HOOGMOED,

Aan Mr. W. J. C, VAN HASSELT.
O, Zeg niet: „hij is trotsch!” als zijn hart zich verheugt
In den schittrenden glans van zijn blinkende jeugd,
In zijn ruischende krone van groenende blaren,
In den lichtstraal des roos, die zijn naamcijfer kleurt,
In de mirte en de roos, die men vlocht door zijn snaren
In den wierook des lofs, waar zijn kleeding van geurt!

Want dat al gaat voorbij en zal kort slechts hem streelen; Ieder dag heeft zijn nacht, en haar worm ieder bloem;
Eener vallende ster is de glans van den roem;
En zijn kroon is een pronk, waar de tijden mee spelen,
Is een leengoed, van eignaar verwisslend en nooit
Een onschendbaar geheel met de kruin, die zij tooit;
En misschien… Neen gewis! is het kind reeds geboren,
Aan wie na hem de hulde en de krans zal behooren.
Ander licht, andere oogen, een andere kreet!
En de tijd is nabij, die zijn schijnsel vergeet.

O, Zeg niet: „hij is trotsch!” als zijn hart zich verheft
Waar zijn adem de ziel in uw binnenste treft,
Waar hij oogen doet schittren en wangen doet gloeien,
Waar de schoonheid hem eert met een blos en een traan,
Als de woorden der gave zijn lippen ontvloelen,
En het licht der verrukking hem op is gegaan.
Want die gave is des hemels, dat licht is van boven!
’t Is Gods kracht in zijn zwakheid, Gods sterkte in zijn stem;
En bij weet dat hij niets is, maar alles door Hem,
Wiens vrijmachtige goedheid de serafien loven!
Dat de rente dier schatten behoort aan den Heer,
Die ze hem heeft betrouwd, met de glorie en de eer!
Dat hij glorie en eer Hem verschuldigd moet weten;
Dat hij eenmaal en glorie en eer moet vergeten,
Met een hart, waar de geest des Apostels in huist.
Die niets voornam te weten dan „Christus gekruist.”


Ingezonden op: 19 July 2001