EENS KUSERS KLACHT.

Vertrouw den matten glimlach niet,
Die omdwaalt op mijn dor gelaat,
Welks doodlijk bleek het zielsverdriet,
Dat aan mijn hartaar knaagt, verraadt;
Maar minder nog die valsche vreugd,
Wier dartIe woestheid u verheugt.

Die glimlach schijne u kalm en zacht:
Hij veinst. hij liegt; geloof hem nooit!
De weemoed heeft hem voortgebracht,
De smart mijn lippen dus geplooid;
ít Is ít blosje, waar de wang van gloort
Eens jonglings, wien een tering moordt.

En toch, beklaag mijn toestand niet,
Zoolang die lach mijn mond omzweeft;
Dan draag ik lijdzaam mijn verdriet,
En niets verzet zich of weerstreeft;
Dan, onderworpen aan mijn wil,
Is al mijn droefheid kalm en stil.

Maar als die glimlach mij verlaat,
Een hooge blos mijn kaak ontsteekt,
Mijn kalmte in woestheid overgaat,
Die vurig uit mijn blikken spreekt:
O! heb dan deernis met den strijd
Van een, die dan verschriklijkst lijdt!

Want als ik blijdst en vroolijk schijn,
En enkel scherts ben, luim en geest;
Dan krimpt mij ít hart van zielepijn,
Dan foltert mij mijn weemoed ít meest:
O! waan dien staat mijn blijdsten niet,
Het is mijn wanhoop, die gij ziet.

Ha! zoo ik schertse en juiche en lach,
ít Is razernij van ít brekend hart;
Wat u. genoegen schijnen mag,
Is met dan overmaat van smart,
Van smart, die kracht en geest vernielt;
Een kranke lacht zoo ó maar hij ielt!

Alleen des avonds, als, in ít woud,
De zon, bereid ter rust te gaan,
Nog om de toppen draalt van ít hout,
Dan waait mij troost in ít koeltje aan,
En ít voorgevoel eens vroegen doods
Verkwikt mij voor een korte poos.

Ja sterven, sterven! onberoemd!
Zoo jong, en echter onbeklaagd,
Als een voorbijgegaan gebloemtí,
Den worm met waardig, die ít doorknaagt;
Ja! sterven! en slechts hierin groot,
Dat bij niet aanklaagt wie hem doodt!


Ingezonden op: 19 July 2001