VADERLANDSCHE UITBOEZEMINGEN.

OP HET VELD BIJ HEILIGERLEE.

28 Mei 1868.

Weest, Vorst en Volk! weest mij gegroet,
Op dezen dag der dagen!
Nooit heeft voor ’t vaderlandsch gemoed
Een blijder uur geslagen.
Herinneringen, grootsch en schoon,
Verheffen ’t hart tot jubeltoon;
De aanschouwing onzer oogen
Komt onze vreugd verhoogen.

De meimaand spreidt haar rijkste pracht
Op wegen uit en velden;
Het aardrijk bloeit, de hemel lacht,
Als om Gods gunst te melden.
De vaderlandsche vlag, gesierd
Met blijde oranje-strikken, zwiert…
En wappert om ons henen…
— ORANJE-zelf verschenen!

Wees welkom, welkom, Vorstenpaar,
Uit d’ eelsten stam gesproten!
Wees welkom, onafzienbre schaar
Van Land- en Feestgenooten,
„Wien Neerlandsch bloed door de aadren vloeit,
„Wier hart voor land en koning gloeit,
Die, over veld en vloeden,
U naar dit punt kwaamt spoeden!

Waar staan wij? Op het heuvelzand,
Ter onvergeetbre stede,
Waar NASSAU ’t eerst voor NEDERLAND
Het zwaard rukte uit de scheede;
Waar ’t Vrijheids-vaandel werd ontplooid,
De leus weergalmde: „NU OF NOOIT!”
En ’t „STERVEN OF HERWINNEN!”
Door harten dreunde en zinnen.

Waar staan wij? Op den heilgen grond,
Die ’t edelst bloed zag stroomen,
Maar aan het zwerk, op d’ eigen stond,
Den lichtstraal door zag’ komen,
Die, na een nacht van ’t bangste leed,
De Martelaren hopen deed,
De scheemring, die in ’t oosten
De Ballingen kwam troosten.

Waar staan wij? Waar de strijd begon,
De strijd van tachtig jaren!
Dip niet dan eervol einden kon
En Neerlands grootheid baren.
Waar de Eerste lauwer werd behaald,
Dien, schoon ook eerlang duur betaald,
De hoop als pand beschouwde
Van d’ oogst, die volgen zoude.

O Gij, „ORANJES Rechterhand”,
En aan zijn hart ten zegen,
Met hem, de troost van ’t zuchtend land,
Door raad en daad en degen;
Gij, „Ridder zonder vrees of blaam.”
Graaf LODEWIJK! wiens dierbre naam,
Aan Neerlands naam verbonden,
Onsterflijk is bevonden!

Uw hart was met dit volk geweest,
Van d’ aanvang van zijn lijden;
Hier stondt ge in ’t harnas, onbevreesd
Om voor zijn zaak te strijden.
Uw trouw was trouwe tot den dood!
De degen, hier door u ontbloot,
Is in uw hand gebroken,
Maar nimmer opgestoken.

Hier schaardet gij dat grimmig heir,
Dat gij alleen kondt temmen,
En, tot een strijd om eindloos meer
Dan buit en glorie, stemmen;
Gij, met den hoogen ernst van ’t woord,
Dat dringt in ’t hart van die het hoort;
Gij, op wiens open wezen.
Slechts goedheid was te lezen! (*)

Hier stondt gij, in uw God gerust;
Uw Broeder aan uw zijde
MELANCHTONS en der lettren lust,
Maar even koen ten strijde:
Graaf Adolf, edel, jong en schoon,
Zijn vrome Moeders vierde zoon,
En de eerste, die zijn leven
Voor ’t heiligst recht zou geven.

Hier stond het klooster; stille wijk
Der Norbertijnsche vromen
Daar werd het eerst door LODEWIJK
Des vijands komst vernomen,
Als hij er ’t hart gesterkt had met
Een weinig spijs en veel gebed,
En met gelaat en woorden
De helden, die hem hoorden.

Ginds liep dat smal, dat zorglijk pad,
Langs de „onbetrouwbre gronden” 4),
Dat AREMBERG voor eens betrad,
En nooit heeft weergevonden;
Hier stond bij, met verbolgen hart,
Tot d’ ongeraden strijd getart,
En liet zijn koopren kelen
Het „Geuzendeuntje” spelen.

Hier wachtte hem dat Geuzenrot,
Waarop de Spanjaard smaalde,
Met rijklijkc’ ernst voor laffen spot,
Als ’t hem op ’t vuur onthaalde
Van hinderlagen wél geleid,
En aanviel met een dapperheid,
Die toonde wat zij mochten,
En onder Wien zij vochten!

Hier stoof hem Adolf in ’t gemoet,
Door ’t vurig ros gedragen,
Het oog in vlam, het hart in gloed,
Om ’t al voor ’t al te wagen.
Hier toonde hij zijn heldenaard,
En zocht den Veldheer met, zijn zwaard,
En hadd’ hem ’t hart getroffen…
Als ’t lood hem neer deed ploffen.

Hier wreekte ’t heir zijn vroegen dood,
Met woede niet te toornen.
Eén worstling nog… De vijand vlood
Zijn neerlaag was volkomen.
Naar allen kant uiteengespat,
Zocht hij vergeefs het veilig pad,
En vond zich afgesneden,
Verdrongen en vertreden.

Hier heeft de bodem meegestreęn
Voor die zijn vrijheid kochten,
Met drassig moer, met brokklig veen,
En groene watertochten.
Den vrienden trouw, den vreemden valsch,
Bedroog, verzwolg hij tot den hals
Meer van hun honderdtallen
Dan lood of staal deed vallen.

Hier werd de zegevaan geplant,
Die schooner nog deed hopen!
Hier ging de buit van hand tot hand,
Met ’s vijands bloed bedropen.
Zoo was de leus gestand gedaan
Van „WEDERWINNEN of VERGAAN,” —
Trompetten aan de monden,
Die ’t land de maar verkonden!

Hier werd, met woeste vreugde, op ’t veld
Bespreid met duizend dooden,
Het ros van d’overwonnen Held
Den Winnaar aangeboden;
Maar hier ook stortte LODEWIJK
Een traan bij ’t broederlijke lijk,
Een traan, als heldenoogen
Om helden schreien mogen.

„Graaf ADOLF is gebleven
„In Friesland, in den slag!
„Zijn ziel, in ’t eeuwig leven,
„Verwacht den jongsten dag.”
Voor d’ ongeboren Staat,
Moest met den dood bekoopen
Zijn eerste heldendaad.

Geen bloei van jonge jaren,
Geen vorstlijk edel bloed,
Geen vroege lauwerblaren,
Gewonnen door zijn moed,
Geen broederlijke zorgen,
Geen moederlijk gebed,
Heeft, op dien grootschen morgen,
Dat dierbaar hoofd gered.

Dat dierbaar hoofd moest vallen,
Gelijk een bloem op ’t veld;
De zegepraal vergallen,
En toonen wat zij geldt…
Gij „Herberg der Gemeente!”
Ontvang ’t roemruchtig lijk, —
Eens rijze een praalgesteente,
Zijn rang en deugd ten blijk!

„Graaf ADOLF is gebleven
„In Friesland, in den slag;
„Zijn ziel, in ’t eeuwig leven,
„Verwacht den jongsten dag.”
Graaf LODEWIJK zal volgen;
Graaf HENDRIK, nevens dien
In ’t slaGgewoel verzwolgen,
En nimmer weergezien.

De barre Mookerheide
Verbergt hun eindlijk lot;
Een engel voerde beide
Tot ADOLF en tot GOD.
Graaf JAN daalt, zat van dagen,
In ’t graf niet vreedzaam neer,
Dan na drie zoons, verslagen
Op ’t bloedig veld van eer.

En hij, die om te „ontvangen
„Van God, na ’t zure, ’t zoet,”
Dit eene bleef verlangen
„In ’t vorstelijk gemoed:
„Dat is, dat hij mocht sterven
„Met eeren, in het veld,
„Een eeuwig rijk verwerven,
„Als een getrouwe held;”

Hij, dierbrer aan de harten
Dan de andre vier te zaam,
In dezer tijden smarten,
De liefste en schoonste naam:
ORANJE, meer dan allen
Bemind en half vergood,
Moest door een sluipmoord vallen,
En stierf den marteldood.

O Hemel! toon erbarmen
Aan uw ellendig volk!
Wie zal het nu beschermen?
Wie redden uit de kolk,
De zee, de diepe stroomen,
Het schip van ’t Vaderland,
Nu hij is omgekomen,
Die, RUSTIG IN DEN BRAND
DER GOLVEN EN DER BAREN
, (*)
Aan ’t roer stond, kalm en vast,
Om „met Gods hulp te varen,”
Al kraakten steng en mast?

Schept moed, zijn onderzaten!
Heft op ’t mistroostig hoofd !
God zal u niet verlaten,
Al zijt gij nu beroofd.
Hij zal een redder vormen,
Die u ter hulpe koom —
HET TELGJE, in spijt der stormen,
WORDT METTERTIJD EEN BOOM.

Prins MAURITS, held der helden,
En schranderst legerhoofd!
Wie zal uw roem vermelden,
Door later nooit verdoofd?
De sterkste steden bogen,
Werd slechts uw Komst gemeld,
En de opslag van uw oogen
Sloeg legers uit het veld.

Hoe zegende, onder ’t zweven
Rondom zijn bloedig bed,
Graaf ADOLF ’t hoofd zijns neven
Bij „Groningen gered!”
Hoe vlocht zijn geest hem palmen
En lauwren om de kruIn,
Bij ’t overwinning-galmen,
In Nieuwpoorts roemrijk duin!

Maar toen „DE STEDEDWINGER
Het vrijgevochten land,
Geteekend door Gods vinger,
Gezegend door zijn hand,
Zijn gordel had geschonken
Van Negen sterke steęn —
En straks de vręebazuinen klonken
Zoo ver de zon dit erf bescheen;

Toen ’t VRIJ GEMEENEBEST zijn plaats
En rang nam onder ’s werelds machten,
De dag des goeds den nacht des kwaaus
Vervangen kwam en ’t leed verzachten;

Maar toen, voor aller volken blik,
Het kleinst, maar krachtigst volk der aarde
De macht der vrijheid openbaarde,
Al wat tirannen heet ten schrik;

Toen ’t, door de vrijheid rijk en groot,
Zijn vlag vertoonde in iedre haven,
En van twee werelden de gaven
En schatten opving in zijn schoot;

Toen, toegelachen door haar gunst,
Zijn grond zich ophief, na ’t vertrappen,
De kweekplaats werd der wetenschappen,
Het lievlingsoord van elke kunst;

Een toevlucht voor de Waarheid, lang
Verstooten van bebloede altaren;
Een vrijplaats allen martelaren;
Van godsdienst — en gewetensdwang:

Toen werd met volle hand gemaaid,
Ter schuur gebracht met rijken zegen,
Wat, onder zoo veel storm en regen,
Hier ’t eerst, met tranen was gezaaid.

Toen werd de gulden vrucht geplukt,
Die op den eedlen boom gegroeid was,
Wiens wortel dikwijls blootgerukt
En met het kostbaarst bloed besproeid was.

En nu — hier staan wij, Vorst en Volk!
Een eeuw, en nog een eeuw verdwenen;
Niet altijd heeft de zon geschenen;
Niet zelden dreigde wolk bij wolk.

Soms was de Vrijheid in gevaar;
Soms werd haar dierbaar erf geschonden;
En eenmaal werd, op haar altaar,
Het heilig vuur gedoofd bevonden.

Maar op dit veld, waar ADOLF viel,
Waar LODEWIJK zijn lauwer haalde.
Waar de eerste straal van licht op daalde,
Betuige ’t onze dankbre ziel:

Met NASSAU, met ORANJE aan ’t hoofd,
Beveiligd door zijn staf en degen,
Is ons geen voorrecht ooit ontroofd,
Maar wel ’t verloorne weergekregen.

Die hoogste macht beschikte ’t zoo,
Die over ons dees hemel welfde:
Het bloed der NASSAUS bleef het zelfde,
Van Heilgerlee tot Waterloo.

En zoo, om ’t even van wat kant,
Een vijand dreigde of onheil baarde,
Zien zoudt gij dat het niet ontaardde,
Altijd gereed voor volk en land.

Wij weten ’t, Vorsten, die ik groet!
Waar ’t nood — des Konings bloed zou vloeien
En, met het Uwe, een grond besproeien,
Gedrenkt met Uwer Vaadren bloed.

Zoo lang — (o God! dat niets ons scheid’!) —
ORANJE Neerlands Kroon zal dragen,
Wordt strafloos nooit een hand geslagen
Aan Neerlands Onafhankelijkheid.

Maar ’s Hemels gunst schenkt ons den Vreę,
En, met den Vrede, zegeningen,
Die psalmen tot zijn eer doen zingen,
Van veld tot veld, van ree tot ree.

Ziet om u, Broedren! ’t Slagveld bloeit
Van frissche klaver, golvend koren;
En brood en goud bedekt, de voren,
Waar ’t bloed der helden heeft gevloeid.

’t Moeras draagt oogsten, waar gij ziet;
De dorpen zijn gegroeid tot steden;
Waar elk des levens lieflijkheden
Met onbenepen hart geniet;

Waar elk met lust zijn post betrekt,
Zijn werk verricht en plukt de vruchten;
Waar slechts het misdrijf ’t zwaard moet duchten
Dier Wet, wier schild de goeden dekt.

De wetenschap stalt ons haar licht
Niet enkel uit, maar roert de handen,
En toegepaste kennis sticht
Nieuwe „UNIES VAN DE ZEVEN LANDEN”.

Bracht niet de stoomtrein op dit veld
Het halve vaderland te zamen?…
Een wenk!… De telegraafdraad meldt
In SPANJE ons feest en NASSAUS namen!

Ontwikkling, wel vaart, overvloed,
Nieuwe onderneming, grootsche werken:
Ziedaar; waar God de hand wil sterken.
Ziedaar, wat Vrede en Vrijheid doet.

Vrij — o mijn Volk! wie is ’t als gij.
In uw Oranje-schaűw gezeten?
De tong, de pen, de pers, ’t geweten,
Aanbidding en belijdnis vrij!

Waardeer uw voorrecht, Nederland!
Erken ’t als gift van Gods genade;
Kweek, eer, ontzie het, vroeg en spade:
Versterk het door uw eendrachtsband!

Sticht op dees plaats een eertropee!
Dat een gedenkzuil rijze,
Die ’t roemrijk veld van Heilgerlee
Aan kroost en nakroost wijze,
Van ADOLFS lof de ziel vervull’,
Van LODEWIJK doe hooren,
Van NASSAUS leeuw het eerst gebrul
Herroep voor hart en ooren!
Bestrooi met rozen d’ eersten steen,
Ann wien wij ’t welkom zingen;
Plant bloeiend hout om ’t voetstuk heen,
Meidorens en seringen;
Dat telken jaar, wanneer de Mei
Haar bloemen weer komt schenken,
Een geur zich over ’t land versprei
En hunner doe gedenken!
Maar ook, begraaf er d’ ouden twist
En laat geen nieuw’ ontspruiten!
’t Volk, dat inwendige eendracht mist,
Is zonder kracht naar buiten,
Verbeurt zijn vrijheid, en ’t genot
Van al haar zegeningen,
Verstoort zijn bloei, en zal zijn God
Tot harde lessen dwingen.

Gij niet aldus! De wereld zie
ln u een volk, vereenigd
En krachtig door een wijsheid, die
Geen wonden slaat, maar lenigt;
Een volk dat, vreedzaam, vroom en vroed,
Met zijne ervaring voordeel doet;
Waar allen samenwerken
Om aller hand te sterken!

Waar eerbied heerscht voor ieders recht
En ieders rein bedoelen;
Waar arm en rijk, en heer en knecht
Zich land-genooten voelen;
Waar de eene stand den andren eert,
Geen enkle deugd haar lof ontbeert,
En handen saamgeslagen
Den troon des Konings schragen.

Geen volk dat, voor zichzelven wreed
En met zijn toekomst spelend,
Brooddronken zijn geluk vertreedt,
Uit weeldrigheid krakeelend;
Waar hoogmoed tegen hoogmoed strijdt;
Waar eerzurht afgunst baart en spijt;
Waar lastren en verdenken
Des naasten zielsrust krenken;

Waar godsdiensthaat den godsdienst moordt
En spot met broederplichten;
Maar, waar men leeft naar ’t Heilig Woord,
Dat niet dan goeds kan stichten;
Waar God gevreesd wordt, MET DER DAAD,
Alle ongerechtigheid gehaat,
En ouders kindren leeren
Het best de besten te eeren;

Een volk, door zielegrootheid groot,
Wat aanzien ’t worde onthouden!
Sterk door den sterken BONDGENOOT,
Op wien de Vaadren bouwden;
Van wien ORANJE schreef; tot wien
Ook LODEWIJK had opgezien,
Toen hij, voor ’t oog der aarde,
Den vrijheidskamp aanvaardde.

Zoo moge ’t zijn! De wereld hoor,
Van dees gewijde stede,
Een kreet, die door de wolken boor,
Een duren eed, een bede:
Een kreet van vreugde uit volle borst;
Een eed van trouwaan Volk en Vorst;
Een bęe tot God hierboven,
Wiens liefde en macht wij loven!

God! die de vorsten leidt
Naar uwen wil,
Ieder zijn weg bereidt,
Woelig of stil,
God! die de volken hoedt
Naar uwen raad,
Wonderbaar wijs en goed,
In goed en kwaad;
Die ze in den smeltkroes smelt,
Loutert door druk;
Die al hun leed bestelt,
Al hun geluk:

Zegen met milde hand
Koning en Vaderland;
Sterk onzen eendrachtsband;
Houd NASSAUS Huis in stand;
Weer ieder juk!

Weer ieder dreigend kwaad;
Smoor allen twist en haat;
Stuit elke booze daad;
Ruk al wat schendt en schaadt
Uit onzen hof!

Leer Vorst en Volk zijn plicht
Spaar ons uw strafgericht;
Laat ons het vriendlijk licht
Zien van uw aangezicht!…
U ZIJ DE LOF!


Ingezonden op: 19 July 2001