REEDS DAAGT HET IN HET OOSTEN.

(Eene oude Romance vernieuwd.)

Om dit oude volkslied wel te verstaan, moet men zich de zaak op de volgende wijs voorstellen. Twee Ridders dingen naar de hand en de gunsten een en zelfde Schoone. In blakenden minnenijd ontmoeten zij elkander bij een lindeboom. trekken hunne zwaarden, en een hunner bluft op de plaats dood. De overwinnaar, gerust op zijne zege, ijlt de Jonkvrouw van zijn hart te gemoet en noodigt haar uit met hem te vluchten.

 


DE RIDDER.

1.

Het daghet uyt den Oosten
Het licht schynt overal,
Hoe weinig weet de lieffte
Waer dat ick heenen zal
Doe weignigh weet de lieffte, ja de lieffte

1.

Reeds daagt het in het Oosten
Het schemert overal.
Hoe weinig weet de
Waar ik haar brengen zal!

2.

Waren t al myn vrinden,
Dat myn vyanden zyn,
Ick voerde uy uyt de lande
Myn troeft, myn minnekyn, enz.

2.

Zoo t al mijn vrienden waren,
Die mijn belagers zijn,
Ik voerde u uit den lande,
Lieftallig maagdelijn!

DE JONKVROUW

3.

Werwaerts wout ghy my voeren
Stout Ruyter welghemoet?

3.

Werwaarts zoudt gij mij voeren,
Kloekmoedig Ridder! waar?

DE RIDDER.

U onder de lindeboom groene,
Myn troost, myn waerde groet, enz,

Naar t groene lindelommer
Mijn liefje, volg mij daar.

DE JONKVROUW.

4.

Ick legg in myn liefs armen,
Met grooter eewaerdigheid:
Ick legg in myn liefs armen,
Stout Ruyter wel ghemoet, enz.

4.

Ik lig in mijn liefs armen,
In deugd en onschuld neer,
Ik lig in mijn liefs armen,
Kloekmoedig Edelheer!

DE RIDDER.

5.

Leght ghy in uw liefs armen,
Bylo dat is niet waer:
Gaet onder de linde groene,
Verslagen soo lgt hy daer, enz.

 

5.

Ligt gij in uw liefs armen,
Die tijd is om, voorwaar!
Ga, zoek hem bij de linde,
Verslagen ligt hij daar.

 

6.

Het Mensjen nam haer mantel,
En Ick ging eenen gang,
U onder de linde groene,
Daar Ick hem verslaghen vant, enz.

6.

De Schoone neemt haar mantel,
Door schrik en angst ontsteld,
En vliegt naar t lindelommer,
En vindt haar Lief geveld.

DE JONKVROUW

7.

Och legh gy hier veslaghen,
Versmoort al in uw bloedt:
Dit heeft ghedaen uw roemen,
En uwe hooghe moet, enz.

 

7.

Ach! ligt gij daar verslagen,
Versmoord in al uw bloed?
Dat heeft gedaan uw roemen
En uw vermeetle moed.

 

8.

Och legh gy hier verslaghen,
Die my te troosten plach?
Wat hebdy my naghelaten,
So menighen droeven dagh, enz.

8.

Ach! ligt gij daar verslagen
Die mij te troosten placht?
Hoe zal ik u beweenen,
Beweenen dag en nacht!

 

9.

Het Mensjen keerde haer omme,
En sy ging eenen gang,
En voer  haer Baders poorte,
Die syder ontsloten vant, enz.

 

9.

De Schoone drukt den drempel
Van t hooge burcht portaal,
En weeklaagt om haar minnaar,
En stort zich in de zaal.

 

DE JONKVROUW.

10.

En is hier niemant inne,
Noch Heer noch Edelman:
Die my nu desen dooden
Ter aerden helpen kan, enz.

 

10.

Ach, is hier niemand, niemand,
Noch Heer noch Edelman,
Die mij nu dezen doode
Ter aarde helpen kan?

 

11.

De Heeren sweghen stille,
En gaven gheen gheluyt,
Het Mensjen keerde haer omme,
En ging al weenend uyt, enz.

 

11.

Maar al de ridders zwegen,
Gevoelloos voor haar lot;
En schreiend keert zij weder
Van t Vaderlijk Slot.

 

12.

Met haren geelen hayren,
Dat syder t bloedt of vreef
Met haer snee-witter handen,
Dat sy syn wonden verbondt, enz.

 

12.

Zij reinigt hem de leden
Metr lokken lang en blond;
Met lelieblanke handen
Verbindt zij wond bij wond.

 

13.

Met syne blancke swaerde,
Dat syder dat grafje groef,
Met haren blancken armen,
Dat sy hen ter aerden droegh, enz.

 

13.

Zij graaft den Held een rustplaats
Met eigen blinkend zwaard;
En met haar sneeuwwitte armen
Legt zij hem neer in de aard.

 

14.

Mat haren blancken handen,
Da syder het belletjen klonck,
Met hare heldere keele,
Dat sy de Biligie song, enz.

 

14.

Zij zelve luidt de doodklok
Met handen teer en schoon;
Zij zelve zingt de lijkmis,
Op zilverklaren kroon

 

DE JONKVROUW.

15.

Nu wil ick my begheven
In kleyn kloosterkijn;
En draghen de swarte wylen
Ter eere de lieffte mijn.
En draghen de swarte wylen

15.

Nu wil ik, booze wereld!
Uw snood gewoel ontgaan;
Ter eere van mijn liefste
Neem ik den sluier aan.

 


Ingezonden op: 19 July 2001