en verwoed,
Het voorwerp van zijn snooden gloed,
Wat was dat alles in dien stond?
Hij voelde geen verwijt, noch vond
Zijn hart van wanhoops vlijm doorsneden;
Want enkel hemel was zijn ziel,
En al zijn woorden boetgebeden!
Behalve wat hem toen ontviel,
Toen hij den nek reeds hield ontbloot
Ter ontvangst van zijn wreeden dood,
En hij alleen als weldaad vroeg,
Dat men zijn hart dien blinddoek spaarde,
En hem met open oog versloeg,
Zijn eenigst afscheidswoord aan de aarde.

Met ingespannen ademtocht,
Als of de dood
Elks mond met Hugos lippen sloot,
Stond ieder, die t aanschouwen mocht,
En staarde op t schouwspel van ellende;
Maar toen men d onafweerbren slag,
Die Hugos liefde en leven enddet,
Op s jonglings schouder dalen zag,
Toen voelden allen, die daar waren,
Een huivring door de leden varen,
En kwam met half gesmoord geluid
Een diepe zucht ten boezem uit;
En toen zweeg alles stil;
De bijl slechtst die het bloedig blok 
Nog na deed dreunen van den schok,
Was t eenigst, dat zich nog deed hooren
Maar wat treft eensklaps aller ooren?
Een woeste gil,
Zoo fel zoo schril,
Doorklieft de lucht, waar alles zwijgt!
Een kreet is t, als de moeder slaakt,
Als ze in den donkren nacht ontwaakt
En t eenig, lief en dierbaar kind
Dood in haar moederarmen vindt;
Een kreet is t die ten hemel stijgt,
Als door een boezem uitgedreven,
Wien niets meer rest in t hooploos leven!
Die kreet die gil dat rauw geluid,
Kwam Azos burchtslotvenster uit,
En aller oogen, aller ooren
Zijn derwaarts heengericht vol schrik
Maar niemand toont zich aan den blik,
En niets meer doet zich hooren.
Doch nimmer slaakte in t uiterst leed
t Vertwijfeld hart een schrikbrer kreet,
Die, wie hem hoorde, wenschen deed
Het mocht de laatste reize wezen
Dat zulk een gil was opgerezen.

Geen Hugo meer! En sinds dat uur,
Werd binnen Azos burchtslotmuur,
In slaapsalet noch ridderzaal,
In hofpriel noch burchtportaal
Ooit Parisine aanschouwd.
Haar naam, als of die nooit bestond,
Werd aan geen oor meer toevertrouwd
En klonk uit niemands mond,
Als of er dreigend lijfsgevaar
Of dwaasheid aan verbonden waar;
En niemand hoorde aan Azos lippen
Een woord van gade of zoon ontglippen
Hun nagedachtnis was vergaan;
Geen zark wees hun begraafplaats aan
In d ongewijden hoek der aarde,
Die zeker Hugos overschot,
En mooglijk beider lijk bewaarde;
Geen mensch wist Parisina s lot.
Had zij ten hemel t oog gewend,
En was ze een klooster ingegaan,
Alwaar ze, in aardsche lustvermijding,
Met harde vaste en zelfkastijding
Haar penitentie had gedaan,
En bij de foltring van t geweten 
De nachten in gebed gesleten,
Bij t vloeien van een boetetraan?
Of deed een traag vergif haar sneven?
(Of nam een rappe dolk haar t leven,
En had zij haar getrouwheid aan
Haar Hugo dus gestand gedaan?
Of ging de slag, waardoor hij viel,
Haar moordend door de teedre ziel,
En had de Dood, uit deernis met
Haar zwak gestelt haar t hart verplet
En met n schok vaneengereten?
Geen die het wist, geen die t kon weten:
Maar, wat ook van de droeve werd,
Haar einde was gewis in smart.

En Azo koos een andre bruid.
Zijn echtkoets bloeide in spruit bij spruit.
Maar telde hij ook menig zoon,
Geen zoo beminlijk, geen zoo schoont,
Niet een zoo dapper als zijn doode,
Of waren zij t, hij merktet noode;
Hij zag het aan in stille smart,
Met zuchten, die hij smoorde in t hart.
Nooit liet zijn oog een traan ontglippen;
Nooit speelde een glimlach om zijn lippen;
Slechts t stugge mijmren, dat zoo vroeg
Op t voorhoofd rimpels snijdt,
Geduchte voren van dien ploeg,
Litteeknen uit dien strijd!
En voorts geen blijk van vreugde of smart,
Als ging hem niets aan t ijskoud hart,
Slechts kwade dagen kon hem t leven,
Slechts slapelooze nachten geven;
Zijn ziel was doof voor lof en hoon;
Zijn hart schuw van zichzelf; want schoon
Zijn leed gesmoord werd en verbeten,
Het wilde noch het kon vergeten;
Het kromp inwendig saam van pijn,
Als t ongevoeligst scheen te zijn.
De felste kou, de strengste vorst
Bedekt slechts t water met een korst;
Daaronder woelt en stroomt de vloed,
Die woelen wil en stroomen moet.
Men kan de wateren zijns harten
Verbieden uit te vloeien, maar
De wel blijft elke poging tarten,
En toont zich onvernietigbaar;
Bedenkt ontveins, bedwing uw oogen,
Zij zal verstijven noch verdrogen;
Maar in de diepten ondermijnt
Zij t leven, dat inwendig kwijnt
Zoo ging t met Azo. Immer treurde
Zijn ziel inwendig om t gebeurde.
Hij droeg zijn dooden in zijn hart.
Daar was een ledig in zijn leven,
Slechts aan te vullen door zijn smart.
Hij durfde zich de hoop niet geven
Dat daar hereening was bij God
Met die zoo schuldig moesten sneven.
Zij wrochten zich hun eigen lot.
Het strengste vonnis was rechtvaardig,
Hun euveldaad geen deernis waardig
Ook die gedachte schonk geen troost;
Zijn smart bleef knagen, onverpoosd.
Wanneer een wijze hand de loten,
Waarin verderf sloop, zorgzaam snoeit,
Het deert den boom niet, maar hij bloeit,
In versche twijgen uitgesproten;
Maar als des hemels ongenade
Den bliksem in zijn kruin deed won,
Dan voelt de stam de onheelbre schade,
En niet een takje wordt meer groen. 


Ingezonden op: 19 July 2001