IN SCHOONHEID WANDELT ZE.

In schoonheid wandelt ze, als de Nacht
Aan onbewolkte starrenbogen;
Des donkers ernst, des middags pracht
Vloeit saam in haar gelaat en oogen.
En mengt zich tot dien malschen gloed,
Waar t blinkendst licht voor onderdoet.

En toetsje hier, n lichtje dr,
Zou t lieflijk evenwicht, geboren
Uit schaduwen van lokkig haar
En blinkende gemoedsrust, storen
Op t kalm gelaat, waar alles toont
Wat zuivre ziel die borst bewoont.

En zoo een blosje, een lachje, een traan
Dien mond, dIe wangen heeft betogen,
Wat duiden zij dan goedheid aan,
Met zacht, aandoenlijk spraakvermogen
Wat dan een ziel vol kalm geduld,
Een hart, van liefde en vre vervuld?


Ingezonden op: 19 July 2001