BEGOOCHELING,

Zeg niet: de vreugde der jonkheid is kort,
Vluchtig haar schoon, ras haar bloemen verdord!
Hij, wien haar weelde nog zalig doet wezen,
Spot met uw wijsheid en lacht met uw vreezen,
Zeg niet: de vreugde der jonkheid is kort.

Zeg niet: de liefde is iets wuftig in de vrouw,
Zinlijk haar teerheid en ijdel haar trouw!
Hij, die zijn heil van haar lippen blijft wachten
Lacht met uw wrevel en spot met uw klachten.
Zeg niet: de liefde is iets wufts in de vrouw.

Zeg niet: het vuur van de geestdrift verkoelt,
Wat u verrukt wordt eens nauwlijks gevoeld!
Hem, wien haar vlammen de borst nog doen gloren,
Meent in die taal slechts uw koelheid te hooren,
Zeg niet: het vuur van de geestdrift verkoelt.

Eens komt de tijd, dat ik wijs ben als gij;
Eens toont de wereld haar dwaasheid ook mij;
Maar in de lente aan den winter te denken
Zou me in t genot van haar zaligheid krenken.
Eens komt de tijd, dat ik wijs ben als gij.


Ingezonden op: 19 July 2001