BIJ EEN KIND.

Wat slaapt het zacht, op t blauwsatijnen kussen,
t Onschuldig kind in t derde levensjaar!
Hoe geestig dringt zich t poezel handje tusschen
t Azuur der zijde en t goud van t vochtig haar:
Wat schuilt er glad een voorhoofdje in die lokken;
Hoe kleurt de slaap die wangen gloeiend rood,
En heeft, als hij het mondje half ontsloot,
De kleine lip ten glimlach opgetrokken!

O, laat me een kus op t mollig knietje geven,
In argloosheid en eenvoud blootgewoeld!
Gij zult toch niet ontwaken, als gij t voelt?
De slaap is vast in t derde jaar van t leven.
Daar komt een tijd als geen vermoeidheid baat
Om t brandend hoofd in sluimering te sussen,
Wanneer de rust de valsche peluw haat
Maar gij slaapt zacht op t blauwsatijnen kussen.

Gelukkig kind; ik wenschte als gij te zijn!
Gij wenscht nog niets in droomen noch in waken;
Maar eenmaal zult gij dwaze wenschen slaken,
Als andren u vergapende aan den schijn.
O, t is nog niet op dit gelaat te lezen,
Maar nog een viertal jaren, en gij ziet
Benijdend op tot wie volwassen hiet.
Lief kind! dat zal uw eerste dwaasheid wezen.

Volwassenen, ja! weten wie zij zijn;
Die kennis dwingt tot schreien hen of blozen.
Gij kent geen blos dan der gezondheid rozen;
Van tranen voelt gij t vocht, maar niet de pijn,
Gij weet nog niets, begrijpt nog niets, ziet de aarde
Verwonderd, maar met gretige oogen, aan,
En gist niet, hoeveel vreugd u zal vergaan,
Zoo ras voor u dat raadsel zich verklaarde!

Uw vader gaat gebukt van stille smart;
Uw moeder weent bij t doodsbed van haar moeder;
De dorst naar eer verslindt uw oudsten broeder;
Bedrogen hoop verteert uw zusters hart;
Die t brak, vergaat van wroeging, niet te sussen;
En ik, die bij dees rustbank nederkniel,
Beschrei de zwak-, de krankheid van mijn ziel
Gij! slaapt nog zacht op t blauwsatijnen kussen.

Gij droomt misschien een blijden kinderdroom.
Wij droomen kind! wij droomen als wij waken,
Opdat wij ons den slaap onrustig maken:
Opdat de zorg ons pijnige en de schroom.
En wij, zijn z van boosheid als doordrongen,
Dat in den slaap de zonde ons niet verlaat
Dat we in den droom nog dienaars zijn van t kwaad!
Gij weet nog met wat kwaad is, lieve jongen!

En allen toch zijn wij als gij geweest;
En toen wij ook zoo schuldloos nederlagen
Toen konden zij niet gissen, die ons zagen,
Wat eenmaal om zou gaan in onzen geest;
Wat beker ons Gods wijsheid in zou schenken .
Hoe onze hand dien beker nemen zou;
En of wij, in beproevingen en rouw,
Aan Hem of aan de Wereld zouden denken!

Gij, zult gij nooit, als stugge of woeste knaap
Hen grieven, die u t leven, alles gaven?
Als jongling aan geen hartstocht u verslaven,
Die u de deugd zou rooven, met dien slaap?
Nooit schandlijk vuur in stinkend water blusschen?
Geen heilig God verloochnen in uw hart?
Wat wacht u? Schuld met weelde, of deugd met smart?
Nog slaapt gij zacht op t blauwsatijnen kussen.

O, Dat u leed en wroeging zij gespaard!
Dat de aarde u nooit den hemel moge ontrooven!
Dat bidt mijn hart voor u van God hierboven
Met haar, die u in smarte heeft gebaard.
Leer zelf reeds vroeg te bidden, in de jaren
Van stil geloof en opgewekt gevoel,
En leer het nooit vergeten, in t gewoel
Der wereld, die geen middelen zal sparen!

Eens zal de dood de vonk van t leven blusschen
Dat gij in vreugde en argloosheid begint:
Wel u, indien gij t sterfbed zalig vindt,
En harder niet dan t blauwsatijnen kussen,
Waarop ik u zag sluimeren als kind!


Ingezonden op: 19 July 2001