UIT JOB,

Daar toog een geest voorbij mijn aangezicht;
k Zag heerlijkheid omstraald van eeuwig licht.
t Lag al in slaap gedompeld; k bleef ontwaakt;
Daar stond bij; onbeschrijflijk, maar volmaakt;
Mijn siddrend vleesch kromp saam, mijn oog stond strak,
En t haar rees mij te berge als hij sprak:

Wat mensch zou meer Jan God, wie heilger wezen
Dan Hij, die vlekken tett tot in der englen heir?
Gij wroet in t stof, waaruit gij zijt verrezen,
U overleeft de worm, wat zijt gij meer?
Van gistren zijt ge; eer t morgen is, vergaan ;
En blind voor t licht der wijsheid, door uw waan.


Ingezonden op: 19 July 2001