ALLES IS IJDELHEID’ZEGT DE. PREDIKER.

Macht, wijsheid, rijkdom, liefde, roem
Mocht mijn jong hart verheugen:
Mij liefkoosde der maagden bloem,
Mij schuimden de eelste teugen;
’k Heb mijn hartstochtlijk hart verzaad
Aan schoonheids teerste blikken,
En wat voor weelde en wellust gaat,
Het mocht mij al verkwikken.

Thans onderzoek, maar weet ik niet
Wat dag me ooit was gegeven,
Dien ’k voor wat de aard begeerlijkst biedt,
Nog eens wil over-leven.
Geen dag, geen enkle ure bracht
Me een onvergald genieten;
Geen nieuwe glans bescheen mijn macht,
Of ’k zag zijn ster verschieten.

Zij ook door tooverrijm de beet
Der slang in ’t veld te keeren;
De slang, die in den boezem gleed,
Wie zal haar tand bezweren?
Zij, die de stem der wijsheid tart
En ’t lied der vreugd doet kwijnen,
Nijpt in haar wrongen ’t arme hart,
En spaart er geen venijnen.


Ingezonden op: 19 July 2001