BRENDA.

De vorm is lieflijk, die uw schoone ziel omsluit,
En zuiver is die ziel en schittert heerlijk uit;
Ze is „als een blinkend zwaard in een fluweel en scheede”;
Maar zonder scherpte of spits voor wien zij zich ontbloot,
Een werktuig slechts van liefde en vrede,
En dat met wonden dreigt noch dood.

O gij, die niemand kwetst, wie zou U kwetsen kunnen?
Die al wat leeft bemint, wie leeft en mint u niet?
Wie, dien gij d’ aanblik van uw lief gelaat wilt gunnen,
Die niet in iedren trek uw vriendlijk harte ziet?
Wien, die uw zachte stem slechts eenmaal aan mocht hooren
Verrukte niet die toon, zoo liefdrijk en zoo zacht?…
— O gij, die allen kunt bekoren,
Zeg, zijt gij van een aardsch geslacht?
Dan zeker zijt ge in ’s hemels gunst geboren,
Opdat gij, schoon naar lichaam en naar ziel,
Een menschdom, dat bet beeld der godheid heeft verloren.
Herinn’ren zoudt van welk een toestand het verviel.


Ingezonden op: 19 July 2001