WELKOMSTGROET

AAN DE LEDEN

VAN HET PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN

IN HUNNE

ALGEMEENE VERGADERING.


Het lid des Bestuurs van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, aan hetwelk de eer te beurt valt de eenmaal ’s jaars te houden gemeene Vergadering als Voorzitter te mogen leiden, ziet zich daarbij de taak beschoren, de vergadering met eene redevoering te openen, waarbij de opzettelijke behandeling van een of ander wetenschappelijk onderwerp aan de eerbiedige herdenking der in den loop des jaars ontvallene leden en aan de noodige vermelding der verdere lotgevallen des Genootschaps, gedurende dat tijdsbestek, voorafgaat. Dit was met mij het geval, den 26sten Juni van het jaar 1867.

Op dienzelfden dag, zou door de Studenten der Utrechtsche Hoogeschool het 46ste lustrum van haar bestaan, met het houden van een  gecostumeerden optocht, gevierd worden, een feest dat het vorige jaar had moeten plaats hebben, maar wegens de, vooral in de academie—stad, sterk heerschende cholera was uitgesteld. Dit samentreffen en de gewichtige tijdsomstandigheden van het vorige jaar  (dat regenjaar!), toen de oorlog in Duitschland gevoerd en de ongehoorde voorspoed van het Pruisische naaldgeweer, aan velen hadden toegeschenen tot een algemeenen oorlog aanleiding te zullen geven, waarvan Nederland, door de „Luxemburgsche questie”, in de eerste plaats, een onvermijdelijk slachtoffer zou zijn, schenen mij vrijheid te geven, eenigszins van den gewonen vorm af te wijken, en mijne medeleden, in plaats van hunne aandacht voor eene verhandeling in proza te vergen, met een Welkomstgroet in verzen te ontvangen, welke eerst op dringend verzoek afzonderlijk uitgegeven, daarna in het jaarverslag des genootschaps opgenomen, ook hier volledigheidshalve niet achterwege blijft. Dat de gecostumeerde optocht met zijn dichterlijk historisch onderwerp: de Intocht van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië, in het jaar hunner echtverbintenis, 1477, in dezen Welkomstgroet een belangrijke plaats besloeg, was in den bezinger der Leidsche Maskerade van 1835 te begrijpen en te vergeven.


Zijt mij gegroet, gij Vaderlandsche Mannen,
Die wetenschap en kunst uw gaven wijdt,
Op elk gebied de neevlen wenscht te bannen,
Die fakkels op den weg der waarheld zijt,
Apollo’s boog zoo krachtig weet te spannen,
En wederom te ontspannen op zijn tijd!
Uit elken oord van ’t Nederlandsch geweste,
Zijt mij gegroet in Utrechts oude veste!

De zomer stort zijn vollen horen uit,
Waar Rijn en Vecht langs boomgaard en priëelen,
En heerensloten vloeit.” Een geurig kruid,
Een blij gebloemt lacht vriendlijk op zijn stelen.
De zegen, dien de korenaar besluit,
Buigt in den halm, waarmeê de windjes spelen.
De tortel vliegt van d’ een tot d’ andren boom;
En de uier van de koeien zwelt van room.

Wat baatte ’t, zoo een vijand ons belaagde,
Een nabuur, tuk op roof, de grenzen schond,
Een hongerig soldaat de boeren plaagde,
Zijn stampend ros in ’t rijpend graanveld zond,
Zijn sabel door den hals van ’t zuiglam jaagde?…
Maar neen! de lieve vrede lacht in ’t rond,
En Tityr, in zijn beukenschaûw gelegen,
Zingt: „Melibé! God schonk ons dezen zegen!”

Hoe anders was die zomer, die verdween,
Neen, wegspoelde in een reeks van regenvlagen!
De wraakfiool der strenge goden scheen
Zich uit te storten in een vloed van plagen.
Dood en verderf spookte aaklig om ons heen.
’t Was jammer en ellende wat wij zagen,
En vorstentwist en krijgsrumoer en moord
En doodslag wat door de oor en werd gehoord.

Rampzalig jaar, dat nog ons ’t hart doet bloeden! —
Heel Duitschland stond in vlammen; als in de eeuw
Toen Wallenstein’s en Tilly’s legers woedden,
Gustaaf Adolf hervoorttrad uit zijn sneeuw
Om Maagdenburg door Leipzig te vergoeden,
En omging, brulde, en sneuvelde als een leeuw,
Of in dien later tijd, toen hij regeerde,
Die molens spaarde en landen annexeerde (*).

Een broederkrijg van ’t Noorden tegen ’t Zuid,
Niet in de nieuwe wereld, maar in de oude
Niet oud genoeg om wijs te zijn, hoe luid ,
De ervaring haar heur lessen ook ontvouwde,
En hoeveel jammren dit rampzalig kruit
En lood haar sinds zijn helsche vinding brouwde!
Goddank! schoon vreeslijk, kort slechts stroomde ’t bloed;
De naaldlont doet haar gruwzaam werk met spoed.

Toch vroegen zich de volkren af met vreezen:
Zal ’t wapenstilstand zijn of waarlijk vreê?”
Nog oorlogzwanger scheen het zwerk te wezen,
Schoon licht van beter hoop het splijten deê
Schoon op het veld van Mars de bogen rezen
Eens Vredetempels, ’t werd mistrouwd; nieuw wee
Aan de aard voorspeld, zoo ras de lente keerde,
Daar Pruisen meer, en Frankrijk wraak begeerde,

„Klein Nederland! wat zal uw noodlot zijn?
Begeerbre prooi voor een der Adelaren,
Elkanderen ter weerzij van den Rijn
Met de oogen reeds verslindende. Laat varen
Den roem van uw zelfstandigheid, uw schijn
Van weerbaarheid! Zoo snel kunt gij de baren
Der zee niet dagen over beemd en veld,
Of overmacht heeft u de wet gesteld.”

Zoo sprak de vrees; zoo kreeg zij moed te spreken
Als Luxemburg het ooft van Eris scheen. ,
De harten der kleinmoedigen bezweken;
Maar Neerlands fiere jonglingschap sprak: „Neen!
Wij staan gereed ons recht, en de eer te wreken
Op ieder die ons aanrandt, een voor een!”
Het Sticht ging voor; maar aller hart ontbrandde
En als een vuur liep ’t wachtwoord door den lande.

Aan dezen trek herkent een kloek geslacht
Zijn nakroost, en de dappre man zijn zonen.
Een traan verschijnt in ’t moederoog, maar ’t lacht
De helden toe. en schaamt zich zorg te toonen.
’t Jaar Dertien en ’t jaar Dertig wordt herdacht;
Straks reiken hun de teedersten der schoonen
Het vaandel toe, gewrocht door eigen hand — (*)
O Scherpe spoorslag! heilig onderpand!

Maar hij, die ’t hart van koningen en heeren,
Naar Zijnen wil, als waterbeken leidt,
Deed hun den vreê niets dan den vreê begeeren,
En laat ons onze rust en veiligheid.
— Neen! vraagt niet voor hoe lang! Laat God regeeren!
Smaakt dankbaar ’t goede, u door zijn hand bereid!
Weest wijs, en laat geen zorg uw vreugd verwoesten,
Maar ook het zwaard, schoon ’t rusten mag, niet roesten.

Hoe rustig praalt, in vollen hoogtijdsdos,
Ons Utrecht, om het feest dier School te vieren,
Die haar groot sieraad uitmaakt en haar trots!
De klokken luien en de vlaggen zwieren;
Zij plunderde den rozengaard en ’t bosch,
Om straat en gracht op ’t luisterrijkst te sieren;
En vroolijk geeft in haar een kloeke jeugd
Zich over aan haar uitgestelde vreugd.

Weest jong met haar en deelt in haar genoegen.
Gij mannen, die der wijsheid tabberd plooit!
Zich naar den toon der gulle vreugd te voegen,
Misduidde zij in hare priesters nooit.
Waar zorg en vlijt de diepste rimpels ploegen
Op ’t voorhoofd en de tijd zijn zilver strooit,
Misstaat geen zachte glimlach, die goedaardig
Haar spelen toejuicht, maar is harer waardig.

Gij zult Maximiljaan — d’ Aartshertog niet,
Wien m’ opdrong om eens keizers rol te spelen,
En aan zichzelv’ laaghartig overliet
Om straks in Iturbide’s lot te deelen: (*)
Maar dien, die op ons Nederlandsch gebied
Veel eers genoot, veel leeds vond, veel krakeelen
Te slechten had, doch stierf in vollen vreê
En toen voor ’t eerst zijn volken schreien deê (*);

Dien Hertog, eerlang Graat van Holland, Koning,
Straks Keizer van het Heilge Roomsche Rijk,
Die Amsterdam. haar diensten ter belooning,
De kroon, die op haar wapen staat te prijk,
Geschonken heeft; dien zult ge in schijnvertooning
Aanschouwen, daar dat Brugge plechtiglijk
Hem inhaalt, dat hem nu wel hoog zal eeren,
Maar later bij een kruidenier logeeren.

Des Stouten schoone dochter, hoog begeerd
Door velen, en beloofd aan meer dan eenen,
Heeft met haar keuze en liefde hem vereerd;
Dies is er vreugde in ’t keizerlijke Weenen
En gramschap aan de Seine, die haast leert
Haar trots te buigen, als, in ’t veld verschenen
Deze arm de heerschzucht straft, die voor een kind
Zoo dier een hand begeerd had en bezind.

Hoe lieflijk is de Roos weer opgeloken,
Door zoo veel leeds, door zoo veel zorgs gedrukt,
Door wreede hand haast van haar steel gebroken,
En voor de borst eens woestaards afgeplukt!
God heeft voor ’t minst bet dierbaarst recht gewroken
Der Weeze van Bourgondië Mislukt
Is ’t echtplan, daar geheel haar hart voor beefde,
Als Gelre ’t hoofd voor Doornik stiet en sneefde. (*)

Hij is haar beter waard, dees jonge Vorst,
Schoon, welgemaakt, welsprekend, edelaardig,
Met ridderlijke deugden in de borst,
Door min voor ’t schoone en reine zeê lofwaardig,
Niet blakend van een ijdlen gloriedorst,
Maar, trouw en goed, voor ’t recht en de eer strijdvaardig;
Dies heeft Zij ’t eens haar afigedrongen pand
Blijmoedig ingewisseld voor haar hand. (*)

Aanschouw haar in haar schoonheid; aangebeden
Van. dien gemaal: dat schittrend oog, dien blos
Van liefde en jeugd, waarmee zij hem haar steden
En staten toont en rondvoert, blijde en trotsch!
Wat kloekheid bij zoo veel bevalligheden!
Hoe moedig .stiert en tergt zij ’t vurig ros,
En schroomt niet, waar het schrikt van drukte en leven…
— Pas op, Vorstin! een paard zal u doen sneven!

Ach! kort slechts duurt de huwlijksvreugde; lang,
Lang zal de rouw des trouwen echtvriends duren.
Wat is ’t geluk? Helaas! Een overgang.
De blijdste bloemen bloeien weinige uren.
Het slot van ’t vreugdelied is treurgezang.
Wel hem, die wijsheid uit verdriet kan puren!
Die taak is de uwe, o Vorst! Waardeer uw ga!
Al uw geluk stort in haar graf haar na.

Hoe vroolijk zweven thans haar de banieren,
In schoone maar bedrieglijke eendracht, voor
Van ’t zestal staten, door de hand te stieren
Van dien zij tot haar heer en voogd verkoor! .
Wat wijsheid eischt de macht! wat kunst! Nu vieren
Dan teuglen; hier den breidel, dáár de spoor!
Blondlokkig jongling, zult gij  altijd raden?
Het paard nooit steigren, en zijne ruiter schaden?

Vraag ’t aan de weduw van Bourgonje, vraag ’t
Der zuster van dien Yorck, wien Warwick. kroonde
En weer ontkroonde; of, zoo ’t haar niet mishaagt,
Vraag ’t haar, wie elk. reeds nu, de tanden toonde;
Aan wier gezag ’t Groot Privilegie knaagt;
Wier raadsliê geen verbolgen grauw verschoon~e;
Wier rouwkleed wier ontsnoerde vlecht, gebeen
En tranen krachtloos bleken op ’t gemeen.

O Tijden! Strijd van staten tegen staten
Niet slechts, maar ook van steden tegen steên!
Van magistraten tegen magistraten,
Verwarringen, beroerten: spoorloosheên!
Partijen, die elkander erflijk haten;
Nu ’t krijgsvolk, straks ’t gepeupel op de been;
Hier ’t beulszwaard, daar de dolk van moordenaren…
Zegt niet dat de oude dagen beter waren.

Toch ziet gij gaarn het leven en de kracht
Dier woelige eeuw voorbijgaan voor uw oogen;
Die burgers vol van toren, gloed en kracht,
Die vorsten kampende om betwist vermogen;
Die ridderwereld in haar laatste pracht;
Dat worstlen, dringen, drijven, werken, pogen
Dat gisten van een tijd, wiens maatschappij
Zich omzet tot een andre, ’t zij hoe ’t zij!

Wel, laat dan deze Maxillilianen,
Maria’s, Margaretha’s, heel dien stoet
Van Eedlen, nu vereenigd om hun vanen,
Bourgonjers, Belgen. Duitschers hoog van moed
Dees Guliks, Kleve’s, Nassaus, Bergs, Irlanen. ,
Met Kerkprelaten van het vorstlijkst bloed
Maar ook dees Schepens, Poorters, Gilde-deken
En Kamerist tot uw verbeelding spreken!

Ja, ook die Kameristen! wier „Fontein”)
Te Brugge springt, om Vlaandren te verrukken
Met sinnespel, ballade, referein,
Kluit, batement
, en andre meesterstukken,
Voor ’t grootste deel Bourgondisch, voor een klein
De taal van ’t land, al vloekt het vreemde jukken!
„PROVINCIAAL WESTVLAAMSCH GENOOTSCHAP,” dat
Mij tot mijn tekst terugvoert, dien ’k vergat.

Mijn tekst, mijn taak! Ik moest u welkom heeten,
Uw raadslag leiden in dees stille zaal,
De hoofden van wie wij verwinnaars weten
Bekronen met het wachtend eermetaal;
Vergeeft, kon ik ’t een oogenblik vergeten,
Mijn broederen, vergeeft het deze maal!
Waar zeekre dingen zeekre snaren raken,
Daar schijnen de oude tonen weer te ontwaken.

Zwijgt, oude tonen, zwijgt! ’t Verleden heeft
Zijn recht, maar heilige eischen heeft het heden.
Hij leeft in ’t heden, die in waarheid leeft
En in de toekomst leven zal met reden.
Wat ooit verbeelding of herinring geeft,
De werklijkheid stelt slechts het hart tevreden.
De taak van heden moet vandaag verricht;
En daar is niets verheevner dan de plicht.

Gij weet het. Om geen dichterlijke droomen,
Geen spelen van de jeugd in momgewaad,
Geen feestlijkheden zijt gij hier gekomen ,
Maar werklijkheid en leven, raad en daad.
Wordt nog van ’t een en ’t andre iets meegenomen.
En ook de disch der vriendschap niet versmaad:
De dienst der wetenschap is uw verlangen,
En tot den dichter spreekt gij: „Staak uw zangen!”

Laat hem nog slechts zoo menig dierbaar hoofd,
Als wederom ten grave zonk, beschreien!
U ’t eerst, die wat gij dáár reeds hadt beloofd
Gehouden hebt, mijn tijdgenoot te Leien,
Tromp! aan de Friesche Themis wreed ontroofd!
En u Verdam! ontvallen aan de reien
Van Neerlands Archimedessen! Uw stem
Heeft Huygens’ eer gewroken; leef met hem!

Paulownia Imperialis tooide
Haar kroon met paarsch gebloemte in Neerlands hof;
Indien voor ’t eerst, voor u voor ’t laatst, en strooide
Haar blaadren op uw graf, met onzen lof,
Japansche Siebold! — Ach, hoe somber plooide
Zich veler voorhoofd, als uw doodsmaar trof,
Pareau! Gij de eer van Gruno’s godgeleerden,
Wien tot uw dood verknochte volgers eerden. —

Moest eindlijk, Wijnbeek! ons zoo lang gespaard,
En dierbaar aan zoo velen als beseffen
Wat gij der School, en ’t Land door deze, waart,
De dood uw eerbiedwaarden schedel treffen? —
Kon kennis van al de artsenij der aard
Geen Luber aan ’t gemeene lot ontheffen?
Ontvielt ge ons Brunsveld, kenner van onze Oost!
En Rappard! — maar wiens Broeder ons nog troost.

Uw tijd was daar. — Ook de uwe! In weinig dagen
Verslond verborgen Wf uw levenskracht,
Claas Mulder!  — Reeds was ’t eermetaal geslagen,
Door dankbre liefde vroolijk toegebracht,
Daar werd uw dierbaar Iijk naar ’t graf gedragen
Lafaille! Ruste uw beider assche zacht! ,
Met Zimmerman’s, wiens dood het Weeshuis klagen
En Jammren doet met al wat braafheid acht:
Moge aller naam in aller werken leven
Hun roem aan veler vlijt den spoorslag geven!

Wij leven nog, mijn Broedren! Voor hoe lang
Of kort, weet Hij, die alle levensdraden
In handen heeft, en al de hulde ontvang’
Van ’t geen wij goeds vermogen of beraden
En daar wij lof voor oogsten, lof of dank!
Gesdachten wisslen als in ’t woud de bladen.
Zij, daar ons blad nog groen is, gave en tijd
Aan de eer van God en menschlijk heil gewijd!

Brengt leliën en uitvaartgaven
Met volle handen aan!
Strooit purpren rozen op de graven
En frissche lauwerblaân!
’t Is zoet die hulde aan hen te schenken,
Zij ’t ook vermengd met pijn,
Die velen hunner doen gedenken,
Dewijl zij ’t waardig zijn.

Maar ook de les, die ’t graf doet hooren,
Waar allen henen gaan,
Ga voor geen manlijk hart verloren,
En worde wel verstaan!
„GEDENKT TE STERVEN!” ruischt langs zerken
En zoden ons in ’t oor:
„GEDENKT TE LEVEN EN TE WERKEN!”
Klinkt daar met nadruk door.

Niet noodig is het dat wij leven,
Maar dat wij werken,
” riep
Een koning uit, door ’t vuur gedreven.
Dat nimmer in hem sliep. (*)
Een werkloos leven wordt tot zonde;
’t Is ballast, hoe men ’t kleur.
Onze is de spreuk van Aldegonde:
          „REPOS AILLEURS!”


Ingezonden op: 19 July 2001