DE STEENBOK.

De steenbok springt met vrije borst
Op Juda’s bergen rond,
En elke bron verslaat zijn dorst
Op godgewijden grond;
Hoe zweeft zijn voet, hoe blinkt zijn oog,
Hoe fier heft hij de kruin omhoog!

Een heldrer blik, een vlugger voet
Heeft Juda daar gekend,
Een lieflijker geslacht ontmoet,
Bij bron en herderstent;
Thans, zoo ge er slanke palmen ziet,
De slanker dochtren Juda’ niet.

Ach, meer gezegend boom en kruid!
Wij zwerven treurend rond;
Zij slaan hun wortlen rustig uit
In dien verlaten grond!
Zij groenen frisch en eenzaam voort;
Geen ban verdrijft hen uit dat oord!

Ons weidt. de dood, aan verre kust,
Na lange kwijning af,
En niemaud onzer vindt de rust
In zijner vaadren graf.
Daar bleef geen steen des tempels staan;
De heiden bidt op Sion aan!


Ingezonden op: 19 July 2001