SAUL.

De tooverrede heeft geboden:
„Verschijn, o geest van Samuel!
Verlaat de stilte van de dooden!
Vorst! zie den Ziener Isrels wel!”

De grond sparde op. Hij stond, in ’t midden van een kring
Van neevlen; ’t licht des daags bleekte op zijn nadering.
De dood staarde aaklig uit zijn strakke en glazige oogen;
Zijn uitgedorde hand was zichtbaar, zonder bloed;
Als blank gebeente glom de ontbloote voet.
Van lippen, die zich niet bewogen
Tot spraak of adem, wederklonk
Zijn stem, hol als de wind uit een spelonk;
De koning zag hem, stortte neder, —
Zoo velt een bliksemstraal den ceder.

„Vaarom wordt mijn rust gestoord?
Welke stem heb ik gehoord?
De uwe, o Koning? Dien ge aanschouwt,
Ziet gij bloedloos, stijf en koud.
Dus ben ik, en dus wordt gij,
Als gij morgen komt tot mij;
Dus wordt gij, en dus uw zonen,
Als zij, vóór weer de avond daalt,
Met u in de stilte wonen
Van het graf, voor u bepaald.
Vaar dan wel, nog voor een nacht!
Morgen ligt uw gansch geslacht
Met doorboorde borst ter aarde.
Sterft gij van uw’ eigen’ zwaarde,
Storten kroon en takken neer,
En geen huis van Saul meer!”


Ingezonden op: 19 July 2001