UIT DEN TREURZANG OVER SHERIDANS DOOD.

AVONDSTOND.

Als het laatste gloren van den stillen zomeravond
Zacht overvloeit en smelt in t domlig schemergrauw.
O, wie dan voelde nooit verkwikkend, troostend. lavend
Den rijkdom van dat uur, als zwoel en hemeldauw
In t bloempje, dalen in den boezem ? Wie t gezuiverd
Gevoel des harten, dat van stillen eerbied huivert
En heel de ziel vervult, niet mede, wen natuur
Die pauze maakt van weelde en weemoed, in het uur
Als t haar vergund is voor een oogwenk op de kusten,
Waar duisternis en licht ineenvloeit, uit te rusten ?
Wien was die kalme rust geen lekkernij voor t hart?
Wiens vol gemoed zou niet in tranen smelten konnen,
Wiens ziel niet huivren van die koninklijke smart,
Verheven meegevoel met ondergaande zonnen ?
Geen pijnlijk hartzeer, maar ontroering vol en zoet,
Welonbeschrijflijk, maar toch duidlijk voor t gemoed;
Daar mengt zich bitterheid, noch alsem van de zorgen,
Noch iets onzuivers in van nietig aardsch belang;
Maar heldre tranen doet zij bigglen op de wang,
Vergoten zonder schaamte, en zonder pijn verborgen.


Ingezonden op: 19 July 2001