UIT TASSOS KLAAGZANG.

(I. II.)

Zoo menig jaar! Dat knakt de kracht in mij;
Dat daadlaarsgeest eens Zoon der Pozij;
Zoo menig jaar van onrecht, laster, logen;
Voor dol verklaard, en aan den dag onttogen;
Gekerkerde eenzaamheid; en, in dit hart,
De kanker van een onverzachtbre smart;
Terwijl de dorst naar lucht en licht het blaken
En dorren doet, bij t rust- maar vruchtloos haken Naar geen het zwart der vloekbre tralie weert, Die t zonlicht op gehate vormen keert,
En oog en brein het zoeken van zijn. stralen
Met spanning en ontsteking doet betalen.
Ziedaar Gevangenschap, zoo als zij, naakt
En koud, de dichtgesloten poort bewaakt,
En hoonend lacht, en Diets laat binnen komen
Dan wat vaal licht, een oogenblik vernomen,
En muffe spijs, die k z lang eenzaam at,
Dat ik op t laatst haar bitterheid vergat,
En hongrig, als een roofdier, opgerezen
In de es mijn krocht, mijn woning nu, nadezen
Mijn graf wellicht, op t voeder ga te gast.
Dit alles heeft mij beurtlings aangetast,
En doet het nog; maar k zal geen bloodaard wezen!
Ik buk niet voor de wanhoop. Neen! Ik streed
Mijn zielsstrijd manlijk. Ik ontvlood mijn leed
En de enge grens mijns hols op eigen vlerken;
Ik stelde t zwaard van Mekka Ziener perken;
k Heb t Heilig graf van Turksch geweld bevrijd;
Gewandeld met wat achtbaar en gewijd
Gehouden wordt; door Palestinas dreven
Mijn vrijen geest tot eer van Hem doen zweven,
Die de aard bezocht, en in den hemel troont;
Want hij had ziel en lichaam kracht gegeven.
Dat, om mijns lijdens wil, mijn kwaad verschoond
Mocht worden, wijdde ik dees mijn boetejaren
Aan t zingen der gewijde legerscharen.
Verwinners en aanbidders van zijn graf.

Doch t is gedaan! Die dierbre taak is af;
Mijn heul en troost bij zoo veel zielsbezwaren!
Indien een traan op t slotvers nederviel,
Weet! k stortte er geen om wat me ook mocht weervaren.
Maar gij, mijn schepping! Kind van mijne ziel !
Welks toovermacht mij steeds mijn groote ellenden
Vergeten deed en de oogen elders wenden,
Ook gij verlaat me, en met u t laatste zoet!
Hier ween ik om; dit kost mij hartebloed.
t Gekrookte riet moet van dien slag wel breken.
k Voltooide u! Maar wat nu, wat nu gedaan?
k Heb zeker nieuwe jammren door te staan,
Maar hoe ? Ik kan t niet zeggen. Doch ik reken
Ook nn nog op de krachten van mijn geest.
Van wroeging ben ik altoos vrij geweest;
Zij noemen mij waanzinnig Gij kunt spreken,
En zeggen wat er van mijn waanzin zij,
Gij Leonore! O antwoord hier voor mij!
Myn hart, ja, was waanzinnig; t op te heffen
Tot een zoo hoog verheevne was optzind;
Maar t hoofd was vrij van alle wanbeseffen ;
t Erkent de fout, wier straf t onbuigbaar vindt.
Ach, gij waart schoon, Lenore! en ik niet blind
Ziedaar t vergrijp, waarvoor men me in moest muren! Maar t zij zoo! Laat hun foltren eeuwig duren
Mijn hart vernieuwt uw beeltnis steeds en mint
Een liefde, die gelukkig is, verflauwe:
Waar rampspoed en vervolging zijn, is trouwe;
Elk ander hartsgevoel maakt plaats, of voedt
Dien nen hartstocht van t verliefd gemoed.
Zoo storten in n zee zich honderd stroomen;
Maar peilloos diep is de onze, en kent geen zoomen.


Ingezonden op: 19 July 2001