TURKSCH LIED.

Het snoer, dat ’k gaf, was schoon en blonk,
De luit, die ’k aanbood, zoet van klank;
Het trouw gemoed, dat beide schonk,
Verdiende een beter loon tot dank.

En heimelijk een tooverkracht
Beheerschte snoer en luit voor mij;
Zij hielden over u de wacht
Toen ’t lot mij afriep van uw zij!

Ik zie ze weder — weder nu!
Wel hebben ze aan hun plicht voldaan;
Helaas! maar waarom spoorden ze u
Niet beter tot den uwen aan?

Dat snoer was sterk in ieder schalm,
Maar duldde een vreemden vinger niet;
Die luit klonk zoet, maar miste galm,
Als gij ze in vreemde handen het.

Het snoer schoot in de hand uiteen
Van die ’t uw blanken hals ontnam;
Hij lassche, zoo hij ’t noodig meen,
’t Weer samen, die het breken kwam!

De luit werd stom, toen zij van de uw’
In vreemde hand moest overgaan,
Hij, die ze ontving — kom! span hij nu
De doode snaren weder aan!

Zij zijn veranderd. Zij als gij!
Het snoer is los, ’t muziek heeft uit;
Vaart samen wel! gaat! ’t is voorbij,
Valsch hart, broos snoer, verstomde luit!


Ingezonden op: 19 July 2001